Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6179

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
02-01-2014
Zaaknummer
05/740064-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar voor poging tot doodslag.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het slachtoffer twee keer met een mes in diens buik heeft gestoken. De alternatieve scenario’s die ter verdediging naar voren zijn gebracht zijn mede gelet op het rapport van het NFI niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer(-exces) wordt verworpen. Voor het scenario dat aangever de agressor was biedt het dossier geen aanknopingspunten. Van een noodweersituatie was derhalve geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 05/740064-13

Uitspraak d.d.: 24 december 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Raadsvrouw: mr. S.H.O. Schaapherder, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
13 december 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 april 2013 te Harderwijk ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te

beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen heeft geschopt en/of geslagen en

(vervolgens) die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp, tweemaal, althans eenmaal in de (onder)buik heeft gestoken, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 26 april 2013 te Harderwijk ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

meermalen heeft geschopt en/of geslagen en (vervolgens) die [slachtoffer] met een

mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tweemaal, althans eenmaal in de

(onder)buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

De politie kreeg op 26 april 2013 omstreeks 23:17 uur de melding dat bij de Jumbo gelegen in de wijk Wittehagen op de Nassaulaan te Harderwijk een persoon met een mes zou zijn gestoken2. Ter plaatse aangekomen zagen verbalisanten twee personen weg rennen. Beide personen zijn staande gehouden. De ene persoon vertelde dat zijn vriend was neergestoken voor de Jumbo. Op de vraag door wie zijn vriend was neergestoken wees hij op de andere persoon, die door verbalisanten werd herkend als de hen ambtshalve bekende [verdachte] (verdachte).

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Ter terechtzitting heeft zij de bewijsmiddelen uitvoerig opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak voor het primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen van aangever en van de getuigen niet betrouwbaar zijn omdat volgens haar cliënt sprake is van een complot tegen hem. Haar cliënt zou naar eigen zeggen nooit iemand neersteken. Mogelijk heeft het slachtoffer zichzelf gestoken of is hij gestoken door getuige [getuige 1]. Dat het DNA van haar cliënt op het mes is aangetroffen, kan volgens de raadsvrouw worden verklaard door een worsteling die tussen hem en het slachtoffer heeft plaatsgevonden en waarbij hij mogelijk het mes heeft aangeraakt.

Subsidiair heeft de raadsvrouw een beroep op noodweer(-exces) gedaan. Zij heeft betoogd dat niet haar cliënt maar het slachtoffer de agressor was. Hij kwam als een “dolle stier” op haar cliënt aflopen hetgeen een hevige gemoedsbeweging veroorzaakte bij haar cliënt. Haar cliënt dient om die reden te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. Zij heeft in dit verband betoogd dat het opzet op de dood niet kan worden bewezen en dat het letsel dusdanig licht is geweest dat daaruit kan worden afgeleid dat niet de aanmerkelijke kans is aanvaard dat de dood zou kunnen volgen. Volgens de raadsvrouw kan slechts de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling worden bewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 26 april 2013 omstreeks 23:00 uur met zijn vriendin [getuige 2] over de Nassaulaan in Harderwijk liep3. Hij zag dat de hem bekende [verdachte] (verdachte) achter hen aanliep. Verdachte sprak hem diverse keren aan. Hij wilde met [getuige 2] spreken, anders zou er bloed vloeien. Bij de Jumbo kwam verdachte naar hem toe en probeerde hem te schoppen en te slaan. Het lukte hem het geweld af te weren. Hij voelde op een gegeven moment dat verdachte hard tegen zijn onderbeen schopte. [slachtoffer] pakte verdachte vast. Hij had zijn armen om het lichaam van verdachte heen. Op dat moment voelde hij dat er iets ‘nats’ langs de linker onderkant van zijn lichaam/buik liep. Hij duwde verdachte van zich af en zag dat er bloed langs zijn onderlichaam naar beneden liep. Hij zag dat verdachte weer op hem toeliep en dat hij een mes in zijn rechterhand had.

Verbalisant [verbalisant] heeft in een proces-verbaal van bevindingen weergegeven dat getuige [getuige 2] tegen hem heeft verklaard dat zij hoorde dat verdachte tegen hen riep: “als je nu niet stopt om te praten gaat er bloed vloeien”4.

Uit de letselrapportage komt naar voren dat [slachtoffer] twee steekverwondingen heeft links op de borstkas5. Er is geen schade aan organen. Er is niet tot in de buikholte gepenetreerd. Links in de bovenbuik is een horizontaal verlopende gehechte huidverwonding zichtbaar met een lengte van 22 mm en op dezelfde hoogte richting flank is nog een horizontaal verlopende gehechte huidverwonding zichtbaar met een lengte van 18 mm. De verwondingen zullen waarschijnlijk binnen enkele weken genezen. Er zullen waarschijnlijk littekens zichtbaar blijven. Het ligt niet in de verwachting dat er blijvend letsel zal zijn.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 26 april 2013 omstreeks 23:15 uur werd gebeld door een vriend die hij kent onder de voornaam [slachtoffer] en de achternaam ‘[alias]’, hetgeen een bijnaam is6. Hij begreep van [slachtoffer] dat hij was neergestoken en dat hij bij de Jumbo stond. [getuige 1] is direct daarheen gegaan. Hij zag daar een jongen staan die een mes in zijn rechterhand vasthield. [alias] liet hem zien dat hij twee prik/snijwonden in de linkeronderbuik had. Op zijn vraag wie dat had gedaan, antwoordde [alias] dat [verdachte] (verdachte) die bij hen stond dat had gedaan. [getuige 1] zag dat verdachte met het mes aan het spelen was. Hij pakte het steeds over van zijn ene in zijn andere hand. Toen [getuige 1] sirenes hoorde, zag hij dat verdachte wegrende. Hij is achter verdachte aangerend. Hij zag dat verdachte omhoog sprong en dat hij iets weggooide. [getuige 1] had het idee dat verdachte het mes op een dakje van een schuurtje wilde gooien. Het mes viel op de grond. Verdachte rende terug, pakte het mes op en gooide het opnieuw weg. Het mes kwam terecht op het dak van een fietsenhok. Volgens [getuige 1] kon hij het mes zien liggen.

Bij het sporenonderzoek is op het dak van een schuur een mes aangetroffen, waarop een op bloed gelijkende stof zichtbaar was7. Het mes is veilig gesteld.
In het shirt van aangever zijn twee horizontale beschadigingen aangetroffen8. Deze beschadigingen waren gelet op het letsel bij aangever, gesitueerd op nagenoeg dezelfde locatie.

Het mes is onderzocht door het NFI9. Van het celmateriaal uit de bemonstering van een bloedspoor op de linkerzijde van het lemmet van het mes is een DNA-profiel verkregen dat afkomstig is van een man. Het DNA-profiel kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Van het celmateriaal uit de bemonstering van een deel van een vettige substantie van de rechterzijde van het lemmet van het mes is een onvolledig DNA-profiel van een man verkregen. Dit kan afkomstig zijn van het slachtoffer [slachtoffer]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Van het celmateriaal uit de bemonstering van de ruwe delen en scherpe randen van het heft van het mes is een DNA-profiel verkregen van een man. Dit kan afkomstig zijn van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

De rechtbank overweegt allereerst dat zij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever en de getuigen. De afgelegde verklaringen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Gelet op de onderlinge samenhang van de aangifte, de verklaring van [getuige 1], het aantreffen van het mes op het dak van het schuurtje en de resultaten van het onderzoek van het NFI acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer] twee keer heeft gestoken met een mes. Dat [slachtoffer] zichzelf zou hebben gestoken dan wel dat [getuige 1] [slachtoffer] zou hebben gestoken, is mede gelet op het rapport van het NFI niet aannemelijk geworden. Voorts snijden de conclusies die de raadsvrouw trekt met betrekking tot “afwezigheid van vingersporen” geen hout nu het mes niet dactyloscopisch is onderzocht.

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe het steken met het mes moet worden gekwalificeerd. Naar het oordeel van de rechtbank is op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] aanwezig geweest. Door meermalen te steken in de buik van [slachtoffer] heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden gelet op de kwetsbare en vitale organen die zich in de buikholte bevinden. Het oordeel van de rechtbank dat sprake is van opzet, in ieder geval in de voorwaardelijke zin, wordt nog onderstreept door het feit dat verdachte, blijkens de verklaringen van aangever en van getuige [getuige 2] heeft gezegd dat er bloed zou vloeien als ze niet zouden stoppen dan wel verdachte niet met [getuige 2] zou kunnen spreken.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van poging tot doodslag. 

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 26 april 2013 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes tweemaal in de (onder)buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Primair: Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Noodweer-exces

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van het primair dan wel subsidiair ten laste gelegde heeft gehandeld uit noodweer(-exces), zodat hij voor dit feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ze heeft daartoe betoogd dat niet haar cliënt maar het slachtoffer de agressor was. Hij kwam als een “dolle stier” op haar cliënt aflopen hetgeen een hevige gemoedsbeweging bij hem veroorzaakte.

Volgens de officier van justitie is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een noodweersituatie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Er is sprake van noodweer als het feit is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk gevaar voor zo een aanranding. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond. Voor het scenario van verdachte, dat aangever de agressor was, zijn geen aanknopingspunten te vinden in het dossier. Het beroep van verdachte op noodweer(-exces) kan derhalve vanwege het ontbreken van een noodweersituatie niet slagen zodat het wordt verworpen.

Toerekenbaarheid

Over verdachte is een rapport uitgebracht door het Pieter Baan Centrum. Verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek grotendeels geweigerd. Er heeft slechts één gesprek plaatsgevonden met de psychiater. Aangezien de deskundigen niet in staat zijn tot een volledige diagnostische conclusie te komen, onthouden zij zich van de beantwoording van de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar.

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van haar cliënt. Haar cliënt staat open voor hulp en is bereid aan zichzelf te werken. De relatie met [getuige 2] heeft een zware wissel op hem getrokken. Daarnaast mist hij zijn familie. Volgens de raadsvrouw wil haar cliënt breken met het verleden. De raadsvrouw heeft vervolgens een gevangenisstraf bepleit die niet langer is dan het voorarrest.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Toen hij zijn (ex-)vriendin met een ander zag lopen, wilde hij met haar spreken en gaf daarbij aan dat er bloed zou vloeien als dat niet zou gebeuren. Vervolgens is hij agressief geworden en heeft hij geweld gebruikt, waarbij hij ook twee keer heeft gestoken met een mes. Het slachtoffer mag van geluk spreken dat het mes niet tot in de buikholte is doorgedrongen. In dat geval was de kans aanzienlijk geweest dat kwetsbare en/of vitale organen waren geraakt, waardoor ernstiger letsel zou zijn opgetreden mogelijk met de dood tot gevolg.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van het Pieter Baan Centrum. Uit de gedragskundige beschouwing van de psycholoog komt naar voren dat verdachte zich manifesteert als een drammerige, dreinende, onvolwassen man. Hij is moeilijk aanspreekbaar op zijn gedrag en voelt zich snel aangevallen, gekwetst en gekrenkt. De sociale vaardigheden en emotieregulatie maken een gebrekkige indruk. Het lukt verdachte niet om een maatschappelijk ingebed sociaal leven op te bouwen. Zijn leven kenmerkt zich door afhankelijkheid van zijn ouders, misbruik en/of afhankelijkheid van middelen, delinquent gedrag waaronder gewelddadig gedrag en elkaar in kort tempo opvolgende detenties. Volgens de psycholoog zijn er aanwijzingen voor ernstig disfunctioneren op alle leefgebieden. Er is sprake van antisociaal gedrag in combinatie met gebruik van verschillende middelen. Vanwege de beperking van het onderzoek is echter geen zicht gekomen op mogelijk onderliggende pathologie. Wel is duidelijk dat ten tijde van de observatie geen sprake was van een psychotisch toestandsbeeld. Er lijkt sprake te zijn van een persoonlijkheidsstoornis, maar deze is onvoldoende te onderbouwen. Over de aard en invloed van het middelengebruik zijn tevens geen betrouwbare uitspraken te doen.

Uit het onderzoek door de psychiater komt naar voren dat de intelligentie van verdachte imponeert als beperkt. Deze kon echter niet formeel getest worden. Verdachte is nauwelijks corrigeerbaar in zijn gedrag en overtuigingen, komt leugenachtig over, neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en zijn lange strafblad wordt in het gesprek eigenlijk als ‘niet relevant’ afgedaan. De gewetensfuncties lijken derhalve ook verminderd ontwikkeld. Verdachte is in het contact ook wat theatraal, zich uitend in de verongelijkte klagerige toon waarin hij de ander de schuld lijkt te geven van de problemen in zijn leven. Binnen de afdeling laat verdachte geen gedrag zien dat verwijst naar ernstige psychopathologie in engere zin, zoals een psychose of depressie. Verdachte komt over als een theatrale en onvolwassen man, die veel klaagt, zich een verongelijkte en gemakzuchtige houding aanmeet, zich lastig laat aansturen en snel geïrriteerd of nukkig kan reageren. Volgens de psychiater is er onvoldoende informatie voorhanden om de aanwezigheid van een psychiatrische stoornis gedurende zijn levensloop volledig uit te sluiten of te bevestigen. Door de levensloop heen is sprake van terugkerend antisociaal gedrag en een chronisch disfunctioneren op verschillende levensterreinen. In hoeverre de verslavingsproblematiek hierin een belangrijke factor is geweest is echter niet na te gaan. Het beeld rijst van een persoonlijkheidsconstellatie waarbij antisociale, borderline en theatrale tendensen aanwezig zijn, maar het onderzoek is te beperkt om een persoonlijkheidsstoornis in deze domeinen formeel te kunnen vaststellen.

De rechtbank overweegt dat het er alle schijn van heeft dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven. De deskundigen konden echter gelet op het beperkte onderzoek dat heeft plaatsgevonden niet tot de vaststelling van een persoonlijkheidsstoornis komen. Nu ook het rapport uit 2004 van drs. [psycholoog], (destijds) psycholoog verbonden aan PI Achterhoek, waarnaar wordt verwezen in het rapport van het Pieter Baan Centrum, door de officier van justitie niet aan het dossier is toegevoegd, acht de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om te concluderen dat er tijdens het begaan van het feit bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en in het verlengde hiervan voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, zoals voorgesteld door de officier van justitie.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet anders dan een gevangenisstraf opleggen. De rechtbank acht mede gelet op de justitiële documentatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar passend en geboden. Met een kortere straf kan gezien de ernst van het feit niet worden volstaan.

In beslag genomen voorwerpen

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven mes, met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Vordering tenuitvoerlegging

Nu is bewezen dat verdachte zich opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de politierechter te Zutphen van 21 juni 2012 (parketnummer 06/940128-12) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer te worden gelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14g, 27, 36b, 36c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:


Primair: Poging tot doodslag;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

  • -

    beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven mes;

  • -

    gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zutphen van 21 juni 2012, te weten van:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 dagen.

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, Gerbranda en Van Apeldoorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 december 2013.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2013054580, Regiopolitie Oost Nederland, district Noord en Oost Gelderland, gesloten en ondertekend op 18 juni 2013.

2 Proces-verbaal van aanhouding, p.14-15

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p.41-42

4 Proces-verbaal van bevindingen, p.99

5 Letselrapportage opgemaakt door [naam], p.52-53

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p.96-97

7 Proces-verbaal, sporenonderzoek, p.59

8 Proces-verbaal, sporenonderzoek, p.67

9 NFI-rapport van 7 juni 2013, p.91-92