Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6180

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
02-01-2014
Zaaknummer
06/940442-12 en 06/850047-13 (voorheen: 05/841068-13) (gev. ttz)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor meerdere feiten. De rechtbank verklaart hem niet strafbaar en ontslaat hem voor deze feiten van alle rechtsvervolging.

De rechtbank gelast dat verdachte zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van 1 jaar. Daarnaast moet hij een schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummers: 06/940442-12 en 06/850047-13 (voorheen: 05/841068-13) (gev. ttz)

Uitspraak d.d. 24 december 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachten],

geboren te [geboorteplaats] (Armenië) op [geboortedatum 1],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Raadsvrouw: mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat te Lisse.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

1 oktober 2013 en 10 december 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 06/940442-12

1.

hij op of omstreeks 07 november 2012 te Winterswijk, door één of meer feitelijkheden,

[slachtoffer 1] (geboortedatum [geboortedatum 2]),

heeft gedwongen tot het dulden van één of meer ontuchtige handelingen,

door die [slachtoffer 1] onverhoeds bij haar billen te betasten;

art 246 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 2 september 2012 te Winterswijk, door één of meer feitelijkheden,

[slachtoffer 2] (geboortedatum [geboortedatum 3]) heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen door die [slachtoffer 2] enige tijd per fiets te achtervolgen en haar vervolgens één of meermalen onverhoeds bij haar billen te betasten en seksuele toespelingen te

maken;

art 246 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 27 oktober 2012 te Winterswijk, in ieder geval in Nederland,

door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of bedreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden, [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het dulden van één of meer ontuchtige handelingen, door die [slachtoffer 3] toe te voegen "Je bent een hoer" en/of "Pijp me" althans woorden van die (bedreigende) aard en/of strekking, en die [slachtoffer 3] vervolgens onverhoeds (over haar kleding) bij haar borsten en/of vagina, althans haar schaamstreek vast te pakken, althans te betasten;

art 246 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 07 november 2012 te Doetinchem, opzettelijk en wederrechtelijk, in het cellencomplex van het politienureau, een celwand en/of een celdeur en/of een intercom-unit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Politie Noord- en Oost Nederland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 10 november 2012 te Apeldoorn, opzettelijk beledigend [beledigde] (arrestantenverzorgster in het cellencomplex te Apeldoorn) heeft bespuugd en/of die [beledigde] in haar tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden " jij hoer waarom is het eten weg?" en/of "jij hoer ga dood", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Parketnummer 06/850047-13

1.

hij op of omstreeks hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Winterswijk [slachtoffer 4] (medewerkster van het Centraal Orgaan Asielzoekers) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd :"Als mijn moeder iets overkomt, dan vermoord ik iedereen" en/of "Ik steek jou aan het mes", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (daarbij/vervolgens) een op een stekende beweging gelijkende beweging in de richting van voormelde [slachtoffer 4] heeft gemaakt;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Winterswijk [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] (beiden rechercheur brigadier van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd: “ik maak jullie kapot” en/of “ik steek jullie aan het mes”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art. 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 12 juni 2013 te Winterswijk opzettelijk en wederrechtelijk een rolluik, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Centraal Orgaan Asielzoekers Winterswijk, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Winterswijk en/of te Doetinchem en/of (elders) in Nederland toen de aldaar dienstdoende [slachtoffer 5] (brigadier van politie) en/of [slachtoffer 6] (brigadier van politie) en/of [slachtoffer 7] (aspirant van politie) en/of [slachtoffer 8] (agent van politie) en/of [slachtoffer 9] (hoofdagent van politie) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (bedreiging van een medewerkster van het Centraal Orgaan Asielzoekers), in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een/het bureau van politie te Doetinchem, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig voormelde [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] in hun gezicht te spugen en/of meermalen, althans eenmaal in de richting van één of meer van bovenvermelde opsporingsambtenaren te spugen en/of (voortdurend) met kracht te rukken en/of te trekken in een richting en/of meermalen, althans eenmaal, te schoppen en/of te trappen in de richting van die opsporingsambtenaren en/of (daarbij) meermalen, althans eenmaal, te roepen: "homo's" en/of "kankerlijders" en/of "ik maak jullie kapot" en/of "ik ga niet mee" en/of "jij kleine homo, ik ken jou" en/of "ik vermoord jullie", althans (telkens) worden van gelijke aard en/of strekking;

art 180 Wetboek van Strafrecht

art 180 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1,2

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Naar aanleiding van een melding over een bedreiging bij het COA in Winterswijk op 19 juni 2013 is de politie ter plaatse gekomen. Verdachte is daar toen aangehouden; sindsdien zit verdachte vast.

Verdachte is eind 2012 ook aangehouden, dit in verband met ontuchtzaken.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde van parketnummer 06/850047/13, alsmede van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde van parketnummer 06/940442/12. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsvrouw heeft aan de hand van haar schriftelijke pleitaantekeningen betoogd dat en waarom verdachte van de hem tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

Bespreking opzetverweer

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de tenlastegelegde feiten betoogd dat geen sprake is geweest van opzet bij verdachte, omdat hij ontoerekeningsvatbaar is.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Bij een beroep op een ernstige geestelijke stoornis om het opzet te bestrijden staat zo’n stoornis de bewezenverklaring slechts dan in de weg indien bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken (Hoge Raad 14 december 2004, LJN: AR3226). Daarvan zal overigens slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.

De enkele omstandigheid dat verdachte volgens deskundigen blijkens de rapportages in de zedenzaken ontoerekeningsvatbaar is, is daartoe naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De psychiater heeft bovendien geadviseerd verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar dan wel ontoerekeningsvatbaar te verklaren, waarbij de deskundige neigt tot het laatste. Hoewel de rechtbank uiteindelijk, zoals hierna zal blijken, verdachte ontoerekeningsvatbaar voor alle feiten zal achten, blijkt uit diens verklaringen dat hij wel wist dat zijn gedrag niet door de beugel kon. Van een situatie waarin bij verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken, is dan ook geen sprake.

Parketnummer 06-940442/12

- Feit 1 (aanranding [slachtoffer 1] [slachtoffer 1])

[slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], heeft aangifte gedaan van ontucht.3 Bij dansles vertelde een vriendin dat een man die haar eerder had aangerand haar nu achtervolgd had. Aangeefster is toen naar buiten gelopen en heeft de man, die ze kende van de kermis, aangesproken dat hij dit niet moest doen. Ondertussen werd de politie gebeld. De man zei “je bent heel mooi, ik wil je nummer” maar dat heeft zij niet gegeven. De man streelde over haar bovenbeen. Toen deed zij zijn hand weg en zei “dat moet je niet doen”. Volgens aangeefster heeft hij haar twee keer aangeraakt, ook aan haar kont. Toen kwam de politie, die ging met hem praten.

[getuige 1]4 heeft als getuige verklaard dat – naar later blijkt verdachte – in de supermarkt contact heeft gezocht met getuige en met getuige [slachtoffer 2] en dat hij daarna achter de meisjes is aangefietst toen ze naar dansles gingen. Bij de dansles renden ze naar boven en vertelden het verhaal. [slachtoffer 1] liep toen naar buiten en vroeg de man waarom hij achter hen aanging. De man is gaan zitten en ging met [slachtoffer 1] praten. [getuige 1] heeft gezien dat de man [slachtoffer 1] haar hand heeft vastgehouden en aan haar kont heeft gezeten. [slachtoffer 1] duwde zijn hand weg. Ik heb gezien dat de politie de man aansprak.

[getuige 2]5 heeft als getuige verklaard dat ze zag dat de man aan het been en de kont van [slachtoffer 1] ging zitten en dat [slachtoffer 1] dat niet leuk vond.

[getuige 3]6 heeft als getuige verklaard dat de man met zijn hand over het been van [slachtoffer 1] zat te wrijven. Die deed zijn hand weer weg omdat ze dat niet wou. Ze schoof een stukje op verder van hem weg. Hij ging weer dichterbij haar zitten. Getuige zag dat hij met zijn hand vanaf haar bovenbeen en daarna over haar kont gleed met zijn hand.

Uit het proces-verbaal van bevindingen7 blijkt dat verbalisanten na een melding dat een buitenlandse man meisjes lastig valt, verdachte aantreffen op een bankje met een aantal meisjes.

Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] [slachtoffer 1] heeft aangerand door aan haar billen te zitten. Ondanks de relatief jonge leeftijd van aangeefster en de getuigen ziet de rechtbank geen aanleiding om aan die verklaringen te twijfelen, nu die verklaringen concreet en specifiek zijn en overeenkomen op het niveau van de relevante bijzonderheden. Verdachte erkent dat hij in de supermarkt twee meisjes heeft aangesproken omdat hij ze wilde trakteren en dat hij achter hen is aangefietst tot aan een dansschool. Verdachtes betoog dat hij daar alleen heeft gezeten en met meisjes heeft gepraat en zijn ontkenning dat hij een meisje heeft betast, acht de rechtbank in het licht van vorenstaande verklaringen niet aannemelijk geworden. Door naast aangeefster te (gaan) zitten en haar na een eerder protest toch onverhoeds bij de billen aan te raken, waaraan zij zich op dat moment fysiek niet kon onttrekken, heeft verdachte aangeefster gedwongen de aanraking te dulden. Het verweer dat het voor verdachte niet duidelijk was dat [slachtoffer 1] niet wilde dat verdachte haar aanraakte, zoals is betoogd door de raadsvrouw, verwerpt de rechtbank, nu zowel [slachtoffer 1] als [getuige 1] en [getuige 3] hebben verklaard dat [slachtoffer 1] de hand van verdachte heeft weggeduwd. Voorts dient naar het oordeel van de rechtbank het onder deze omstandigheden betasten van de billen van een meisje van 15 jaar door een volwassen man te worden aangemerkt als een handeling van seksuele aard die in strijd is met de

sociaal-ethische norm. Het verweer dat het handelen van verdachte niet als ontuchtig kan worden aangemerkt, wordt daarom verworpen.

- Feit 2 (aanranding [slachtoffer 2])

[naam 1] 8heeft aangifte gedaan namens haar dochter [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3].

[slachtoffer 2]9 heeft bij de politie verklaard dat zij aan het fietsen was bij Hilgelo. [getuige 4], een vriendin, zat achterop. Opeens kwam er een man aan die zei dat zij mooie meisjes waren. Zij reageerden niet en fietsten gewoon door. De man kwam achter ze aan en zei dat hij hen wilde leren kennen en hun nummer wilde. Zij zeiden dat ze dat niet gaven. De man bleef achter ze aanfietsen en zei “wil je me met me neuken?” en “wil je me pijpen”. Hij vroeg of wij nog maagd waren of al ontmaagd. Toen ging de man aan haar kont zitten. Ze ging steeds harder fietsen maar hij deed het nog een keer. [getuige 4] duwde hem waardoor hij de tweede keer haar niet kon aanraken. Toen zei hij “je moet niet denken dat ik je ga vermoorden of zo”. Toen fietsten wij steeds sneller weg. Hij zat met zijn hand op haar kont en raakte die helemaal aan. Hij ging erover heen wrijven. Ze gelooft twee keer.

Volgens de verklaring van [slachtoffer 2] met betrekking tot feit 1 is de man die toen in de politieauto is gezet (naar de rechtbank begrijpt: verdachte) de man die haar heeft lastig gevallen bij Hilgelo. Ze denkt dat hij het AZC in Winterswijk hoort, want daar is ze een keer langs gefietst en ze zag hem bij die huizen staan.

[getuige 4]10 heeft als getuige bij de politie verklaard dat ze met [slachtoffer 2] fietste bij Hilgelo. Toen kwam er een buitenlander, die fietste eerst langs hen heen. Hij zei tegen dat zij mooie meisjes waren. Hij ging vragen wat hun telefoonnummer was en waar zij woonden. Hij fietste met ze mee. Hij fietste steeds naast hen. Toen vroeg [slachtoffer 2] of hij weg wilde gaan. Dat wilde hij niet. Hij ging aan [slachtoffer 2] haar kont zitten. Getuige maakte een soort slaande beweging zodat hij het niet meer kon doen. Hij zei dat [slachtoffer 2] een lekker kontje had en dat hij haar al vaker in het dorp had gezien. [slachtoffer 2] ging steeds harder fietsen en hij bleef meefietsen. Hij vroeg of ze nog maagd waren en of zij hem wilden pijpen. Hij zei dat hij hen niet dood wilde maken.

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft aangerand, zoals ten laste gelegd. [slachtoffer 2] heeft getracht bij verdachte weg te komen toen hij haar en [getuige 4] ongepaste vragen stelde, maar kon feitelijk niet verhinderen dat verdachte toch haar billen betaste.

- Feit 3 (aanranding [slachtoffer 3] )

Volgens een door de politie opgemaakt proces-verbaal kwam er op 27 oktober 2012 een melding binnen van een aanranding in Winterswijk.11

[slachtoffer 3]12 heeft bij de politie verklaard dat ze op zaterdag 27 okt 2012 met een vriendin naar de stad ging. Nadat ze bij Kruidvat waren geweest, liep er opeens een man achter hen. Hij vroeg “mag ik met jullie mee”, waarop getuige “nee” zei. Toen zei hij “en je vriendin dan”. Die zei “ik ook niet”. Toen werd hij boos. Hij zei dat ze hoeren waren en nog erger dan Nederlandse meisjes. Hij liep naar hen toe, schreeuwde en had zijn hand bij haar gezicht. Hij stond tegenover haar en zijn hand was vlakbij haar hoofd. Toen begon hij weer te zeggen dat ze een hoer was. Ze zei dat hij best wel wat meer respect mocht tonen want ze had hem niets gedaan. Toen zei hij tegen haar “pijp mij”. Ze stond met haar linkerkant tegen het muurtje en hij stond tegenover haar. Hij pakte haar bij haar vagina en zei toen “pijp me”. Ze deed een stapje naar achteren en zei “doe normaal” en “nee”. Toen kwam hij weer naar haar toe en had haar bij haar linkerarm vast met zijn hand. Hij zei toen “pijp me” en zij zei “nee”. Hij bleef de hele tijd doorgaan. Dat ze zijn broek uit moest doen. Vlakbij stond een flesje cola. Haar vriendin stond achter haar. Hij begon te schreeuwen. Hij zat toen aan haar borsten en pakte de cola en gooide die over haar heen. Volgens haar is de man Armeens.

Iman [getuige 6]13 heeft als getuige bij de politie verklaard dat de man begon te schelden, dat ze hoeren waren en zei “kom me pijpen”. Getuige zag dat hij heel dicht bij [slachtoffer 3] stond en aan haar borsten zat met zijn handen, wel een paar seconden. Getuige heeft van vrienden gehoord dat hij van het AZC komt.

Ter terechtzitting van 10 december 2013 heeft verdachte verklaard dat hij op de bewuste plaats is geweest, dat er tussen hem en de beide meisjes niets is gebeurd en dat hij de cola heeft omgeschopt maar niet over de kleding van het meisje heeft gegoten14.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen en verdachtes verklaring dat hij ter plaatse was, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] heeft aangerand zoals hem is ten laste gelegd. De snelheid waarmee het voorval is gemeld bij de politie en de details in de verklaringen van het slachtoffer en de getuige brengen de rechtbank tot het oordeel dat deze betrouwbaar zijn.

Niet aannemelijk is geworden dat de getuige zich ten opzichte van het slachtoffer in zodanige positie bevond, dat zij volgens de verdediging niet zou hebben kunnen zien dat verdachte het slachtoffer bij de borst pakte. Het betoog van de raadsvrouw dat verdachte gedoeld heeft op een ontmoeting met andere meisjes, wordt door de rechtbank gepasseerd nu dit gezien verdachtes verklaringen ter zitting niet aannemelijk is geworden, te minder nu verdachte ter zitting spontaan over het voorval met de cola is begonnen. Verdachtes stelling dat hij alleen maar met de meisjes gepraat heeft, acht de rechtbank gegeven de gebezigde bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden. De rechtbank gebruikt de enkelvoudige fotoconfrontaties niet voor het bewijs zodat de ter zake gevoerde verweren reeds daarom geen bespreking behoeven.

- Feit 4 (vernieling politiecel)

Namens de Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland is aangifte gedaan van door verdachte gepleegde vernielingen. Uit de aangifte blijkt dat verdachte op 7 november 2012 is binnen gebracht en dat hij het volgende heeft vernield: in cel 15 is de intercom kapot. De cel moest gereinigd worden omdat verdachte overal tegenaan had geplast. In cel 1 zijn de deur en muur kapot.15

Verdachte heeft ter terechtzitting van 10 december 2013 erkend dat hij met zijn handboeien langs de muur heeft gekrast.16

Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling zoals hem ten laste is gelegd. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de aard en omvang van de in de aangifte beschreven vernielingen. Het standpunt van de verdediging, dat denkbaar is dat een ander de vernielingen heeft gepleegd, deelt de rechtbank niet. Dit staat immers haaks op de verklaring van verdachte zelf dat hij met zijn handboeien langs de muren heeft gekrast.

- Feit 5 (belediging [beledigde])

Door [beledigde] arrestantenverzorger, is aangifte gedaan van belediging.17Zij verklaart dat zij op 10 november 2012 in Apeldoorn brood heeft gepakt voor verdachte, omdat het warme eten, dat verdachte eerst niet wilde hebben, op was toen verdachte wilde eten. Verdachte schreeuwde: “hoer waarom is het eten weg”. Hij spuugde ook naar haar. Zij werd geraakt op haar blouse. Hij riep ook “jij hoer, ga dood”. Aangeefster heeft uitdrukkelijk verklaard dat zij een strafrechtelijke afdoening van de zaak wil.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 10 december 2013 verklaard dat hij de arrestantenverzorgster bespuugd heeft, dat zijn spuug op haar kleding terecht is gekomen en dat hij (alleen) “fuck you” tegen haar heeft gezegd.

Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de belediging zoals ten laste gelegd heeft begaan, ook voor wat betreft de bewoordingen “hoer”. Dat verdachte alleen “fuck you” heeft gezegd, wat naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven context eveneens beledigend is, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Het verweer dat de belediging niet gericht was op het als ambtenaar in functie zijn behoeft geen nadere bespreking, nu de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht niet is tenlastegelegd.

Parketnummer 06/850047-13

- Feit 1 (bedreiging [slachtoffer 4])

Weyn heeft aangifte gedaan van bedreiging door verdachte18 . [slachtoffer 4] is woonbegeleider bij het COA in Winterswijk. Op 19 juni 2013 was er een gesprek gepland met verdachte. Dat gesprek ging over een strafmaatregel die hij opgelegd zou krijgen voor een incident van een week eerder. Verdachte raakte tijdens het gesprek meer opgefokt. Toen stond hij op. Hij zei tegen aangeefster dat zij niet met zijn ouders had mogen praten. Het was volgens verdachte de schuld van aangeefster dat het nu slecht met zijn moeder ging. Hij zei: “als mijn moeder iets overkomt, dan vermoord ik iedereen, iedereen die hier op het centrum zit of iedereen die hier bij de COA werkt” of woorden van gelijke strekking. Hij keek steeds heel erg naar aangeefster. Verdachte stond op en liep naar de deur van de spreekkamer. Hij zet toen : jij weet wel wie ik bedoel. Hij keek aangeefster toen recht aan en zei tegen haar iets in de geest van “ik steek jou aan het mes”. Ze zag toen dat hij een beweging maakte van “jou steek ik aan het mes”. Dat was heel duidelijk in haar richting. Hij stond op dat moment ongeveer twee meter van haar af. Aangeefster voelde zich echt bedreigd.

Getuige [getuige 5] werkt eveneens als woonbegeleider bij het AZC.19 Hij heeft samen met aangeefster een gesprek gevoerd met verdachte. Toen verdachte bij de deur stond, keek hij aangeefster aan en zei met verheven stem “als er iets met mijn moeder gebeurt, dan maak ik iedereen hier dood, jij weet wat ik bedoel. Terwijl hij dit zei wees hij in de richting van aangeefster en maakte hij een wijzend gebaar met zijn vinger. Dit kwam heel dreigend over. Toen verdachte de kamer weer binnenkwam, hoorde getuige “met een mes”. Getuige zag dat verdachte met zijn rechterhand een soort steekbewegingen in de richting van aangeefster maakte. Hij maakte deze beweging één of twee keer.

Verdachte heeft verklaard dat hij in het gesprek met aangeefster heeft gezegd dat als er iets met zijn moeder zou gebeuren dat hij dan iets zou doen20. Volgens verdachte is het in het Armeens normaal als je zegt dat je iedereen vermoordt, maar dat niet doet. In het Armeens is het alleen maar een belediging. Hij wilde ze eigenlijk beledigen. Verdachte heeft niet gezegd “ik steek je aan het mes”. Hij heeft ook geen stekende beweging gemaakt. Aangeefster wil hem terugpakken omdat hij ooit “fuck you” tegen haar heeft gezegd.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande, met name de aangifte en getuigenverklaring van [getuige 5], van oordeel dat wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden dat verdachte aangeefster [slachtoffer 4] heeft bedreigd, verbaal en met stekende gebaren, zoals tenlastegelegd. De deels ontkennende verklaring van verdachte geeft geen aanleiding voor twijfel, te minder nu uit zijn eigen verklaring volgt dat hij in ieder geval dreigende taal gebruikte. Dat dergelijke taal volgens verdachte in het Armeens slechts een belediging oplevert, doet aan het oordeel van de rechtbank niet af. De opvatting van de raadsvrouw dat dergelijke uitlatingen geen uitlatingen zijn waardoor redelijke vrees bij aangeefster kan zijn ontstaan dat zij daadwerkelijk het leven zou kunnen laten, deelt de rechtbank niet. Naar haar oordeel zijn de gekozen woorden, zeker in relatie tot de gebruikte gebaren, woorden van dien aard en onder dusdanige omstandigheden gedaan dat deze in het algemeen, en dus ook bij aangeefster, een dergelijke vrees opwekken.

- Feiten 2 en 4 (bedreiging agenten [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], verzet bij aanhouding)

Verbalisant [slachtoffer 5], brigadier van politie,21 heeft aangifte gedaan van bedreiging door verdachte. Op woensdag 19 juni 2013 bevond hij zich op het AZC terrein gelegen in Winterswijk samen met collega [slachtoffer 6] om verdachte, wegens een bedreiging, aan te houden. De verdachte werd in eerste instantie niet in zijn woning aangetroffen. Bij de receptie herkende hij direct de hem ambtshalve bekende binnenstormende verdachte. Samen met collega [slachtoffer 6] heeft hij verdachte aangehouden. Tijdens deze aanhouding zag en voelde aangever dat verdachte hem opzettelijk en met kracht in zijn gezicht spuugde. Aangever kreeg een klodder spuug op zijn linkerwang. Tijdens de aanhouding en het daaropvolgende transport naar het politiebureau te Doetinchem heeft verdachte hem vrijwel onophoudelijk bedreigd en beledigd.

Verbalisant [slachtoffer 6], brigadier van politie, heeft aangifte gedaan van bedreiging door verdachte22. Op woensdag 19 juni 2013 bevond hij zich op het AZC terrein in Winterswijk. Hij zag een man op hem af komen rennen en schreeuwen: “wat hebben jullie met mijn moeder gedaan”. Toen besefte hij dat deze persoon de betreffende verdachte was en voordat hij hem kon aanspreken zag en voelde aangever dat verdachte hem opzettelijk een grote hoeveelheid speeksel recht in het gezicht spuugde. Aangever zag dat verdachte ook Van Kempe vol in zijn gezicht spuugde. Samen met [slachtoffer 5] heeft aangever verdachte aangehouden. Dit ging gepaard met flink wat lichamelijk geweld van de verdachte. Aangever zag en voelde dat hij zich hevig verzette. Tijdens deze aanhouding hoorde aangever dat verdachte hem meerdere keren uitschold voor “homo, kankerlijer”. Om verdachte onder controle te krijgen heeft hij de verdachte samen met zijn collega naar de grond gewerkt. Hij had verdachte daarbij steeds stevig om zijn nek vast. Hij hoorde dat verdachte meermalen riep” laat mij los, ik maak jullie dood, ik ga jullie vermoorden.” Ook zag aangever dat verdachte, terwijl hij daar op de grond lag, nog enkele malen spuugde. Het feit dat de verdachte zei dat hij aangever dood wilde maken, wilde vermoorden, ziet aangever gezien de reputatie van verdachte als een bedreiging.

Uit een door voormelde verbalisanten opgemaakt proces-verbaal van bevindingen23 blijkt dat verdachte allerlei beledigingen en bedreigingen uitte, kijkend in hun richting, zoals “homo’s, kankerlijders, ik maak jullie kapot, ik vermoord jullie, ik steek jullie aan het mes”. Tijdens het onder controle brengen van verdachte bleef hij doorgaan met beledigen en bedreigen.

Uit een door verbalisant [slachtoffer 7] opgemaakt proces-verbaal van bevindingen24 blijkt dat verdachte zich na de aanhouding en het boeien bleef verzetten tegen de aanhouding. Verdachte schopte tegen de politieauto en probeerde de agenten te trappen, waardoor hij onder meer door verbalisant moest worden gefixeerd. Verdachte uitte beledigingen (“Homo’s, kankerlijers”) en bedreigingen (“jij kleine homo ik ken jou, ik vermoord jullie”).

Uit een door verbalisanten [slachtoffer 9] en [slachtoffer 8] opgemaakt proces-verbaal van bevindingen25 blijkt dat zij hoorden dat verdachte beledigend en bedreigend was tegenover collega’s [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]. Ze hoorden hem onder andere schreeuwen: “ik maak jullie kapot, ik vermoord jullie, ik steek jullie aan het mes”. Verdachte keek hierbij meermalen in de richting van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5].

Verdachte erkent in zijn politieverklaringen dat hij twee politiemannen in het gezicht heeft gespuugd. Geconfronteerd met beledigende en bedreigende teksten die hij zou hebben geuit, verklaart verdachte bij de politie dat hij dat alles pas heeft gezegd toen hij in de COA op de grond lag en in de politieauto.

Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte verbalisanten [verbalisant 1] en [slachtoffer 6] heeft bedreigd (feit 2) alsmede dat hij, fysiek (schoppen, rukken), verbaal (dreigen, beledigen) en non-verbaal (spugen), verzet heeft gepleegd bij zijn aanhouding (feit 4).

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte meende dat zijn moeder door de politie was gedood, dat hij niet wist dat hij zou worden aangehouden wegens bedreiging van [slachtoffer 4] en dat verdachte zelf dacht door de politie te worden gedood. Van een werkelijke bedreiging was, mede gezien verdachtes ontoerekeningsvatbaarheid en het feit dat hij geboeid was, geen sprake. Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat verdacht ten tijde van de aanhouding ontoerekeningsvatbaar was en (dus) de aanhouding onrechtmatig, alsmede dat de scheldwoorden niet kunnen worden bewezen nu verdachte de cautie niet is gegeven.

De rechtbank verwerpt deze verweren.

Verdachte heeft verklaard dat hij na een telefoontje van zijn vader, dat er op neer kwam dat de politie naar hem op zoek was, is teruggekomen en dat hij, toen hij zijn moeder hoorde gillen, zijn innerlijke stem heeft gevolgd die hem zei dat hij moest spugen. Verdachte heeft bij de politie niet verklaard dat hij meende dat zijn moeder was gedood. In zoverre berust het verweer op een onjuiste lezing van het dossier.

Niet valt in te zien dat een aanhouding van een verdachte onrechtmatig is vanwege de enkele omstandigheid dat (naar de rechtbank begrijpt:) in een andere zaak PJ-rapportage beschikbaar is waarin wordt geadviseerd verdachte (zo niet sterk verminderd toerekeningsvatbaar) ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Die omstandigheid, net als de boeien, doet evenmin af aan het feit dat verbalisanten zich ook bedreigd hebben mogen voelen door verdachtes uitlatingen

Verbalisanten hebben bovendien niet of nauwelijks de kans gekregen verdachte na diens komst eerst mede te delen dat hij zou worden aangehouden, omdat verdachte meteen de politie bespuugde en er vervolgens vandoor ging. Tot slot, er is geen sprake van een vormverzuim als verdachte de politie beledigt nog voordat de cautie kan worden of wordt gegeven. De cautie dient immers niet ter voorkoming van het plegen van strafbare feiten, maar uitsluitend om verdachte er op te wijzen dat hij - in relatie tot een gerezen verdenking van het plegen van een strafbaar feit - geen verklaringen hoeft af te leggen waarmee hij zich zelf belast.

- Feit 3 (vernieling rolluik)

Namens COA Winterswijk is door [getuige 5]26 aangifte gedaan van vernieling van een rolluik. Op woensdag 12 (naar de rechtbank begrijpt:) juni 2013 bevond [getuige 5] zich bij de receptie van het AZC-gebouw in Winterswijk. Aangever zag dat verdachte een schoppende beweging maakte met zijn rechterbeen naar het rolluik. Hij hoorde een harde klap en zag dat het rolluik naar binnen was getrapt. Het rolluik zat niet meer in zijn geleiderail, het was ontzet. De schade bedraagt ongeveer 1000 euro als het rolluik moet worden vervangen, 250 als het moet worden gerepareerd. Dit moet nog worden onderzocht.

Uit een door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] opgemaakt proces-verbaal27 van bevindingen blijkt dat zij verdachte op 12 juni 2013 hebben opgehaald in verband met een voorval bij een bankgebouw (omdat hij daar niet naar binnen mocht) en hem naar het AZC hebben gebracht. Verdachte is kwaad weggelopen omdat hij van het AZC op dat moment geen geld kreeg. Even later hoorden verbalisanten een harde klap alsof verdachte ergens tegenaan schopte of sloeg en zagen verbalisanten dat het rolluik uit de geleiderail was geschoten.

Ter terechtzitting van 10 december 2013 heeft verdachte erkend dat hij tegen het rolluik heeft geschopt.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het enkele feit dat het luik uit de rail was geraakt niet kan leiden tot een bewezenverklaring van de vernieling. Mogelijk kon het luik zonder kosten teruggeplaatst worden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het rolluik naar binnen was getrapt, dat het was ontzet en uit de rails was geschoten en dat de schade tenminste 250 euro is. Daarmee is het rolluik tenminste onbruikbaar gemaakt en levert herstel een schadepost op. Gelet op het vorenstaande en verdachtes bekennende verklaring, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het rolluik heeft vernield dan wel onbruikbaar heeft gemaakt.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

Parketnummer 06/940442-12

1.

hij op 07 november 2012 te Winterswijk, door één of meer feitelijkheden,

[slachtoffer 1] (geboortedatum [geboortedatum 2]), heeft gedwongen tot het dulden van één of meer ontuchtige handelingen, door die [slachtoffer 1] onverhoeds bij haar billen te betasten;

2.

hij op 2 september 2012 te Winterswijk, door één of meer feitelijkheden,

[slachtoffer 2] (geboortedatum [geboortedatum 3]) heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen door die [slachtoffer 2] enige tijd per fiets te achtervolgen en haar vervolgens meermalen onverhoeds bij haar billen te betasten en seksuele toespelingen te maken;

3.

hij op 27 oktober 2012 te Winterswijk, door feitelijkheden [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het dulden van één of meer ontuchtige handelingen, door die [slachtoffer 3] toe te voegen "Je bent een hoer" en "Pijp me", en die [slachtoffer 3] vervolgens onverhoeds (over haar kleding) bij haar borsten en vagina, althans haar schaamstreek vast te pakken, althans te betasten;

4.

hij op 07 november 2012 te Doetinchem, opzettelijk en wederrechtelijk, in het cellencomplex van het politiebureau, een celwand en een celdeur en een intercom-unit, toebehorende aan de Politie Noord- en Oost Nederland, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

5.

hij op 10 november 2012 te Apeldoorn, opzettelijk beledigend [beledigde] (arrestantenverzorgster in het cellencomplex te Apeldoorn) heeft bespuugd en die [beledigde] in haar tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden " jij hoer waarom is het eten weg?" en "jij hoer ga dood",

Parketnummer 06/850047-13

1.

hij op 19 juni 2013 te Winterswijk [slachtoffer 4] (medewerkster van het Centraal Orgaan Asielzoekers) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd :"Als mijn moeder iets overkomt, dan vermoord ik iedereen" en "Ik steek jou aan het mes", en (daarbij/vervolgens) een op een stekende beweging gelijkende beweging in de richting van voormelde [slachtoffer 4] heeft gemaakt;

2.

hij op 19 juni 2013 te Winterswijk [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] (beiden brigadier van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd: “ik maak jullie kapot” en/of “ik steek jullie aan het mes”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op 12 juni 2013 te Winterswijk opzettelijk en wederrechtelijk een rolluik, toebehorende aan het Centraal Orgaan Asielzoekers Winterswijk, heeft vernield en/of onbruikbaar gemaakt;

4.

hij op 19 juni 2013 te Winterswijk en/of te Doetinchem en/of (elders) in Nederland toen de aldaar dienstdoende [slachtoffer 5] (brigadier van politie) en/of [slachtoffer 6] (brigadier van politie) en/of [slachtoffer 7] (aspirant van politie) en/of [slachtoffer 8] (agent van politie) en/of
[slachtoffer 9] (hoofdagent van politie) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (bedreiging van een medewerkster van het Centraal Orgaan Asielzoekers), had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het bureau van politie te Doetinchem, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig voormelde [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] in hun gezicht te spugen en/of meermalen, althans eenmaal (voortdurend) met kracht te rukken en/of te trekken in een richting anders dan die waarin voormelde opsporingsambtenaren hem trachten te geleiden, en/of meermalen, althans eenmaal, te schoppen en/of te trappen in de richting van die opsporingsambtenaren en/of (daarbij) meermalen, althans eenmaal, te roepen: "homo's" en/of "kankerlijders" en/of "ik maak jullie kapot" en/of "ik ga niet mee" en/of "jij kleine homo, ik ken jou" en/of "ik vermoord jullie".

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Parketnummer 06/940442-12

1., 2, en 3, telkens: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

4.: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of onbruikbaar maken, meermalen gepleegd;

5.: eenvoudige belediging.

Parketnummer 06/850047-13

1 Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

3. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen/beschadigen/onbruikbaar maken;

4 Wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

In de zaak met parketnummer 06-940442/12 is omtrent verdachte door gedragsdeskundigen gerapporteerd.

Door psycholoog [psycholoog] is op 17 april 2013 omtrent verdachte gerapporteerd. Betrokkene heeft veel herbelevingen die wijzen op een ernstige PTSS. Mogelijk is ook sprake van een procespsychose. Er zijn sterke aanwijzingen dat betrokkene psychotisch was ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Volgens de psycholoog is sprake van een ziekelijke stoornis en of gebrekkige ontwikkeling, namelijk een psychotische stoornis Nao en een ernstige PTSS. Daarnaast is sprake van cannabisgebruik hetgeen psychose kan induceren of verhevigen. Deze toestand was ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte heeft dringend en duidelijk medicatie nodig. Geadviseerd wordt verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

Door psychiater [psychiater] is op 12 april 2013 omtrent verdachte gerapporteerd. Ook de psychiater komt tot de conclusie dat sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van PTSS en van een psychotische stoornis NAO. Hiervan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde. De mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend is sterk verminderd, dan wel is verdachte ontoerekeningsvatbaar, waarbij rapporteur neigt naar dat laatste.

De rechtbank neemt voormelde conclusies en bevindingen over. De rechtbank acht verdachte gezien voormelde rapporten ontoerekeningsvatbaar. Dit oordeel strekt zich gezien de ernst van de beschreven problematiek uit tot alle ten laste gelegde feiten.

Nu verdachte niet strafbaar is, dient hij te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oplegging van maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar.

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte niet te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis. Volgens haar heeft een ambulante behandeling de voorkeur.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte, die sinds 2009 in Nederland verblijft, is hier te lande niet eerder met justitie in aanraking gekomen.

Verdachte heeft zich driemaal schuldig gemaakt aan aanranding van tieners, waarvan er slechts een meerderjarig was. Daardoor heeft verdachte een inbreuk gemaakt op hun (lichamelijke) integriteit en waardigheid. De ervaring leert dat dergelijke gebeurtenissen nog lange tijd indruk maken op jonge slachtoffers. Tevens heeft verdachte een COA-medewerkster en politieagenten bedreigd. Daarmee heeft hij hen angst en zorgen aangejaagd, terwijl zij gewoon bezig waren met de uitoefening van hun werk. Daarnaast heeft verdachte een arrestantenverzorgster beledigd door haar uit te schelden en te bespugen. Dat is vies en bijzonder onrespectvol. Verdachte heeft zich verder heftig verzet tegen zijn aanhouding door de politie. Met name omdat van verdachte bekend is dat hij Hepatitis-B heeft, hebben de personen die hij heeft bespuugd angst en zorgen gehad over een eventuele besmetting.

Voormelde deskundigen adviseren verdachte te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. De kans op recidive is volgens hen hoog.

De rechtbank concludeert op basis van de bovengenoemde rapporten dat ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens, die overigens thans nog voortduurt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewezenverklaarde feiten dat verdachte onder invloed van deze gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis gevaarlijk is voor anderen en voor de algemene veiligheid van personen en goederen. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de maatschappij hiertegen wordt beschermd. Zij zal daarom gelasten dat verdachte voor een periode van een jaar in een psychiatrisch ziekenhuis wordt geplaatst.

Gelet op de ernst van de persoonlijkheidsproblematiek bij verdachte en het recidiverisico is een intensieve behandeling aangewezen. Met een ambulante behandeling kan niet worden volstaan, daargelaten dat niet valt in te zien hoe een dergelijk behandeling binnen een (voorwaardelijk) strafrechtelijk kader vorm en inhoud zou kunnen worden gegeven nu verdachte niet strafbaar is. Bovendien valt niet in te zien hoe een ambulante behandeling zich verhoudt met de noodzakelijke beveiliging van de maatschappij.

Vorderingen tot schadevergoeding

Parketnummer 06/940442-12 feit 4

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.820,09 (aan materiële schadevergoeding) gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 06/940442-12 onder 4 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de [benadeelde] tot het gevraagde bedrag kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Stafrecht.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de [benadeelde] dient te worden afgewezen aangezien uit de overgelegde stukken onduidelijk is wie, welke kosten heeft gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is voor die schade naar burgerlijk recht aansprakelijk. De vordering wordt voor het geheel toegewezen.

Parketnummer 06/940442-12 feit 5

De benadeelde partij [beledigde] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 175,- (aan immateriële schadevergoeding), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 06/940442-12 onder feit 5 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [beledigde] tot het gevraagde bedrag kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Stafrecht.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van [beledigde] op het standpunt gesteld dat deze dient te worden afgewezen nu niet kan worden vastgesteld of verdachte ten tijde van het tenlastegelegde een actieve vorm van Hepatitis-B had.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 06/940442-12 onder feit 5 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdachte is voor die schade naar burgerlijk recht aansprakelijk. De vordering is voor toewijzing vatbaar. De rechtbank overweegt in dit verband dat de benadeelde partij door verdachte is beledigd door haar uit te schelden en te bespugen en van verdachte bekend is dat hij Hepatitis-B heeft. De vraag of de benadeelde partij kon weten of dat een al dan niet actieve variant van Hepatitis-B was, acht de rechtbank in deze niet van belang. [beledigde] heeft angst en zorgen gehad over een eventuele besmetting.

Dit handelen heeft, zoals hiervoor reeds is beschreven, een grote impact op de benadeelde partij gehad zowel in fysieke als in psychische zin. Dit blijkt genoegzaam uit het schadeonderbouwingsformulier van de benadeelde partij.

Parketnummer 06/850047-13

Feiten 2 en 4

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 550,- (aan immateriële schadevergoeding), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 06/850047-13 onder feiten 2 en 4 tenlastegelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 550,- (aan immateriële schadevergoeding), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 06/850047-13 onder 2 en 4 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] tot het gevraagde bedrag kunnen worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Stafrecht.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard nu vrijspraak is bepleit van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 06/850047-13 onder feiten 2 en 4 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdachte is voor die schade naar burgerlijk recht aansprakelijk. De vordering is voor toewijzing vatbaar. De rechtbank overweegt in dit verband dat de benadeelde partijen door verdachte zijn bedreigd en bespuugd, terwijl van verdachte bekend is dat hij Hepatitis-B heeft. De vraag of de benadeelde partij kon weten of dat een al dan niet actieve variant van Hepatitis-B was, acht de rechtbank in deze niet van belang. [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] hebben angst en zorgen gehad over een eventuele besmetting. Dit handelen heeft zoals hiervoor reeds is beschreven een grote impact op de benadeelde partijen gehad zowel in fysieke als in psychische zin. Dit blijkt genoegzaam uit het schadeonderbouwingsformulier van de benadeelde partijen.

De vordering van [slachtoffer 5] wordt derhalve toegewezen voor een bedrag van € 550,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013.

De vordering van [slachtoffer 6] wordt derhalve toegewezen voor een bedrag van € 550,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013.

Met betrekking tot het verzoek om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen overweegt de rechtbank dat ingevolge art. 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht geen schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd bij ontslag van alle rechtsvervolging met last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, terwijl ook artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht niet voorziet in een combinatie met andere maatregelen. Derhalve zal oplegging van de schadevergoedingsmaatregel achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 37, 57, 180, 246, 266, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 van parketnummer 06/850047-13 en onder 1, 2, 3, 4 en 5 van parketnummer 06/940442-12 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als voormeld;

 verklaart verdachte niet strafbaar ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 van parketnummer 06/850047/13 en onder 1, 2, 3, 4 en 5 van parketnummer
06/940442-12ten laste gelegde en ontslaat verdachte voor deze feiten van alle rechtsvervolging;

 gelast dat verdachte zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van één (1) jaar;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden steeds begroot op nihil.

Benadeelde partij Bedrag

Parketnummer 06/940442-12

Feit:

4 [benadeelde] € 1.820,09;

5. [beledigde] € 175,-;

Parketnummer 06/850047-13

Feiten 2 en 4

[slachtoffer 5] € 550,-, vermeerderd met de wettelijke rente
vanaf 19 juni 2013;

[slachtoffer 6] € 550,-, vermeerderd met de wettelijke rente
vanaf 19 juni 2013.

Aldus gewezen door mr. Van der Mei, voorzitter, mr. Welbergen en mr. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 december 2013.

1 Parketnummer 06/850047-13: Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummerPL0640 2013081144, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district VVC Achterhoek-IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 20 juni 2013.

2 Parketnummer 06/940442-12: Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL 2012151986, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, team Recherche Achterhoek, afdeling Zeden, gesloten en ondertekend op 28 november 2012.

3 Proces-verbaal van aangifte door aangeefster [slachtoffer 1], p. 67-71.

4 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p. 72- 75.

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], p. 83-86.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], p. 87-90.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 65.

8 Proces-verbaal van aangifte door aangeefster [naam 1], p. 104 – 107.

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2], p. 108 -113.

10 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], p. 114-119.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 127 en 128.

12 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 3], p.132 -136.

13 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6], p. 148- 149.

14 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 december 2013.

15 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 2], namens [benadeelde], p. 156-157.

16 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 december 2013.

17 Het proces-verbaal van aangifte van [beledigde], p. 185 en 186.

18 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4], p. 4 en 5.

19 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5], p. 29 en 30.

20 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 62.

21 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5], p. 9 en 10.

22 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6], p, 11 en 12.

23 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 17 – p.19.

24 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 21.

25 Het proces-verbaal van bevindingen, p.23 en 24.

26 Het proces-verbaal van aangifte van [getuige 5], p. 14 en 15.

27 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 27.