Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:5797

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
05/720080-13 en 05/820990-13 (gev. ttz)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Via facebook bedreigen iemand dood te schieten en zwaar te mishandelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummers: 05/720080-13 en [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]05/820990-13 (gev. ttz)

Uitspraak d.d.: 17 december 2013

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum 1],

wonende te [adres]

Raadsman: mr. I. Vreeken, advocaat te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 december 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is onder parketnummer 05/720080-13 ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van januari 2013 tot en met 1 februari 2013 te Zutphen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om [gezinsvoogd] met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling te bedreigen, opzettelijk dreigend middels een face-book pagina [betrokkene 1] heeft verzocht een vuurwapen en kogels te regelen om af te rekenen met [gezinsvoogd]/ [gezinsvoogd] dood te schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Onder parketnummer 05/820990-13 is aan verdachte ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 5 november 2012 tot en met 8 november 2012 te Zutphen en/of te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten (haar kleinzoon) [kleinzoon], geboren op[geboortedatum 2], heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, voornoemde [kleinzoon] zonder medeweten/instemming van Bureau

Jeugdzorg en/of [moeder kleinzoon], zijnde de moeder van [kleinzoon], meegenomen en/of

(vervolgens) (gedurende enkele dagen) op een voor Bureau Jeugdzorg en moeder onbekend adres ondergebracht/verborgen (gehouden) en/of daarbij [kleinzoon] buiten de macht/het toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland en/of [moeder kleinzoon] gebracht en/of gehouden;

art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 31 januari 2013 is bij de politie een melding binnengekomen over [betrokkene 1]. Meldster [aangever] maakte zich zorgen over [betrokkene 1] omdat verdachte haar gevraagd zou hebben een plan tegen jeugdzorg uit te voeren op 12 februari 2013 in de rechtbank in Zutphen, waarbij [betrokkene 1] een wapen en kogels zou regelen.

Op 8 november 2012 is door de gezinsvoogd van [kleinzoon] (hierna: [kleinzoon]), geboren op[geboortedatum 2]

[geboortedatum 2], aangifte gedaan van onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag. Op diezelfde dag is [kleinzoon] aangetroffen in het huis van zijn grootouders, verdachte en medeverdachte[medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]).

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen verder opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de haar ten laste gelegde poging tot bedreiging. Er zijn gesprekken gevoerd met [aangever] en [betrokkene 1], maar de verslagen daarvan zijn enkel neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen. Pas op een later moment zijn zij verhoord en uit de processen-verbaal die daarvan zijn opgemaakt blijkt dat hetgeen zij eerder zouden hebben verteld niet juist is weergegeven. Van een verzoek van verdachte aan [betrokkene 1] als geformuleerd in de tenlastelegging is niet gebleken. Ook is de context van de berichten van Facebook die zich in het dossier bevinden, helemaal weg, aldus de raadsman. Er is gesproken over een demonstratie bij de rechtbank, dàt was het plan van verdachte en [betrokkene 1]. Een plan om [gezinsvoogd] iets aan te doen is er niet geweest, zodat er nooit een bedreigende situatie voor [gezinsvoogd] heeft bestaan of zou ontstaan. Zij heeft zelf ook geen aangifte gedaan. De raadsman heeft geconcludeerd dat enkel sprake is van uit zijn verband gerukte berichten op Facebook en de auditu verklaringen.

Ook ten aanzien van de ten laste gelegde onttrekking van [kleinzoon] heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Primair heeft hij naar voren gebracht dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Het op de knieën zitten voor de voordeur van de woning van verdachte, openen van de klep van de brievenbus en vervolgens afluisteren van een gesprek vormt een schending van het woon- of huisrecht en het recht op privacy. De raadsman heeft erop gewezen dat er geen sprake was van een heterdaad-situatie en er geen aanhoudingsbevel of machtiging tot binnentreden was. Van het bewijs moeten worden uitgesloten het afgeluisterde gesprek, de constatering dat [kleinzoon] bij verdachte in de woning was, het gesprek dat verbalisant[verbalisant 1] met [kleinzoon] heeft gevoerd en de latere verklaringen van verdachte. Door de verdediging wordt tevens naar voren gebracht dat het gesprek niet juist is weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen. Overigens zijn ook het binnentreden en de aanhouding van verdachte onrechtmatig geweest.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte het feit ontkent en dat er geen bewijs is dat zij haar kleinzoon opzettelijk aan het bevoegd gezag heeft onttrokken. Er is evenmin sprake van medeplegen.

Meer subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Hierbij heeft de raadsman er op gewezen dat verdachte en [medeverdachte] jarenlang voor [kleinzoon] hebben gezorgd. Ook liep er nog een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zutphen om [kleinzoon] uit huis te plaatsen, waarvan de inhoudelijke behandeling op 8 november 2012 zou plaatsvinden. Tijdens die zitting op 8 november 2012 is het Gerechtshof ook buitengewoon kritisch geweest over het voornemen om [kleinzoon] al op 6 november 2012 uit huis te plaatsen, zoals blijkt uit het proces-verbaal van die zitting. Het Gerechtshof heeft besloten de zaak twee maanden aan te houden en heeft beslist dat [kleinzoon] in die periode bij zijn grootouders diende te blijven. Er is nooit sprake geweest van een moedwillige ontvoering, het was enkel de bedoeling [kleinzoon] enkele dagen elders onder te brengen om bij de zitting op 8 november 2012 niet voor een voldongen feit te komen te staan. De raadsman heeft daarnaast vraagtekens geplaatst bij de mogelijkheid om [kleinzoon] op 6 november 2012, meer dan twee maanden na de beschikking van de rechtbank Zutphen van 4 september 2012, nog uit huis te plaatsen. Ten slotte heeft de raadsman aangegeven dat [kleinzoon] zelf niet bij zijn grootouders weg wilde en dat zijn gezondheid en veiligheid nimmer in gevaar zijn geweest.

Beoordeling door de rechtbank

Parketnummer 05/720080-13

Ten aanzien van de poging tot bedreiging overweegt de rechtbank als volgt.

Het meest objectieve mogelijke bewijsmiddel in het dossier is een bericht op Facebook dat verdachte, onder de naam van [medeverdachte], heeft verzonden aan [betrokkene 1]. De overige berichten tussen verdachte en [betrokkene 1] zijn verwijderd. Het betreffende bericht van 25 januari 2013 om 20:20 uur luidt:

“iik wil met de steun [kleinzoon] mensen een demostratie houden zeer snel op de dag dat dat kreng van [gezinsvoogd] met [kleinzoon] naar de rechtbank moet voor de verlenging van de ots dat is in februarie dus ik vraag hem dat dinsdag en dat er dan een grote groep voor de rechtbank staat met de krant en tv gelderland ofzo en ij met je baretta gold".

[betrokkene 1] reageert als volgt op het bericht van verdachte:

“En ik met mijn beretta Gold..??..Dan Kom ik samen met [kleinzoon] onder OTS [kleinzoon] met een warm hap en ik op water en brood".

Verdachte heeft verklaard dat de tekst ‘en jij met je baretta gold’ als een grap, althans stoere praat bedoeld was. Het zou kunnen dat [betrokkene 1] het als een soort plan heeft gezien dat zij ([betrokkene 1]) op 12 februari 2013 met een wapen naar de rechtbank zou gaan, aldus verdachte, echter dat was zeker niet verdachtes bedoeling.

De rechtbank overweegt dat de verklaringen van [betrokkene 1] over de berichtenwisseling en de bedoelingen die verdachte in de beleving van [betrokkene 1] had, niet eenduidig zijn. Hierbij verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van bevindingen van 2 februari 2013 en het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] als verdachte van 3 februari 2013. In laatstvermeld verhoor heeft [betrokkene 1] verklaard dat het doodschieten van [gezinsvoogd] voor haar nieuw is. Dat verdachte wilde afrekenen met [gezinsvoogd] en aan [betrokkene 1] zou hebben gevraagd met dat doel een wapen en kogels mee te nemen om [gezinsvoogd] dood te schieten, kan dan ook niet worden afgeleid uit de verklaringen van [betrokkene 1]. De verklaringen van [aangever] over hetgeen zij van [betrokkene 1] zou hebben gehoord, maken deze conclusie van de rechtbank niet anders.

Bij beantwoording van de vraag of sprake is van een poging tot bedreiging zal de rechtbank het hierboven weergegeven bericht van Facebook dan ook als uitgangspunt nemen.

Naar het oordeel van de rechtbank levert bovenvermelde zinsnede geen begin van uitvoering op van bedreiging van [gezinsvoogd], nu het naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet gericht is op voltooiing van dat misdrijf. De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van het bericht daarvoor te weinig concreet is. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat enkel sprake is geweest van ‘stoere taal’, zoals verdachte het bericht ter zitting heeft aangeduid. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van hetgeen haar ten laste is gelegd. De rechtbank merkt nog wel op dat uitlatingen als hierboven aangehaald laakbaar en onverstandig zijn en dat verdachte zich meer rekenschap had moeten geven van de mogelijke impact en het bereik van een dergelijke tekst.

Parketnummer 05/820990-13

Met betrekking tot de onttrekking van [kleinzoon] overweegt de rechtbank als volgt.

[kleinzoon] is geboren op[geboortedatum 2] en het wettig gezag over hem wordt uitgeoefend door zijn moeder, Nanousjka [medeverdachte]2.

Bij beschikking van 1 maart 2012 van de rechtbank Zutphen3 is [kleinzoon] onder toezicht gesteld van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, locatie Apeldoorn, voor de duur van één jaar, welke beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Bij beschikking van 4 september 2012 is de stichting gemachtigd [kleinzoon] uit huis te plaatsen in een verblijfsaccommodatie zorgaanbieder 24-uurs tot uiterlijk 1 maart 2013.

Op 8 november 2012 is door [gezinsvoogd], in haar hoedanigheid van gezinsvoogd van [kleinzoon], aangifte gedaan van het onttrekken van [kleinzoon] aan het wettig gezag4. Zij heeft daarbij verklaard dat de moeder van [kleinzoon], [moeder kleinzoon], het wettig gezag heeft en dat Bureau Jeugdzorg toeziend voogd is. [kleinzoon] woonde in Zutphen bij zijn grootouders, te weten verdachte en [medeverdachte]. Op 6 november 2012 zou [kleinzoon] uit huis worden geplaatst en toen aangeefster met een medewerker van Pactum Pleegzorg aan de deur kwam om [kleinzoon] op te halen, vertelde verdachte haar dat [kleinzoon] er niet was en dat hij was weggelopen.

Naar aanleiding van de melding van [medeverdachte] dat [kleinzoon] vermist was, zijn verbalisanten[verbalisant 1] en [verbalisant 2] in de middag van 8 november 2012 bij verdachte en [medeverdachte] geweest5. Bij verbalisanten rees het vermoeden dat verdachte en [medeverdachte] meer wisten van de vermissing dan in eerste instantie door hen werd verteld gezien de door verdachte en [medeverdachte] gebruikte bewoordingen (“wanneer [kleinzoon] thuiskomt”) en de omstandigheid dat verdachte en [medeverdachte] erg rustig en zelfverzekerd waren en zij met geen enkel woord hebben gesproken over het welzijn van [kleinzoon]. Toen verbalisanten diezelfde avond langs de woning reden zagen zij dat de gordijnen van de slaapkamer van [kleinzoon] gesloten waren, terwijl die die middag open waren geweest. Op het moment dat verbalisanten bij de voordeur stonden, hoorden zij binnen een kinderstem. Verbalisant[verbalisant 1] heeft de klep van de brievenbus geopend en heeft vervolgens een gesprek gehoord dat in de woning werd gevoerd. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat dat gesprek van het bewijs moet worden uitgesloten. Zij overweegt in dat verband dat het handelen van verbalisanten ingegeven is geweest door de zorgen om de veiligheid van een verdwenen kind. Tegen die achtergrond hebben zij zich opnieuw naar de woning begeven. De toen waargenomen gesloten gordijnen op de slaapkamer en het horen van een kinderstem toen de politie voor de deur stond, geven voldoende aanleiding om vanaf dat moment niet enkel meer te spreken van een vermoeden dat verdachten niet het achterste van hun tong lieten zien, maar van een concrete verdenking van een zich op dat moment afspelende onttrekking van [kleinzoon] aan het gezag en opzicht en dus van verdenking van een heterdaadsituatie. Voor het (af)luisteren (zonder technische middelen) door de brievenbus was naar het oordeel van de rechtbank geen voorafgaande machtiging nodig.

Verbalisant[verbalisant 1] heeft gehoord6:

  • -

    dat [kleinzoon] in de woning was omdat verdachte hem aansprak met de naam ‘[kleinzoon]’;

  • -

    dat verdachte tegen [medeverdachte] zei dat [kleinzoon] goed geïnstrueerd moest worden;

  • -

    dat [medeverdachte] tegen verdachte zei dat niemand er ooit achter mocht komen dat [kleinzoon] bij ….(onverstaanbaar) had gezeten;

  • -

    dat er nu een goed plan gemaakt moest worden voor het melden van de terugkeer van [kleinzoon];

  • -

    dat verdachte [kleinzoon] onder druk zette met de woorden: “Je moet voor je eigen bestwil liegen tegen je moeder, dat kun je toch wel?”; en

  • -

    dat [kleinzoon] aan zijn moeder moest vertellen dat hij bij een vriendje had verbleven.

Hierop heeft verbalisant[verbalisant 1] op de deur geklopt en geroepen dat de politie er was. Verdachte heeft vervolgens de deur geopend. Verbalisanten zagen [kleinzoon], die zij herkenden van een eerder verspreidde foto, aan het einde van de gang in de woonkamer staan. Dat het daaropvolgende binnentreden van verbalisanten in de woning onrechtmatig is geweest, zoals door de raadsman is betoogd, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Met de waarnemingen zoals hierboven weergegeven, was immers sprake van een heterdaad-situatie. Bovendien hebben verbalisanten zich bekend gemaakt als van de politie en heeft verdachte [verdachte], op de vraag van verbalisant[verbalisant 1] of zij (verbalisanten) binnen mochten komen, de beide verbalisanten binnen gelaten7. Derhalve is sprake geweest van toestemming om de woning te betreden zodat voor het binnentreden geen machtiging was vereist. Ook de aanhouding van verdachte is gelet op het voorgaande niet onrechtmatig te achten.

In de woning heeft verbalisant[verbalisant 1] met [kleinzoon] gesproken, die hem vertelde8:

  • -

    dat hij bij [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in Apeldoorn had verbleven;

  • -

    dat verdachte en [medeverdachte] hadden geregeld dat hij hier een tijdje kon verblijven;

  • -

    dat [medeverdachte] hem hier maandagmiddag direct na het gesprek met de kinderrechter naar toe had gebracht; en

  • -

    dat hij die avond, 8 november 2012, door [medeverdachte] was opgehaald uit Apeldoorn.

Hoewel is aangevoerd dat de weergave van hetgeen verbalisant[verbalisant 1] door de brievenbus heeft gehoord niet juist is en hetgeen [kleinzoon] heeft verteld aan dezelfde verbalisant niet kan worden gecontroleerd omdat daarbij geen andere personen aanwezig zijn geweest, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen in het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal is vermeld. Het feit dat [kleinzoon] (zelf niet aangemerkt als verdachte) zonder advocaat is gesproken stuit ook niet op bezwaren nu dit geen vereiste is in deze situatie.

Verdachte heeft verklaard9 dat [kleinzoon], op het moment dat aangifte werd gedaan van zijn vermissing, bij vrienden van haar en [medeverdachte] verbleef.

[medeverdachte] heeft verklaard10 dat hij [kleinzoon] op maandag 5 november 2012 naar [betrokkene 3]en haar man in Apeldoorn heeft gebracht. Hij heeft daarnaast melding gemaakt van de vermissing van [kleinzoon] terwijl hij wist dat zijn kleinzoon bij de familie [familienaam betrokkene 1 en 2] was. Verdachte wist overal van af, aldus [medeverdachte], die heeft verklaard zelf het initiatief te hebben genomen. Hij heeft [kleinzoon] op 8 november 2012 weer opgehaald uit Apeldoorn.

[betrokkene 2] heeft verklaard11 dat [kleinzoon] bij hem en zijn echtgenote in huis heeft verbleven, maar kan niet meer vertellen wanneer dat is geweest en voor hoe lang dat was.

[betrokkene 3] heeft verklaard12 dat [kleinzoon] op 5 november 2012 door [medeverdachte] bij haar en haar man in Apeldoorn is gebracht. Op 9 november 2012 heeft [medeverdachte] [kleinzoon] weer opgehaald.

De rechtbank acht gelet op het bovenstaande bewezen dat [medeverdachte] zijn kleinzoon op 5 november 2012 heeft ondergebracht bij vrienden in Apeldoorn, waar hij de jongen op 8 november 2012 weer heeft opgehaald. Bovendien heeft [medeverdachte] de situatie laten voortduren door bij de politie melding te maken van vermissing en zijn dochter, de moeder van [kleinzoon], en Bureau Jeugdzorg niet op enig moment op de hoogte te stellen van de verblijfplaats van [kleinzoon].

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van medeplegen door verdachte. De rechtbank acht hierbij van belang dat, hoewel [medeverdachte] degene is geweest die [kleinzoon] daadwerkelijk heeft weggebracht en naar eigen zeggen hier ook het initiatief toe heeft genomen, verdachte zich hierbij heeft aangesloten door te constateren dat dit dan misschien het beste was, zoals zij heeft verklaard ter zitting13. Vervolgens heeft verdachte op 6 november 2012 tegen aangeefster [gezinsvoogd] verklaard dat [kleinzoon] was weggelopen14. Tijdens het bezoek van verbalisanten[verbalisant 1] en [verbalisant 2] op de middag van 8 november 2012 heeft verdachte met verbalisanten gesproken over de vermissing van [kleinzoon]15. Daarnaast heeft verdachte, zoals blijkt uit het gesprek dat door de brievenbus is gehoord door verbalisant[verbalisant 1], [kleinzoon] instructies gegeven over wat tegen zijn moeder te zeggen16. Ook heeft zij de situatie in stand gehouden door [kleinzoon] niet eerder uit Apeldoorn op te halen of haar dochter dan wel Jeugdzorg in te lichten over de verblijfplaats van [kleinzoon]. Uit al deze factoren blijkt van een actieve rol van verdachte en van een bewuste en nauwe samenwerking met [medeverdachte].

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De omstandigheden van het geval, zoals door de raadsman naar voren gebracht, maken dit oordeel niet anders. De rechtbank merkt in dit verband op dat Bureau Jeugdzorg bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Zutphen van 4 september 2012 gemachtigd is om [kleinzoon] uit huis te plaatsen. Overeenkomstig artikel 1:262, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek vervalt deze machtiging niet eerder dan na drie maanden ongebruikt te zijn gelaten, zodat de machtiging op dat moment nog steeds kon dienen om over te gaan tot uithuisplaatsing van [kleinzoon]. Daarnaast is het verzoek van verdachte en [medeverdachte] om de machtiging te schorsen bij beschikking van het Gerechtshof Arnhem van 25 oktober 2012 afgewezen. Dat het Gerechtshof op 8 november 2012 heeft besloten de zaak twee maanden aan te houden en te bepalen dat [kleinzoon] gedurende die periode bij verdachte en [medeverdachte] diende te blijven, speelt evenmin een rol bij de bewezenverklaring, temeer nu [medeverdachte] tijdens de zitting op die datum geen openheid van zaken heeft gegeven en het Gerechtshof bewust onjuist heeft geïnformeerd door te verklaren dat [kleinzoon] was weggelopen en hij geen idee had waar [kleinzoon] was.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder

parketnummer 05/820990-13 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

zij in de periode van 5 november 2012 tot en met 8 november 2012 te Zutphen en Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een minderjarige, te weten haar kleinzoon [kleinzoon], geboren op[geboortedatum 2], heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met een ander voornoemde [kleinzoon] zonder medeweten/instemming van Bureau

Jeugdzorg en/of [moeder kleinzoon], zijnde de moeder van [kleinzoon], meegenomen en vervolgens gedurende enkele dagen op een voor Bureau Jeugdzorg en moeder onbekend adres ondergebracht/verborgen gehouden en daarbij [kleinzoon] buiten de macht/het toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland en [moeder kleinzoon] gebracht en gehouden.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Medeplegen van onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag en bevoegd opzicht.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden gevorderd, met een proeftijd van twee jaar, met daaraan verbonden de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden en een verbod contact op te nemen met [kleinzoon], zolang de reclassering dat wenselijk acht. Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf van 160 uur gevorderd.

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte –in geval van bewezenverklaring- schuldig moet worden verklaard zonder oplegging van straf. Subsidiair heeft hij verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Begeleiding door de reclassering voegt niets toe. Er is geen sprake van gevaar voor herhaling.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van onttrekking van haar kleinzoon aan het gezag van zijn moeder en aan het opzicht door Jeugdzorg. Zij heeft daarmee onrust en ongerustheid veroorzaakt bij de moeder van [kleinzoon], de uitspraak van de rechtbank aan haar laars gelapt en het gezag van Bureau Jeugdzorg ondergraven. Voorts is aan de politie werk verschaft, terwijl dit onnodig was.

Ten voordele van verdachte weegt de rechtbank mee dat zij een blanco strafblad heeft.

De reclassering heeft op 28 november 2013 een advies uitgebracht. Verdachte en haar man hebben geruime tijd voor hun kleinzoon gezorgd en verdachte is overtuigd van de juistheid van haar manier van opvoeden en verzorgen. Er is sprake van een ernstig verstoorde verstandhouding met haar dochter, de moeder van [kleinzoon], en een beschadigd vertrouwen in het functioneren van instanties. De reclassering ziet mogelijkheden om, middels een ondersteunend en inzicht gevend traject, verdachte en haar echtgenoot te begeleiden en te bemiddelen tussen de gebrouilleerde familieleden. Verdachte heeft echter bij de nabespreking van het advies aangegeven geen prijs te stellen op herstel van het contact met haar dochter. Verdachte staat niet open voor begeleiding of ondersteuning door de reclassering.

Het recidiverisico wordt door de reclassering als laag ingeschat.

Alles overwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken passend en geboden. De rechtbank overweegt daarbij dat het recidiverisico door haar als matig wordt ingeschat. Hierbij is van belang dat verdachte er, ook gelet op hetgeen zij ter zitting naar voren heeft gebracht, nog steeds van overtuigd is dat haar handelen gerechtvaardigd was. De rechtbank wijst er echter op dat het in het belang van de samenleving is dat rechterlijke beslissingen, zoals in dit geval de beslissing [kleinzoon] uit huis te plaatsen, worden nageleefd dan wel op een juridische manier worden bestreden. Het recht in eigen hand nemen, zoals verdachte heeft gedaan, is dan ook buitengewoon onwenselijk. De rechtbank ziet af van het opleggen van een werkstraf aan verdachte, nu zij meent dat de hele gebeurtenis, met alle gevolgen van dien, al voldoende impact op verdachte heeft gehad.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor toezicht door de reclassering. Zij is van oordeel dat bij een eventuele bemiddeling tussen de familieleden voor die organisatie geen taak is weggelegd. Dat ligt eerder op de weg van Bureau Jeugdzorg. Bovendien hebben verdachte en [medeverdachte] op dit moment geen enkele behoefte aan een dergelijke bemiddeling. Oplegging van een verbod contact op te nemen met [kleinzoon] vindt de rechtbank geen taak voor de strafrechter in deze situatie. Indien daar termen voor aanwezig worden geacht door deze of gene zijn er andere wegen die hiertoe bewandeld kunnen worden.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [moeder kleinzoon], de moeder van [kleinzoon], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.965,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 05/820990-13 tenlastegelegde.

Voor wat betreft de gestelde materiële schade, een bedrag van € 465,00, overweegt de rechtbank dat het vereiste causale verband tussen het bewezenverklaarde feit en de gestelde gederfde inkomsten onvoldoende is onderbouwd. Met betrekking tot de € 1.500,00 die als immateriële schade is gevorderd, overweegt de rechtbank dat behandeling van dat onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, temeer nu daarbij de complexe en zeer moeizame familieverhouding tussen de verdachte en haar echtgenoot enerzijds en de moeder van [kleinzoon] een rol speelt.

De benadeelde partij [moeder kleinzoon] zal dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47 en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 05/720080-13 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/820990-13 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

medeplegen van onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag en bevoegd opzicht;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken;

 bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 verklaart de benadeelde partij [moeder kleinzoon] (parketnummer 05/820990-13) niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door mrs. Cremers, voorzitter, Van Apeldoorn en Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korevaar, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 december 2013.

1 Wanneer hierna terzake parketnummer 05/720080-13 verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2013007988, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselsteek, team Recherche IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 6 maart 2013. Wanneer hierna terzake parketnummer 05/8209909-13 verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0630 2012151192, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselsteek, team Recherche IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 24 mei 2013.

2 Beschikking van het Gerechtshof Arnhem van 25 oktober 2012, pagina 8

3 Beschikking van de rechtbank Zutphen van 1 maart 2012, pagina 17

4 Proces-verbaal van aangifte, pagina 5

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 74

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 74

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 75

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 75

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 100

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 82

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 89

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 94

13 Proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting van 3 december 2013

14 Proces-verbaal van aangifte, pagina 6

15 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 74

16 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 75