Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:5798

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
06/950395-12 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming drugszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]06/950395-12 (ontneming)

Uitspraak d.d.: 17 december 2013

tegenspraak

VONNIS

De rechtbank heeft te beslissen op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 maart 2013 en 3 december 2013, de schriftelijke reactie van de raadsman van 2 mei 2013 en de schriftelijke conclusie van de officier van justitie van 29 september 2013.

Procesgang

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank van 2 april 2013 is veroordeelde tot straf veroordeeld ter zake van het in zijn strafzaak bewezen verklaarde feit, gekwalificeerd als handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan verdachte als wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden ontnomen een bedrag van € 36.030,38.

In de schriftelijke conclusie van 29 september 2013 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het geschat wederrechtelijk verkregen voordeel € 28.563,18 bedraagt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van getuige [getuige] om meerdere redenen met terughoudendheid moeten worden bekeken. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat het ‘tijdtechnisch’ niet mogelijk is om 73 afspraken per dag te hebben, waar de politie wel van is uitgegaan. Tevens wordt betwist dat de laatste zeven ‘tapdagen’ indicatief zijn voor de hele periode.
De raadsman heeft aangegeven dat de verdediging uitgaat van een gemiddelde van 15 afnemers per dag en zich kan verenigen met de vermelde verkoopprijs en de gemiddelde hoeveelheid verkochte middelen per afnemer. Er was geen verschil in prijs bij de verkoop van cocaïne of heroïne. De opbrengst per dag vermenigvuldigd met de onderzoeksperiode van 147 dagen levert een totaalbedrag van € 33.075,- op.

Verdachte heeft geen gebruikgemaakt van versnijdingsmiddelen. De inkoopkosten voor zowel cocaïne als heroïne bedragen € 35,- per gram: in totaal € 27.405,-. Daarnaast heeft veroordeelde andere kosten gemaakt, te weten voor zijn mobiele telefoon, voor zijn vervoer, het gebruik van een fiets om middelen af te leveren en (openbaar) vervoer naar Lelystad om middelen in te kopen, en voor verpakkingsmateriaal en een weegschaal. De totale kosten van veroordeelde bedragen € 30.747,40.

Het geschat wederrechtelijk verkregen voordeel is € 2.327,60, aldus de raadsman.

Overweging over de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank stelt op basis van het ter terechtzitting gehouden onderzoek, in samenhang met de inhoud van het procesdossier, het vonnis van 2 april 2013 en de daaraan ontleende bewijsmiddelen vast dat de veroordeelde met het door hem gepleegde feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De rechtbank gebruikt als grondslag voor de schatting van de hoogte van dit wederrechtelijk voordeel het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van politieteam Harderwijk van 25 september 20121 (hierna: rapport). Daarnaast betrekt zij bij de beoordeling de schriftelijke conclusie van de raadsman van veroordeelde van 2 mei 2013 en de schriftelijke conclusie van de officier van justitie van 29 september 2013.

Ten aanzien van de opbrengsten van veroordeelde stelt de rechtbank vast dat zowel veroordeelde als de officier van justitie uitgaan van een onderzoeksperiode van 147 dagen, een gemiddelde hoeveelheid verkochte middelen per afnemer van 0,3 gram (te weten 1,5 bolletje van 0,2 gram) en een verkoopprijs van € 10,- per bolletje (€ 50,- per gram). De rechtbank ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen.

De rechtbank ziet in het betoog van de raadsman dat veroordeelde in de beginperiode, na het einde van uit detentie, tijd nodig heeft gehad om weer een klantenkring op te bouwen, aanleiding om voor de eerste 30 van de 147 dagen uit te gaan van een gemiddelde van 15 afnemers per dag. Met inachtneming van bovenvermelde verkoopprijs en gemiddelde hoeveelheid verkochte middelen per afnemer betekent dit dat veroordeelde over de eerste 30 dagen een opbrengst van € 6.750,00 heeft gerealiseerd. Voor de resterende 117 dagen gaat de rechtbank uit van een gemiddelde van 25 afnemers per dag, mede gezien de verklaring van veroordeelde ter zitting dat hij 20 tot 25 afnemers per dag had. De rechtbank gaat ervan uit dat veroordeelde over die periode een opbrengst van € 43.875,00 heeft behaald, waardoor de totale opbrengst over 147 dagen uitkomt op € 50.625,-.

Wat betreft de kosten van veroordeelde overweegt de rechtbank als volgt. Uitgaande van bovenstaande gegevens heeft veroordeelde in totaal 1.012,5 gram (30 dagen x 15 afnemers x 0,3 gram + 117 dagen x 25 afnemers x 0,3 gram) verdovende middelen verkocht. De rechtbank gaat ervan uit dat veroordeelde evenveel cocaïne als heroïne heeft verkocht, dus 506 gram cocaïne en 506 gram heroïne. Met name gelet op de door veroordeelde vermelde inkoopprijs en de verklaring van [getuige], acht de rechtbank aannemelijk dat veroordeelde de cocaïne en heroïne heeft versneden. Met betrekking tot de cocaïne volgt de rechtbank de berekening van de politie zoals opgenomen in het rapport, te weten dat 25% van ieder bolletje bestond uit het versnijdingsmiddel mannitol. Uitgaande van de in het rapport vermelde inkoopprijs van mannitol van € 37,99 per kilogram, maakt dit dat veroordeelde € 4,81 heeft betaald voor mannitol (25% van 506 gram x € 37,99 per kilogram). Met betrekking tot de heroïne volgt de rechtbank eveneens de berekening in het rapport, te weten dat ieder bolletje voor 23% bestond uit cafeïne. Uitgaande van een inkoopprijs van cafeïne van € 75,- per kilogram, zoals vermeld in het rapport, betekent dit dat veroordeelde € 8,73 heeft betaald voor de cafeïne (23% van 506 gram x € 75,- per kilogram). Voor de versnijdingsmiddelen heeft veroordeelde dus in totaal € 13,54 betaald.

Met betrekking tot de cocaïne overweegt de rechtbank dat ieder bolletje bestond uit 75% cocaïne. Dit betekent dat veroordeelde in totaal 379,5 gram cocaïne (506 gram x 0,75) heeft ingekocht. Ten aanzien van de heroïne overweegt de rechtbank dat ieder bolletje voor 77% uit heroïne bestond, zodat veroordeelde in totaal 389,6 gram heroïne (506 gram x 0,77) heeft ingekocht. De rechtbank gaat uit van de door veroordeelde vermelde inkoopprijzen van cocaïne en heroïne van € 35,- per gram. Dit betekent dat veroordeelde in totaal voor € 26.918,50 (379,5 gram cocaïne + 389,60 gram heroïne x € 35,-) cocaïne en heroïne heeft ingekocht. De totale inkoopkosten van cocaïne, heroïne en versnijdingsmiddelen bedragen dan € 26.932,04.

Ten aanzien van de overige door veroordeelde opgevoerde kosten overweegt de rechtbank als volgt. De officier van justitie heeft aangegeven zich te kunnen vinden in een bedrag van € 887,40 aan kosten voor reizen met het openbaar vervoer. De rechtbank zal zich daarbij aansluiten. De door veroordeelde gestelde kosten voor de fiets en het verpakkingsmateriaal acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Voor de weegschaal zal de rechtbank een bedrag van € 25,- rekenen. Met betrekking tot de door veroordeelde naar voren gebrachte kosten van mobiele telefonie acht de rechtbank een bedrag van € 30,- per maand redelijk, gelet op het feit dat verdachte met name gebeld zal zijn door zijn afnemers en dus kon volstaan met een standaardabonnement, wat ertoe leidt dat zal worden uitgegaan van in totaal € 150,- aan telefoonkosten. De extra kosten bedragen dus in totaal € 1.062,40.

De overige door veroordeelde naar voren gebrachte kosten, te weten de kosten van zijn eigen recreatieve drugsgebruik, het tegen kostprijs verstrekken van middelen aan degene die zorgdroeg voor het transport en het om niet verstrekken van middelen aan potentiële afnemers, acht de rechtbank onvoldoende (concreet) onderbouwd.

De rechtbank concludeert dat aan veroordeelde een bedrag van € 22.630,56 (€ 50.625,00 - € 26.932,04 - € 1.062,40) moet worden toegerekend als geschat wederrechtelijk verkregen voordeel.

Omvang van de betalingsverplichting

De raadsman heeft naar voren gebracht dat uit het dossier afdoende blijkt dat veroordeelde in de laatste maanden voor zijn aanhouding werd afgeperst, zoals ook is verwoord in het vonnis van 2 april 2013, en dat hij minimaal € 10.000,- heeft moeten betalen. De terugbetalingsverplichting dient dan ook op nihil te worden gesteld.

De rechtbank volgt de raadsman niet in dit betoog, nu de gestelde afpersing, wat daar verder ook van zij, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet kan afdoen aan het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank overweegt dat een draagkrachtverweer, zoals door veroordeelde is gevoerd, alleen dan met vrucht aan de orde kan worden gesteld in het ontnemingsgeding, indien aanstonds duidelijk is dat veroordeelde tegen wie de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gericht, nu en in de toekomst geen financiële draagkracht heeft of zal hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is met het enkele betoog van veroordeelde dat hij vanwege zijn justitiële verleden moeilijk werk zal kunnen vinden onvoldoende onderbouwd dat van een dergelijke situatie sprake is. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt het geschat wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 22.630,56 (tweeëntwintigduizend zeshonderddertig euro en zesenvijftig eurocent);

  • -

    legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal

€ 22.630,56 (tweeëntwintigduizend zeshonderddertig euro en zesenvijftig eurocent).

Aldus gewezen door mrs. Van Lookeren Campagne, voorzitter, Van Apeldoorn en Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korevaar, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 december 2013.

1 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art. 36e 2e lid Sr, nummer 2012055035.