Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6131

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
255363 ZJ RK 13-962
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot ondertoezichtstelling. De kinderrechter is van oordeel dat er weliswaar sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarigen, maar dat onvoldoende is gebleken dat andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 255363 ZJ RK 13-962

beschikking van de kinderrechter d.d. 24 december 2013

op het verzoek van:de Raad voor de Kinderbescherming, regio Gelderland, locatie Arnhem,

adres: Nieuwe Stationsstraat 20, 6811 KS Arnhem,

verder te noemen: de Raad,

inzake de minderjarigen:

[kind A],

geboren op [1997] te [plaats],

[kind B],

geboren op [1998] te [plaats],

[kind C],

geboren op [2000] te [plaats],

en

de moeder (ouderlijk gezag):[moeder],

wonende te: [plaats],

adres: [adres],

advocaat: mr. F.J. Bosma te Apeldoorn.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen d.d. 2 december 2013, ingekomen op 4 december 2013;

  • -

    het rapport van de Raad, uitgebracht op 28 november 2013;

  • -

    het faxbericht met bijlagen van mr. Bosma d.d. 20 december 2013;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 december 2013.

Het verzoek

De raad verzoekt voornoemde minderjarigen onder toezicht te stellen van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, Velperweg 75, 6824 HH te Arnhem, die de uitvoering daarvan zal opdragen aan de Stichting Gereformeerde Jeugdwelzijn, voor de duur van

12

maanden. De Raad verzoek de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De Raad stelt dat aan de voorwaarden van artikel 1:254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW, is voldaan en verwijst voor een nadere onderbouwing van het onderhavige verzoek naar zijn op 28 november 2013 uitgebrachte rapport.

Het standpunt van de minderjarigen

[kind A] is behoorlijk opgeroepen, maar niet ter zitting verschenen. Zij heeft door middel van een brief de kinderrechter onder meer te kennen gegeven dat zij een goede band heeft met haar moeder, broertje en zusje en dat zij geen gezinsvoogd wil.

[kind B] heeft ter zitting onder meer verklaard dat sinds zijn oudere broer [kind D] en zijn zusje [kind C] uit huis zijn, het rustiger is in de thuissituatie. Ook heeft hij verklaard dat zijn moeder het goed doet en dat de gezinstherapie heeft geholpen. Voorts heeft hij verklaard dat het gezin een slechte ervaring heeft gehad met de aanwezigheid van een gezinsvoogd en dat hij er daarom niet voor open staat.

[kind C] heeft ter zitting onder meer aangegeven dat het beter met haar gaat sinds zij vrijwillig uit huis is gegaan en bij een bevriend gezin verblijft. Zij komt nu meer tot rust, terwijl dat in de thuissituatie niet lukte. Ook in de thuissituatie bij de moeder is meer rust gekomen sinds haar vertrek. Wel is iedereen gespannen vanwege het verzoek tot ondertoezichtstelling. Geen van de gezinsleden wil dat er een gezinsvoogd wordt aangesteld.

Het standpunt van de moeder

De moeder heeft ter zitting – mede bij monde van haar advocaat – verweer gevoerd tegen het verzoek. Zij heeft onder meer verklaard dat zij de complexiteit van de situatie en problematiek onderkent, maar dat zij thans voldoende professionele ondersteuning heeft van onder anderen Zorgloket en GGNet. De gezinstherapie die de moeder op dit moment met [kind D], [kind B], [kind C] en in mindere mate [kind A] volgt, werpt zijn vruchten af. Er is meer ontspanning in de thuissituatie en bepaalde (slechte) patronen worden doorbroken. De moeder heeft nog nooit zoveel positieve ontwikkeling in het gezin en bij de kinderen gezien als op dit moment en vraagt zich af of een ondertoezichtstelling, mede gelet op de slechte ervaring daarmee in het verleden, wel meerwaarde heeft. Zij verzoekt de kinderrechter het verzoek af te wijzen.

De beoordeling

Ingevolge artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een stichting als bedoeld in de Wet op de jeugdzorg indien zij/hij zodanig opgroeit, dat haar/zijn zedelijke of geestelijke belangen of haar/zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

In zijn rapport van 28 november 2013 brengt de Raad – samengevat weergegeven – naar voren dat de bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen bestaat uit een langdurig verminderde pedagogische/persoonlijke draagkracht van de (alleenstaande) moeder. Er is sprake van een zeer complexe opvoedingssituatie met veel onderlinge conflicten en een lange hulpverleningsgeschiedenis. Alle gezinsleden (de moeder, de zeven meerderjarige kinderen en de drie thans nog minderjarige kinderen) hebben traumatische jaren gekend tijdens het huwelijk van de vader en de moeder. Er heeft in die periode veel huiselijk geweld plaatsgevonden van de vader richting de moeder op fysiek, verbaal, psychisch en seksueel gebied. De minderjarigen zijn daarvan getuigen geweest en zijn ook zelf fysiek en psychisch mishandeld door de vader. De vader is voor enkele daden strafrechtelijk veroordeeld. Dit alles heeft de minderjarigen gevormd en maakt dat zij zich thans respectloos en grenzeloos ten opzichte van elkaar gedragen, en elkaar daarnaast steeds aantrekken en afstoten. Voorts brengt de Raad naar voren dat de meerderjarige broers en zussen het gezag van de moeder ondermijnen en dat zij de hulpverleners tegen elkaar proberen uit te spelen. Dit krijgen de minderjarige kinderen mee. De moeder is onvoldoende in staat om de conflicten tussen de kinderen, als gevolg van de bestaande (deels kindgebonden) problematiek, te sturen. Zij is niet in staat gebleken om de veiligheid van de kinderen te garanderen op de momenten dat zij elkaar letterlijk aanvallen. Daarnaast kampen de drie minderjarigen met persoonlijke problematiek. [kind A] heeft binnen de gezinsverhoudingen een aandeel in het in stand houden, bepalen en het naar de hand zetten van bepaalde patronen. Haar gedrag ‘triggert’ soms onwenselijk gedrag bij [kind B] en [kind C]. Zij heeft in 2008 dramatherapie gevolgd bij GGNet in verband met een klachtenpatroon dat duidde op een gegeneraliseerde angststoornis. [kind B] is gediagnosticeerd met PDD-NOS. Hij heeft daardoor een specifieke zorgbehoefte. Hij heeft een geschatte gemiddelde intelligentie en moeite met sociaal contact. Hij is snel afgeleid door externe en interne prikkels. [kind C] is gediagnosticeerd met PTSS en heeft dientengevolge emotionele- en gedragsproblemen.

Tot slot brengt de Raad naar voren dat de hulpverleningstrajecten in het verleden wijzen op een kritische en soms afwijzende opstelling van de moeder en/of de kinderen ten opzichte van de geïndiceerde zorg. Een ondertoezichtstelling is volgens de Raad de meest passende maatregel.

Op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat weliswaar sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarigen, maar dat onvoldoende is gebleken dat andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Gebleken is dat de ingezette gezinstherapie bij GGNet, waaraan de minderjarige kinderen en de moeder reeds enige tijd deelnemen, zorgt voor een positieve ontwikkeling in de thuissituatie en in het gedrag van en de onderlinge verhoudingen tussen de minderjarigen en de moeder. Deze gezinstherapie zal, zo heeft de moeder ter terechtzitting onweersproken verklaard, de komende periode worden voorgezet en mogelijk zullen daarbij ook – door middel van de systeemtherapeut – de meerderjarige kinderen worden betrokken, hetgeen de kinderrechter (in het belang van alle gezinsleden, maar zeker in het belang van de minderjarige kinderen) zeer wenselijk acht. Nu de moeder stelt zich volledig te hebben ingezet voor deze therapie, hetgeen door de Raad is erkend, en zij ter terechtzitting heeft verklaard dit ook in de toekomst te zullen blijven doen, ziet de kinderrechter geen aanleiding om dit traject thans in te kaderen door middel van een ondertoezichtstelling van de minderjarigen. Temeer niet nu uit de inhoud van overgelegde stukken en de afgelegde verklaringen van de moeder en de minderjarigen ter terechtzitting is gebleken dat de ondertoezichtstelling van enkele kinderen uit het gezin in het verleden, zeer belastend is geweest voor alle gezinsleden en dat sinds de beëindiging van die ondertoezichtstelling juist sprake is van een stijgende lijn. Dit is ook door de Raad ter terechtzitting bevestigd. Gelet op het voorgaande, de complexiteit van de gezinssituatie, en het (hevige) verzet van de minderjarigen, en in mindere mate van de moeder, tegen een ondertoezichtstelling, maken dat de kinderrechter tot het oordeel komt dat een toewijzing van het voorliggende verzoek niet in gunstige zin zal bijdragen aan de ontwikkeling van de minderjarigen. Het verzoek zal op grond van het vooroverwogene worden afgewezen.

De beslissing

De kinderrechter wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Vos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2013, in tegenwoordigheid van mr. C.J. van der Sloot, de griffier.

conc.1: cs

1 *De griffier deelt mede dat van vorenstaande beschikking hoger beroep open staat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:- voor verzoeker en de verschenen belanghebbenden binnen drie maanden na de dagtekening van deze beschikking;- voor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze hun bekend is geworden.Dit beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.