Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6418

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
10-02-2014
Zaaknummer
243947
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit de tekst van de conceptovereenkomst kan naar het oordeel van de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat partijen hebben bedoeld dat enkel kon worden opgezegd tegen de einddatum van de conceptovereenkomst, te weten 1 oktober 2006. In de conceptovereenkomst is vermeld dat het samenwerkingverband kan worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Uit die overeenkomst volgt niet dat deze opzegmogelijkheid enkel gold voor opzegging tegen de einddatum. [eiser] heeft voorts geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij mocht aannemen dat alleen kon worden opgezegd tegen 1 oktober 2006. Zijn stelling wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd verworpen. Nu [eiser] op dit punt niet heeft voldaan aan de stelplicht, wordt hij niet toegelaten tot bewijslevering.

[eiser] vordert, los van de vraag of de overeenkomst al dan niet rechtsgeldig is opgezegd, schadevergoeding vanwege ongerechtvaardigde verrijking. Zoals hiervoor is overwogen, is de conceptovereenkomst rechtsgeldig opgezegd, zodat [eiser] geen recht heeft op schadevergoeding. De rechtbank acht geen grond aanwezig om aan [eiser] op een andere grondslag, te weten die van de ongerechtvaardigde verrijking, alsnog een schadevergoeding toe te kennen. De enkele omstandigheid dat Mariënwaerdt c.s. volgens [eiser] is verrijkt door de opzegging van de overeenkomst is hiertoe onvoldoende (vgl. HR 20 september 2002, NJ 2004/458).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/243947 / HA ZA 13-358

Vonnis van 2 oktober 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.J. Nieuwenhuys te Utrecht,

tegen

1. vennootschap onder firma

EXPLOITATIE MAATSCHAPPIJ HEERLIJKHEID MARIËNWAERDT VOF,

gevestigd te Beesd,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [plaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. A.H. Vermeulen te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en Mariënwaerdt c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het incident van de kantonrechter te Arnhem van 15 mei 2013 waarbij de kantonrechter de zaak heeft verwezen naar de civiele kamer van rechtbank Gelderland, locatie Arnhem

  • -

    de antwoordakte na verwijzing van Mariënwaerdt c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Exploitatiemaatschappij Heerlijkheid Mariënwaerdt vof is sinds 1 januari 2001 gevestigd op het landgoed Mariënwaerdt, dat sinds 1734 in het bezit is van de familie [gedaagden sub 2 en 3]. De opstallen op het landgoed zijn in eigendom van de besloten vennootschap Heerlijkheid Mariënwaerdt B.V.

2.2.

[eiser] is sedert 1988 lid van de vereniging Euro-Toques. Deze organisatie beijvert zich voor het behoud van de diversiteit en de smaak van voedingsproducten, culinaire tradities en de seizoensgebondenheid van producten. [eiser] is op 12 februari 2000 benoemd tot bestuurslid van Euro-Toques.

2.3.

In februari 2001 hebben Euro-Toques en Mariënwaerdt c.s. een overeenkomst gesloten voor de duur van vijf jaar met als ingangsdatum 12 februari 2001 en van rechtswege eindigend op 11 februari 2006 (in de overeenkomst is in artikel 1 als einddatum 11 februari 2001 vermeld, maar bedoeld is 11 februari 2006). De overeenkomst heeft betrekking op de Nieuwe Refter, zijnde één van de opstallen op het landgoed. In de overeenkomst is onder meer vermeld (productie 34 productieoverzicht bij dagvaarding):

Artikel 2 Inventaris

6.1

Euro-Toques verplicht zich om aan Mariënwaerdt in buikleen te verstrekken de inventarisgoederen als gespecificeerd in de als Annex A aan deze overeenkomst gehechte bijlage. (…)

6.2

De inventaris blijft eigendom van Euro-Toques en wordt om niet aan Mariënwaerdt in gebruik gegeven voor de duur van deze overeenkomst. Na het verstrijken van de duur van deze overeenkomst, zoals vastgelegd in artikel 1 van deze overeenkomst, draagt Euro-Toques de inventaris om niet over aan Mariënwaerdt.

Artikel 4 Gebruik Nieuwe Refter

4.1

Mariënwaerdt verleent Euro-Toques het recht om gedurende de looptijd van deze overeenkomst jaarlijks 20 kalenderdagen om niet gebruik te maken van de Nieuwe Refter.

(…)

4.5

Mariënwaerdt stelt [eiser] aan als beheerder van de Nieuwe Refter. Indien voor het einde van de looptijd van deze overeenkomst zoals omschreven in artikel 1, de relatie tussen [eiser] en Mariënwaerdt als beheerder van de Nieuwe Refter eindigt, verplicht Mariënwaerdt zich om gedurende de looptijd van deze overeenkomst een ander lid van Euro-Toques als beheerder aan te stellen.

(…)

Artikel 7Beëindiging van de overeenkomst

(…)

7.2

Beide partijen zijn gerechtigd de overeenkomst tussentijds op te zeggen, met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden.”

2.4.

[eiser] is aanvankelijk een dienstverband aangegaan met Mariënwaerdt c.s. Op 30 juli 2001 zijn partijen overeengekomen dat [eiser] vanaf 1 september 2001 zijn activiteiten in de Nieuwe Refter als freelancer zou voortzetten. Het dienstverband is met wederzijds goedvinden beëindigd. Vanaf 1 oktober 2001 exploiteert [eiser] onder de naam [eiser] Cuisinier voor eigen rekening en risico een horecaonderneming vanuit de Nieuwe Refter.

2.5.

In september of oktober 2001 heeft Mariënwaerdt c.s. aan [eiser] een concept samenwerkingsovereenkomst verstrekt (hierna: de conceptovereenkomst). Deze conceptovereenkomst is door geen van partijen ondertekend. Daarin is onder meer vermeld (productie 45):

“De overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van vijf jaar, met een proeftermijn van 1 jaar. Na het verstrijken van deze periode wordt de overeenkomst met wederzijds goedvinden voortgezet voor onbepaalde tijd, met inachtneming van een opzegtermijn van 6 maanden. De samenwerkingsovereenkomst betreft de exploitatie van de locatie de Nieuwe Refter waarin [eiser] Culinair verantwoordelijk is voor de catering van partijen op niveau. [eiser] Culinair opereert als zelfstandige cateraar. Klanten worden rechtstreeks met hem in contact gebracht en het volledige traject m.b.t. de culinaire verzorging – van offerte tot facturering – wordt door [eiser] Culinair afgewikkeld. Daarnaast vervult [eiser] Culinair een beheerdersfunctie. Hij is namens Euro-Toques verantwoordelijk voor het beheren van de locatie en de inventaris.

(…)

Financiële afspraken

[eiser] Culinair is exploitant van de Nieuwe Refter en fungeert tevens als één van de vaste cateraars van de overige locaties, te weten de [plaats], de [plaats] en de [plaats].

[eiser] Culinair factureert de catering rechtstreeks aan de klant. Er zal een vaste commissie van 17,5% over de omzet worden afgedragen door [eiser] Culinair aan de Heerlijkheid Mariënwaerdt.

(…)

Euro-Toques

[eiser] Culinair opereert onder de vlag van Euro-Toques. Voor de afspraken m.b.t. het gebruik van de Nieuwe Refter verwijzen wij naar het contract, dat is gesloten tussen de Heerlijkheid Mariënwaerdt en Euro-Toques.

(…)

Beëindiging samenwerking

Voor het beëindigen van het samenwerkingsverband geldt een opzegtermijn van 3 maanden.”

2.6.

Partijen hebben onderhandeld over de wijze waarop zij de samenwerking zouden voortzetten. Mariënwaerdt c.s. heeft in een brief van 11 november 2005 onder meer het volgende aan [eiser] meegedeeld (productie 69):

“Jouw brief biedt geen enkele mogelijkheid om tot een oplossing te komen zodat ons weinig anders rest dan de samenwerking met jou als cateraar per 11 februari te beëindigen.”

2.7.

De overeenkomst tussen Mariënwaerdt c.s. en Euro-Toques is per 11 februari 2006 geëindigd.

2.8.

De kantonrechter te Tiel heeft op 14 oktober 2009 een gedeeltelijk eindvonnis gewezen. De kantonrechter heeft, kort gezegd, voor recht verklaard dat sprake was van een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:290 BW die voor de duur van vijf jaar is aangegaan en ook na 11 februari 2006 van kracht is gebleven, voor recht verklaard dat de tussen partijen gesloten overeenkomst is aangegaan sinds 1 oktober 2001 en dat [eiser] op grond hiervan het exclusieve recht heeft verkregen in diverse locaties op het landgoed de culinaire invulling van feesten, partijen en bijeenkomsten en dergelijke te verzorgen, alsmede dat deze overeenkomst ook na 11 februari 2006 van kracht is gebleven. Daarnaast heeft de kantonrechter beide overeenkomsten ontbonden vanwege een tekortkoming in de nakoming zijdens Mariënwaerdt c.s. en Mariënwaerdt c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ter zake de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten. De kantonrechter heeft iedere verdere beslissing in conventie aangehouden. In reconventie is iedere beslissing aangehouden.

2.9.

Mariënwaerdt c.s. is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof Arnhem heeft bij arrest van 11 september 2012 beslist dat tussen partijen geen sprake is (geweest) van een huurovereenkomst en het vonnis van de kantonrechter van 14 oktober 2009 vernietigd voor zover dat vonnis is gegrond op het bestaan van een huurovereenkomst tussen partijen. Het hof heeft voorts de vorderingen van [eiser] voor zover gebaseerd op een huurovereenkomst afgewezen en de zaak voor verdere afdoening verwezen naar de kantonrechter te Tiel, waarbij het hof heeft vermeld “de niet op huur gebaseerde grondslag overeenkomst sui generis”. Van het arrest is geen cassatieberoep ingesteld.

2.10.

De kantonrechter heeft bij vonnis in incident van 15 mei 2013 de zaak verwezen naar de civiele kamer van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis en voor zover thans nog van belang:

I. te verklaren voor recht dat tussen [eiser] en Mariënwaerdt c.s. sinds 1 oktober 2001 voor onbepaalde tijd, althans ten minste voor de duur van vijf jaar, een overeenkomst van kracht is uit hoofde waarvan [eiser] het exclusieve recht heeft verkregen in de diverse locaties op het landgoed de culinaire invulling van feesten, partijen en bijeenkomsten en dergelijke te verzorgen alsmede een verklaring voor recht dat deze overeenkomst ook na 11 februari 2005 (bedoeld is 2006, toevoeging rechtbank) van kracht is gebleven;

II. de hiervoor bedoelde overeenkomst te ontbinden vanwege een tekortkoming in de nakoming voor zover deze overeenkomst na 11 februari 2006 van kracht is gebleven en niet anderszins op rechtsgeldige wijze is geëindigd;

III. Mariënwaerdt c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de geleden en nog te lijden schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming aan de zijde van Mariënwaerdt c.s., vanaf 11 februari 2006 tot de datum van ontbinding dan wel een andere rechtsgeldige wijze van beëindiging, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf het ontstaan van de schade, althans vanaf de dag der dagvaarding onder de bepaling dat de omvang van de schade zal worden vastgesteld door een door de rechter te benoemen deskundige;

IV. Mariënwaerdt c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding vanwege ongerechtvaardigde verrijking, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst onder de bepaling dat de omvang van de schade zal worden vastgesteld door een door de rechter te benoemen deskundige;

V. te bepalen dat het toe te wijzen schadebedrag wordt verminderd met de bedragen die ingevolge de door [eiser] ingeroepen verrekening reeds zijn betaald en voor zover het beroep op verrekening niet opgaat, Mariënwaerdt c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het volledige schadebedrag;

een en ander met hoofdelijke veroordeling van Mariënwaerdt c.s. in de proceskosten.

3.2.

Mariënwaerdt c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Mariënwaerdt c.s. vordert  samengevat - veroordeling van [eiser] tot betaling van € 43.205,33, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 16 februari 2006. Daarnaast vordert zij veroordeling van [eiser] in de proceskosten in revonventie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na het onderhavige vonnis.

3.5.

[eiser] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie

4.1.

[eiser] voert in zijn akte van 12 december 2012 aan dat het hof het vonnis van de kantonrechter van 14 oktober 2009 niet heeft vernietigd voor zover het betreft de toegewezen verklaring voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst is aangegaan sinds 1 oktober 2001 en dat [eiser] op grond hiervan het exclusieve recht heeft verkregen in diverse locaties op het landgoed de culinaire invulling van feesten, partijen en bijeenkomsten en dergelijke te verzorgen en dat deze overeenkomst ook na 11 februari 2006 van kracht is gebleven (3.2 van het dictum). Daarnaast is volgens [eiser] niet vernietigd de ontbinding van voormelde overeenkomst (3.3) en de toewijzing van de schadevergoeding (3.4). De toewijzing van deze vorderingen is gelet hierop onherroepelijk geworden, aldus [eiser].

Het hof heeft in het dictum van het arrest opgenomen dat de vernietiging betreft de beslissingen in het dictum van het vonnis van 14 oktober 2009 vermeld onder 3.1, 3.2, 3.3 en 3.4. Uit het arrest volgt voorts dat deze vorderingen thans moeten worden beoordeeld op de grondslag dat tussen partijen een overeenkomst sui generis heeft bestaan (niet zijnde een huurovereenkomst). De stelling van [eiser] dat genoemde vorderingen thans niet in de beoordeling betrokken moeten worden, gaat dan ook niet op. De rechtbank zal genoemde vorderingen aldus behandelen op de grondslag dat tussen partijen een overeenkomst sui generis tot stand is gekomen.

4.2.

Mariënwaerdt c.s. voert aan dat sprake is van rechtsverwerking, omdat [eiser] rond 11 februari 2006 de Nieuwe Refter heeft ontruimd en verlaten.

Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende. Vereist is dat er bijzondere omstandigheden zijn als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (vgl. HR 29 september 1995, NJ 1996, 89). Het enkele ontruimen van de Nieuwe Refter is naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. [eiser] heeft de Nieuwe Refter immers niet uit vrije wil ontruimd, maar omdat Mariënwaerdt c.s. de overeenkomst (al dan niet rechtsgeldig) had beëindigd, zodat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat [eiser] zich neerlegde bij de beëindiging van de overeenkomst en de gevolgen daarvan.

4.3.1.

Tussen partijen staat vast dat zij de conceptovereenkomst (zie hiervoor onder 2.5) nimmer hebben ondertekend. Partijen zijn het er wel over eens dat zij vanaf 1 oktober 2001 hebben gehandeld naar de inhoud van de conceptovereenkomst. Gelet hierop neemt de rechtbank als vaststaand aan dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten. Over de exacte inhoud van de gemaakte afspraken zijn partijen het evenwel niet eens. Bij beantwoording van de vraag wat partijen precies hebben afgesproken, wordt het volgende als uitgangspunt genomen.

De vraag wat partijen zijn overeengekomen kan niet worden beantwoord enkel op grond van een (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Steeds komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. o.m. HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 Haviltex).

4.3.2.

Mariënwaerdt c.s. voert ten eerste aan dat de overeenkomst tussen [eiser] en Mariënwaerdt c.s. was gekoppeld aan de overeenkomst met Euro-Toques. Omdat de overeenkomst met Euro-Toques afliep per 11 februari 2006, liep de overeenkomst met [eiser] ook per die datum af, aldus Mariënwaerdt c.s.

Vaststaat dat [eiser] aanvankelijk in dienst is getreden van Mariënwaerdt c.s. Vanaf 1 oktober 2001 is [eiser] echter gaan werken op basis van een freelance-overeenkomst en droeg hij een percentage van de omzet af aan Mariënwaerdt c.s. De rechtbank is van oordeel dat Mariënwaerdt onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] had moeten begrijpen dat deze overeenkomst van rechtswege zou eindigen wanneer de overeenkomst met Euro-Toques zou eindigen. In de conceptovereenkomst is niet vermeld dat deze zou eindigen tegelijk met de overeenkomst tussen Euro-Toques en Mariënwaerdt c.s. In de conceptovereenkomst is daarentegen vermeld dat deze een looptijd had van vijf jaar, ingaande op 1 oktober 2001 en aldus eindigend op 1 oktober 2006, terwijl de overeenkomst met Euro-Toques afliep op 11 februari 2006. Die laatste overeenkomst hield met name in dat Euro-Toques gedurende twintig dagen per jaar gebruik mocht maken van de Nieuwe Refter en dat [eiser] of eventueel een ander lid van Euro-Toques als beheerder zou worden aangesteld. [eiser] opereerde weliswaar onder de vlag van Euro-Toques - zodat van enige samenhang tussen de overeenkomsten wel sprake is -, maar gesteld noch gebleken is dat [eiser] door het eindigen van de overeenkomst met Euro-Toques zijn werkzaamheden in de Nieuwe Refter niet meer zou kunnen voortzetten. Zo was de inventaris (deels) eigendom van Euro-Toques, maar zou deze volgens de overeenkomst gesloten tussen Euro-Toques en Mariënwaerdt c.s. bij beëindiging van die overeenkomst worden overgedragen aan Mariënwaerdt c.s. Het verweer van Mariënwaerdt c.s. dat de overeenkomst met [eiser] van rechtswege is geëindigd door het eindigen van de overeenkomst tussen Mariënwaerdt c.s. en Euro-Toques wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd verworpen. Gezien de onvoldoende onderbouwing wordt Mariënwaerdt c.s. niet toegelaten tot bewijslevering op dit punt.

4.3.3.

[eiser] voert aan dat Mariënwaerdt c.s. de overeenkomst enkel kon opzeggen tegen 1 oktober 2006 met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Opzegging tegen een eerdere datum was volgens [eiser] niet mogelijk.

4.3.4.

Uit de tekst van de conceptovereenkomst kan naar het oordeel van de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat partijen hebben bedoeld dat enkel kon worden opgezegd tegen de einddatum van de conceptovereenkomst, te weten 1 oktober 2006. In de conceptovereenkomst is vermeld dat het samenwerkingverband kan worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Uit die overeenkomst volgt niet dat deze opzegmogelijkheid enkel gold voor opzegging tegen de einddatum. [eiser] heeft voorts geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij mocht aannemen dat alleen kon worden opgezegd tegen 1 oktober 2006. Zijn stelling wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd verworpen. Nu [eiser] op dit punt niet heeft voldaan aan de stelplicht, wordt hij niet toegelaten tot bewijslevering.

4.3.5.

Nu Mariënwaerdt c.s. de overeenkomst heeft opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, is deze opzegging rechtsgeldig geschied. Hieruit volgt dat vaststaat dat de overeenkomst is geëindigd per 11 februari 2006. De gevorderde verklaring voor recht dat tussen partijen een overeenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen, wordt gelet hierop afgewezen. Dat vaststaat dat de overeenkomst is geëindigd, betekent daarnaast dat de vordering tot ontbinding van de overeenkomst geen beoordeling behoeft en dat [eiser] geen belang heeft bij de door hem gevorderde verklaring voor recht dat, kort gezegd, tussen partijen voor de duur van vijf jaar een overeenkomst tot stand is gekomen. Nu voorts in de overeenkomst niets is bepaald omtrent het recht op vergoeding van schade bij (rechtsgeldige) voortijdige beëindiging van de overeenkomst, is er geen grond om aan [eiser] enig bedrag aan schadevergoeding toe te kennen. [eiser] heeft ook overigens geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat Mariënwaerdt c.s. redelijkerwijs tot vergoeding van schade is gehouden. Dat [eiser] zijn bron van inkomsten is kwijtgeraakt en zijn medewerkers heeft moeten ontslaan, behoort tot het normale bedrijfsrisico en dient daarom voor zijn rekening te komen.

4.4.

[eiser] vordert, los van de vraag of de overeenkomst al dan niet rechtsgeldig is opgezegd, schadevergoeding vanwege ongerechtvaardigde verrijking. Zoals hiervoor is overwogen, is de conceptovereenkomst rechtsgeldig opgezegd, zodat [eiser] geen recht heeft op schadevergoeding. De rechtbank acht geen grond aanwezig om aan [eiser] op een andere grondslag, te weten die van de ongerechtvaardigde verrijking, alsnog een schadevergoeding toe te kennen. De enkele omstandigheid dat Mariënwaerdt c.s. volgens [eiser] is verrijkt door de opzegging van de overeenkomst is hiertoe onvoldoende (vgl. HR 20 september 2002, NJ 2004/458).

4.5.

[eiser] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding in conventie. Aan salaris voor de advocaat worden 4,5 punten toegekend van tarief II (€ 452,00 per punt; conclusie van antwoord in conventie 1, comparitie 1, antwoordakte na comparitie 0,5, akte uitlating beschikking Hoge Raad 0,5, conclusie in het incident 1, antwoordakte na verwijzing 0,5)

In reconventie

4.6.

Mariënwaerdt c.s. vordert betaling van een bedrag van € 34.141,27 ter zake openstaande facturen. [eiser] heeft de verschuldigdheid van dit bedrag erkend, zodat het wordt toegewezen. De gevorderde rente wordt eveneens toegewezen.

4.7.1.

Mariënwaerdt c.s. vordert voorts betaling van een bedrag van € 9.064,06. Zij legt hieraan ten grondslag dat [eiser] bij zijn vertrek een deel van de inventaris heeft meegenomen, terwijl deze aan Mariënwaerdt c.s. toebehoort.

4.7.2.

Tussen partijen staat vast dat de inventaris aanvankelijk in eigendom was van Euro-Toques. Zij is met Mariënwaerdt c.s. overeengekomen dat zij na beëindiging van de overeenkomst de inventaris om niet aan Mariënwaerdt c.s. zou overdragen. Voor zover er onderdelen van de inventaris missen, dient Mariënwaerdt c.s. zich aldus tot Euro-Toques te wenden en niet tot [eiser]. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.

4.8.

[eiser] wordt, als de in reconventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie. Aan salaris advocaat worden 3 punten toegekend van tarief III (€ 579,00 per punt; conclusie van eis in reconventie 1, comparitie 1, antwoordakte na comparitie 0,5, antwoordakte na verwijzing 0,5).

7 De beslissing

De rechtbank

in conventie

7.1.

wijst het gevorderde af;

7.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Mariënwaerdt c.s. begroot op een bedrag van € 248,00 ter zake griffierecht en

€ 2.034,00 ter zake salaris voor de advocaat, waaronder begrepen de kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het onderhavige vonnis;

in reconventie

7.3.

veroordeelt [eiser] om aan Mariënwaerdt c.s. te betalen een bedrag van € 34.141,27, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2006 tot aan de dag van volledige betaling;

7.4.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Mariënwaerdt c.s. begroot op € 1.737,00 aan salaris voor de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het onderhavige vonnis;

7.5.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

7.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.Th. Quaadvliet en in het openbaar uitgesproken op

2 oktober 2013.