Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6356

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
240869
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongeval tijdens grasbaanmotorraces, gat of gleuf in de rijbaan?

Vraag of de organisatoren aansprakelijk kunnen worden gehouden voor materiële en immateriële schade op grond van art 6:162 BW, 6:170 BW, 6:171 BW of 6:172 BW.

Bewijswaardering op basis van getuigenverklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/240869 / HA ZA 13-176

Vonnis van 9 oktober 2013

in de zaak van

1 [eiser],

wonende te Onstwedde,

2. [eiser],

wonende te Oudemolen,

3. [eiser]

wonende te Oudemolen,

eisers,

advocaat mr. Chr. D. de Vos te Emmen,

tegen

1. de vereniging

[gedaagde]

gevestigd te Arnhem,

2. de vereniging

[gedaagde] ,

gevestigd te [plaats],

gedaagden,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Eisers zullen hierna gezamenlijk als [eiser] en afzonderlijk als [eiser], [eiser] en [eiser] worden aangeduid en gedaagden als de [gedaagde] en de [gedaagde].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 juni 2013

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 28 augustus 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De [gedaagde] is een vereniging die de belangen behartigt van individuele motorrijders en motorclubs. De [gedaagde] is aangesloten bij de Europese motor organisatie [betrokkene] (hierna: ‘[betrokkene]’), die tot 1 januari 2013 genaamd was [betrokkene] (hierna: ‘[betrokkene]’).

2.2.

Om aan door de [gedaagde] georganiseerde wedstrijden te mogen deelnemen, moet een rijder in het bezit zijn van een licentie. De licentie moet jaarlijks schriftelijk, door het invullen van een daartoe bestemd formulier, worden aangevraagd. Op het formulier ten behoeve van de licentie-aanvraag 2005 was vermeld:

Aansprakelijkheid

Door ondertekening van dit aanvraagformulier verklaart de licentiehouder dat hij/zij de [gedaagde], haar officials, organisatoren en haar medewerkers noch de andere wedstrijddeelnemers aan trainingen en/of wedstrijden, aansprakelijk zal stellen voor personenschade en/of zaakschade, inclusief gevolgschade voortvloeiend uit deelname aan deze trainingen en/of wedstrijden. Tevens verklaart de licentiehouder zich te onderwerpen aan de bepalingen, statuten en reglementen van de [gedaagde].

2.3.

[eiser], [eiser] en [eiser] waren in het bezit van een licentie van de [gedaagde] voor het jaar 2005.

2.4.

De [gedaagde] is een lokale vereniging met ongeveer 1100 leden die in [plaats] en omliggende dorpen diverse evenementen organiseert.

2.5.

De [gedaagde] organiseert onder meer, onder auspiciën van de [gedaagde],

grasbaan(motor-)races op een evenemententerrein aan de [adres]

2.6.

De [gedaagde] huurt dit terrein voor de duur van de races van de [betrokkene] en de gemeente [plaats]. Jaarlijks wordt daar een racebaan geprepareerd. Er is derhalve geen sprake van een permanente racebaan. De racebaan die in [plaats] wordt gecreëerd heeft een lengte van 504 meter en een breedte van 12 meter op de rechte stukken en van 15 meter in de bochten.

2.7.

In 2005 werden de grasbaanraces op zaterdag 19 en zondag 20 maart verreden. Op die beide dagen werden wedstrijden in de verschillende klassen verreden.

2.8.

Omdat er in bepaalde raceklassen wedstrijden plaatsvonden die onderdeel waren van het Europees kampioenschap, waren er vertegenwoordigers van de [betrokkene] aanwezig.

2.9.

Op 20 maart 2005 deed [eiser] als bestuurder van een zijspan mee aan de tweede serie van de zijspanraces. [eiser], de partner van [eiser], was bakkenist. In de tweede ronde van betreffende wedstrijd zijn [eiser] en [eiser] ten val gekomen. De wedstrijd is stilgelegd. [eiser] en [eiser] zijn naar het ziekenhuis vervoerd. Beiden hebben blijvend letsel opgelopen, waaronder blijvend ernstig letsel bij [eiser], te weten een dwarslaesie.

2.10.

Later die dag is de wedstrijd voortgezet. [eiser] deed in zijn serie mee aan de zijspanraces mee als bestuurder. Mevrouw [betrokkene](hierna: ‘[betrokkene]’) was zijn bakkenist. Tijdens de eerste heat kampte de combinatie met technische mankementen. Tijdens de volgende heat is de combinatie ten val gekomen. [eiser] heeft daarbij letsel opgelopen.

2.11.

De [gedaagde] heeft de rechtbank Assen in 2006 verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. [eiser] en [eiser] waren verweerders in die procedure. De rechtbank Assen heeft het verzoek in een beschikking van 25 oktober 2006 (zaaknummer 58209 / HA RK 06-53) toegewezen. De getuigenverhoren hebben vervolgens op 9 en 11 januari, 4 en 11 oktober en 8 november 2007 plaatsgevonden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat –, dat de rechtbank zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I) Voor recht zal verklaren

- dat (ieder van) [eiser] op 20 maart 2005 tijdens de zijspangrasbaanraces te [plaats] een ongeval is overkomen, alsmede;

- dat zulks is veroorzaakt door een gat, althans gleuf, althans greppel, althans andere onregelmatigheid in de baan, alsmede;

- ( primair) dat door (ieder van) de [gedaagde] en de [gedaagde] jegens (ieder van) [eiser] sprake is van onrechtmatig handelen althans nalaten en dat de [gedaagde] en de [gedaagde] ingevolge de artikelen 6:162, juncto 6:170, althans 6:171, althans 6:172 BW (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de door (ieder van) [eiser] reeds geleden en verder nog te lijden materiële en immateriële schade, alsmede;

- ( subsidiair) dat van de zijde van (ieder van) de [gedaagde] en de [gedaagde] jegens (ieder van) [eiser] sprake is van een toerekenbare tekortkoming en dat de [gedaagde] en de [gedaagde] ingevolge de artikelen 6:74 juncto 6:76 BW (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de door (ieder van) [eiser] reeds geleden en verder nog te lijden materiële en immateriële schade, alsmede;

- ( meer subsidiair) dat van de zijde van (ieder van) de [gedaagde] en de [gedaagde] sprake is van bedrijfsmatig gebruik en dat de [gedaagde] en de [gedaagde] ingevolge de artikelen 6:181 juncto 6:174, althans 6:173 BW (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de door (ieder van) [eiser] geleden en verder nog te lijden materiële en immateriële schade, alsmede;

II) de [gedaagde] en de [gedaagde] (hoofdelijk) zal veroordelen om aan (ieder van) [eiser] te vergoeden alle geleden en verder nog te lijden schade, voortvloeiend uit het ongeval, bestaande uit materiële en immateriële schade onder andere ten titel van verlies van verdienvermogen, kosten van huishoudelijke hulp, verlies van zelfwerkzaamheid, smartengeld en wettelijke rente, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet, alsmede;

III) de [gedaagde] en de [gedaagde] (hoofdelijk) zal veroordelen om aan (ieder van) [eiser] te vergoeden te wettelijke rente:

  • -

    over het smartengeld vanaf de datum van het ongeval;

  • -

    over de schadepost verlies van verdienvermogen (inclusief verlies van zelfwerkzaamheid en huishoudelijke hulp) vanaf de (nog niet bekende) kapitalisatiedatum;

  • -

    over de schadepost kosten (rechts-)bijstand en kosten ter vaststelling van de schade, vanaf de datum waarop die kosten zijn gemaakt;

IV) de [gedaagde] en de [gedaagde] (hoofdelijk) zal veroordelen tot het aan (ieder van) [eiser] verstrekken van een deugdelijke belastinggarantie, alsmede;

V) de hoofdelijke veroordeling jegens (ieder van) [eiser] uit zal spreken onder een voorbehoud van het blijven bestaan van een (volledige dan wel gedeeltelijke) WAO/WIA-uitkering, zulks in verband met een eventuele stelselwijziging van de WAO/WIA, alsmede;

VI) de [gedaagde] en de [gedaagde] hoofdelijk zal veroordelen tot het vergoeden van de kosten van rechtsbijstand ad € 60.691,26, alsmede;

VII) de [gedaagde] en de [gedaagde] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis en voorts met de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat de aan [eiser] enerzijds en [eiser] en [eiser] anderzijds op 20 maart 2005 overkomen ongevallen zijn veroorzaakt door een gat (of gleuf) in de baan. [eiser] stelt dat de zijspanrace gelet op de staat van de grasbaan in [plaats] nimmer verreden had mogen worden, althans dat de [gedaagde] en de [gedaagde] (althans de door hen ingeschakelde hulppersonen) hebben nagelaten de baan voldoende te controleren en afdoende te prepareren voor de zijspanrace. [eiser] stelt dat de [gedaagde] en de [gedaagde] daarom (hoofdelijk) jegens hen aansprakelijk zijn voor de door hen als gevolg van de ongevallen geleden schade.

3.3.

De [gedaagde] en de [gedaagde] voeren verweer. Zij betwisten de door [eiser] gestelde toedracht van het ongeval, te weten – kort gezegd – dat sprake was van een gat of gleuf in de baan. Voor zover daarvan al sprake was, voeren de [gedaagde] en de [gedaagde] aan dat hen geen verwijt treft omdat zij alle voorzorgsmaatregelen hebben getroffen die van hen konden worden verwacht.

3.4.

Zo al wordt geoordeeld dat de [gedaagde] en de [gedaagde] aansprakelijk zijn jegens [eiser], beroepen zij zich op de exoneratieclausule die door de [gedaagde] wordt gehanteerd en die door [eiser] is geaccepteerd toen zij de licentie aanvroegen bij de [gedaagde] die vereist is om wedstrijden te mogen rijden.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Toetsingskader

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat uit de stellingen van partijen volgt dat een grasbaan in feite altijd, maar zeker wanneer op deze baan al in het kader van training of wedstrijd is gereden, oneffenheden in de vorm van onder meer sporen vertoont. Er is geen sprake van een ‘glad’ oppervlak waarover wordt gereden, zoals bij een asfaltbaan het geval is. Het racen op een grasbaan als die in [plaats] bergt in die zin als zodanig reeds een groter risico op valpartijen in zich. Gelet daarop kan niet naar aanleiding van iedere oneffenheid in een grasbaan die leidt tot een valpartij aansprakelijkheid van de organisatie worden aangenomen.

4.2.

Het verwijt dat [eiser] de [gedaagde] en de [gedaagde] maakt is (dan ook) niet gelegen in de omstandigheid dat de grasbaan op 20 maart 2005 de voor een dergelijke baan gebruikelijke oneffenheden vertoonde. [eiser] heeft wel gesteld dat de baan die dag erg zwaar, in de zin van drassig, was omdat er enige weken vóór de races nog sneeuw op lag. De vordering van [eiser] is echter gegrond op de stelling dat in de baan een gat, greppel of gleuf, derhalve een duidelijk andere dan gebruikelijk oneffenheid, zat waardoor deze voor de rijders gevaarlijk was. Het gevaar heeft zich volgens [eiser], gezien de valpartijen die hen zijn overkomen, verwezenlijkt.

4.3.

Gelet op die stelling van [eiser] en het daartegen door de [gedaagde] en de [gedaagde] gevoerde verweer, dient allereerst beoordeeld te worden of kan worden aangenomen dat op 20 maart 2005 in de baan de door [eiser] bedoelde anders dan gebruikelijke onregelmatigheid zat. Eerst indien dat als vaststaand wordt aangenomen, komt aan de orde de vraag of de [gedaagde] en de [gedaagde] die onregelmatigheid hadden kunnen en dienen te voorkomen, met andere woorden of zij aan de op hen rustende zorgplicht hebben voldaan. Zo de [gedaagde] en de [gedaagde] aansprakelijk worden geacht, vergt het door hen gedane beroep op het exoneratiebeding beoordeling.

4.4.

Van de stelling dat op 20 maart 2005 zowel tijdens de door [eiser] en [eiser] enerzijds en [eiser] en [betrokkene] anderzijds verreden races een gat, greppel of gleuf in de baan zat, rust op grond van artikel 150 Rv de bewijslast op [eiser] De vordering jegens de [gedaagde] en de [gedaagde] is immers, zoals hiervoor weergegeven, op die stelling gegrond.

4.5.

[eiser] beroept zich op dit punt op (delen van) een aantal van de in het kader van het voorlopig getuigenverhoor (als hiervoor genoemd onder 2.11.) afgelegde getuigenverklaringen. Door [eiser] is niet gesteld dat van het bestaan van, kort gezegd, het gat in de baan op andere wijze dan door de reeds overgelegde getuigenverklaringen bewijs kan worden geleverd en een concreet bewijsaanbod ontbreekt (dan) ook. Mede gelet daarop valt ook niet in te zien op welke wijze nader bewijs zou kunnen worden geleverd. De rechtbank dient derhalve te onderzoeken of op grond van bedoelde getuigenverklaringen als (voldoende) vaststaand kan worden aangenomen dat het bedoelde gat op 20 maart 2005 in de baan zat.

De getuigenverklaringen

4.6.

De achtereenvolgens gehoorde getuigen hebben het volgende verklaard over het (al dan niet) bestaan van een gat, greppel of gleuf in de baan.

- De heer [getuige] (wedstrijdleider baansportevenementen [gedaagde]) heeft verklaard dat hij als wedstrijdleider verantwoordelijk was voor de veiligheid van de baan. Op woensdag of donderdag voor de wedstrijd heeft hij de baan bekeken. Daarbij heeft hij geen grote oneffenheden in de baan geconstateerd. [getuige] heeft het ongeval van [eiser] en [eiser] niet zien gebeuren. Hij is wel direct na het ongeval ter plaatse gekomen. Hij verklaart over de baan:

Ik heb na het ongeval de baan heel specifiek bekeken. Het was een bereden baan, dat wil zeggen, hij was niet vlak als een liniaal. Er zaten sporen in. Er waren dus wat oneffenheden, maar ik heb niets aangetroffen waarvan ik zeg dat is de oorzaak van het ongeval van [eiser] geweest.

Het ongeval van [eiser] en [betrokkene] heeft [getuige] wel zien gebeuren. Het gebeurde volgens hem in dezelfde bocht, de tweede, waar ook [eiser] en [eiser] ten val waren gekomen. Opnieuw is [getuige] direct na het ongeval de baan opgegaan. Hij zegt daarover:

Ik heb ook toen weer de baan bekeken en ik heb niet iets specifieks gezien waarvan ik zeg daar is het ongeval door gebeurd. Ik heb gelezen dat er een gat van 35 cm diep zou zijn, maar een dergelijk gat heb ik niet waargenomen maar zou ik zeker gezien moeten hebben.

- De heer [getuige] (wedstrijdleider [gedaagde]) heeft verklaard dat hij beide ongevallen heeft zien gebeuren. Volgens hem vonden de ongevallen niet op dezelfde plek plaats. [eiser] en [eiser] zouden gevallen zijn voor het insturen van de tweede bocht, [eiser] midden in die bocht. [getuige] verklaart op zondagochtend, na de training, de baan te hebben geïnspecteerd. Hij heeft toen geen bijzonderheden geconstateerd.

[getuige] verklaart voorts na beide ongevallen ter plaatse te zijn gegaan. In beide gevallen heeft hij niets bijzonders aangetroffen.

- [eiser] heeft als getuige verklaard dat het hem overkomen ongeval tien à vijftien meter voor het ingaan van de tweede bocht is gebeurd. Zijn voorwiel zakte weg en de zijspancombinatie werd daardoor gelanceerd. Over de oorzaak van het ongeval heeft [eiser] verklaard:

Wanneer u mij vraagt waardoor het nou komt dat mij het ongeval is overkomen, kan ik daarover het volgende zeggen. Op de plek van het ongeval liep dwars over de baan een gleuf van plm 1 meter breed. Die gleuf zat naar mijn mening in de structuur van de grond. Wat ik daarmee bedoel is, dat ik wel heb gehoord dat er op die plek een sloot heeft gelopen. In zo’n situatie krijg je dan al gauw een verzakking. De gleuf was naar ik schat zo’n 30 a35 cm diep. (…) Hiervoor heb ik verklaard dat ik de gleuf zelf niet heb gezien. Wel heb ik geconstateerd dat ik in een gat reed. Die constatering is hierop gebaseerd, dat het voorwiel in een keer wegzakte.

- [eiser] heeft over het hem overkomen ongeval verklaard:

Voordat ik bij de tweede bocht kwam, ben ik ongeveer zo’n 10 meter voor die bocht en voordat ik de tweede bocht inzette, onderuit gegaan. Mijn voorwiel zakte in een keer weg. Verder weet ik van het geheel zelf niks meer.

(…)

Hiervoor heb ik gezegd, de baan zag eruit als een biljartlaken en tegelijkertijd verklaar ik dat mijn voorwiel in een keer wegzakte. Dit kan ik hieruit verklaren, dat de baan weliswaar glad gestreken is, maar dat daarmee los zand in een gleuf terechtkomt. Dat maakt dat het er op zich wel gladgestreken uitziet, maar dat wil nog niet zeggen dat zo’n gleuf aangestampt of hard is. Dat was dus niet het geval.

- De heer [getuige] heeft als bestuurder van een zijspancombinatie deelgenomen aan de race. Hij heeft het ongeval van [eiser] zien gebeuren en ook dat van [eiser] en [eiser], vanuit het rennerskwartier tegenover de plaats van het ongeval. [getuige] verklaart:

Wanneer u zegt dat er getuigen zijn die verklaren over een gleuf of gat in de baan waardoor het ongeval kon gebeuren, kan ik daarover zeggen dat ik zo’n gleuf of gat niet ben tegengekomen. (…) Het is mij ook niet opgevallen, toen ik het ongeval van [eiser] zag gebeuren dat zijn voorwiel wegzakte in een gleuf.

(…)

Zoals al door mij gezegd, ben ik op de baan niks raars, zoals een gleuf of gat, tegengekomen. Dat zou kunnen komen omdat ik een andere lijn heb gevolgd, maar zo breed is de baan nou ook weer niet.

Over de oorzaak van de ongevallen heeft [getuige] verklaard:

Wanneer de oorzaak stellenderwijs een gat in de baan zou zijn geweest waarin het voorwiel kwam, dan moet dat wel een behoorlijk diep gat, een joekel van een gat zijn geweest. Want met een dergelijke snelheid en de vering van de motoren zou de zijspan over een smalle gleuf of klein gat zo eroverheen zijn gegaan.

- De heer [getuige] heeft aan de zijspanraces deelgenomen. Hij was de rijdersvertegenwoordiger, de persoon die opmerkingen en klachten van de rijders met de wedstrijdleiding besprak. Hij heeft verklaard:

Tijdens de eerste training merkte ik al dat de baan zacht was. ’s Ochtends ben ik tijdens de starttraining over de kop gerold vlak voor de tweede bocht. Ik kon daar niks aan doen, terwijl ik toch de meeste ervaring had. Ik ben na deze training direct naar de plek gegaan waar het gebeurde en ik zag dat daar een vrij diepe geul zat en die geul zat in de lengterichting van de baan. Op zich was dat niet abnormaal maar die geul had in principe weer moeten worden dichtgemaakt en aangedrukt.

En verder:

Nadat er gereden was en voordat er een baandienst was gehouden kon je de gleuf niet over het hoofd zoen. Die geul was breder dan normaal. Ik denk dat ie wel zo’n 30 cm breed was met behoorlijk scherpe randen. De normale breedte van een geul is plusminus gelijk aan de brandbreedte en dat zal ongeveer de helft hebben betekend. Ik heb dat zelf geconstateerd toen ik er, nadat [eiser] was gevallen, er heen liep. Ik zag de geul meteen. Nadat [eiser] was gevallen ben ik niet meer op de plek geweest.

(…)

Over de diepte van het gat kan ik nog zeggen dat het wel 20 a30 cm diep was. De lengte bedroeg ongeveer en meter.

[getuige] verklaart dat hij van de door hem geconstateerde gleuf melding heeft gemaakt bij de wedstrijdleiding. Volgens [getuige] moest je in een bepaalde lijn, zoveel mogelijk in de binnenbocht, rijden om geen last te hebben van de gleuf. Anders ging het mis volgens hem. Over het ongeval van [eiser] verklaart hij:

Ik heb het ongeval van [eiser] en [eiser] zien gebeuren. Ik zag hem in een keer gaan. Op dat moment was er bij [eiser] geen andere rijder in de buurt. Het ongeval gebeurde op dezelfde plek waar ik onderuit was gegaan. Ik dacht toen direct dat zal wel hetzelfde gat wel geweest zijn.

[getuige] heeft verklaard ook het ongeval van [eiser] te hebben zien gebeuren. Volgens hem is dat op dezelfde plek gebeurd als het ongeval van [eiser] en [eiser].

- De heer [getuige] (baanofficial) heeft verklaard na beide ongevallen op de baan te zijn gegaan. Zijn taak was de slachtoffers af te schermen van het publiek. Hij verklaart:

Wanneer [getuige] verklaart dat er een geul, sleuf of gat in het rechte stuk voor de tweede bocht zat van 1 meter lang, 30 cm breed en 30 cm diep, dan zeg ik daarover dat ik iets dergelijks een gat zou noemen en dat mij dat gat dan zeker opgevallen moest zijn wanneer ik daar geweest was. Een dergelijk gat heeft niet de afmetingen van een sleuf die door een motorband wordt veroorzaakt. Een dergelijke sleuf heeft die afmetingen niet.

- De heer [getuige] is bij de voorbereiding van de wedstrijd betrokken geweest en was op beide wedstrijddagen aanwezig. Hij was voor de wedstrijdleiding het aanspreekpunt in de gevallen dat er iets aan de baan moest gebeuren. Na het ongeval van [eiser] en [eiser] is [getuige] ter plaatse gegaan. Hij verklaart:

(…) ik heb ook nog even rond gelopen op de baan. Ik heb daar toen niks bijzonders geconstateerd. Wanneer er wordt gezegd dat er aan het einde van het rechte stuk voor de tweede bocht een sleuf zat van 1 meter lengte, 30 cm breedte en een diepte van 20 a30 cm dan zeg ik daarop dat ik zo’n sleuf dan zou hebben gezien. Ik heb een dergelijke sleuf echter niet gezien.

- De heer [getuige] heeft als bestuurder van de zijspan deelgenomen aan de wedstrijden. Hij heeft het ongeval van [eiser] zien gebeuren toen hij zo’n dertig à veertig meter achter [eiser] reed. Er is [getuige] niets bijzonders opgevallen aan de baan. Hij verklaart verder:

Wanneer u zegt dat er getuigen zijn die verklaren over een gleuf of gat in de baan in [plaats] met een lengte van plusminus een meter en een breedte en diepte van plusminus 30 cm, dan moet ik u zeggen dat ik zo’n dergelijk gat niet heb gezien. Ik merk daarbij wel op dat de baan zo’n 16 meter breed is en dat je daar verschillende malen langs kunt rijden zonder in een dergelijk gat te rijden.

- De heer [getuige] was op zondag als toeschouwer bij de races aanwezig. Hij verklaart:

Wanneer een getuige verklaart over een gleuf van een meter lang, 30 cm breed en 20 a30 cm diep, dan kan ik daarover verklaren dat ik een dergelijke gleuf niet heb gezien. Ik kan me ook niet voorstellen dat een dergelijke gleuf aanwezig was, want anders hadden andere coureurs, zoals [getuige], dat ook wel moeten zien.

- De heer [getuige] was ook als toeschouwer aanwezig bij de wedstrijden in [plaats]. Hij stond ter hoogte van de tweede bocht. Volgens [getuige] zat er een verzakking in de baan. Daardoor zakten ook de verongelukte motoren weg. Hij verklaart over de door hem bedoelde verzakking:

Op de plek waar het ongeval van [eiser] plaatsvond had ik daarvoor geconstateerd dat er een soort klein greppeltje over de gehele baan liep. Dat was op de plek van de 2e bocht, net op de plek waar de coureur de bocht aansnijdt. Het greppeltje was duidelijk zichtbaar. De grond was zacht en slof, en het had van te voren geregend. Dat maakte naar mijn mening dat het greppeltje goed zichtbaar was.

(…)

Bij het ongeval van [eiser] stond ik op dezelfde plek. Het was ook bij [eiser] ter plekke van de hiervoor door mij genoemde geul. [eiser] zat echter meer naar de buitenkant.

(…)

De geul was naar mij idee een zodanige geul dat het er alleen overgaan met een weide sleep niet voldoende was.

(…)

Hiervoor heb ik nog gesproken over de geul over de volle breedte van de baan. Ik kan het nog verduidelijken in die zin dat de geul niet dwars liep over het rechte stuk maar diagonaal bij het begin van de 2e bocht. (…) De breedte van de geul was naar mijn idee schattender wijs 1 a anderhalf meter. De lengte van de geul was gelijk aan de breedte van de baan, dat weet ik bijna 100% zeker. Naar mijn idee was de geul toch wel zo’n 20 a25 cm diep, er was sprake van een glooiing.

- De heer [getuige], vader van [eiser] en aanwezig als verzorger van diens materiaal. Hij is na het ongeval van [eiser] ter plaatse gegaan. Hij verklaart over hetgeen hij toen heeft gezien:

Ik zag toen iets aan de baan. Ik zag een gleuf op de baan van ongeveer 10 cm diep waarin heel duidelijk zichtbaar was het spoor waar hij was weggezakt. Het was volgens mij wel meer dan 10 cm diep. Het was behoorlijk diep.

Volgens [getuige] is het ongeval van [eiser] en [eiser] op dezelfde plek gebeurd. [getuige] heeft verder verklaard dat de door hem bedoelde gleuf in de lengterichting van de baan liep. [getuige] is daarbij gebleven, ook geconfronteerd met verklaringen van andere getuigen die stelden dat de gleuf diagonaal over de baan liep.

- De heer [getuige] was op zondag 20 maart als toeschouwer aanwezig. Hem is aan de baan niets bijzonders opgevallen.

- De heer [getuige] heeft op beide dagen de wedstrijden als toeschouwer gezien. Hij verklaart over de ongevallen, die hij beide heeft gezien op ongeveer twintig meter afstand:

Zowel bij [eiser] als bij [eiser] zag ik het voorwiel in een keer wegzakken in een gat. Het was zeg maar een soort geul. Ik heb van iemand gehoord dat op die plek vroeger een sloot heeft gelopen. Dat is bij droog weer geen probleem maar wel bij nat weer. Die gleuf liep zeg maar een beetje schuin over de baan. Die gleuf zat net op een inkomende bocht waar de rijders inzetten om de bocht te nemen.

(…)

De gleuf zal wel ongeveer zo’n 20 a25 centimeter diep zijn geweest. Ik merk daarbij op dat er een zachte ondergrond was. Over de breedte en de lengte durf ik eigenlijk niks te zeggen.

De geul was breder dan de dikte van een bandenspoor, maar hoe breed weet ik niet precies. Ik kan ook niet zeggen of de geul nu de gehele baan of de helft van de baan besloeg. Het was een modderpoel en dan kun je heel moeilijk zien.

- De heer [getuige] was als toeschouwer aanwezig bij de zijspanraces. Hij verklaart:

Ik heb met mijn eigen ogen kunnen waarnemen dat er in één bocht een gat zat. Ik heb het dan over de bocht waar de ongelukken hebben plaatsgevonden. Ik bedoel dan die ongelukken van [eiser]/[eiser]. Wanneer ik hiervoor spreek over een gat dan bedoel ik eigenlijk een geul van 1 meter lang en plus minus 30 cm breed. De geul liep in de lengterichting van de baan.

(…)

De gleuf lag bij het ingaan van de bocht ongeveer in het midden van de baan.

- De heer [getuige] nam, als bakkenist van [getuige], deel aan de races op zondag. Hij reed in een andere manche dan [eiser] en [eiser]/[eiser]. Hij was ten tijde van de ongevallen rond de baan. [getuige] verklaart over de staat van de baan en de toedracht van de ongevallen:

[plaats] heeft gewoon een aantal vaste gaten. De meeste rijders hadden wel vaker in [plaats] gereden en zouden daarmee op de hoogte moeten zijn. Die gaten zaten bij de start en bij de inkomende bochten.

(…)

Volgens mij is [eiser] wel door het gat gereden. Ik had daarvoor zelf al gereden en was op dezelfde plek gevallen. Wij zijn als eerste op die plek gevallen. Dat kwam door dat gat. Dat gat zat meer naar binnen toe dan naar de buitenkant. Het gat kwam daar op die plek, althans daar in de buurt, elk jaar weer. De banden haalden het zand op die plek los. Het was daar altijd een zwakke plek. Wanneer u mij vraagt om het gat te beschrijven zeg ik daarop dat het gat enigszins ovaal was.

Ik kan eigenlijk niet zeggen of er nou sprake was van een gat in de breedte of in de lengte of diagonaal. U moet weten dat ik als bakkenist aan de wedstrijd meedeed en dan ben je niet zo geconcentreerd op de toestand van de baan.

(…)

Wanneer mij gevraagd wordt hoe diep het gat was moet ik gissen. Als bakkenist voelde ik wel een klap. Ik houd het op zo’n 10 centimeter. Het was niet zozeer een gleufje, want daar glijd je zo over heen.

- De heer [getuige]was op zondag aanwezig als monteurcoach van [eiser]. Hij heeft verklaard:

De ongelukken van [eiser] en [eiser] hadden te maken met de toestand van de baan. De ongelukken van [eiser] en [eiser] zijn volgens mij gebeurd omdat de zijspan is gaan happen. Ik bedoel daarmee de zijspan slaat dan in de grond. Dit kon gebeuren vanwege een diepe geul op die plek. Het was niet een kwestie van te hard rijden, want dan zou je gewoon weg zijn gegleden. De geul liep vlak voor de bocht, nog op het laatste stukje, daar waar de coureurs de bocht inzetten. De geul liep vlak voor de bocht, nog net op het laatste rechte stukje, daar waar de coureurs de bocht inzetten. Het voorwiel is in de geul gekomen.

(…)

Na het ongeval ben ik de baan opgelopen. Ik heb toen op de plek waar het ongeval gebeurde een diepe geul gezien. Die geul liep niet met de bocht mee, maar liep als het ware rechtdoor. De geul was zo’n anderhalf a 2 meter lang en ik schat zo’n 25 cm diep en zo’n 25 a30 cm breed.

Waardering verklaringen

4.7.

De verklaringen van [eiser] en [eiser] zelf en voorts die van [getuige] , [getuige], [getuige], [getuige], en[getuige] kunnen bijdragen aan de onderbouwing van de stelling van [eiser] dat sprake was van een, niet gebruikelijk, gat, greppel of gleuf in de baan. Ook [getuige] verklaart over een gat, doch beschrijft dat duidelijk anders dan de overige getuigen. [getuige] spreekt over een ovaal gat, dat volgens hem altijd in de baan zat. De overige getuigen verklaren echter over een langwerpig gat, eerder een greppel(tje) of geul.

4.8.

Een aantal van de onder 4.7. genoemde getuigen – te weten [eiser], [eiser], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige] – verklaart consistent over de plaats van de geul op de baan en (dus) de plaats waar de ongevallen zijn gebeurd. Steeds wordt verklaard dat [eiser] en [eiser]/[eiser] vóór het ingaan van de tweede bocht, volgens [eiser] en [eiser] zo’n tien meter daarvoor, zijn gevallen. Volgens deze getuigen is het derhalve niet zo dat [eiser]/[eiser] enerzijds en [eiser] anderzijds op verschillende plekken zijn gevallen, zoals andere getuigen hebben verklaard.

4.9.

Aan voornoemde verklaringen valt bovendien op dat de getuigen vrij consistent verklaren over de lengte, breedte en diepte van de door hen bedoelde geul of greppel. Uit de verklaringen volgt dat zij menen dat sprake was een vrij diepe geul. De getuigen schatten de diepte op meer dan tien centimeter ([getuige]) tot meer dan twintig centimeter diep ([getuige], [getuige], [getuige]) of zelfs meer dan vijfentwintig centimeter ([eiser],[getuige]). De lengte van de geul wordt veelal op een meter, maximaal anderhalve meter geschat en de breedte op zo’n dertig centimeter. In elk geval was de geul volgens deze getuigen breder dan een motorband.

4.10.

Tegelijkertijd valt op dat verschillend is verklaard over de richting van de geul ten opzichte van de baan. Volgens [eiser] liep de geul dwars over de baan en ook de verklaring van[getuige] lijkt daarop te wijzen, terwijl zowel [getuige], [getuige] als [getuige] verklaard hebben dat de geul in de lengterichting van de baan liep. Weer anderen ([getuige], [getuige]) stellen dat de geul diagonaal (schuin) over de baan liep.

4.11.

Tegenover de verklaringen van de onder 4.7. genoemde getuigen staan die van [getuige], [getuige], [getuige], [getuige], [getuige] en [getuige]. De verklaring van [getuige] dient naar het oordeel van de rechtbank buiten beschouwing te blijven omdat daaruit volgt dat [getuige] niet meer dan in algemene zin kon verklaren over de toestand van de baan.

4.12.

[getuige], [getuige], [getuige] en [getuige] verklaren allen dat zij direct na de ongevallen op de baan zijn geweest. Ieder afzonderlijk hebben zij verklaard daar niet de door andere getuigen waargenomen geul te hebben gezien, terwijl deze geul volgens andere getuigen toch een aanzienlijke omvang moet hebben gehad (als beschreven onder 4.9.). Ook [getuige] en [getuige], die aan de race hebben deelgenomen, hebben de geul niet gezien. Dat geldt ook voor toeschouwer [getuige].

4.13.

Daarbij valt op dat deze getuigen stellen dat zij de geul moeten hebben gezien indien deze daadwerkelijk in de baan zou hebben gezeten. [getuige], [getuige], [getuige] en [getuige] zijn bovendien, zo volgt uit de verklaringen, geconfronteerd met het feit dat de andere getuigen hebben verklaard dat een aanzienlijke geul in de baan zou hebben gezeten. Desondanks zijn zij bij hun verklaringen gebleven.

4.14.

De rechtbank ziet zich derhalve geconfronteerd met consistente verklaringen waaruit kan worden afgeleid dat de door [eiser] gestelde geul in de baan zat en (dus) de ongevallen heeft, althans kan hebben veroorzaakt, doch ook met consistente verklaringen van het tegendeel. Naar het oordeel van de rechtbank is de waarde van de verschillende verklaringen gelijk. Er bestaat geen grond aan één of meer verklaringen doorslaggevende betekenis toe te kennen.

4.15.

[eiser] draagt, zoals hiervoor onder 4.4. overwogen, de bewijslast, en daarmee het bewijsrisico, van de stelling dat de baan de door de door hem gestelde anders dan gebruikelijke oneffenheid bevatte. Nu sprake is van de hiervoor beschreven (van elkaar) verschillende verklaringen kan niet als vaststaand (door [eiser] bewezen) worden aangenomen dat in de baan het door [eiser] bedoelde gat, althans een geul of greppel heeft gezeten. Daarom kan evenmin worden aangenomen dat de aan [eiser] overkomen ongevallen door die door hem gestelde forse oneffenheid zijn veroorzaakt. Gelet daarop ontvalt de (feitelijke) grond aan de vordering van [eiser]

Slotom

4.16.

De vordering zal worden afgewezen.

4.17.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de [gedaagde] en de [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.836,00

- salaris advocaat € 1.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 3.678,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van de [gedaagde] en de [gedaagde] begroot op € 3.678,00,

5.3.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2013.

Coll.: MvL