Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6429

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
c05241554
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering nietigverklaring erkenning door biologische vader toegewezen op grond van misbruik van omstandigheden. Bijzondere omstandigheden aan zijde vrouw; kwetsbare en afhankelijke positie; angst dat kind zou worden weggehaald door jeugdzorg gevoed door man. Geen sprake van verjaring; invloed man heeft nog enkele jaren doorgewerkt.

Afwijzing van vordering tot doorhaling van de bij gelegenheid van de erkenning gekozen geslachtsnaam; vrouw geen belang; kind krijgt door de nietigverklaring van de erkenning van rechtswege de geslachtsnaam van de vrouw.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 44
Burgerlijk Wetboek Boek 1 205
Burgerlijk Wetboek Boek 3 52
Burgerlijk Wetboek Boek 1 204
Burgerlijk Wetboek Boek 1 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0038
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/241554 / FA RK 13-11210

Datum uitspraak: 27 november 2013

beschikking

in de zaak van

[naam] (nader te noemen: de vrouw),

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M.J.S. Linssen te Waardenburg, gemeente Neerijnen,

tegen

[naam] (nader te noemen: de man),

wonende te [woonplaats].

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 januari 2013;

  • -

    het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland van 27 maart 2013;

  • -

    de beschikking van de rechtbank Gelderland van 1 mei 2013 tot benoeming van een bijzonder curator;

  • -

    de brief van mr. C.J.M. van Gruijthuijsen-van Gent, bijzonder curator, ingekomen op 18 juni 2013;

  • -

    de brief namens de vrouw, ingekomen op 2 augustus 2013;

  • -

    de brief van de officier van justitie, ingekomen op 21 oktober 2013.

Gehoord ter terechtzitting met gesloten deuren van 23 oktober 2013:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat voornoemd en

  • -

    de bijzonder curator, mr. C.J.M. van Gruijthuijsen-van Gent.

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De feiten

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren het thans nog minderjarige kind:

- [naam], geboren op [datum] 2009 te [geboorteplaats] (nader te noemen: [het minderjarige kind]).

De man heeft [het minderjarige kind] op [datum] 2009 erkend. Partijen hebben bij die gelegenheid aangegeven dat [het minderjarige kind] de geslachtsnaam van de man zal hebben.

De vordering

De vrouw heeft aanvankelijk gevorderd de erkenning van het vaderschap van de man over [het minderjarige kind] nietig te verklaren met doorhaling van de bij gelegenheid van de erkenning gekozen geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam man]’, zodat de geslachtsnaam van [het minderjarige kind] ‘[geslachtsnaam vrouw]’ luidt. Na wijziging van (het eerste deel van) haar vordering ter zitting, vordert zij thans de vernietiging van haar toestemming voor de erkenning van [het minderjarige kind] door de man.

Ter onderbouwing van haar vordering stelt de vrouw dat (haar toestemming voor) de erkenning tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden door de man als bedoeld in artikel 3:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waardoor haar toestemming voor de erkenning en daarmee de erkenning en de geslachtsnaamkeuze vernietigbaar zijn. Partijen kregen een relatie toen de vrouw 19 jaar oud was. De vrouw raakte vrij snel zwanger van de man en op [geboortedatum] 2009 is [het minderjarige kind] geboren. Ten tijde van de aangifte van [het minderjarige kind] bij de burgerlijke stand op [datum]2009 heeft de man [het minderjarige kind] erkend. De vrouw kwam er toen achter dat de man twintig jaar ouder was dan hij had verteld. Ook kwam de vrouw er tijdens de relatie achter dat de man meerdere keren getrouwd was geweest, meerdere kinderen had bij verschillende vrouwen en een strafblad had. Volgens de vrouw verkeerde zij in een erg afhankelijke positie ten opzichte van de man, mishandelde de man haar en dreigde hij ermee dat [het minderjarige kind] bij haar zou worden weggehaald door jeugdzorg, als zij niet zou instemmen met de erkenning. De man heeft op deze manier misbruik van de situatie gemaakt, waardoor haar toestemming voor de erkenning en daarmee de erkenning en de geslachtsnaamkeuze moeten worden vernietigd, aldus de vrouw.

De man heeft geen verweer gevoerd.

De beoordeling

De vrouw heeft haar vordering aangebracht middels een dagvaardingsprocedure. Deze rechtbank (voorheen: rechtbank Oost-Nederland) heeft in haar vonnis van 27 maart 2013 echter bevolen dat de onderhavige procedure moet worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftenprocedure en heeft de zaak verwezen naar de familierechter van deze rechtbank. Op grond van artikel 1:212 BW heeft de rechtbank Gelderland vervolgens bij beschikking van 1 mei 2013 een bijzonder curator benoemd over [het minderjarige kind].

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:205 BW een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan worden ingediend bij de rechtbank op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is. Dat laatste is in de onderhavige zaak niet aan de orde. Het staat immers vast dat de man de biologische vader van [het minderjarige kind] is. Dit betekent dat de verzoekschriftenprocedure in dit geval is uitgesloten. Nu de vrouw haar vordering baseert op artikel 3:44 BW heeft zij gekozen voor de juiste rechtsingang door de zaak bij dagvaarding aanhangig te maken (vgl. Rechtbank Alkmaar 10 november 2004, LJN: AR5519 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 april 2007, LJN: BA5685). Aangezien de rechtbank op grond van artikel 71 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering echter aan de verwijzing is gebonden, zal de zaak worden afgedaan bij beschikking.

De rechtbank stelt voorop dat het verlenen van toestemming door de vrouw voor de erkenning van [het minderjarige kind] als een rechtshandeling moet worden gekwalificeerd. Ter onderbouwing van haar vordering beroept de vrouw zich op artikel 3:44 lid 1 BW. Op grond van dat artikel is een rechtshandeling vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Voor het vaststellen van misbruik van omstandigheden dient ingevolge lid 4 van voormeld artikel sprake te zijn van:

- bijzondere omstandigheden: de een moet ten opzichte van de ander een zwakke positie innemen;

- causaal verband: zou de vrouw de toestemming niet (of niet op dezelfde voorwaarden) hebben gegeven als het misbruik niet had plaatsgevonden?

- een ander bevordert de totstandkoming van de rechtshandeling;

- kenbaarheid en

- misbruik.

Het beoordelingsmoment van het misbruik ziet op de omstandigheden ten tijde van de rechtshandeling, in dit geval het geven van de toestemming voor de erkenning.

In het onderhavige geval is sprake van een jongmeerderjarige vrouw (19 jaar) die zwanger raakte van een 44-jarige man. Op dat moment woonde de vrouw bij haar grootmoeder. De vrouw heeft verklaard dat het AMK naar aanleiding van een melding onderzoek deed, omdat zij geen inkomen en geen goede woonruimte had (de vrouw zou niet bij haar grootmoeder kunnen blijven wonen na de geboorte van haar kind). Het AMK maakte zich zorgen over het welzijn van haar (toen nog) ongeboren kind. De vrouw was hierdoor erg bang dat haar kind na de geboorte bij haar zou worden weggehaald, zeker omdat zij in haar jeugd zelf met jeugdzorg te maken heeft gehad en zij niet wilde dat haar kind hetzelfde zou overkomen. Uiteindelijk heeft de vrouw eigen woonruimte (een kamer van 12 m2) betrokken, waarvoor de man - die op dat moment naar eigen zeggen nog bij zijn toenmalige partner woonde - de huur betaalde. De vrouw was op dat moment niet in staat haar weg naar de betreffende instanties te vinden. Vier dagen na de geboorte van [het minderjarige kind] zijn de vrouw en de man naar de burgerlijke stand gegaan voor de aangifte van [het minderjarige kind] en de erkenning. De rechtbank acht op basis van de stukken en de verklaringen van de vrouw ter zitting voldoende aannemelijk dat bij het geven van de toestemming voor de erkenning de angst van de vrouw dat haar kind zou worden afgenomen door jeugdzorg een belangrijke rol heeft gespeeld. De man heeft volgens de vrouw meerdere malen ermee gedreigd dat [het minderjarige kind] bij haar zou worden weggehaald als zij niet zou instemmen met de erkenning (en zij [het minderjarige kind] niet de geslachtsnaam van de man zou geven).

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de vrouw als gevolg van bijzondere omstandigheden en haar kwetsbaarheid in een afhankelijke positie tegenover de vijfentwintig jaar oudere man verkeerde. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat deze omstandigheden haar ertoe hebben gedwongen haar toestemming voor de erkenning te geven. Hierbij speelt tevens een rol dat de vrouw haar toestemming voor de erkenning vlak na de bevalling heeft gegeven en het een feit van algemene bekendheid is dat vrouwen in het kraambed afhankelijk en kwetsbaar zijn en niet in hun normale doen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de man wist of had moeten begrijpen dat de vrouw door deze omstandigheden werd bewogen, gelet op haar situatie en jonge leeftijd. De man wist dat haar toestemming voor een groot deel was ingegeven door haar angst dat [het minderjarige kind] bij haar zou worden weggehaald en heeft deze angst zelfs gevoed. In deze omstandigheden had hij op dat moment de toestemming voor de erkenning niet behoren te vragen en had hij de gang naar de burgerlijke stand om te erkennen behoren uit te stellen. Door dat niet te doen, heeft hij misbruik van de situatie gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan ervan worden uitgegaan dat de vrouw haar toestemming zonder de gegeven omstandigheden niet had gegeven en de erkenning daardoor niet tot stand zou zijn gekomen.

Voorts overweegt de rechtbank dat rechtsvorderingen tot vernietiging van een rechtshandeling in geval van misbruik van omstandigheden ingevolge artikel 3:52 BW verjaren drie jaren nadat deze invloed heeft opgehouden te werken. In dit kader acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat, zoals namens de vrouw is gesteld, de invloed van de man op de vrouw na de erkenning nog een aantal jaar heeft gewerkt. Na de erkenning bezocht de man de vrouw een aantal keer per week en mishandelde en bedreigde hij haar regelmatig, aldus de vrouw. De vrouw heeft deze situatie voort laten duren, omdat zij bang was voor de gevolgen als zij de man zou ‘verlaten’. Pas in 2011 hebben hulpinstanties haar ertoe kunnen bewegen om te vertrekken uit [plaats] en hebben zij haar geholpen om in een begeleid wonen traject terecht te komen. In diezelfde tijd heeft zij de stap durven nemen aangifte tegen de man te doen in verband met mishandeling en bedreiging. Op dat moment heeft de invloed van de man pas opgehouden te werken. In deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat de vordering van de vrouw tot vernietiging van haar toestemming voor de erkenning niet is verjaard.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:204 lid 1 aanhef en sub c BW is een erkenning nietig, indien zij is gedaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder (indien het kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt). De toestemming is ook vereist als de man de verwekker is van het kind. Van een rechtsgeldige toestemming kan echter geen sprake zijn indien de toestemming onder invloed van een wilsgebrek, zoals misbruik van omstandigheden, tot stand is gekomen. Nu de rechtbank de toestemming van de vrouw voor de erkenning van [het minderjarige kind] door de man zal vernietigen, vloeit daaruit voort dat de erkenning door de man op grond van artikel 1:204 lid 1 sub c BW nietig is.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de vrouw geen belang heeft bij haar vordering tot doorhaling van de bij gelegenheid van de erkenning gekozen geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam man]’, zodat de geslachtsnaam van [het minderjarige kind] ‘[geslachtsnaam vrouw]’ luidt. Door nietigverklaring van de erkenning wordt de erkenning immers geacht nooit te hebben plaatsgevonden, waardoor er geen rechtsgevolgen zijn opgetreden. Dit betekent dat [het minderjarige kind] alleen in familierechtelijke betrekking tot de vrouw staat en op basis van artikel 1:5 lid 1 BW van rechtswege de geslachtsnaam van de vrouw krijgt.

De beslissing

De rechtbank

1.

vernietigt de toestemming van de vrouw voor de erkenning van [het minderjarige kind], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], door de man;

2.

verklaart de erkenning van [het minderjarige kind], geboren op [geboortedatum]2009 te

[geboorteplaats] door de man nietig;

3.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I. de Bruin, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.I. van Amsterdam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.V.R. van Raaij als griffier en in het openbaar uitgesproken door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn op 27 november 2013.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.