Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:5921

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
21-12-2013
Zaaknummer
AWB-13_7062
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft gehandeld in strijd met de medewerkingsverplichting zoals die sinds 1 juli 2013 is opgenomen in artikel 17 lid 2 van de WWB. Niettemin is verweerder niet bevoegd de bijstand in te trekken. Niet op grond van artikel 54 lid 4 van de WWB omdat een voorafgaand opschortingsbesluit ontbreekt. Ook niet op grond van artikel 54 lid 3 van de WWB omdat deze bepaling enkel verwijst naar artikel 17 lid 1 van de WWB en dus alleen ziet op schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: ARN 13/7062

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening

[verzoeker], verzoeker

(gemachtigde: mr. O.F.X. Roozemond),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, verweerder

(gemachtigde: J. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) van verzoeker met ingang van 12 september 2013 ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013. Verzoeker is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Verzoeker heeft bijstand van verweerder ontvangen. In het kader van een onderzoek naar verzoekers mogelijkheden voor re-integratie is verzoeker door verweerder op 13 februari 2013 aangemeld bij Bureau Holos (hierna: Holos), die op 15 mei 2013 een trajectplan heeft opgesteld. Volgens dit trajectplan zou verzoeker op een participatieplaats geplaatst worden in het kader van maatschappelijke activering en zou er met verzoeker een nader gesprek volgen over de concrete invulling van de begeleiding.

Blijkens verweerders rapport van 17 juli 2013 is verzoeker zes maal niet verschenen op gesprekken bij Holos en komt verzoeker volgens Holos geen enkele afspraak na. Bij besluit van 16 juli 2013 is verzoekers bijstand opgeschort met ingang van 15 juli 2013 en is verzoeker uitgenodigd voor een gesprek bij verweerder op 24 juli 2013. Dit gesprek heeft plaatsgevonden, waarna verzoekers bijstand blijkens het verhandelde ter zitting weer is hervat. Tevens is de afspraak met verzoeker gemaakt dat hij op 12 september 2013 op gesprek bij Holos zou verschijnen. Verzoeker is zonder bericht niet verschenen op het gesprek bij Holos, waarop verweerder het primaire besluit heeft genomen.

3.

Verzoeker voert aan dat van het verlenen van onvoldoende medewerking in de zin van artikel 54, eerste lid, van de Wwb slechts sprake is als de belanghebbende onvoldoende medewerking verleent in het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand en niet als hij onvoldoende medewerking verleent in het kader van onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verzoeker verwezen naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Gelet op de inhoud en strekking van het primaire besluit gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de intrekking met ingang van 12 september 2013 tevens inhoudt een beëindiging met ingang van de datum van het primaire besluit (10 oktober 2013).

5.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wwb, zoals deze met ingang van 1 juli 2013 luidt, verleent de belanghebbende het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft deze medewerkingsplicht zowel te gelden jegens verweerder als jegens een door verweerder ingeschakeld re-integratiebedrijf zoals Holos.

Met de toevoeging van de tweede zinsnede aan het tweede lid van artikel 17 heeft de wetgever beoogd een verduidelijking te geven aan de medewerkingsplicht (in relatie tot de informatieverplichting van artikel 17, eerste lid, van de Wwb) in die zin, dat het meewerken aan de in dit zinsdeel genoemde activiteiten wel onder de medewerkingsplicht vallen en dus ook onder de reikwijdte van artikel 54, eerste lid, vallen. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 33 556, nr. 3, blz 18-19). De namens verzoeker aangehaalde uitspraken van de CRvB zien op de wetgeving, zoals deze voor 1 juli 2013 gold.

6.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet heeft bestreden dat hij op 12 september 2013 zonder bericht niet op is komen dagen bij Hovos. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoeker niet in staat was om te verschijnen op de oproep van Holos. Verzoeker heeft vooralsnog geen enkele verklaring gegeven voor zijn gedraging. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker dan ook de medewerkingsplicht van artikel 17, tweede lid, van de Wwb geschonden.

Volgens de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis kan het niet nakomen van de in artikel 17, tweede lid, geëxpliciteerde medewerkingsverplichting tot gevolg hebben dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Door geen gevolg te geven aan een oproep maakt betrokkene het immers voor het college onmogelijk om zijn recht op bijstand in relatie met de arbeidsinschakeling dan wel het plan van aanpak vast te stellen. Daarvan is hier, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake. Niettemin acht de voorzieningenrechter in het onderhavige geval geen grondslag aanwezig voor intrekking van de bijstand. Deze grondslag kan gelet op het voorgaande weliswaar worden gevonden in artikel 54, vierde lid, van de Wwb maar voor de toepassing hiervan is vereist dat het recht op bijstand eerst wordt opgeschort met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wwb en dat aan betrokkene, op grond van het tweede lid van die bepaling, een termijn wordt gegeven om het verzuim te herstellen. Verweerder heeft dit verzuimd.

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder in het primaire besluit geen grondslag voor de intrekking heeft vermeld. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder evenwel niet bevoegd toepassing te geven aan artikel 54, derde lid, van de Wwb, omdat dit artikellid onder niet verwijst naar (het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting in) artikel 17, tweede lid, van de Wwb als grondslag voor intrekking van bijstand. Dit betekent vooralsnog dat verweerder niet bevoegd was de bijstand van verzoeker in te trekken.

7.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit van 10 oktober 2013 is geschorst tot zes weken na verzending van de uitspraak op het beroep. Dit betekent dat verzoeker bij wijze van voorlopige voorziening met ingang van 12 september 2013 aanspraak heeft op bijstand naar de voor hem geldende norm.

8.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 472 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde van € 472 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit van 10 oktober 2013 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44 aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 472.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.L. Verwijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.