Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:6103

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
06-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_2875
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 29c van de Zw. Bij een aanvraag om verlenging van de no-risk polis dient te worden beoordeeld of op het beoordelingsmoment de ziekte of het gebrek of het verhoogde risico op ernstige gezondheidsklachten nog bestaat. De letterlijke tekst van artikel 29c van de Zw laat een andere interpretatie niet toe. In het onderhavige geval is onbetwist dat de ziekte of het gebrek op het beoordelingsmoment nog bestaat. Echter, verweerder heeft in het onderhavige specifieke geval terecht ook beoordeeld of op het beoordelingsmoment sprake is van een verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: ARN AWB 13/2875

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

Stichting Pactum Jeugd- en Opvoedhulp, te Arnhem, eiseres

(gemachtigde: A. van Lieshout),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. M.S. Winkel).

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [naam werknemer] (hierna: de werknemer) om verlenging van de zogenaamde no-risk polis ingevolge de Ziektewet (ZW) afgewezen.

Bij besluit van 1 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. De werknemer was in dienst van de Stichting Passade als hulpverlener rand- en risicojongeren voor 32 uur per week. Op 7 november 2005 is hij voor zijn werkzaamheden uitgevallen in verband met gewrichtsklachten. In het kader van zijn re-integratie heeft medicamenteuze ondersteuning en werkplekaanpassing plaatsgevonden. In 2007 is de werknemer voor 28,8 uur per week gere-integreerd. Op 1 juli 2007 is de werknemer in dienst getreden van eiseres. Op 17 juli 2007 heeft de werknemer een aanvraag gedaan om een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op grond van een medisch en arbeidskundig onderzoek, is deze aanvraag afgewezen. Aan die afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de werknemer met aangepaste arbeid een dusdanig verlies aan verdienvermogen heeft dan hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. De arbeidsdeskundige, die het arbeidskundig onderzoek heeft verricht, J.H. Gerth, heeft zich op het standpunt gesteld dat de no-risk polis in de zin van (thans) artikel 29b van de ZW van toepassing is. Eiseres heeft vervolgens over de periode van 26 september 2012 tot 1 oktober 2012 ziekengeld ingevolge de ZW van verweerder ontvangen. De duur van de no-risk polis is op 4 november 2012 verstreken. De werknemer heeft bij brief van 17 december 2012 om verlenging van deze no-risk polis verzocht. Die aanvraag is bij het primaire besluit afgewezen. De werknemer heeft zich op 11 februari 2013 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 18 maart 2013 is de werknemer een WIA-uitkering geweigerd.

2.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat bij de werknemer geen sprake is van een aandoening die leidt tot een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten en waarbij de kans op uitval voor werkzaamheden binnen een termijn van vijf jaren hoog is. Dat in 2007 de no-risk polis van toepassing is verklaard, is volgens verweerder achteraf gezien onjuist en deze omstandigheid kan er naar de mening van verweerder ook niet toe leiden dat de polis moet worden verlengd.

3.

Ingevolge artikel 29c van de ZW wordt, indien ten aanzien van een werknemer als bedoeld in de artikelen 29b en 90 van deze wet bij aanvang van het dienstverband wordt vastgesteld dat hij lijdt aan een ziekte of een gebrek die respectievelijk dat maakt dat hij binnen de in artikel 29b, eerste en vierde lid, van deze wet bedoelde termijn van vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking respectievelijk na vaststelling van het recht op uitkering een aanzienlijk verhoogd risico heeft op ernstige gezondheidsklachten, die termijn van vijf jaar voor afloop daarvan verlengd, indien op dat moment de ziekte of het gebrek dan wel het verhoogde risico op ernstige gezondheidsklachten naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nog bestaat.

4.

Deze bepaling, die tot dan in vrijwel gelijke bewoordingen was opgenomen in artikel 20 van het Re-integratiebesluit (Besluit van 2 december 2005, Stb.2005, nr.622), is per 1 augustus 2009 opgenomen in de ZW. De bepaling was voorheen opgenomen in artikel 8 van het Arbeidsgehandicaptebesluit (Besluit van 20 juli 1998, Stb 1998, nr. 488) en is sedertdien vrijwel ongewijzigd gebleven.

5.

In de Nota van Toelichting bij het Arbeidsgehandicaptebesluit (hierna: NvT) in het volgende opgenomen met betrekking tot ‘aanzienlijk verhoogde risico’s’ (Stb. 1998, nr. 488, p. 10-11):

“In twee gevallen echter kan een arts reeds zelf tot het oordeel komen dat een persoon arbeidsgehandicapt is. De eerste situatie waarin de arts een arbeidshandicap kan vaststellen is die waarin op het moment van keuring geen beperkingen bij het verrichten van arbeid bestaan, doch er wel een grote mate van waarschijnlijkheid is dat betrokkene een aanzienlijk verhoogd risico op ziekte of gebreken in de toekomst heeft. In het algemeen zal de arts daar geen individuele voorspellingen over kunnen doen, maar zal hij zijn oordeel moeten baseren op interpretatie van statistische gegevens. Het is de bedoeling dit criterium uitsluitend op die aandoeningen te betrekken, waarvan een ernstige progressie binnen de termijn van enkele jaren vaststaat. Het criterium is het biologische verloop van de aandoening en niet het veel moeilijker in te schatten verloop van de beperkingen in functioneren. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij bepaalde genetische aandoeningen, stofwisselingsziekten, spierziekten, infectieziekten en sommige progressieve neurologische aandoeningen en vormen van kanker. Anders gezegd: het betreft hier dus relatief zeldzame en duidelijke uitzonderingssituaties die betrekking hebben op ziekten met een sterk invaliderend verloop binnen enkele jaren of aanmerkelijke verkorting van de levensverwachting vóór het 65e levensjaar.

Het is daarom niet de bedoeling dat veel voorkomende, in het algemeen vaak op wat op langere termijn progressieve aandoeningen als hart- en vaatziekten, diabetes, artrose, reuma, psychiatrische aandoeningen en dergelijke onder dit criterium te vatten. Wel kunnen ook dan individuele gevallen toch aan het strikte criterium voldoen zoals in voorkomende gevallen zal blijken. De arts kan dus vrijwel nooit alléén maar op grond van de diagnose een arbeidshandicap aannemen of uitsluiten. Vanwege de gevoeligheid van de materie is het juist in deze omstandigheden van veel belang dat de betrokkene zélf op deze gronden expliciet kenbaar maakt, als arbeidsgehandicapt beschouwd te willen worden. Het initiatief zal dus nadrukkelijk van betrokkene en niet van derden – Arbeidsvoorziening, werkgevers, behandelend artsen, sociale verzekering, GGD, arbodienst – moeten uitgaan.

Tijdens de Kamerbehandeling van de Wet REA is voorts de aandacht gevestigd op de specifieke problemen van personen met een sterk verhoogd risico. Algemeen bleek men te voelen voor de suggestie van de Gehandicaptenraad om voor mensen met een progressieve aandoening of een sterk wisselend ziektebeeld een verlenging van de (reeds tot vijf jaar verlengde) termijn van artikel 29b Ziektewet met (bijvoorbeeld) vijf jaar mogelijk te maken. Een motie van die strekking van het lid Van Nieuwenhoven werd met algemene stemmen aanvaard. Met name voor personen met een progressief verlopende ziekte kan het probleem optreden, dat zij op zich wel enkele jaren goed kunnen presteren en verdienen, en in die periode dus als een gewone werknemer kunnen worden beschouwd, doch dat op termijn hun vooruitzichten met betrekking tot het ziekteverzuim (en invalideringsrisico) onverminderd slecht blijven. Dit kan hun arbeidsmarktkansen belemmeren. In dit besluit wordt derhalve voor de groep werknemers met een aanzienlijk verhoogd risico de mogelijkheid geschapen voor verlenging van de vijfjaarsperiode. Dit houdt in dat voor het einde van de vijfjaarsperiode wordt bezien of de aandoening die reden was om een persoon als een verhoogd risico te beschouwen nog steeds aanwezig is. Is dit het geval dan wordt de overname van de loondoorbetalingsverplichting met vijf jaar verlengd.

(...)”

6.

Verweerder heeft bij de beoordeling van de aanvraag van de werknemer om verlenging van de no-risk polis getoetst of sprake is van een aandoening, waarbij een aanzienlijk verhoogd risico bestaat op ernstige gezondheidsklachten. De rechtbank leidt uit het bepaalde in artikel 29c van de ZW evenwel af dat bij een aanvraag om verlenging van de no-risk polis dient te worden beoordeeld of op het beoordelingsmoment de ziekte of het gebrek of het verhoogde risico op ernstige gezondheidsklachten nog bestaat. De letterlijke tekst van artikel 29c van de ZW (laatste zinsdeel vanaf ‘indien’) laat een andere interpretatie niet toe. Voorgaande zou betekenen dat in het geval van de werknemer sprake zou zijn van verlenging van de no-risk polis, omdat – onbetwist – de ziekte of het gebrek op het beoordelingsmoment nog bestaat. Echter, de rechtbank is van oordeel dat verweerder in het onderhavige specifieke geval terecht ook heeft beoordeeld of op het beoordelingsmoment sprake is van een verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten. De rechtbank acht in dit verband het volgende van belang.

7.

De rechtbank stelt vast dat verweerder, bij monde van arbeidsdeskundige Gerth, bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer in 2007 heeft bepaald dat de no-risk polis als bedoeld in artikel 29b van de ZW van toepassing is. Vast staat dat hieraan geen medisch onderzoek ten grondslag heeft gelegen. Dat betekent dat in het geval van de werknemer nimmer is getoetst of sprake was van een aanzienlijk verhoogd risico, als bedoeld in artikel 29b van de ZW, aangezien die vraag onmiskenbaar beantwoord dient te worden door een arts. In dit verband wijst de rechtbank op de hiervoor weergeven passage uit de NvT bij het Arbeidsgehandicaptebesluit. Nu in het geval van de werknemer niet eerder is getoetst of sprake is van een verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten en gelet op de tekst van de NvT dat risico bij een aandoening als die waaraan de werknemer lijdt, niet zonder meer kan worden aangenomen, hebben verweerders verzekeringsartsen hiernaar terecht onderzoek gedaan.

8.1

Verzekeringsarts G. Kurris-Niewold heeft medisch onderzoek gedaan. Uit haar rapportage volgt dat in dit verband dossieronderzoek is verricht en dat op basis daarvan is beoordeeld de vraag of de werknemer op het beoordelingsmoment een aandoening/ziekte heeft waarvan vaststaat dat deze een aanzienlijk verhoogd risico geeft op ernstige gezondheidsklachten binnen de termijn van enkele jaren. Volgens Kurris moet deze vraag ontkennend beantwoord worden, omdat de aandoening van de werknemer in beginsel niet wordt gezien als een aandoening met een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten. In uitzonderingsgevallen kan dit soms toch het geval zijn, maar dan moet er sprake zijn van een te verwachten ernstige progressie binnen enkele jaren, dus een aanzienlijk slechtere verwachting dan regel is. De werknemer heeft in zijn aanvraag vermeld dat de klachten de afgelopen jaren ongewijzigd zijn. Op basis daarvan kan volgens Kurris dan ook niet worden aangenomen dat er ernstige progressie is te verwachten in de komende jaren.

8.2

Verzekeringsarts bezwaar en beroep R. Rombout heeft op grond van het dossier en de inhoud van het bezwaarschrift geconcludeerd dat er geen reden is om af te wijken van het oordeel van Kurris. Rombout erkent de medische situatie van de werknemer en ook dat de medische problematiek van de werknemer niet minder ernstig is dan ten tijde van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in 2007, zoals gesteld wordt door eiseres. Echter, ook al is er sprake van een verhoogd ziekteverzuimrisico ten opzichte een gezonde werknemer met dezelfde leeftijd en postuur, kan er toch niet gesproken worden van een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten, omdat dat alleen geldt voor ziekten met een sterk invaliderend verloop binnen enkele jaren of aanmerkelijke verkorting van de levensverwachting voor het 65e jaar.

8.3

De rechtbank is van oordeel dat het medische onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Zo zijn de door de werknemer in zijn aanvraag naar voren gebrachte klachten en de in het dossier aanwezige informatie op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Voorts is niet gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van de werknemer hebben gemist. De enkele omstandigheid dat de werknemer niet is onderzocht door de verzekeringsartsen maakt niet dat het medisch onderzoek daardoor onvolledig of onzorgvuldig is te achten. Evenmin leidt de stelling van eiseres dat alleen de medische gegevens ten tijde van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in 2007 bij de beoordeling zijn betrokken, tot deze conclusie, omdat Kurris bij haar beoordeling ook heeft betrokken de door de werknemer bij de aanvraag opgegeven klachten. De door eiseres in beroep ingebrachte verklaring van dr. M. Janssen, reumatoloog, van 18 juli 2013 kan niet tot een ander oordeel leiden. Rombout heeft in deze brief een bevestiging gelezen van de te beoordelen vragen in het kader van de verlenging van de no-risk polis. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Dat de werknemer zich per 11 februari 2013 heeft ziek gemeld, kan evenmin tot een ander oordeel leiden, aangezien dit feit dateert van na het beoordelingsmoment.

9.

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op het beoordelingsmoment geen sprake is van een verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten. De aanvraag om verlenging van de no-risk polis is dan ook op goede gronden afgewezen.

10.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, en mr. E.C.G. Okhuizen en mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, leden, in aanwezigheid van mr. B. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.