Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6293

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-12-2013
Datum publicatie
13-01-2014
Zaaknummer
252630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking afgewezen. Dat de rechtspraak in Nederland onvoldoende transparant is en de rechters een imagoprobleem hebben, is enkel algemeen van aard en niet toegespitst op de gewraakte rechter.

Dat met de afwijzing om opnames te mogen maken van de zitting het recht op de vrijheid van nieuwsgaring niet is geborgd, is zonder een nadere toelichting van verzoekers hierop niet gebleken.

Ten aanzien van het beroep op artikel 6 lid 3 sub b EVRM overweegt de rechtbank dat dit ziet op een strafproces. Niet gesteld noch gebleken is dat sprake is van schending van het eerste lid van artikel 6 EVRM.

Toepassing artikel 39 lid 4 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/05/252630 / KG RK 13-948

beschikking van 9 december 2013

in de zaak van

[verzoeker 1],

en

[verzoeker 2],

beide wonende te Brummen,

verzoekers tot wraking,

gemachtigde dhr. L.A.A.M. van Dinter,

tegen

[de rechter], in zijn hoedanigheid van rechter in de zaak met bovenvermeld zaaknummer, verder te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 18 november 2013 is het wrakingsverzoek mondeling gedaan, waarbij de gronden voor de wraking zijn vermeld.

1.2.

Bij schrijven van 28 november 2013 heeft de rechter aangegeven niet in de wraking te berusten en hij stelt zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen.

1.3.

De zitting van de wrakingskamer heeft op 2 december 2013 plaatsgevonden. Verzoekers waren niet ter zitting verschenen. De rechter was met kennisgeving eveneens niet verschenen. Nu niet kon worden vastgesteld dat verzoekers op de bij wet voorgeschreven wijze waren opgeroepen, is de zaak aangehouden en op 9 december 2013 opnieuw op zitting behandeld. Verzoekster [verzoeker 1] is daarbij verschenen samen met haar gemachtigde Van Dinter. Verzoeker [verzoeker 2] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De rechter is met kennisgeving niet ter zitting verschenen. De wrakingskamer heeft alsdan het verzoek tot wraking behandeld.

1.4.

De wrakingskamer heeft ter zitting van 9 december 2013 mondeling uitspraak gedaan en het verzoek tot wraking afgewezen. Hieraan is de volgende motivering ten grondslag gelegd.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Verzoekers zijn betrokken bij de procedure met zaaknummer C/05/252630 / KG RK 13-948. Verzoekers hebben blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan hun verzoek ten grondslag gelegd.

De rechtspraak in Nederland is onvoldoende transparant en kampt met een imagoprobleem onder omdat veel van de rechters en officieren van justitie zijn benoemd op advies van een voormalig secretaris-generaal van het ministerie van Justitie, die pedofiel zou zijn.

Voorts is het recht van verzoekers op de vrijheid van nieuwsgaring niet geborgd, door de afwijzing van het verzoek van de rechter om beeld- of geluidsopnames te mogen maken van de zitting. Verzoekers doen daarbij tevens een beroep op hetgeen is bepaald in artikel 6, lid 3 sub b van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), waaruit volgt dat alle middelen mogen worden ingezet voor een eerlijk proces. Verzoekers wilden daarnaast beeld-/geluidsopnames van de zitting maken om een instructiefilm te kunnen maken voor andere burgers en tevens om na afloop van de zitting te kunnen controleren of de inhoud van het proces-verbaal van de zitting klopt. Nu de rechter niet heeft toegestaan dat er opnames gemaakt mochten worden tijdens de zitting, riekt dit naar een gebrek aan de wil om transparant te zijn. Iedere rechter die verzoekers weigert opnames te maken van de zitting zal door hen dan ook gewraakt worden.

2.2

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 36 en 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende.

3.2

De rechtbank overweegt dat de door verzoekers eerstgenoemde wrakingsgrond, kort gezegd dat de rechtspraak in Nederland onvoldoende transparant is en de rechters een imagoprobleem hebben, enkel algemeen van aard is en niet is toegespitst op de gewraakte rechter. De klacht van verzoekers bevat slechts stellingen en veronderstellingen, maar geen concrete feiten en omstandigheden waaruit de rechtbank vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden.

3.3

Ten aanzien van de klacht van verzoekers dat met de afwijzing om opnames te mogen maken van de zitting hun recht op de vrijheid van nieuwsgaring niet is geborgd overweegt de rechtbank het volgende. Verzoekers hebben verklaard dat ze opnames wilden maken van de zitting om een instructiefilm te maken en later door de rechtbank opgemaakte stukken te kunnen controleren met hetgeen ter zitting blijkens hun eigen opname is gezegd. De rechtbank ziet zonder een nadere toelichting van verzoekers hierop, welke niet door hen is gegeven, niet in op welke wijze daarmee hun recht op vrije nieuwsgaring is geschonden. Verzoekers hebben hun standpunt niet, althans onvoldoende geconcretiseerd. Ook deze stelling kan derhalve geen grond voor wraking opleveren.

3.4

Voorts doen verzoekers een beroep op artikel 6 lid 3, sub b EVRM. Voor zover verzoekers verwijzen naar artikel 6 lid 3 sub b EVRM overweegt de rechtbank dat hierin is bepaald dat een ieder tegen wie vervolging is ingesteld - onder meer – het recht heeft om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging. Dit lid ziet echter op een strafproces waarin een burger door de overheid wordt vervolgd. De onderhavige procedure waarbij verzoekers betrokken zijn, is echter geen straf- maar een burgerlijk proces. Het eerste lid van artikel 6 EVRM gaat wel over het burgerlijk proces, maar niet is gesteld of gebleken dat dat sprake is van een voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek relevante schending van het bepaalde in dit lid. Los daarvan bevat de door verzoekers genoemde klacht geen concrete feiten en omstandigheden waaruit de rechtbank vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden.

3.5

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek moet worden afgewezen.

3.6

Verzoekers hebben ter zitting van de wrakingskamer van 9 december 2013 verklaard dat ze iedere rechter zullen wraken die geen toestemming geeft tot het maken van opnames tijdens de zitting. Deze stelling leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat verzoekers het middel van wraking gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. De rechtbank zal daarom op de voet van artikel 39 lid 4 Rv bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

4 De beslissing

De wrakingskamer

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.J. Wiegman (voorzitter), L. van Gijn en F.J.H. Hovens, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Baaziz en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2013.

de griffier de voorzitter