Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6389

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
241047
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen; beroep op oneigenlijke dwaling; bewijsopdracht geen grond voor vernietiging wegens dwaling, art. 6:228 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/241047 / HA ZA 13-192

Vonnis van 11 september 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RECREATIE VERKOOP BV,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. H.M.G. van Lotringen te Ede,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.E. Bosman te Arnhem.

Partijen zullen hierna Recreatie Verkoop en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 mei 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 juli 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 29 september 2012 hebben [gedaagde] en zijn echtgenote een bezoek gebracht aan recreatiepark ‘Recreatiegoed Nederland Droompark Bad Hoophuizen’ te Nunspeet. [gedaagde] en zijn vrouw zijn door [medewerker Recreatie Verkoop], verkoopadviseur bij Recreatie Verkoop, rondgeleid over het park en hebben twee chalets bezichtigd.

2.2

[gedaagde] heeft nog dezelfde dag een document ondertekend. Dit document is tevens ondertekend door [medewerker Recreatie Verkoop]. In dit document staat – voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang – het volgende:

VERKOOPBEVESTIGING

Recreatie Verkoop B.V.

Verkocht aan : [gedaagde]

(…)

Recreatieobject: CABANA

Type : MULLEN Kavelnr. : 14 SLECHTVALK

74.500,-

Prijs incl /excl. BTW / Marge*

* doorhalen hetgeen niet van toepassing is

Extra voorzieningen: INCL TUIN, TERRAS, BESTRATING, PARKEERPLAATS

INCL. MEUBELPAKKET CONFORM VERHUUR 7.500,00

INCL KLEIN INVENTAIRS

OBJECT AANGEKOCHT VOOR BELEGGING MET GEGARANDEERD

RENDEMENT VAN € 7.000,- P.J. NETTO VOOR DE KOMENDE 5 JA AR

Eenmalige aansluitkosten BTW VOORFINANCIERING DROOMPARKEN N.V.T.

Transport en plaatsing (uit te voeren door derden) N.V.T.

MIDDELEN

Bijzonderheden : KAVEL 45.000 K.K., BETALING EIGEN Totaalbedrag: 127.000

1e aanbetaling : 10% in week N.V.T.

2e aanbetaling : NOVEMBER

(…)

- Koper verklaart hierbij kennis genomen te hebben en accoord te gaan met de geldende verkoop- en leveringsvoorwaarden van ons bedrijf zoals op de achterzijde vermeld.

Handtekening koper: Handtekening partner: Handtekening verkoper:

(…)

Afleverdatum : NOVEMBER 2012

(…)

Al onze transacties geschieden onder onze verkoop- en leveringsvoorwaarden, zoals op de achterzijde van dit formulier vermeld.”

2.3

In de Algemene Verkoop- en leveringsvoorwaarden van Recreatie Verkoop (hierna te noemen: de algemene voorwaarden), welke op de achterzijde van de verkoopbevestiging staan vermeld, is onder andere het volgende opgenomen:

“(…)

Artikel 10 Ontbinding

(…)

2. Indien koper toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens verkoper en de overeenkomst deswege is ontbonden, verbeurt koper ten behoeve van verkoper een zonder ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van twintig (20) procent van de overeengekomen totale koopsom. (…)”

2.4

Op 30 september 2012, een dag na ondertekening van de verkoopbevestiging, heeft [gedaagde] een aangetekende brief aan Recreatie Verkoop gestuurd met onder meer de volgende inhoud:

“Hierbij willen wij, onder verwijzing naar artikel 7:2 BW, de koper van het recreatieobject Cubana, Slechtvalk 14 met ondergrond, op uw park, gedaan gisteren op 29 september 2012, annuleren cq. ongedaan maken, cq.de koopovereenkomst ontbinden.”

2.5

Bij brief van 18 oktober 2012 heeft Recreatie Verkoop aan [gedaagde] geschreven, voor zover hier relevant:

Tot op heden heeft u uw recreatieobject niet afgenomen en aangegeven af te willen zien van uw aankoop. Om deze reden ontbinden wij de koopovereenkomst. Het gevolg daarvan is dat u annuleringskosten bent verschuldigd aan Recreatie Verkoop B.V. De annuleringskosten staan omschreven in artikel 10 lid 2 van de algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden. Voor u betekent dit een bedrag van € 25.400,- (= 20% van

€ 127.000,-).

Wij verzoeken u vriendelijk het bedrag van € 25.400,- uiterlijk 14 dagen na heden te voldoen.”

3 Het geschil

3.1.

Recreatie Verkoop vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk is ontbonden op 18 oktober 2012 en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 25.400,-, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Recreatie Verkoop legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. Tussen partijen is een koopovereenkomst tot stand gekomen. [gedaagde] is geen consument-koper en kan geen aanspraak maken op de in de wet voorgeschreven bedenktijd. Aan de ontbinding van de overeenkomst door [gedaagde] komt dan ook geen rechtsgevolg toe. Nu betaling van het overeengekomen bedrag door [gedaagde] is uitgebleven, heeft Recreatie Verkoop de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden op 18 oktober 2012. Op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden is [gedaagde] een boete van 20 procent van de aankoopsom verschuldigd.

3.3

[gedaagde] betwist dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Hij heeft niet de wil heeft gehad om een koopovereenkomst te sluiten. Ten tijde van de bespreking op 29 september 2012 heeft hij slechts een verkennend gesprek met [medewerker Recreatie Verkoop] gehad. Het was geenszins zijn bedoeling om op dat moment daadwerkelijk tot aanschaf van een recreatiewoning over te gaan. Voor zover de rechtbank aanneemt dat partijen een koopovereenkomst hebben gesloten, stelt [gedaagde] dat hij de koopovereenkomst bij aangetekende brief van 30 september 2012 rechtsgeldig heeft ontbonden op grond van het bepaalde in artikel 7:2 Burgerlijk Wetboek (BW). In het geval een beroep op de wettelijke bedenktijd van artikel 7:2 BW niet opgaat, stelt [gedaagde] dat de koopovereenkomst vernietigbaar is op grond van dwaling, nu [gedaagde] gedwaald heeft omtrent het gegeven dat hij geen beroep kan doen op artikel 7:2 BW. Verder voert [gedaagde] aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de onderhavige vordering toe te wijzen. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn en daarom de gevorderde boete niet toewijsbaar is en in het geval de gevorderde boete wel toewijsbaar is verzoekt [gedaagde] de boete te matigen.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Kern van het geschil betreft de vraag of tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen.

4.2.

Ter comparitie heeft Recreatie Verkoop, in de persoon van [medewerker Recreatie Verkoop], in dit verband nog het volgende naar voren gebracht. [gedaagde] heeft, na de rondleiding over het park en het bezichtigen van twee chalets waaronder het type cabana, aan [medewerker Recreatie Verkoop] gevraagd of het mogelijk was om een optie te nemen op de recreatiewoning. Nadat hij aangaf dat dit niet mogelijk was zijn partijen uit elkaar gegaan, aldus [medewerker Recreatie Verkoop]. [gedaagde] en zijn vrouw kwamen volgens [medewerker Recreatie Verkoop] na twintig minuten terug met de mededeling dat ze toch over de aankoop wilden praten. [medewerker Recreatie Verkoop] verklaart op de comparitie dat [gedaagde] en hij tegenover elkaar zaten in zijn kantoor, dat ze onderhandeld hebben over de prijs en dat hij een korting heeft gegeven van € 3.000,-. Ook is er volgens [medewerker Recreatie Verkoop] onderhandeld over het meubelpakket. Dat kost normaal € 10.000,- en daarop heeft [medewerker Recreatie Verkoop] een korting gegeven van € 2.500,-, zodat [gedaagde] voor het meubelpakket nog € 7.500,- moest betalen. Verder stelt [medewerker Recreatie Verkoop] dat besproken is dat [gedaagde] zo snel mogelijk wilde afnemen, in november. In november zou bij aflevering de totaalbetaling van € 127.000,- plaatsvinden. [medewerker Recreatie Verkoop] verklaart dat hij gevraagd heeft aan [gedaagde] hoe hij het chalet zou financieren en dat [gedaagde] toen geantwoord heeft dat hij de woning niet hoefde te financieren. Partijen hebben volgens [medewerker Recreatie Verkoop] tevens gesproken over het voorfinancieren van de BTW van 21%. Dit betrof een bedrag ter hoogte van € 12.500,-. Dit bedrag is terug te vorderen bij volledige verhuur van het chalet en afgesproken is dat Recreatie Verkoop dit bedrag zou voorfinancieren, aldus [medewerker Recreatie Verkoop]. Verder hebben partijen volgens [medewerker Recreatie Verkoop] gesproken over het onderhoud van het chalet, nu dit voor [gedaagde] moeilijk zelf uit te voeren zou zijn. Het onderhoud zou alleen worden uitgevoerd door het park indien gekozen zou worden voor de aankoop als beleggingsobject met een gegarandeerd rendement. [gedaagde] en zijn vrouw hebben vervolgens voor deze optie gekozen, aldus [medewerker Recreatie Verkoop]. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] een gegarandeerd rendement van € 7000,- per jaar zou krijgen. [medewerker Recreatie Verkoop] verklaart dat hij op het document heeft ingevuld wat zij overeenkwamen en daarna heeft gevraagd aan [gedaagde] om de gegevens te controleren, zijn eigen gegevens in te vullen en vervolgens het formulier te ondertekenen. [medewerker Recreatie Verkoop] stelt dat hij daarna zelf het formulier heeft getekend. Tevens stelt hij dat hij heeft medegedeeld dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. [medewerker Recreatie Verkoop] verklaart dat hij [gedaagde] vervolgens heeft gefeliciteerd met de aankoop en hem een fles wijn heeft gegeven. Ook verklaart hij dat hij een bon heeft gegeven voor een etentje op het park, iets wat hij altijd doet bij een verkoop.

4.3.

[gedaagde] heeft deze stellingen betwist. Hij heeft ter comparitie nader onderbouwd dat hij en zijn vrouw niet van plan waren om te kopen. [gedaagde] verklaart, zoals ook [medewerker Recreatie Verkoop] heeft verklaard, dat hij en zijn vrouw aan [medewerker Recreatie Verkoop] gevraagd hebben of ze een optie konden krijgen op de recreatiewoning, maar dat [medewerker Recreatie Verkoop] op die vraag antwoordde dat dit niet mogelijk was. [gedaagde] verklaart, in tegenstelling tot de verklaring van [medewerker Recreatie Verkoop], dat hij en zijn vrouw daarna direct door [medewerker Recreatie Verkoop] zijn meegenomen naar zijn kantoor om te praten. [medewerker Recreatie Verkoop] heeft hen daar vragen gesteld over hoe zij de woning wensten te gaan gebruiken en over de financiering van de woning. Tevens adviseerde [medewerker Recreatie Verkoop] hen om de woning te verhuren, nu dat fiscaal voordelig zou zijn. [gedaagde] stelt dat hij en zijn vrouw op de vraag van [medewerker Recreatie Verkoop] of zij de woning wilden verhuren, zodat zij de BTW zouden kunnen terugvorderen, hebben geantwoord dat zij dit niet wilden, omdat zij er in het weekend zelf in wilden wonen. Over rendement is volgens [gedaagde] niet gesproken. Volgens [gedaagde] heeft hij, ter vastlegging van zijn belangstelling, vervolgens zijn adresgegevens ingevuld op een blanco formulier en heeft hij deze ook direct ondertekend, zodat de belangstellingspeiling enige waarde zou hebben. [gedaagde] betwist dat hem is medegedeeld dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. [gedaagde] heeft verder verklaard dat hij inderdaad een fles wijn heeft gekregen, maar dat waarschijnlijk iedereen dit meekrijgt als cadeau om mensen over de streep te trekken tot aankoop. [gedaagde] heeft betwist dat hij een bon heeft gekregen voor een etentje bij het park. Verder heeft [gedaagde] betwist dat partijen hebben onderhandeld over een meubelpakket. [gedaagde] verklaart dat hij later op de verkoopbevestiging las dat daarop stond dat ze € 127.000,- moesten betalen in november. Dit geld hadden hij en zijn vrouw niet. Zij wilden alleen hun belangstelling noteren. Daarna zouden [gedaagde] en zijn vrouw gaan kijken hoe ze een lening zouden kunnen krijgen, maar zover waren ze op dat moment nog niet, aldus [gedaagde] ter comparitie.

4.4.

De strekking van het betoog van [gedaagde] is dat de ondertekende verklaring (in casu de verkoopbevestiging) een andere inhoud heeft dan hij voor ogen had. De rechtbank duidt bovengenoemd verweer aan als een beroep op oneigenlijke dwaling. Oneigenlijke dwaling wordt beheerst door de artikelen 3:33 -35 BW. Artikel 3:33 BW brengt mee dat indien de wil om een bepaald rechtsgevolg tot stand te brengen ontbreekt, in beginsel geen rechtshandeling wordt verricht. Uit artikel 3:35 BW volgt echter dat tegen degene die de verklaring of gedraging van een ander overeenkomstig de zin die hij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.

4.5.

Nu Recreatie Verkoop zich beroept op de rechtsgevolgen van een tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst en [gedaagde] het tot stand komen van die overeenkomst gemotiveerd heeft betwist, rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op Recreatie Verkoop de bewijslast van haar stelling. De rechtbank zal Recreatie Verkoop dan ook opdragen te bewijzen dat de verklaring van [gedaagde] overeenstemde met zijn wil, danwel dat Recreatie Verkoop er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de verklaring van [gedaagde] overeenstemde met zijn wil.

4.6.

Indien Recreatie Verkoop niet slaagt niet in haar bewijsopdracht, is geen overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen en dienen de vorderingen van Recreatie Verkoop te worden afgewezen.

4.7.

Voor het geval Recreatie Verkoop wel slaagt in haar bewijsopdracht overweegt de rechtbank nu alvast het hiernavolgende.

4.8.

Als de overeenkomst tot stand is gekomen, ligt vervolgens ter beoordeling voor de vraag of [gedaagde] aanspraak kan maken op de in artikel 7:2 BW voorgeschreven bijzondere bescherming van consument-kopers. Indien dit het geval is heeft [gedaagde] binnen de wettelijke termijn de koop ontbonden en dienen de vorderingen van Recreatie Verkoop te worden afgewezen.

4.9.

Ingevolge artikel 7:2 BW komt een koper het recht toe de koop binnen drie dagen te ontbinden indien het gaat om de koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan en indien de koper een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Vast staat dat het bij deze bepaling ook kan gaan om tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen. De bepaling is geschreven ter bescherming van consument-kopers.

4.10.

Volgens Recreatie Verkoop kan [gedaagde] niet als consument-koper worden aangemerkt aangezien hij het chalet heeft aangekocht met het oog op de verhuur, als beleggingsobject. Ter comparitie heeft Recreatie Verkoop bij monde van [medewerker Recreatie Verkoop], zoals weergegeven in r.o. 4.2, gesteld dat [gedaagde] tijdens het verkoopgesprek heeft medegedeeld dat hij het chalet wilde kopen als een belegging met gegarandeerd rendement.

4.11.

[gedaagde] betwist dat hij aan Recreatie Verkoop heeft medegedeeld dat hij het chalet als beleggingsobject wilde kopen. Hij stelt juist te hebben medegedeeld het chalet voor eigen recreatief gebruik te willen aankopen, waarbij hij desgevraagd ook nog heeft aangegeven de recreatiewoning niet te willen verhuren.

4.12.

Voor beantwoording van de vraag of [gedaagde] is aan te merken als consument-koper is van belang welke mededelingen [gedaagde] heeft gedaan in het kader van het beoogde gebruik van het chalet. Nu de mededelingen tijdens het verkoopgesprek onderwerp van bewijslevering zijn en hierover mogelijkerwijs meer duidelijkheid zal worden verkregen, zal de eventuele beslissing over de vraag of [gedaagde] is aan te merken als consument-koper worden aangehouden tot na bewijslevering.

4.13.

In het geval een beroep op de wettelijke bedenktijd van artikel 7:2 BW niet opgaat, stelt [gedaagde] dat de koopovereenkomst vernietigbaar is op grond van dwaling, nu [gedaagde] gedwaald heeft omtrent het gegeven dat hij geen beroep kan doen op artikel 7:2 BW. [gedaagde] stelt dat [medewerker Recreatie Verkoop] zijn mededelingsplicht daaromtrent heeft geschonden.

4.14.

De rechtbank begrijpt de stelling van [gedaagde] aldus dat [gedaagde] in de veronderstelling verkeerde dat hij nog drie dagen bedenktijd zou hebben voordat hij definitief aan de overeenkomst zou zijn gebonden. Daarmee heeft de gestelde, bij [gedaagde] levende, verkeerde voorstelling van zaken betrekking op de strekking van de door partijen bij de overeenkomst afgelegde wilsverklaringen; [gedaagde] betwist in wezen dat over de thans door Recreatie Verkoop gestelde strekking en reikwijdte van de overeenkomst wilsovereenstemming is bereikt. Dat rechtvaardigt geen beroep op (eigenlijke) dwaling op grond van artikel 6:228 BW, maar betreft een beroep op oneigenlijke dwaling in die zin dat zijn in de overeenkomst vervatte verklaring niet overeenstemde met zijn wil. Reeds nu wordt daarom overwogen dat voor vernietiging wegens dwaling geen grond bestaat.

4.15.

[gedaagde] heeft verder nog betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn, omdat Recreatie Verkoop hem geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen.

4.16.

Vast staat echter dat de algemene voorwaarden op de achterzijde van het formulier dat [gedaagde] heeft ondertekend stonden vermeld. Bovendien staat op het door [gedaagde] ondertekende formulier in de zin boven zijn handtekening: “Koper verklaart hierbij kennis genomen te hebben en accoord te gaan met de geldende verkoop- en leveringsvoorwaarden van ons bedrijf zoals op de achterzijde vermeld.” Onder deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat de algemene voorwaarden onderdeel waren van de overeenkomst, voor zover het bestaan van die overeenkomst als zodanig wordt bewezen. [gedaagde] zijn verweer dat de algemene voorwaarden waarop Recreatie Verkoop zich beroept, niet van toepassing zijn, wordt verworpen.

4.17.

Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat het door Recreatie Verkoop gestelde belang dat het onderhavige chalet alsnog aan [gedaagde] geleverd zal worden, zich onevenredig verhoudt tot het belang van [gedaagde] dat hij niet gebonden zal zijn aan een door hem impulsief gezette handtekening waardoor hij een bedrag van € 25.400,- moet betalen. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is de toewijzing van de vordering daarom onaanvaardbaar, aldus [gedaagde].

4.18.

De rechtbank vat dit verweer op als een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 6:248 lid 2 BW. Voor een geslaagd beroep op dit artikel is het nodig dat het inroepen van het boetebeding in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] op dit punt onvoldoende heeft gesteld.

4.19.

Ten slotte heeft [gedaagde] ten verwere gevoerd dat de boete gematigd dient te worden, omdat Recreatie Verkoop het onderhavige chalet na de vermeende verkoop aan derden te koop is blijven aanbieden en zodoende geen schade heeft geleden.

4.20.

Op grond van artikel 6:94 BW kan de rechtbank tot matiging overgaan, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Deze voorwaarde brengt mee dat de rechtbank van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechtbank niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Gelet hierop is de stelling van [gedaagde] zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende om de boete te matigen.

4.21.

De rechtbank zal verder iedere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt Recreatie Verkoop op te bewijzen dat de [gedaagde] ten tijde van de ondertekening van het document dat is aangeduid met “Verkoopbevestiging” ook de wil had om een koopovereenkomst te sluiten, danwel dat Recreatie Verkoop er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de verklaring van [gedaagde] overeenstemde met zijn wil;

5.2.

bepaalt dat, voor zover Recreatie Verkoop dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. D.T. Boks in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 september 2013 voor het opgeven door Recreatie Verkoop van de getuigen en van hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober tot en met december 2013, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.4.

verwijst voor het geval Recreatie Verkoop op die roldatum heeft medegedeeld geen getuigenbewijs te willen leveren of geen getuigen of verhinderdata heeft opgegeven de zaak naar de achtste rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor vonnis of, maar alleen indien Recreatie Verkoop daarom op de onder 5.3 bedoelde roldatum heeft verzocht, naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van

Recreatie Verkoop, waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren,

5.5.

bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

5.6.

bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toegezonden moeten hebben,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2013.