Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6286

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-12-2013
Datum publicatie
08-01-2014
Zaaknummer
AWB 12/6115 en 13/1909
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoeker niet-ontvankelijk. Wrakingsgronden hadden door verzoeker al ter gelegenheid van het eerdere wrakingsverzoek naar voren gebracht kunnen en moeten worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0099
V-N Vandaag 2014/65
Belastingblad 2014/93
V-N 2014/9.19.7
mr. D.N.N. Jansen annotatie in NTFR 2014/1454
Mr. W.E. Nent annotatie in NTFR 2014/843

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: AWB 12/6115 en 13/1909

beschikking van 2 december 2013

in de zaak van

[verzoeker tot wraking]

,

verzoeker tot wraking,

tegen

mr. R.P. van Baaren, in zijn hoedanigheid van rechter in de zaken met bovenvermelde zaaknummers, verder te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1.

Bij faxbericht gedateerd 18 februari 2013, ingekomen bij de rechtbank Gelderland, team bestuursrecht op 18 november 2013, heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter. Bij faxbericht van 22 november 2013 is het verzoek tot wraking opnieuw bij de rechtbank ingekomen.

1.2.

Bij schrijven van 25 november 2013 heeft de rechter aangegeven niet in de wraking te berusten en in het wrakingsverzoek geen aanleiding te zien tot het geven van een reactie.

1.3.

De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking behandeld ter zitting van 2 december 2013. Verzoeker is verschenen met mevrouw [naam]. De rechter is met kennisgeving niet verschenen. Ter zitting heeft verzoeker zijn verzoek tot wraking nader toegelicht, onder meer aan de hand van een door hem overgelegde notitie.

1.4.

De wrakingskamer heeft ter zitting van 2 december 2013 mondeling uitspraak gedaan en verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wraking. Hieraan is de volgende motivering ten grondslag gelegd.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoeker is betrokken bij procedures betreffende de WOZ met zaaknummers AWB 12/6115 en AWB 13/1909. Het onderhavige verzoek tot wraking heeft verzoeker op 18 november 2013 ingediend, nu volgens hem de partijdigheid van de rechter blijkt uit de omstandigheid dat de rechter tijdens de behandeling van een eerder wrakingsverzoek geen schriftelijk bewijs heeft overgelegd van zijn stelling, opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 4 november 2013, dat de woning van verzoeker niet verkoopbaar is.

Voorts wenst verzoeker de relevante bewijsstukken te ontvangen betreffende de mandatering vanuit de gemeente Renkum, te weten het mandaatbesluit van de gemeente Renkum 2008, de mandatering aan heffingsambtenaar de heer Beek, belastingheffer van de gemeente Renkum, en de onder-mandatering van de burgemeester van de gemeente Renkum aan de onder-mandans, de belastingheffer van de gemeente Arnhem. Door deze gevraagde stukken niet te verstrekken, laadt de rechter de schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling op zich, waardoor aan verzoeker het recht op een eerlijke procedure wordt onthouden.

2.1

Voor de reactie van de rechter verwijst de wrakingskamer naar hetgeen is overwogen onder 1.2.

3 De beoordeling

3.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 8:15 en 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende.

3.2

Volgens artikel 8:16 lid 3 Awb moeten alle feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen. Uit die bepaling in samenhang met lid 4 volgt dat alleen nieuwe feiten en omstandigheden die aan de verzoeker pas nadat hij het wrakingsverzoek heeft gedaan, bekend zijn geworden, nog een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.

3.3.

Op 6 november 2013 heeft verzoeker een eerder verzoek tot wraking ingediend tegen de rechter. Hier lag – onder meer – aan ten grondslag dat de rechter in het proces-verbaal van de zitting van 4 november 2013 naar het oordeel van verzoeker ten onrechte als een stelling van verzoeker had opgenomen dat de woning van verzoeker niet verkoopbaar is. Hieruit vloeide volgens verzoeker de schijn van partijdigheid van de rechter voort. De omstandigheid dat verzoeker thans schriftelijk bewijs vraagt ter onderbouwing van dezelfde door de rechter geponeerde stelling, is slechts aan te merken als een aanvulling op het eerdere wrakingsverzoek dat de wrakingskamer reeds op 18 november 2013 heeft behandeld. Verzoeker had dit al ter gelegenheid van het eerdere wrakingsverzoek naar voren kunnen en moeten brengen. Dit maakt dat met deze grond bij de beoordeling van het onderhavige verzoek tot wraking geen rekening kan worden gehouden.

3.4

Hetzelfde geldt ten aanzien van de door de verzoeker verzochte stukken met betrekking tot de mandatering vanuit de gemeente Renkum. Niet gebleken is dat deze feiten en omstandigheden verzoeker pas na de behandeling van het eerdere wrakingsverzoek op18 november 2013 bekend zijn geworden, waardoor ook met deze grond geen rekening gehouden kan worden.

3.5.

Het voorgaande betekent dat verzoeker niet in zijn verzoek tot wraking kan worden ontvangen.

4 De beslissing

De wrakingskamer

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.

Deze beschikking is gegeven door de mrs. P.J. Wiegman (voorzitter), L. van Gijn en K.H.A. Heenk, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Baaziz en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2013.

de griffier de voorzitter