Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6371

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
27-01-2014
Zaaknummer
248402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

incident 843a Rv.;

Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/248402 / HA ZA 13-541

Vonnis in incident van 30 oktober 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KOIBITO NETHERLANDS BV,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. G. Sarier te Dordrecht,

tegen

[gedaagde] , h.o.d.n. [gedaagde] alsmede h.o.d.n. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiser in reconventie in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. W.J.B.M. Alkemade te Nijmegen.

Partijen zullen hierna Koibito en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaarding

 de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie tevens houdende de incidentele vordering ex artikel 843a Rv

 de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

Het incident is vooralsnog te plaatsen in het volgende feitelijk kader.

2.2

Koibito is een bedrijf dat gespecialiseerd is in de import en handel van exclusieve Japanse vissen. [gedaagde] exploiteert een groothandel in siervissen, waaronder siervissen afkomstig uit Japan en beschikt over een eigen verkooplocatie/winkel in Nederland.

2.3.

Partijen zijn vanaf 1 januari 2010 met elkaar gaan samenwerken, welke samenwerking erin bestond dat [gedaagde] de benodigde vissen via Koibito zou inkopen en het transport (verscheping) van de ingekochte vis door Koibito zou laten verzorgen.

Ten behoeve van deze samenwerking hebben partijen in februari 2010 onder andere de volgende afspraken vastgelegd:

“De commissie op de kwekers visprijs is 5%.

De vrachtprijzen zijn van: Narita naar Amsterdam JPY 650 ex kosten

Osaka naar Amsterdam JPY 750 ex kosten

Fukaoka naar Amsterdam JPY 850 ex kosten

De betaling moet gedaan zijn voor verscheping in Yen op onze Nederlandse Yen rekening.

Vergoedingen en claims worden in behandeling genomen en aan de kweker voorgelegd.

Wat de kweker vergoed vergoeden wij weer aan koiimport [gedaagde].

Alle klanten die nader besproken en vastgelegd worden van Koiimport [gedaagde] nu zullen wij niet direct gaan leveren maar blijven via K.I.J. geleverd worden. Dit geldt ook voor alle nieuwe aangebrachte klanten in de toekomst.

(….)”

2.4.

Koibito heeft [gedaagde] facturen gestuurd. Het totaalbedrag van deze facturen bedraagt € 88.227,68.

2.5.

Nadat door Koibito enige aanmaningen waren verzonden voor de betaling van de facturen heeft [gedaagde] bij brief van 8 mei 2013 gesteld dat Koibito de tussen partijen gemaakte afspraken heeft geschonden door klanten van [gedaagde] rechtsreeks te benaderen en aan hen te leveren waardoor [gedaagde] inkomsten is misgelopen en in betalingsproblemen is geraakt. Voorts heeft [gedaagde] bij deze brief naar voren gebracht:

“Los hiervan hebben wij keer op keer moeten reclameren in verband met niet kloppende dan wel onoverzichtelijke nota’s. (…) Het is voor ons dan ook onmogelijk om exact vast te

stellen wat de achterstand in de betaling is. Voor ons staat echter vast dat wij een grotere vordering op u hebben dan u meent op ons te hebben.(…)”

3 De vorderingen in de hoofdzaak

3.1

Koibito heeft gevorderd [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen:

I. een bedrag van € 88.227,68, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf datum verstrijken factuurdatum althans vanaf 14 mei 2013 althans vanaf de dag dezer dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, tevens vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten;

II. de proceskosten, de beslagkosten en het salaris voor de advocaat van Koibito daaronder begrepen.

3.2.

Koibito heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij in de periode 21 november 2010 tot en met 13 juni 2012 in opdracht van en voor rekening van [gedaagde] vissen heeft verscheept en geleverd en dat [gedaagde] van de ter zake verzonden facturen een bedrag van € 88.227,68 onbetaald heeft gelaten.

3.3.

[gedaagde] heeft de vordering van Koibito gemotiveerd weersproken. [gedaagde] heeft de juistheid van de facturen betwist en hij heeft gesteld dat hij zijn betalingsverplichting jegens Koibito heeft opgeschort omdat Koibito nalatig bleef hem juiste facturen te presenteren. Tevens heeft [gedaagde] aan voornoemde opschorting ten grondslag gelegd dat Koibito het met [gedaagde] overeengekomen non-concurrentiebeding heeft overschreden en dat [gedaagde] hierdoor schade heeft geleden. [gedaagde] heeft voorwaardelijk, voor zover het verrekeningsverweer niet zou slagen, in reconventie gevorderd Koibito te veroordelen tot vergoeding van de schade die [gedaagde] heeft geleden als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten van Koibito in de nakoming van de overeenkomst, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet.

4 De vordering en het verweer in het incident

4.1.

[gedaagde] vordert, in het incident, op grond van artikel 843a Rv Koibito te veroordelen hem alle afschriften van haar verkoopfacturen uit de periode januari 2010 tot en met 8 mei 2013 waarbij de achterliggende leverantie heeft plaatsgevonden aan één van de klanten van [gedaagde], vermeld in het bij de conclusie overgelegde overzicht, te verstrekken.

4.2.

Ter onderbouwing van deze vordering tot exhibitie heeft [gedaagde] gesteld dat aan de drie cumulatieve voorwaarden van artikel 843a RV is voldaan nu vaststaat dat Koibito inbreukmakend heeft geleverd aan een aantal klanten van [gedaagde] en [gedaagde] geen andere mogelijkheid heeft de beschikking te krijgen over deze, voor zijn (verdere) vordering, noodzakelijke gegevens.

4.3.

Koibito voert gemotiveerd verweer tegen deze incidentele vordering en concludeert tot afwijzing van deze vordering. Koibito betwist dat is voldaan aan de vereisten van artikel 843a RV. Zij heeft onder meer gesteld dat nu de incidentele vordering zich niet beperkt tot bepaalde bescheiden sprake is van een ‘fishing expedition’.

4.4.

De rechtbank zal hierna, voor zover van belang, nader op de stellingen van partijen ingaan.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat artikel 843a Rv niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van vier cumulatieve vereisten, te weten:

  1. eiser dient een rechtmatig belang bij afgifte of inzage te hebben;

  2. het moet gaan om bepaalde bescheiden;

  3. die bescheiden moeten zien op een rechtsbetrekking waarin eiser partij is;

  4. ie bescheiden moeten ter beschikking staan of onder berusting zijn van degene tegen wie afgifte of inzage daarvan wordt gevorderd.

5.2.

Het ligt op de weg van de partij die exhibitie verlangt om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat het verlangde afschrift of uittreksel of de verlangde inzage relevant is voor zijn rechtspositie. Artikel 843a Rv heeft betrekking op de situatie dat een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel bekend is, maar niet in haar bezit. Een partij kan slechts om inzage vragen in bepaalde, met name genoemde stukken. Voorts dient het te gaan om stukken met betrekking tot een rechtsverhouding waarin deze partij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.

5.3.

Koibito betwist allereerst uitdrukkelijk dat [gedaagde] een rechtmatig belang heeft bij zijn incidentele vordering omdat de achterliggende vordering, namelijk een schadevergoeding op grond van contractbreuk voorshands niet voldoende aannemelijk is.

5.4.

In haar conclusie van antwoord in het incident ontkent Koibito dat er sprake is van een concurrentiebeding tussen partijen zoals uitgelegd door [gedaagde] en ontkent zij dat sprake zou zijn van enige schending die meebrengt dat zij aansprakelijk is voor de door [gedaagde] gestelde schade. De in februari 2010 tussen partijen gemaakte afspraken, waarop [gedaagde] zich beroept betreffen oude en achterhaalde afspraken waarop [gedaagde] geen beroep meer toekomt, aldus Koibito. Ter zake van de door [gedaagde] bij productie 6 overgelegde verklaring van zijn klant Koi-s-Enter heeft Koibito naar voren gebracht dat [gedaagde] volledig op de hoogte was dat deze klant Koibito benaderd had. Hierbij heeft Koibito bij productie 1 bij haar conclusie van antwoord in het incident een e-mailcorrespondentie uit december 2010 tussen Koi-s-Enter en Koibito overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde] wetenschap heeft van het contact tussen Koi-s-Enter en Koibito.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.5.

In eerste instantie heeft Koibito bij dagvaarding in het kader van haar substantiëringsplicht uitdrukkelijk betwist dat er ooit afspraken dan wel voorwaarden zijn gemaakt omtrent het benaderen van klanten. Bij conclusie van antwoord in het incident heeft Koibito, nadat [gedaagde] de door [naam] namens Koibito op 3 februari 2010 ondertekende afspraken heeft overgelegd, de stelling ingenomen dat er weliswaar afspraken zijn gemaakt doch dat deze niet meer gelden en dat er nieuwe afspraken zijn gemaakt. De rechtbank is evenwel van oordeel dat met de enkele stelling Koibito onvoldoende heeft onderbouwd dat er daadwerkelijk sprake is van nieuwe afspraken dan wel dat de ‘oude’ afspraken niet meer geldig zouden zijn. Ook in de verwijzing naar het feit dat in het najaar van 2011 geen commissie meer in rekening wordt gebracht ziet de rechtbank geen sluitend bewijs dat er sprake is van nieuwe afspraken inzake het non-concurrentiebeding. De rechtbank gaat dan ook voorshands uit van de geldigheid van de onder 2.3. genoemde afspraken, zij het dat de rechtbank Koibito de gelegenheid zal geven om te bewijzen dat en vanaf welke datum de afspraak inzake het niet beleveren van klanten van [gedaagde] is vervallen.

5.6

Koibito heeft de stelling van [gedaagde] dat zij de in februari 2010 gemaakte afspraken heeft geschonden door in de periode vanaf januari 2010 tot en met 8 mei 2013 rechtstreeks aan klanten van [gedaagde] te leveren, wel in voldoende mate weersproken. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] geen althans onvoldoende bewijs heeft overgelegd van de gestelde schendingen van het concurrentiebeding.

Overwogen wordt dat het bestaan dan wel het ontbreken van een rechtmatig belang mede afhankelijk is van de vraag of er daadwerkelijk sprake is geweest van schending door Koibito van de tussen partijen gemaakte afspraken, waarop [gedaagde] zijn vordering tot schadevergoeding baseert. De rechtbank zal dan ook, op grond van artikel 150 Rv, [gedaagde] opdragen om de gestelde schendingen te bewijzen.

5.7

Indien Koibito slaagt in het bewijs dat de non-concurrentie afspraak met ingang van een bepaalde datum is vervallen, zal de vordering tot het verstrekken van verkoopfacturen vanaf die datum worden afgewezen. Indien [gedaagde] faalt in het bewijs dat Koibito klanten van [gedaagde] heeft beleverd, zal de incidentele vordering helemaal moeten worden afgewezen. Indien [gedaagde] wel slaagt in dit bewijs, zal nog moeten worden beoordeeld of aan de overige onder 5.1. genoemde vereisten voor toewijzing van de gevorderde inzage en afgifte is voldaan.

6 De beoordeling in de hoofdzaak

6.1.

De rechtbank zal in dit stadium van het geding iedere beslissing aanhouden.

7 De beslissing

De rechtbank

in het incident

7.1.

stelt Koibito in de gelegenheid om te bewijzen dat en vanaf welke datum partijen zijn overeengekomen dat de afspraak inzake het niet-beleveren van klanten van [gedaagde] is vervallen.

7.2

draagt [gedaagde] op te bewijzen dat Koibito in de periode van januari 2010 tot en met 8 mei 2013 het overeengekomen concurrentiebeding heeft geschonden, door één of meer klanten van [gedaagde] rechtstreeks te beleveren,

7.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 november 2013 voor uitlating door Koibito en [gedaagde] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

7.4.

bepaalt dat Koibito en/of [gedaagde], indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren, maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

7.5.

bepaalt dat Koibito en/of [gedaagde], indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de donderdagen in de maanden december 2013 tot en met februari 2014 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

7.6.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. N.W. Huijgen in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4,

7.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

7.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

in de hoofdzaak

7.9.

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2013.