Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:5859

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
AWB-12_6435
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking WIA-uitkering met terugwerkende kracht, Marque, simulatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: 12/6435

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. F.H. Eijmaal),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder zijn besluit van 16 mei 2007, waarbij aan eiseres met ingang van 24 mei 2007 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is toegekend, ingetrokken en de uitkering alsnog geweigerd.

Bij besluit van 26 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2013. Eiseres is verschenen, vergezeld door haar begeleider [naam] en bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens was aanwezig W. Woning, tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

Overwegingen

1

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiseres is op 9 mei 2005 uitgevallen voor haar arbeid als productiemedewerkster voor 38 uren per week, aanvankelijk vanwege rugklachten, later gevolgd door psychische klachten.

Bij besluit van 16 mei 2007 is eiseres per 24 mei 2007 een uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.

Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek “Marque” is door verweerder vanaf 2011 heronderzoek verricht naar de gezondheidstoestand van eiseres. Het onderzoek Marque betreft een onderzoek naar vermeende oplichting van uitkeringsinstanties door het valselijk opmaken van medische dossiers door psychiaters S. Gülsaçan en J.P.M. Gerards.

2

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op de vaststelling dat de belastbaarheid van eiseres (bij de toekenning) onjuist is ingeschat en dat deze onjuiste inschatting mede het gevolg is geweest van de door eiseres niet juist en niet volledig weergegeven gezondheidstoestand.

3

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, verstrekt de verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering aan het UWV.

In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA is bepaald dat het UWV beschikkingen op grond van deze wet herziet of dergelijke beschikkingen intrekt, indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld.

In artikel 76, derde lid, van de Wet WIA is bepaald dat het UWV, indien daarvoor dringende redenen zijn, geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking kan afzien.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 vindt, indien door toedoen van de verzekerde ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, intrekking of herziening van de uitkering plaats met terugwerkende kracht tot en met de dag vanaf welke de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt.

In artikel 3, derde lid, is bepaald dat, indien het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, de uitkering wordt ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.

Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Beleidsregels wordt bij samenloop van één of meer situaties als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, de uitkering ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de vroegste dag.

4

De rechtbank stelt voorop dat thans alleen het besluit tot intrekking en het alsnog weigeren van de WIA-uitkering ter beoordeling voorligt. Het bestreden besluit heeft geen betrekking op de terugvordering.

5

Eiseres heeft de medische grondslag van het bestreden besluit aangevochten.

De rechtbank zal allereerst beoordelen of verweerder zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is te achten per 24 mei 2007 en daarna.

6

Het medisch onderzoek van verweerder omvat het volgende.

Eiseres is uitvoerig onderzocht door verzekeringsarts A.J. Wolbers (Wolbers). Wolbers heeft op 1 juni 2011, 23 juni 2011 en 15 juli 2011 gerapporteerd. Hij heeft het dossier bestudeerd en eiseres psychisch en lichamelijk onderzocht op het spreekuur. Aangegeven is dat, anders dan bij eerdere contacten met verzekeringsartsen, nu wel adequaat contact mogelijk is met eiseres. Wolbers overweegt dat de ernst van de psychische klachten en beperkingen niet geobjectiveerd kan worden. De lichamelijke problematiek is niet duidelijk, maar Wolbers neemt zorgvuldigheidshalve wel beperkingen aan bij trillingen op de wervelkolom, bij snelle bewegingen hoofd in eindstanden en bij tillen/dragen en zware lasten hanteren. Wolbers concludeert voorts dat het aannemelijk is dat de informatie van de behandelaar van eiseres, psychiater S. Gulsaçan, een onjuist en/of onvolledig beeld van de medische toestand van eiseres gaf. Voorts concludeert Wolbers dat het aannemelijk is dat ook eiseres zelf bij de voorgaande beoordeling(en) een onjuist en/of onvolledig beeld van haar klachten en belemmeringen heeft gegeven. Naar aanleiding van zijn onderzoek heeft Wolbers informatie opgevraagd bij de huisarts van eiseres en deze na ontvangst beoordeeld.

Wolbers acht vervolgens een psychiatrische expertise aangewezen. Op 25 augustus 2011 heeft psychiater J.H.M. van Laarhoven (Van Laarhoven) rapport uitgebracht. Van Laarhoven heeft eiseres psychiatrisch onderzocht. Er is sprake van gebrekkige coöperatie. Van Laarhoven komt tot de conclusie dat er sprake is van simulatie; ‘faking crazy’, het door middel van raar gedrag bewust voorwenden van psychiatrische symptomen. Er zijn door de gebrekkige coöperatie geen beperkingen voor arbeid vast te stellen.

Naar aanleiding van deze expertise komt Wolbers op 1 september 2011 tot de conclusie dat er geen reden is om de beschouwing en het oordeel over de belastbaarheid van eiseres te herzien, zoals die is gegeven op 1 juni 2011. De conclusies betreffende de aan te nemen beperkingen heeft Wolbers op 3 november 2011 nader toegelicht. Een functionele mogelijkhedenlijst (FML) is op 22 november 2011 opgesteld en is geldig vanaf 24 mei 2007.

In de bezwaarprocedure heeft verweerder een diagnostisch onderzoek door middel van een opname nodig geacht. Deze diagnostische opname heeft plaatsgevonden van 3 september 2012 tot en met 7 september 2012. Daarbij is eiseres geobserveerd. Hiervan is op

5 november 2012 een rapport uitgebracht door psychiater P. Notten (Notten). Notten heeft in het rapport bij de beantwoording van de vragen vermeld dat tijdens de diagnostische opname veel twijfels waren over de presentatie van de klachten van eiseres. Tijdens non-verbale therapie en andere observaties waren er geen aanwijzingen voor psychotische verschijnselen. Er werden geen tekenen van psychotische belevingen gezien. Een belangrijk punt van aandacht is volgens Notten dat eiseres, toen zij geobserveerd werd buiten de onderzoeksetting, niet bij een verzekeringsarts of een psychiater, schijnbaar normaal functioneerde. Op de afdeling is gezien dat indien eiseres niet geobserveerd wordt, bijvoorbeeld in de patiëntengroep of tijdens non-verbale therapieën redelijk adequaat functioneert. Indien men aan haar vraagt wat er aan de hand is, komt er meteen een scala aan psychopathologische klachten, welke klachten niet objectiveerbaar zijn, zoals het horen van stemmen, het zien van haar vader die zich verhangen heeft en andere dingen. Er zijn geen aanwijzingen voor een posttraumatische stressstoornis. Alles bij elkaar worden de klachten aangezet, vergroot en verergerd. Notten concludeert dat eiseres haar psychiatrische toestandsbeeld simuleert.

Verzekeringsarts bezwaar en beroep T.J.A. Boel (Boel) heeft op 19 november 2012 rapport uitgebracht. Boel heeft dossierstudie verricht en is bij de hoorzitting in bezwaar aanwezig geweest. Boel stelt vast dat de verzekeringsarts zeer uitgebreid onderzoek heeft verricht en bij de weging de inhoud van de aanvullende medische informatie van de huisarts en de psychiatrische expertise heeft betrokken. Voorts is Boel van mening dat de psychiatrische expertise in het eerste traject en de diagnostische opname tijdens de bezwaarprocedure eenduidig zijn en wijzen op simulatie. Dit spoort, aldus Boel, met de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts. Hiermee is naar de mening van Boel de diagnose ‘simulatie’ goed onderbouwd, evenals de vaststelling dat er op dit vlak geen sprake is van beperkingen voor arbeid. Boel ziet geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van Wolbers en de per 24 mei 2007 geldende FML.

7

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek van verweerder zorgvuldig is geweest. Alle medische informatie is uitgebreid beschreven en meegewogen. Daarbij is van belang dat verweerder een psychiatrische expertise heeft laten verrichten en sprake is geweest van een diagnostische opname. De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de ingeschakelde psychiaters bevooroordeeld zijn geweest. De omstandigheid dat in de opdrachten aan de psychiaters gevraagd is om tevens onderzoek te doen naar de mogelijkheid van simulatie, maakt niet dat hier anders over geoordeeld moet worden. Het al dan niet hebben bestaan van simulatie door eiseres is nu juist de reden geweest voor het starten van het heronderzoek door verweerder. Op grond van de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek “Marque” mocht verweerder vraagtekens zetten bij de conclusies van de psychiaters Gülsaçan en Gerards.

8

De rechtbank is voorts van oordeel dat in de rapporten van de verzekeringsartsen, gelet op het geheel aan ter beschikking staande onderzoeksgegevens en in het bijzonder de rapporten van de door verweerder ingeschakelde psychiaters, de medische belastbaarheid van eiseres op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat de door de verzekeringsartsen en psychiaters vastgestelde psychische gezondheidstoestand van eiseres ten tijde van hun onderzoek afwijkt van de gezondheidssituatie op 24 mei 2007 en daarna. Niet gebleken is immers van gewijzigde omstandigheden in die periode.

De rechtbank overweegt nog dat uit het rapport van Notten (pagina 10 “Conclusie”) naar voren komt dat met de observaties, welke mede hebben geleid tot de vaststelling dat geen sprake is van psychiatrische stoornis, niet (enkel) gedoeld wordt op de observaties in 2008, maar dat het (voornamelijk) gaat om observaties tijdens de diagnostische opname.

9

Bij brief van 21 november 2013 heeft eiseres een verklaring van prof. dr. D. van Gool, geneesheer psychiater te Leuven van 25 september 2013 in het geding gebracht.

Daarin staat: “Betreft [eiseres], patiente in behandeling voor psychotische depressie, accultarisatieprobleem. Prognose slecht.” Voorts wordt in het briefje van 25 september 2013 de medicatie van eiseres opgenoemd.

Ter zitting heeft de begeleider van eiseres verklaard dat zij al twee jaar onder behandeling staat bij Van Gool, dat er eerst tweewekelijks contact is geweest en dat thans eens in de drie á vier weken contact is met Van Gool. De behandeling zou zijn begonnen nadat eiser bij psychiater Bohlmeijer onder behandeling is geweest. Bohlmeijer heeft op 3 oktober 2011 nog bericht over de gezondheidssituatie van eiseres.

De rechtbank is van oordeel dat aan de korte verklaring van Van Gool niet die waarde kan worden toegekend die eiseres daar aan toegekend wil zien. Uit die verklaring valt niet af te leiden sinds wanneer eiseres door Van Gool is gezien en waar deze zijn conclusies op heeft gebaseerd. Er worden geen onderzoeksbevindingen weergegeven en niet duidelijk is hoe vaak eiseres bij Van Gool is geweest. Dat eiseres bij Van Gool onder behandeling is geweest blijkt overigens niet uit het rapport van Boel en evenmin uit het rapport van Notten. Deze laatste heeft in zijn rapport van 5 november 2012 vermeld dat eiseres in behandeling is bij Pro Persona in Arnhem, bij collega van Wijk en dat informatie van Van Wijk niet aanwezig is.

10

De rechtbank is van oordeel dat het rapport van de door verweerder ingeschakelde psychiater De Mooij van 11 mei 2007 evenmin tot een ander oordeel leidt. De Mooij heeft eiseres in 2007 onderzocht, kort nadat de vermeende psychiatrische toestand is ingetreden. Eiseres heeft immers aangegeven dat die situatie begin 2007 acuut is ingetreden. De Mooij heeft een voorlopige diagnose gesteld, te weten psychotische depressie bij extreem regressief ziektegedrag. Ook zegt hij geen aanwijzingen te hebben gevonden dat eiseres simuleert.

De rechtbank stelt evenwel vast dat De Mooij deze conclusies heeft getrokken zonder dat hij een normaal contact kon hebben met eiseres tijdens zijn onderzoek. Hij heeft bij zijn onderzoek slechts met een schoonzus van eiseres gesproken en daaruit conclusies getrokken. Zijn onderzoek is dus zeer beperkt geweest. Zijn conclusies en opmerking dat er geen aanwijzingen zijn voor simulatie, komen daarmee in een ander daglicht te staan.

11

Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht en op juiste gronden vastgesteld dat eiseres per 24 mei 2007 niet verdergaand beperkt is dan in de FML van 22 november 2011 is vastgelegd. Geoordeeld moet worden dat eiseres op de in geding zijnde datum in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde belastbaarheid. Het verzoek om een medisch deskundige in te schakelen wijst de rechtbank af, aangezien er geen reden is tot twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen.

12

Het arbeidskundig onderzoek van verweerder is vastgelegd in het de rapporten van arbeidsdeskundige J. Bosma van 7 december 2011 en van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep H. Claessen van 23 november 2012. In het kader van het arbeidskundig onderzoek zijn functies geduid die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, te weten vleeswarenmaker, slachter en visverwerker (sbc-code 271060), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en magazijn, expeditiemedewerker (sbc-code 111220).

13

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep H. Claessen in haar rapport van 23 november 2012, in voldoende mate rekening is gehouden met de door de rechtbank onderschreven belastbaarheid van eiseres en dat de geduide functies geschikt zijn.

Op grond hiervan komt eiseres vanaf 24 mei 2007 geen WIA-uitkering toe.

14

Met betrekking tot de intrekking van de WIA-uitkering met terugwerkende kracht overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens de uitspraak van 21 december 2012 van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2012:BY8073) staan de bewoordingen van het met artikel 76 van de WIA overeenkomende artikel 36a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) er in beginsel niet aan in de weg dat de herziening of intrekking met terugwerkende kracht geschiedt.

De rechtbank ziet geen aanleiding bij de toepassing van artikel 76, eerste lid, van de WIA hier anders over te oordelen. Doel en strekking van deze bepaling vormen daarvoor evenmin een beletsel en van strijd met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel is geen sprake. In dat verband zijn van belang de door verweerder gehanteerde Beleidsregels, die erin voorzien dat van intrekking en herziening met terugwerkende kracht wordt afgezien, indien niet door toedoen van betrokkene ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt en het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was dan wel kon zijn dat hem of haar ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. De aanwezigheid en toepassing van dat buitenwettelijke, begunstigende, beleid wordt als een gegeven aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of dit beleid op consistente wijze is toegepast.

Als gevolg van het gedrag van eiseres en op grond van de informatie van haar toenmalige behandelend psychiater S. Gulsaçan – en in mindere mate psychiater J.P.M. Gerards - is aan haar ten onrechte een WIA-uitkering toegekend. Eiseres kon weten, althans zou moeten weten dat wanneer haar op grond van vorengenoemde omstandigheden ten onrechte een uitkering is toegekend er een reële kans bestaat dat die uitkering wordt ingetrokken. Zij had in ieder geval redelijkerwijs kunnen weten dat zij ernstig rekening diende te houden met een dergelijke intrekking. Daarmee wordt voldaan aan de in de jurisprudentie genoemde uitzonderingssituatie, waarin een intrekking met terugwerkende kracht niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank wijst in dit verband onder meer ook op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 november 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AU6128) en een uitspraak van 23 januari 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AV1080).

15

Van een dringende reden, als bedoeld in artikel 76, derde lid, van de Wet WIA, op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk van intrekking kan afzien is niet gebleken. Dat eiseres na intrekking van de uitkering is aangewezen op een bijstandsuitkering is niet een dringende reden als vorenbedoeld.

16

Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Vermeulen, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. S.W. van Osch-Leysma, leden, in aanwezigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.