Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6420

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
10-02-2014
Zaaknummer
252807
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag statutair bestuurder; vraag of aannemelijk is dat de bodemrechter in een bodemgeschil het ontslagbesluit van de aandeelhouder zal vernietigen. Het ontslagbesluit wordt vooralsnog als geldig aangemerkt. Dit kort geding leent zich niet voor een nader onderzoek naar de vraag of sprake is van valse of voorgewende redenen op grond waarvan het ontslag kennelijk onredelijk zou zijn. Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0141

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/252807 / KG ZA 13-586

Vonnis in kort geding van 11 december 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. B.E.J.M. Tomlow te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLYCOLIN SHARES B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zaltbommel,

gedaagde,

advocaat mr. N. van Gelder LL.M te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Blycolin genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling op 18 november 2013 en de voortzetting daarvan op 27 november 2013

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van Blycolin.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Blycolin (de rechtsvoorganger van Womitex Holding B.V.) is 100% aandeelhouder van Blycolin Textile Services B.V. (voorheen Womitex B.V.). Blycolin Textile is een onderneming die in hoofdzaak haar bedrijf heeft in het verhuren van textiel (beddengoed, badgoed en tafellinnen) aan horeca zoals hotels, restaurants en bungalowparken.

2.2.

Omstreeks 2004 zijn de aandelen van Womitex Holding overgedragen aan Rabo Capital en Berk III, twee private equity fondsen.

2.3.

[eiser] heeft op 1 april 2010 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met Womitex Holding, ingaande op diezelfde datum. Krachtens die overeenkomst trad [eiser] bij Womitex Holding in dienst als financieel directeur. Het salaris is vastgesteld op een bedrag van € 7.000,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, een bonusregeling van maximaal 15% van het bruto jaarsalaris en een onkostenvergoeding van € 100,00 netto per maand. Bij gebleken geschiktheid zou het salaris na zes maanden verhoogd worden naar € 7.500,00. Aan [eiser] is een mobiele telefoon, een computer en een auto ter beschikking gesteld. Het bruto maandsalaris van [eiser] bedroeg laatstelijk € 7.773,66 per maand.

2.4.

Door de algemene vergadering van aandeelhouders van Womitex Holding is op 16 april 2010 besloten [eiser] als statutair directeur te benoemen. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel is vermeld dat [eiser] sinds 1 april 2010 als bestuurder in functie is. [naam] is tevens bestuurder (algemeen directeur) van Womitex Holding.

2.5.

Sinds medio 2012 zijn de aandeelhouders van Womitex Holding met diverse partijen in onderhandeling getreden om tot verkoop van de aandelen te komen. In het voorjaar van 2013 is een letter of intent opgesteld tussen de aandeelhouders van Womitex Holding en Blycolin Group B.V. (vanaf 16 oktober 2013 Blycolin Group International B.V.), inhoudende dat alle aandelen worden overgedragen aan Blycolin Group.

2.6.

Ten behoeve van de aandelenoverdracht is op 11 juli 2013 een closing agenda belegd, waarbij [eiser] als bestuurder van Womitex Holding aanwezig was. Aan het einde van die bijeenkomst is aan [eiser] een brief uitgereikt, die een uitnodiging bevatte voor een algemene vergadering van aandeelhouders van Womitex Holding op 19 juli 2013. Als agendapunt voor die vergadering was vermeld het voorgenomen ontslag van [eiser] in hoedanigheid van bestuurder van Womitex Holding. Verder was in de brief vermeld dat [eiser] de gelegenheid zou krijgen om zijn mening te geven over het voorgenomen ontslag en dat [eiser] in de gelegenheid zou worden gesteld om zijn raadgevende stem te geven conform artikel 2:227 lid 7 BW.

2.7.

[naam] heeft op datzelfde moment een brief ontvangen waarin hij werd uitgenodigd om diezelfde vergadering bij te wonen en waarin werd aangegeven dat hij in de gelegenheid zou worden gesteld om zijn raadgevende stem te geven.

2.8.

Op 18 juli 2013 heeft [eiser] [naam], CFO van Blycolin Group International, (cc aan [naam] en [naam], die per 11 juli 2013 was benoemd als statutair bestuurder -CEO- van Womitex Holding/Blycolin) een e-mail gestuurd, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

A.s. vrijdag 19 juli 2013 staat de AVA gepland waarin mijn voorgenomen ontslag als statutair bestuurder op de agenda staat. Afgelopen vrijdag 12 juni 2013 heb ik, tijdens ons overleg voorafgaande aan de communicatie richting ons personeel, reeds aan jou en [naam] gevraagd wat ik daar kan verwachten, waarbij ik als antwoord kreeg dat ik dat dan wel zou zien.

Aangezien ik tijdens de AVA mijn mening mag geven over het voorgenomen ontslag zou ik graag van jullie de motivatie hieromtrent vernemen, zodat ik mij hierop tijdig kan voorbereiden.

2.9.

Op 19 juli 2013 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van Womitex Holding/Blycolin plaatsgevonden. [eiser] was daarbij niet aanwezig. Na afloop van de vergadering heeft [eiser] per e-mail een brief ontvangen waarin onder meer het volgende is opgenomen:

Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van Womitex Holding B.V., gehouden op 19 juli 2013, is het besluit genomen u met onmiddellijke ingang te ontslaan in hoedanigheid van bestuurder van Womitex Holding B.V. Tevens is besloten u met onmiddellijke ingang te schorsen, hangende de beëindiging van uw arbeidsovereenkomst.

Voor de goede orde bevestigen wij hierbij dat uw arbeidsovereenkomst als gevolg van uw ontslag in hoedanigheid van bestuurder van Womitex Holding B.V. van rechtswege, met inachtneming van de opzegtermijn van (afgerond) 3 maanden, zal eindigen per 1 november 2013.

U wordt verzocht alle in uw bezit zijnde bedrijfseigendommen, waaronder begrepen maar uitdrukkelijk niet beperkt tot de sleutels, bankpassen en laptop (doch met uitzondering van de auto en de mobiele telefoon), met onmiddellijke ingang te retourneren.

2.10.

Op 22 juli 2013 is aan alle medewerkers van alle aan Womitex Holding gelieerde vennootschappen een e-mail gezonden waarin het volgende is vermeld:

Aan alle medewerkers van Womitex Holding B.V., Womitex B.V., Womitex BVBA en Womitex Mietwäscheservice GmbH,

De bestuurders van Womitex Holding B.V. hebben mij gevraagd u te informeren m.b.t.:

“Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van Womitex Holding B.V., gehouden op 19 juli 2013, is het besluit genomen om [eiser] met onmiddellijke ingang te ontslaan in de hoedanigheid van bestuurder van Womitex Holding. Tevens is besloten [eiser] met onmiddellijke ingang te schorsen.

Voorlopig zullen de taken worden waargenomen door de bestuurders van Womitex Holding B.V. en [naam].

Het bestuur vertrouwt erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.”

Met vriendelijke groeten,

[naam]

2.11.

Bij brief van 5 augustus 2013 heeft de advocaat van Blycolin [eiser] de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van Womitex Holding doen toekomen. In deze notulen is onder meer het volgende opgenomen:

Aanwezig:

1. Blycolin Group B.V., hierna te noemen de “Aandeelhouder”, (…), houder van 100% van het aandelenkapitaal van Womitex Holding B.V., door middel van een schriftelijke volmacht rechtsgeldig vertegenwoordigd door [naam];

2. [naam], bestuurder van Womitex Holding B.V. (…),

3. [naam], raadsman van de Aandeelhouder en Womitex Holding B.V., in persoon.

De algemene vergadering van aandeelhouders benoemt [naam] tot Voorzitter en [naam] tot Secretaris.

(…)

De voorzitter geeft aan dat de Aandeelhouder het voornemen heeft [eiser] met onmiddellijke ingang te ontslaan in hoedanigheid van bestuurder van Womitex Holding B.V. en hem met onmiddellijke ingang te schorsen, hangende de beëindiging van zijn dienstverband per 1 november 2013. De reden voor dit voorgenomen ontslag is dat de Aandeelhouder er onvoldoende vertrouwen in heeft dat [eiser] in hoedanigheid van bestuurder de belangen van de Vennootschap adequaat zal kunnen behartigen.

De voorzitter constateert dat [eiser] niet is verschenen. Gelet hierop lijkt het de Voorzitter weinig zinvol om een nadere uiteenzetting te geven van de redenen voor het voorgenomen ontslag. Aangezien [eiser] vooraf geen melding heeft gemaakt van zijn afwezigheid vraagt de Voorzitter aan [naam] of hij weet of [eiser] voornemens is te verschijnen, dan wel of hij op de hoogte is van een reden waarom [eiser] niet is verschenen. [naam] geeft aan dat hij net als [eiser] voorafgaand aan de vergadering geen toelichting heeft ontvangen inzake het voorgenomen ontslag.

De Voorzitter stelt [naam] in de gelegenheid gebruik te maken van zijn raadgevende stem. [naam] verklaart – als gezegd – geen gegevens te hebben ontvangen, als gevolg waarvan hij geen gebruik kan maken van zijn raadgevende stem.

De Voorzitter schorst de vergadering teneinde ruggespraak te houden met de Aandeelhouder. Na hervatting van de vergadering – en mede in aanmerking genomen het standpunt van [naam] als uiteengezet – gaat de Voorzitter alsnog over tot het geven van een onderbouwing van de redenen die aanleiding hebben gegeven tot het voorgenomen ontslag. De Aandeelhouder heeft onvoldoende vertrouwen dat [eiser] in hoedanigheid van bestuurder de belangen van de Vennootschap adequaat zal kunnen behartigen. Dit gebrek aan vertrouwen is ontstaan gedurende het traject dat uiteindelijk heeft geresulteerd in de verwerving van de aandelen in de Vennootschap. De Aandeelhouder is van mening dat [eiser] onvoldoende ‘in control’ is als financieel directeur. Ter illustratie hiervan worden de navolgende voorbeelden genoemd:

 de jaarrekeningen van de Belgische dochtervennootschap van de Vennootschap klopten niet;

 [eiser] heeft gedurende het due diligence proces herhaaldelijk desgevraagd aangegeven dat de aandelen in de Vennootschap (alsook Womitex B.V.) niet waren verpand aan de bank. Eerst ter gelegenheid van de ‘closing’ werd duidelijk dat wel degelijk sprake was van een verpanding aan de bank;

 het door [eiser] opgestelde budget over het lopende financiële jaar riep de nodige vragen op. De Raad van Commissarissen van de Vennootschap had bezwaren tegen het budget, meer in het bijzonder over de haalbaarheid ervan. [eiser] bleef echter onverkort vasthouden aan het door hem opgestelde budget, ook toen duidelijk was geworden dat het niet haalbaar was;

 de P&Q analyse. [eiser] bleek niet in staat om een adequate analyse te maken, laat staan dat hij in staat was gebruik te maken van de P&Q systematiek. Er waren externe adviseurs nodig om [eiser] wegwijs te maken in de P&Q systematiek. Dit acht de Aandeelhouder onacceptabel voor een financieel directeur;

 [eiser] heeft verzuimd om tijdig de instemmingsverklaring van de 403-verklaring te deponeren;

 [eiser] heeft in het kader van het due diligence proces desgevraagd herhaaldelijk uitdrukkelijk bevestigd dat bij Womitex B.V. geen sprake was langdurige arbeidsongeschikte werknemers. Vervolgens bleek dat wel degelijk sprake is van een geval van langdurige arbeidsongeschiktheid;

 gedurende het overnametraject heeft ook medebestuurder van de Vennootschap, [naam], te kennen gegeven onvoldoende vertrouwen te hebben in het functioneren van [eiser]. Dit heeft de Aandeelhouder niet gesterkt in haar vertrouwen in [eiser].

De Voorzitter stelt vervolgens [naam] wederom in de gelegenheid gebruik te maken van zijn raadgevende stem. [naam] herhaalt geen gegevens te hebben ontvangen, als gevolg waarvan hij geen gebruik kan maken van zijn raadgevende stem. De Voorzitter geeft aan dat [naam] zojuist de uiteenzetting heeft kunnen aanhoren, als gevolg waarvan hij thans wel in staat zou moeten zijn gebruik te maken van zijn raadgevende stem. De Voorzitter geeft aan te hechten aan een raadgevende stem van [naam], mede in aanmerking genomen zijn eerdere mededeling aan de Aandeelhouder dat ook hij onvoldoende vertrouwen heeft in het functioneren van [eiser]. [naam] volhardt in zijn standpunt.

De Voorzitter verklaart dat de Aandeelhouder na ampel beraad besluit [eiser] met onmiddellijke ingang te ontslaan in hoedanigheid van bestuurder van de Vennootschap. De Voorzitter verklaart voorts dat het ontslag van [eiser] in hoedanigheid van bestuurder van de Vennootschap resulteert in de beeindiging van rechtswege van de tussen [eiser] en de Vennootschap bestaande arbeidsovereenkomst per 1 november 2013, zulks met inachtneming van de geldende opzegtermijn van 3 maanden. Tenslotte verklaart de Voorzitter dat de Aandeelhouder besluit de [eiser], in afwachting van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met onmiddellijke ingang te schorsen.

2.12.

Bij e-mailbericht van 8 augustus 2013 heeft [naam] [naam] het volgende medegedeeld:

(…)

Verder wil ik je hierbij reeds aangeven dat ik het niet eens ben met de formulering van de notulen van de AVA van 12 juli jongstleden ten kantore van [naam].

(…)

De tekst waar ik het niet mee eens ben heb ik in rood aangegeven.

- gedurende het overnametraject heeft ook medebestuurder van de Vennootschap, [naam], te kennen gegeven onvoldoende vertrouwen te hebben in het functioneren van [eiser]

Ik heb gedurende het overnametraject nooit een uitspraak met die strekking gedaan.

De Voorzitter geeft aan te hechten aan een raadgevende stem van [naam], mede in aanmerking genomen zijn eerdere mededeling aan de Aandeelhouder dat ook hij onvoldoende vertrouwen heeft in het functioneren van [eiser]. [naam] volhardt in zijn standpunt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter

primair

Blycolin veroordeelt om aan [eiser] door te betalen het overeengekomen salaris ad

€ 7.773,66 bruto per maand vanaf 1 november 2013 tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen hem en Blycolin rechtsgeldig beëindigd zal zijn,

subsidiair

A. Blycolin veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag ter hoogte van € 80.000,00 als voorschot op een schadevergoeding in verband met de kennelijke onredelijkheid van het ontslag,

B. een zodanige beslissing neemt als hij in goede justitie meent te behoren,

C. Blycolin veroordeelt in de kosten van deze procedure, en

D. Blycolin veroordeelt in de nakosten, aan de zijde van [eiser], begroot op € 131,00 zonder dat betekening van het vonnis zal plaatshebben, vermeerderd met een bedrag van

€ 68,00 indien en voor zover Blycolin niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordeling zal voldoen en het vonnis om die reden betekend dien te worden, voorts vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten van € 131,00 vanaf de vijftiende dag na aanschrijving van Blycolin, alsmede in geval van betekening van het vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten van € 68,00 vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis, telkens tot de dag van volledige betaling.

3.2.

[eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Volgens [eiser] is sprake van een vernietigbaar ontslag, nu hij onvoldoende gebruik heeft kunnen maken van zijn raadgevende stem. Voorafgaand aan de algemene vergadering van aandeelhouders zijn [eiser] geen gronden voor het ontslag gegeven, waardoor een goede voorbereiding op de vergadering onmogelijk was. [eiser] heeft uitdrukkelijk verzocht om de gronden, maar heeft hierop geen reactie gekregen. Gelet op de vele verwijten die [eiser] worden gemaakt, had het op de weg van Blycolin gelegen om [eiser] voorafgaand aan de vergadering hiervan op de hoogte te stellen, zodat [eiser] zich hierop had kunnen voorbereiden. Door dit na te laten, is de raadgevende stem van [eiser] illusoir geworden, waardoor het ontslag vernietigbaar is. Tevens is het niet verstrekken van de gronden voorafgaand aan de vergadering in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Volgens [eiser] duurt het dienstverband van hem dan ook voort en is Womitex Holding, althans Blycolin gehouden het loon van [eiser] na 1 november 2013 door te betalen, hetgeen [eiser] primair vordert.

Subsdiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat Womitex Holding valse/voorgewende redenen heeft aangevoerd voor het gegeven ontslag. Womitex Holding heeft gesteld dat sprake is van een gebrek aan vertrouwen en heeft daartoe meerdere voorbeelden genoemd. Deze voorbeelden zijn onjuist, waardoor de reden van het ontslag vals of voorgewend is. [eiser] heeft een uitstekende staat van dienst en op zijn functioneren is in drie jaar tijd geen enkele vorm van kritiek geweest. Verder is het ontslag kennelijk onredelijk op grond van het gevolgencriterium. [eiser] is per 1 november 2013 aangewezen op een WW-uitkering, die 70% bedraagt van het maximum dagloon. Voor [eiser] is geen enkele voorziening getroffen, terwijl zijn verwachte werkeloosheid volgens de website www.hoelangwerkloos.nl 316 dagen bedraagt. De gevolgen van het ontslag zijn voor [eiser] dan ook te ernstig vergeleken met het belang van Womitex Holding bij het ontslag. Daarbij speelt het e-mailbericht dat Womitex Holding naar alle werknemers heeft gestuurd een rol, in die zin dat de inhoud van dit bericht de persoon van [eiser] heeft beschadigd. Er zijn na het versturen van het bericht geruchten de ronde gegaan dat sprake was van ernstig wangedrag door [eiser]. Subsidiair vordert [eiser] dan ook betaling van een bedrag van € 80.000,00 als voorschot op de vergoeding van de schade ten gevolge van het kennelijk onredelijk ontslag.

3.3.

Blycolin voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2.

De eerste vraag die in dit kort geding beantwoord moet worden, is of aannemelijk is dat de bodemrechter in een bodemgeschil het ontslagbesluit van de aandeelhouder van Womitex Holding/Blycolin zal vernietigen.

4.3.

[eiser] heeft onder meer aangevoerd dat hij op grond van artikel 2:227 lid 7 BW in de gelegenheid had moeten worden gesteld zijn advies uit te brengen in de algemene vergadering van aandeelhouders. [eiser] stelt dat hij voorafgaand aan de algemene vergadering van aandeelhouders niet op de hoogte is gesteld van de reden(en) van zijn ontslag, terwijl hij daar wel uitdrukkelijk meerdere malen om heeft gevraagd. Volgens [eiser] heeft Womitex Holding hem bewust de gronden voor zijn ontslag onthouden teneinde zijn raadgevende stem inhoudsloos te maken, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 2:8 BW. Blycolin heeft dit weersproken. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

4.4.

Artikel 2:227 lid 7 BW bepaalt dat bestuurders van een besloten vennootschap als zodanig in de algemene vergadering van aandeelhouders een raadgevende stem hebben. Dit is een regel van dwingend recht, die ook in acht moet worden genomen indien het ontslag van een bestuurder op de agenda staat (Hoge Raad 10 maart 1995, NJ 1995, 595). De ratio van de regel is dat bestuurders, in het belang van het functioneren van de vennootschap, in de gelegenheid moeten worden gesteld van hun visie te doen blijken opdat de aandeelhouders daarmee bij hun stemgedrag rekening kunnen houden. Bij niet-naleving van dit voorschrift is het betreffende besluit vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 BW.

4.5.

Vast staat dat [eiser] bij brief van 11 juli 2013 – en daarmee tijdig – is opgeroepen voor de algemene vergadering van aandeelhouders. Het was hem vanaf dat moment duidelijk dat zijn ontslag als bestuurder op de agenda stond. [eiser] heeft de CFO van Blycolin Group International vervolgens tweemaal (eenmaal mondeling en eenmaal per e-mail) verzocht om de gronden van zijn ontslag te verstrekken. [eiser] heeft daarop echter geen antwoord gekregen. Vervolgens heeft op 19 juli 2013 de algemene vergadering van aandeelhouders plaatsgevonden. [eiser] was daarbij niet aanwezig.

4.6.

Artikel 2:224 lid 1 BW bepaalt dat de oproepingsbrief voor de algemene vergadering van aandeelhouders de te behandelen onderwerpen tijdens die vergadering dient te vermelden. [eiser] heeft als productie 6 overgelegd de uitnodiging van 11 juli 2013 voor de algemene vergadering van aandeelhouders op 19 juli 2013, waarin is vermeld dat het enige onderwerp op de agenda het voorgenomen ontslag van [eiser] in hoedanigheid van bestuurder van Womitex Holding was. Daarmee is voldaan aan het vereiste in artikel 2:224 lid 1 BW. Dat in de oproepingsbrief ook de gronden voor het voorgenomen ontslag moeten zijn vermeld, zoals [eiser] heeft gesteld, vindt geen steun in de wet. Evenmin volgt dit uit (vaste) jurisprudentie of vloeit dit voort uit artikel 2:8 BW. Een vergadering als de onderhavige dient als een gedachtewisseling, waarbij ook nieuwe feiten aan de orde kunnen komen. De bestuurder(s) dient/dienen tijdens een dergelijke vergadering in staat te worden gesteld zijn/hun raadgevende stem (advies) over het voorgenomen ontslag te geven, waarna hierover tussen de aandeelhouder(s) en de bestuurder(s) kan worden gesproken. Dat [eiser] om hem moverende redenen niet is verschenen op die vergadering op 19 juli 2013 komt voor zijn eigen rekening en risico. Op dat moment had hij immers van de aandeelhouder kunnen vernemen wat de redenen van zijn ontslag waren en de onderbouwing hiervan, waarna [eiser] daarop had zijn visie had kunnen geven en daarover zijn raadgevende stem had kunnen uitbrengen.

4.7.

Het beroep van [eiser] op de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 juni 2011, RO 2011, 54, kan niet leiden tot een ander oordeel, nu de feiten in die zaak anders liggen. Zo was aan de bestuurder in die zaak voorafgaand aan de vergadering de hoofdreden van zijn ontslag kenbaar gemaakt en had de bestuurder hierop schriftelijk gereageerd. Vervolgens was hij niet verschenen tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders, gedurende welke nieuwe feiten ter onderbouwing van het ontslag van de bestuurder werden besproken. Volgens de rechtbank kon in dat geval van een gedachtewisseling over nieuwe feiten geen sprake zijn omdat zij pas naar voren werden gebracht op de vergadering waar de bestuurder niet was omdat hij meende – en ook mocht menen – dat hij zich reeds tegen alle tegen hem aangevoerde feiten had verweerd. Het standpunt van de vennootschap dat het omdat de bestuurder afwezig was voor zijn risico kwam dat op de vergadering nieuwe feiten/ontslaggronden aan de orde kwamen zonder dat hij daarvan weet had, vond volgens de rechtbank geen steun in het recht. Wat hier verder van zij, nu in het onderhavige geval aan [eiser] nog geen redenen voor het ontslag waren gegeven voorafgaand aan de vergadering kan deze uitspraak niet op één lijn worden gesteld met de onderhavige zaak.

4.8.

Geconcludeerd kan dan ook worden dat [eiser] (tijdig) is uitgenodigd voor de algemene vergadering van aandeelhouders teneinde hem de gelegenheid te geven te reageren op het voornemen van de aandeelhouder om hem te ontslaan en zijn raadgevende stem hierover uit te brengen. Dat de gronden van het ontslag voorafgaand aan die vergadering niet beschikbaar zijn gesteld aan [eiser] leidt er voorshands geoordeeld niet toe dat sprake is van een vernietigbaar besluit. Dit betekent dat het besluit van de aandeelhouder van Blycolin van 19 juli 2013 om [eiser] als statutair directeur te ontslaan vooralsnog als geldig wordt aangemerkt. De primaire vordering van [eiser] zal dan ook worden afgewezen.

4.9.

Hiermee is eveneens een einde gekomen aan de arbeidsrechtelijke relatie tussen partijen. Ook overigens is het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 15 april 2005, JOR 2005, 144 en JOR 2005, 145) dat de bepalingen 2:134 en 2:244 BW ertoe strekken te bewerkstelligen dat door een ontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding, zodat een ontslagbesluit in beginsel tevens beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder tot gevolg heeft. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat of indien partijen anders zijn overeengekomen. Gesteld noch gebleken is dat dit het geval is.

4.10.

Ten aanzien van de subsidiaire vordering geldt dat [eiser] heeft gesteld dat het ontslagbesluit is gebaseerd op valse of voorgewende redenen en op die grond kennelijk onredelijk is. Van een kennelijk onredelijk ontslag wegens een valse of voorgewende reden is slechts sprake indien de aangedragen ontslaggronden in werkelijkheid niet de redenen vormden voor het ontslag teneinde de werkelijke ontslaggrond te verbloemen. Met het woord ‘kennelijk’ wordt aangegeven dat de onredelijkheid voor een ieder duidelijk moet zijn. Bij de beoordeling van de vraag of het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, moeten alle aangevoerde en juist bevonden omstandigheden tezamen en in onderling verband beschouwd, in aanmerking worden genomen. Volgens vaste jurisprudentie moet de kennelijke onredelijkheid worden gesteld en zonodig worden bewezen door de werknemer.

[eiser] dient dus in dit kort geding aannemelijk te maken dat de reden voor zijn ontslag voorgewend of vals is.

4.11.

Womitex Holding heeft als reden voor het ontslag een gebrek aan vertrouwen in [eiser] aangevoerd. Hiervan heeft Womitex tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders diverse voorbeelden gegeven. Deze voorbeelden zijn opgenomen in de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders.

4.12.

Als eerste voorbeeld van het gebrek aan vertrouwen is door de aandeelhouder genoemd dat de jaarrekeningen van de Belgische dochtervennootschap van Womitex niet klopten. [eiser] heeft te dien aanzien opgemerkt dat de statutaire jaarrekening minimaal afweek van de interne cijfers, nadat deze door de Belgische accountant definitief was opgemaakt, hetgeen een algemeen aanvaard fenomeen zou zijn. Dat de jaarrekening niet klopte is niet juist volgens [eiser], aangezien deze nog opgemaakt moest worden, terwijl de cijfers voor consolidatiedoeleinden volstonden. Volgens Blycolin ging het evenwel niet om de mate van afwijking, maar over de omstandigheid dat uit de tijdens het due diligence onderzoek over Womitex BVBA verkregen door [eiser] opgestelde jaarcijfers duidelijk werd dat deze op verschillende onderdelen niet correct waren. Zo werd niet afgeschreven op de oprichtingskosten, was geen voorziening opgenomen voor dubieuze debiteuren en was sprake van een positieve vennootschapsbelasting, hetgeen niet mogelijk is. Deze onregelmatigheden zijn uiteindelijk hersteld, waarna de jaarrekening is goedgekeurd.

4.13.

Als tweede punt ter onderbouwing van het gebrek aan vertrouwen in [eiser] is aangevoerd dat [eiser] gedurende het due diligence proces herhaaldelijk desgevraagd heeft verklaard dat de aandelen in Womitex Holding (alsook Womitex B.V.) niet waren verpand aan de bank, terwijl later bij de ‘closing’ bleek dat wel sprake was van een verpanding. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat aan hem enkel was gevraagd of de te verkopen aandelen van de holding aan de bank waren verpand, hetgeen niet zo was. Dat heeft [eiser] ook verklaard. Enkel de aandelen van Womitex B.V. waren verpand, hetgeen was aangetekend in het aandeelhoudersregister, dat vrij toegankelijk was voor de aandeelhouders. Namens Blycolin is dit weersproken. Daartoe heeft zij aangevoerd dat in het kader van het due diligence onderzoek de documentatie van alle bij de verkoop betrokken Womitex vennootschappen beschikbaar diende te worden gesteld, hetgeen ook blijkt uit de dataroom indexlijst. Uit die lijst blijkt tevens dat het aandeelhoudersregister van Womitex B.V. niet beschikbaar was, als gevolg waarvan [eiser] is gevraagd te bevestigen of de aandelen van beide vennootschappen al dan niet verpand waren. [eiser] heeft vervolgens geantwoord dat de aandelen niet verpand waren, hetgeen later niet juist bleek te zijn.

4.14.

De aandeelhouders hebben als derde reden voor het gebrek aan vertrouwen aangevoerd dat het door [eiser] opgestelde budget over het lopende financiële jaar vragen opriep en dat de Raad van Commissarissen (RvC) bezwaren had tegen het budget, meer in het bijzonder over de haalbaarheid ervan. [eiser] bleef onverkort vasthouden aan het door hem opgestelde budget, ook toen duidelijk was geworden dat het niet haalbaar was. [eiser] heeft ten aanzien hiervan verklaard dat [naam] en hij al in het eerste kwartaal hadden aangegeven dat het budget niet haalbaar was, maar dat aanpassingen niet werden geduld door de oude aandeelhouders. Tijdens de due diligence is er ook vanuit gegaan dat het budget niet haalbaar was. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eiser] twee e-mailberichten overgelegd van 28 februari 2013. Blycolin heeft dit betwist en gesteld dat uit door haar overgelegde notulen van een algemene vergadering van aandeelhouders bleek dat het netto resultaat fors achterbleef op het budget en dat tijdens een vergadering van de RvC bleek dat [eiser] ter toelichting op het budget zou hebben verklaard dat de resultaten over 2013 in Nederland zouden verbeteren. Uit de notulen blijkt tevens dat de RvC het management de vrijheid heeft gegeven met betrekking tot het budget, terwijl inmiddels duidelijk is geworden dat het door [eiser] bepaalde budget niet zal worden gehaald. Uit de door [eiser] overgelegde e-mailberichten blijkt volgens Blycolin niet dat de aandeelhouders zich zouden hebben verzet tegen aanpassing van het budget.

4.15.

Als vierde punt is in de notulen opgenomen dat [eiser] niet in staat bleek om een adequate P&Q analyse te maken en dat hij evenmin in staat was gebruik te maken van de P&Q systematiek. Daarvoor waren externe adviseurs nodig, hetgeen onacceptabel wordt geacht voor een financieel directeur. [eiser] heeft verklaard dat hij slechts heeft aangegeven dat de gevraagde gegevens niet zomaar uit het door Womitex Holding gehanteerde administratiesysteem konden worden gehaald, maar dat daartoe eerst een ‘query’ door een programmeur gebouwd moest worden. Blycolin heeft daarentegen gesteld dat de reden waarom zij om een P&Q rapportage vroeg, was dat [eiser] niet in staat bleek antwoord te geven op de vraag waarom de omzet daalde, informatie waarover een financieel directeur dient te beschikken. Accountants waren vervolgens nodig om [eiser] wegwijs te maken in het financieel administratieve systeem.

4.16.

Ten vijfde zou [eiser] in het kader van het due diligence proces desgevraagd herhaaldelijk uitdrukkelijk hebben bevestigd dat bij Womitex B.V. geen sprake was langdurig arbeidsongeschikte werknemers, waarna bleek dat dat wel zo was. In reactie hierop heeft [eiser] verklaard dat gericht is gevraagd naar [naam], die langdurig arbeidsongeschikt is geweest. [eiser] is er mee bekend dat aan [naam] vragen zijn gesteld over [naam], die een half jaar arbeidsongeschikt was, waarbij er discussie is geweest of een half jaar als langdurig moest worden aangemerkt. Verder zou de arbeidsovereenkomst van [naam] op 1 september 2013 van rechtswege eindigen. Blycolin heeft hiertegen aangevoerd dat ten aanzien van [naam] om nadere informatie is verzocht, waarna de vraag is gesteld of sprake was van andere werknemers die arbeidsongeschikt, zwanger of lid van een vakbond waren. Ter onderbouwing hiervan heeft Blycolin verwezen naar de Q&A documentatie waaruit (ook) blijkt, aldus Blycolin, dat de door [eiser] gegeven antwoorden uitsluitend betrekking hebben op zwangerschap. Later bleek dat wel sprake was van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer.

4.17.

Als zesde punt heeft de aandeelhouder aangevoerd dat [eiser] had verzuimd om tijdig een instemmingsverklaring (de zogenaamde 403-verklaring) te deponeren. [eiser] heeft verklaard dat dit een miscommunicatie tussen hem en de accountant van Womitex Holding betrof. Over 2010 en 2012 is de verklaring wel gedeponeerd en uiteindelijk is ruim voor de overdracht de verklaring over 2011 alsnog gedeponeerd. Blycolin heeft aangevoerd dat het niet deponeren van een dergelijke verklaring betekent dat niet wordt voldaan aan de vereisten inzake publicatie van de jaarrekening en dat dit een grond kan zijn voor wanbeleid van de statutair directeur. De instemmingsverklaringen over 2010 en 2012 zijn volgens Blycolin pas zes dagen voor de closing gedeponeerd.

4.18.

Ten slotte is als reden voor ontslag aangevoerd dat [naam] gedurende het overnametraject te kennen had gegeven onvoldoende vertrouwen te hebben in het functioneren van [eiser]. [eiser] heeft dit uitdrukkelijk weersproken en daartoe verwezen naar een e-mail van [naam] waarin hij betwist dat hij een dergelijke uitlating zou hebben gedaan. Blycolin heeft vraagtekens geplaatst bij de geloofwaardigheid van de verklaringen van [naam]. In de dagvaarding wordt een schriftelijke verklaring van [naam] geciteerd, terwijl dat deel van het citaat niet is terug te vinden in de verklaring zelf. Daarnaast refereert [naam] in een tweede verklaring aan een bespreking met [naam], maar dit betreft een andere bespreking waar niet over [eiser] is gesproken, aldus Blycolin.

4.19.

Ter zitting is gebleken dat tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders slechts enkele voorbeelden zijn aangehaald, maar dat er nog andere incidenten zijn geweest. Ter onderbouwing hiervan heeft Blycolin als productie 5 een overzicht van openstaande kwesties tijdens het due diligence onderzoek overgelegd. Hierin is opgenomen dat niet zou zijn voldaan aan regelingen in de CAO betreffende pensioen, dat de jaarrekening over 2006 niet zou zijn vastgesteld, dat [eiser] een overeenkomst voor tien jaar zou hebben gesloten met een wasserij, dat [eiser] leningen zou hebben verstrekt aan derden (wasserijen), dat een boete bij de Duitse fiscus zou zijn verschuldigd omdat de administratie zonder toestemming in Nederland zou zijn gevoerd en dat [eiser] met klanten gemaakte afspraken over chipregistratie niet zou zijn nagekomen. Ook deze punten heeft [eiser] gemotiveerd betwist, waarna Blycolin ter zitting haar standpunt ten aanzien van diverse punten heeft toegelicht en de stellingen van [eiser] heeft weersproken.

4.20.

Nu partijen over en weer het nodige hebben aangevoerd en de standpunten dermate ver uiteen liggen, is om over al deze punten een goed oordeel te kunnen vormen, een gedegen onderzoek naar de feiten noodzakelijk. Een kort geding leent zich evenwel niet voor een dergelijk grondig onderzoek, daarvoor is een bodemprocedure de geëigende weg.

In het bestek van dit kort geding kan aldus niet worden vastgesteld of sprake is van valse of voorgewende redenen op grond waarvan het ontslag kennelijk onredelijk zou zijn. Alleen in het geval dat zulks eenvoudig vast te stellen zou zijn, kunnen termen aanwezig zijn om [eiser] in een procedure als de onderhavige een voorschot op de schadevergoeding toe te kennen. Gelet op het gevoerde partijdebat is dat vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden.

4.21.

[eiser] stelt voorts dat het ontslag zonder schadevergoeding kennelijk onredelijk is, omdat hij vanaf 1 november 2013 een WW-uitkering ontvangt, die slechts 70% van het maximum dagloon (zijnde 35% van zijn laatste salaris) bedraagt, dat er voor hem geen enkele voorziening is getroffen, terwijl zijn verwachte werkloosheidsduur volgens de website www.hoelangwerkloos.nl 316 dagen zal zijn. De gevolgen van het ontslag zijn voor [eiser] dan ook te ernstig vergeleken met het belang van Womitex bij het ontslag.

4.22.

Naar de voorzieningenrechter begrijpt, doet [eiser] een beroep op artikel 7:681, tweede lid, aanhef en onder b, BW dat bepaalt dat opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kennelijk onredelijk geacht zal kunnen worden wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij opzegging (het zogenaamde gevolgencriterium). De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor toewijzing van een vordering als bedoeld in artikel 7:681, eerste lid, BW. Daartoe dienen bijzondere omstandigheden te worden gesteld en zo nodig bewezen, die in de kern inhouden dat het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap.

4.23.

Vooropgesteld wordt dat alle omstandigheden ten tijde van het ontslag in onderling verband beschouwd in aanmerking moeten worden genomen bij toetsing aan het gevolgencriterium. Dit brengt mee dat niet alleen gekeken moet worden naar de te verwachten nadelige gevolgen van een ontslag voor [eiser], maar tevens naar de te verwachten nadelige gevolgen voor Blycolin ingeval [eiser] zou aanblijven als directeur.

4.24.

[eiser] heeft zoals in 4.21. is weergegeven, gesteld wat de gevolgen van het ontslag voor hem zijn. Blycolin heeft hier verweer tegen gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat de aard van de functie die een statutair directeur vervult en de positie die hij daardoor inneemt, te weten dat een statutair directeur in een onderneming afhankelijk is van het vertrouwen dat de aandeelhouder in hem stelt, een hoger afbreukrisico met zich brengt dan dat waaraan normale werknemers blootstaan. Dit hoge afbreukrisico wordt gecompenseerd door de aan de functie van statutair directeur verbonden arbeidsvoorwaarden. Onderdeel van dit afbreukrisico vormt de kans op een aanzienlijke inkomensterugval, indien na ontslag niet aansluitend elders een gelijkwaardige functie wordt gevonden. Voor toekenning van een aanvullende voorziening is daarom slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding, waarvan thans geen sprake is. Ten aanzien van de interne mededeling over het vertrek van [eiser] stelt Blycolin dat deze een feitelijke weergave bevat van hetgeen is voorgevallen en niet diffamerend of beschadigend is. Gelet op de rechtsgeldigheid van het ontslag, het gebrek aan vertrouwen in het functioneren van [eiser], het relatief korte dienstverband van 3,5 jaar, de inachtneming van de opzegtermijn, de additionele vergoeding die [eiser] heeft ontvangen ad € 50.000,00 en de omstandigheid dat [eiser] gedurende 13,5 maand na de ontslagdatum in combinatie met de WW-uitkering geen financieel nadeel zal ondervinden van het ontslag, zijn volgens Blycolin de gevolgen van het ontslag niet zodanig dat het ontslag daardoor kennelijk onredelijk zou zijn.

4.25.

[eiser] heeft weersproken dat er een voorziening voor hem getroffen is. De uitgekeerde bonus van € 50.000,00 zag op prestaties in 2012 en stond dus los van het ontslag. Daarnaast heeft [eiser] 51% kans dat hij werkloos blijft. De gevolgen van de opzegging zijn voor [eiser] te ernstig in vergelijking met het belang van Blycolin bij de opzegging, temeer omdat hij is overvallen door het ontslagbesluit, terwijl hij met zijn leeftijd van 55 jaar moeilijk werk kan vinden. Daarbij betrekt [eiser] dat hij steeds goed functioneerde. Volgens [eiser] zijn er bovendien geruchten van ernstig wangedrag de ronde gaan doen binnen Womitex Holding. Blycolin heeft dit betwist en daartoe onder meer gesteld dat [eiser] al eens eerder had gevraagd wat er met zijn functie zou gebeuren na de aandelenoverdracht. Tot slot heeft Blycolin aangevoerd en ook onderbouwd dat de berekeningsmethode op www.hoelangwerkloos.nl ter discussie staat in de literatuur en daarmee onbruikbaar is in dit geval.

4.26.

Vastgesteld kan worden dat de stellingen van partijen ten aanzien van de gevolgen van het ontslag op diverse punten opnieuw lijnrecht tegenover elkaar staan. In een bodemprocedure, waar bewijslevering mogelijk is, dient hier dan ook nader onderzoek naar te worden gedaan. Bovendien dienen alle omstandigheden ten tijde van het ontslag in onderling verband beschouwd (waaronder dus ook de redenen van het ontslag) in aanmerking worden genomen bij toetsing aan het gevolgencriterium, zodat het niet aan de voorzieningenrechter is om in dit stadium reeds een oordeel te geven over de gevolgen en of deze zodanig zijn dat het ontslag kennelijk onredelijk is.

4.27.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de subsidiaire vordering zal worden afgewezen.

4.28.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Blycolin worden begroot op:

- griffierecht €  1.836,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  2.652,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Blycolin tot op heden begroot op € 2.652,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 11 december 2013.