Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:5955

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
12/1721
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Evenementenvergunning, festival ‘The Legends’ in Apeldoorn, intrekking op grond van artikel 1.6, onder b en c, van de Algemene Plaatselijke Verordening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1721

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

mr. C.A. Spekschoor, advocaat te Lochem, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Stichting IF Events, voorheen gevestigd te Zutphen,

eiser,

en

de burgemeester van de gemeente Apeldoorn en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn,

(tezamen aan te duiden als) verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2012 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder de op 27 april 2012 aan Stichting IF Events (hierna: IF Events) verleende evenementenvergunning voor het houden van een bevrijdingsfestival in Apeldoorn op 5 mei 2012, ingetrokken.

Bij besluit van 12 oktober 2012 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door IF Events gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

IF Events heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 18 februari 2013 heeft de voormalige gemachtigde van IF Events aan de rechtbank meegedeeld dat IF Events op 7 februari 2013 failliet is verklaard.

Bij brief van 22 mei 2013 heeft de rechtbank de voormalige curator mr. E. Gürcan conform artikel 8:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 27, derde lid, van de Faillissementswet, in de gelegenheid gesteld om de procedure van IF Events over te nemen.

Bij brief van 11 juni 2013 heeft mr. Gürcan verklaard de onderhavige procedure over te nemen. Op 20 augustus 2013 is eiser mr. Gürcan opgevolgd als curator in het faillissement.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2013. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam], die ter zitting is verschenen vergezeld door [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. van Wegen en M. Groot Nibbelink, beiden werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.

Overwegingen

1.Bij brief van 3 december 2012 heeft de voormalige gemachtigde van IF Events een kopie overgelegd van het beroepschrift voorzien van een ontvangststempel van de rechtbank Zutphen van 23 november 2012. Het beroep is derhalve tijdig ingesteld.

2.Het is voldoende aannemelijk dat IF Events schade heeft geleden door de intrekking van de vergunning, zodat eiser belang heeft bij de beoordeling van het onderhavige beroep.

3.Op 20 februari 2012 heeft IF Events een evenementenvergunning aangevraagd voor het houden van het ‘The Legends Bevrijdingsfestival 2012’ (verder: het evenement) in het Mheenpark te Apeldoorn op 5 mei 2012. Bij besluit van 27 april 2012 heeft verweerder een vergunning verleend voor dit evenement (verder: de vergunning). Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden. Eén van de voorschriften houdt in dat het veiligheidsplan onderdeel uitmaakt van de vergunning. Dit betreft het Veiligheidsplan “The Legends”, opgesteld in opdracht van IF Events door W.H.A. Arendsen, versie 27-04-2012 (verder: het veiligheidsplan).

4.Op 2 mei 2012 heeft verweerder mondeling aan IF Events meegedeeld dat hij voornemens is de verleende evenementenvergunning in te trekken omdat het door IF Events ingeschakelde beveiligingsbedrijf AVDD niet langer zorg zal dragen voor de beveiliging van het evenement. In reactie hierop heeft IF Events aangegeven een ander beveiligingsbedrijf te willen inschakelen.

5.Bij het primaire besluit van 3 mei 2012 heeft verweerder de aan IF Events verleende evenementenvergunning ingetrokken op grond van het bepaalde in artikel 1.6, onder b en c, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2006 van de gemeente Apeldoorn (hierna: de APV). Volgens verweerder kan IF Events door het terugtrekken van het beveiligingsbedrijf AVDD de aan de vergunning verbonden voorschriften niet nakomen. Voorts zijn hierdoor de omstandigheden zodanig veranderd dat het niet langer verantwoord is om de vergunning in stand te laten en is het waarborgen van de veiligheid van personen en de openbare orde van groter belang dan het belang van IF Events bij het in stand laten van de vergunning, aldus verweerder.

6.Tegen dit besluit heeft IF Events bezwaar gemaakt. Op 28 augustus 2012 heeft een hoorzitting plaatsgevonden ten overstaan van de onafhankelijke bezwarencommissie (hierna: de commissie). De commissie heeft verweerder op 1 oktober 2012 geadviseerd het door IF Events gemaakte bezwaar ongegrond te verklaren.

In het bestreden besluit heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het advies van de commissie, op het standpunt gesteld dat de intrekking van de evenementenvergunning in stand kan blijven.

7.Eiser heeft betoogd dat beveiligingsbedrijf AVDD niet in de vergunningvoorschriften wordt genoemd en de intrekking van de vergunning derhalve niet kan worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 1.6, onder c, van de APV. Volgens eiser kan de intrekking van de vergunning evenmin worden gebaseerd op artikel 1.6, onder b, van de APV, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de intrekking wordt “gevorderd” door de aldaar genoemde belangen.

Voorts heeft eiser – samengevat – aangevoerd dat [naam] Security Team de beveiliging van het evenement wilde doen en dat er nog voldoende tijd was om dit te regelen. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond aldus dat volgens eiser verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de vergunning in te trekken.

Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat het besluit tot intrekking van de vergunning onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

8.Ingevolge artikel 2.2.2, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

Ingevolge het tweede lid kan de vergunning worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. het voorkomen of beperken van overlast;

c. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;

d. de zedelijkheid of gezondheid;

e. het woon- en leefklimaat.

Ingevolge artikel 1.6 van de APV, voor zover thans van belang, kan de vergunning worden ingetrokken:

b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;

c. indien de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen.

Indien is voldaan aan de voorwaarden voor het gebruik maken van de bevoegdheid tot intrekking als genoemd in artikel 1.6, onder b en/of c, van de APV, zal beoordeeld moeten worden of de gebruikmaking van die bevoegdheid als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. De gebruikmaking van de bevoegdheid dient door de rechtbank terughoudend te worden getoetst.

Voorwaarde(n) voor intrekking ingevolge artikel 1.6, onder c, van de APV

9.Uit het veiligheidsplan blijkt dat de beveiliging door het bedrijf AVDD zou worden uitgevoerd. De rechtbank verwijst naar de vermelding van AVDD op elk van de pagina’s 9 tot en met 11, 18 tot en met 20, 23 tot en met 26, 28, 29, 34 tot en met 36, 38, 39, 41 tot en met 48, en 50 van het veiligheidsplan. Derhalve wordt voorbijgegaan aan de stelling van eiser dat het veiligheidsplan slechts zou inhouden dat de beveiliging wordt uitgevoerd door een beveiligingsbedrijf dat voldoet aan de eisen genoemd in paragraaf 3.4 van het veiligheidsplan.

Omdat voorts in de vergunningvoorschriften uitdrukkelijk is vermeld dat het veiligheidsplan deel uitmaakt van de vergunning, is de rechtbank van oordeel dat aan de vergunning het voorschrift is verbonden dat de beveiliging wordt uitgevoerd door AVDD. Op 2 mei 2012 was duidelijk dat dit voorschrift niet zou worden nagekomen. Derhalve was verweerder bevoegd om de vergunning in te trekken op grond van artikel 1.6, aanhef en onder c, van de APV.

Voorwaarde(n) voor intrekking ingevolge artikel 1.6, onder b, van de APV

10.Met betrekking tot de vraag of de intrekking werd gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist overweegt de rechtbank het volgende.

11.Uit de mededelingen van de heer [naam] ter zitting blijkt dat reeds enige tijd voor 2 mei 2012 een geschil bestond met AVDD, en dat ongeveer een week voor 2 mei 2012 door de directeur van AVDD was meegedeeld dat AVDD de beveiliging niet zou doen, maar dat het toen nog een week heeft geduurd (naar de rechtbank begrijpt: voordat AVDD zich definitief terugtrok) omdat er een contract lag en er juridische dingen geregeld moesten worden. Voorts blijkt uit zijn mededelingen dat, toen hij op 2 mei 2012 om 14 uur hoorde dat AVDD zich definitief terugtrok, hij contact heeft opgenomen met beveiligingsbedrijf Veneberg. De heer [naam] heeft hem toen meegedeeld dat [naam] de beveiliging kon doen. Omdat het gesprek bij de gemeente om 15.30 uur zou zijn, kon de heer [naam] niet mee naar dat gesprek. Volgens het verslag van het gesprek dat op 2 mei 2012 bij de gemeente heeft plaatsgevonden en volgens de stellingen van eiser heeft de heer [naam] tijdens dat gesprek gezegd dat hij kon garanderen dat [naam] de beveiliging voor het evenement kon overnemen.

12.Uit de stukken blijkt dat verweerder naar aanleiding van de aanvraag een risicoanalyse heeft gemaakt. Uit deze risicoanalyse bleek dat de vrije toegang zonder kaartverkoop, zonder toegangscontrole en zonder omheining van het terrein tot een relatief hoog risico kon leiden. Dit risico werd evenwel niet zo hoog geacht dat geen sprake zou kunnen zijn van een goed en veilig verloop van het evenement. Rekening houdend met deze risico’s is vervolgens gezamenlijk met IF Events, gemeentelijke diensten, politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening en het regionale Veiligheidsbureau een veiligheidsplan opgesteld, dat op 27 april 2012 door verweerder is ontvangen en goedgekeurd. Nadat AVDD zich op 2 mei 2012 definitief had teruggetrokken en IF Events had aangegeven dat [naam] de beveiliging kon overnemen, heeft verweerder overleg gevoerd met onder meer de politie. De politie achtte het niet mogelijk om zo kort voor een dergelijk groot evenement de beveiliging over te dragen aan een ander beveiligingsbedrijf, omdat zaken als terreinverkenning, risicoscenario’s, tolerantiegrenzen, bejegening, het neerzetten van een organisatie, het uitwerken van taken en het maken van verbindingsschema’s de nodige tijd en voorbereiding vergen. Verweerder heeft de vergunning ingetrokken omdat de veiligheid van personen en de openbare orde naar de mening van verweerder onvoldoende was gewaarborgd.

13.Het afhaken van AVDD op een zeer laat moment is een omstandigheid die aan de zijde van IF Events is opgekomen. Gelet hierop, gelet op het feit dat het evenement een relatief hoog risico had, en gelet op het advies van de politie, is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van IF Events lag om in voldoende mate aan te tonen dat het bedrijf [naam] in staat was om de beveiliging van het evenement over te nemen en dat de tijd tussen het gesprek op 2 mei 2012 en het evenement daarvoor voldoende was. De heer [naam] heeft tijdens het gesprek op 2 mei 2012 weliswaar gesteld dat het bedrijf [naam] voldoende mensen kon regelen en dat hij kon garanderen dat [naam] de beveiliging op 5 mei 2012 voor zijn rekening kon nemen, maar hij heeft dat tijdens het gesprek op 2 mei 2012 op geen enkele wijze onderbouwd. Ook heeft hij niet gesteld dat hij op zeer korte termijn de onderbouwing voor die stellingen kon geven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op het voorgaande, en gelet op de in geding zijnde belangen, te weten de veiligheid van personen en de openbare orde, terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van een verandering van omstandigheden op grond waarvan moest worden aangenomen dat intrekking van de vergunning werd gevorderd.

Het gebruik maken van de bevoegdheid tot intrekking van de vergunning

14.Uit hetgeen hiervoor onder 13 is overwogen volgt naar het oordeel van de rechtbank tevens dat het besluit van verweerder om gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de vergunning niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt.

15.Nu het oordeel van de rechtbank inhoudt dat het op de weg van IF Events had gelegen om in voldoende mate aan te tonen dat het bedrijf [naam] in staat was om de beveiliging van het evenement over te nemen en dat de tijd tussen het gesprek op 2 mei 2012 en het evenement daarvoor voldoende was, treft ook de beroepsgrond dat het besluit tot intrekking onzorgvuldig is voorbereid geen doel. Voorts blijkt uit het voorgaande dat verweerder het besluit voldoende heeft gemotiveerd.

16.Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van mr. I.H. Verzijl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.