Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:5796

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
05/820987-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opa heeft kleinkind 'verstopt' bij vrienden omdat Jeugdzorg het kind (13 jaar) uit huis wilde plaatsen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]05/820987-13

Uitspraak d.d.: 17 december 2013

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te[geboortedatum 1],

wonende te[woonplaats].

Raadsman: mr. I. Vreeken, advocaat te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 december 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 5 november 2012 tot en met 8 november 2012 te Zutphen en/of te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten (zijn kleinzoon) [kleinzoon], geboren op [geboortedatum 2], heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, voornoemde [kleinzoon] zonder medeweten/instemming van Bureau

Jeugdzorg en/of [moeder kleinzoon], zijnde de moeder van [kleinzoon], meegenomen en/of

(vervolgens) (gedurende enkele dagen) op een voor Bureau Jeugdzorg en moeder onbekend adres ondergebracht/verborgen (gehouden) en/of daarbij [kleinzoon] buiten de macht/het toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland en/of [moeder kleinzoon] gebracht en/of gehouden;

art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 8 november 2012 is door de gezinsvoogd van [kleinzoon] (hierna: [kleinzoon]), geboren op

[geboortedatum 2], aangifte gedaan van onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag. Op diezelfde dag is [kleinzoon] aangetroffen in het huis van zijn grootouders, verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]).

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen verder opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Primair heeft hij naar voren gebracht dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Het op de knieën zitten voor de voordeur van de woning van verdachte, openen van de klep van de brievenbus en vervolgens afluisteren van een gesprek vormt een schending van het woon- of huisrecht en het recht op privacy. De raadsman heeft erop gewezen dat er geen sprake was van een heterdaad-situatie en er geen aanhoudingsbevel of machtiging tot binnentreden was. Van het bewijs moeten worden uitgesloten het afgeluisterde gesprek, de constatering dat [kleinzoon] bij verdachte in de woning was, het gesprek dat verbalisant [verbalisant 1] met [kleinzoon] heeft gevoerd en de latere verklaringen van verdachte. Door de verdediging wordt tevens naar voren gebracht dat het gesprek niet juist is weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen. Overigens zijn ook het binnentreden en de aanhouding van verdachte onrechtmatig geweest.

Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Hierbij heeft de raadsman er op gewezen dat verdachte en [medeverdachte] jarenlang voor [kleinzoon] hebben gezorgd. Ook liep er nog een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zutphen om [kleinzoon] uit huis te plaatsen, waarvan de inhoudelijke behandeling op 8 november 2012 zou plaatsvinden. Tijdens die zitting op 8 november 2012 is het Gerechtshof ook buitengewoon kritisch geweest over het voornemen om [kleinzoon] al op 6 november 2012 uit huis te plaatsen, zoals blijkt uit het proces-verbaal van die zitting. Het Gerechtshof heeft besloten de zaak twee maanden aan te houden en heeft beslist dat [kleinzoon] in die periode bij zijn grootouders diende te blijven. Er is nooit sprake geweest van een moedwillige ontvoering, het was enkel de bedoeling [kleinzoon] enkele dagen elders onder te brengen om bij de zitting op 8 november 2012 niet voor een voldongen feit te komen te staan. De raadsman heeft daarnaast vraagtekens geplaatst bij de mogelijkheid om [kleinzoon] op 6 november 2012, meer dan twee maanden na de beschikking van de rechtbank Zutphen van 4 september 2012, nog uit huis te plaatsen. Ten slotte heeft de raadsman aangegeven dat [kleinzoon] zelf niet bij zijn grootouders weg wilde en dat zijn gezondheid en veiligheid nimmer in gevaar zijn geweest.

Beoordeling door de rechtbank

[kleinzoon] is geboren op [geboortedatum 2] en het wettig gezag over hem wordt uitgeoefend door zijn moeder, [moeder kleinzoon]2.

Bij beschikking van 1 maart 2012 van de rechtbank Zutphen3 is [kleinzoon] onder toezicht gesteld van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland, locatie Apeldoorn, voor de duur van één jaar, welke beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Bij beschikking van 4 september 2012 is de stichting gemachtigd [kleinzoon] uit huis te plaatsen in een verblijfsaccommodatie zorgaanbieder 24-uurs tot uiterlijk 1 maart 2013.

Op 8 november 2012 is door[gezinsvoogd], in haar hoedanigheid van gezinsvoogd van [kleinzoon], aangifte gedaan van het onttrekken van [kleinzoon] aan het wettig gezag4. Zij heeft daarbij verklaard dat de moeder van [kleinzoon], [moeder kleinzoon], het wettig gezag heeft en dat Bureau Jeugdzorg toeziend voogd is. [kleinzoon] woonde in Zutphen bij zijn grootouders, te weten verdachte en [medeverdachte]. Op 6 november 2012 zou [kleinzoon] uit huis worden geplaatst en toen aangeefster met een medewerker van Pactum Pleegzorg aan de deur kwam om [kleinzoon] op te halen, vertelde [medeverdachte] haar dat [kleinzoon] er niet was en dat hij was weggelopen.

Naar aanleiding van de melding van verdachte dat [kleinzoon] vermist was, zijn verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in de middag van 8 november 2012 bij verdachte en [medeverdachte] geweest5. Bij verbalisanten rees het vermoeden dat verdachte en [medeverdachte] meer wisten van de vermissing dan in eerste instantie door hen werd verteld gezien de door verdachte en [medeverdachte] gebruikte bewoordingen (“wanneer [kleinzoon] thuiskomt”) en de omstandigheid dat verdachte en [medeverdachte] erg rustig en zelfverzekerd waren en zij met geen enkel woord hebben gesproken over het welzijn van [kleinzoon]. Toen verbalisanten diezelfde avond langs de woning reden zagen zij dat de gordijnen van de slaapkamer van [kleinzoon] gesloten waren, terwijl die die middag open waren geweest. Op het moment dat verbalisanten bij de voordeur stonden, hoorden zij binnen een kinderstem. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de klep van de brievenbus geopend en heeft vervolgens een gesprek gehoord dat in de woning werd gevoerd. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat dat gesprek van het bewijs moet worden uitgesloten. Zij overweegt in dat verband dat het handelen van verbalisanten ingegeven is geweest door de zorgen om de veiligheid van een verdwenen kind. Tegen die achtergrond hebben zij zich opnieuw naar de woning begeven. De toen waargenomen gesloten gordijnen op de slaapkamer en het horen van een kinderstem toen de politie voor de deur stond, geven voldoende aanleiding om vanaf dat moment niet enkel meer te spreken van een vermoeden dat verdachten niet het achterste van hun tong lieten zien, maar van een concrete verdenking van een zich op dat moment afspelende onttrekking van [kleinzoon] aan het gezag en opzicht en dus van verdenking van een heterdaadsituatie. Voor het (af)luisteren (zonder technische middelen) door de brievenbus was naar het oordeel van de rechtbank geen voorafgaande machtiging nodig.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft gehoord6:

- dat [kleinzoon] in de woning was omdat [medeverdachte] hem aansprak met de naam

‘[kleinzoon]’;

  • -

    dat [medeverdachte] tegen verdachte zei dat [kleinzoon] goed geïnstrueerd moest worden;

  • -

    dat verdachte tegen [medeverdachte] zei dat niemand er ooit achter mocht komen dat [kleinzoon] bij ….(onverstaanbaar) had gezeten;

  • -

    dat er nu een goed plan gemaakt moest worden voor het melden van de terugkeer van [kleinzoon];

  • -

    dat [medeverdachte] [kleinzoon] onder druk zette met de woorden: “Je moet voor je eigen bestwil liegen tegen je moeder, dat kun je toch wel?”; en

  • -

    dat [kleinzoon] aan zijn moeder moet vertellen dat hij bij een vriendje had verbleven.

Hierop heeft verbalisant [verbalisant 1] op de deur geklopt en geroepen dat de politie er was. [medeverdachte] heeft vervolgens de deur geopend. Verbalisanten zagen [kleinzoon], die zij herkenden van een eerder verspreidde foto, aan het einde van de gang in de woonkamer staan. Dat het daaropvolgende binnentreden van verbalisanten in de woning onrechtmatig is geweest, zoals door de raadsman is betoogd, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Met de waarnemingen zoals hierboven weergegeven, was immers sprake van een heterdaad-situatie. Bovendien hebben verbalisanten zich bekend gemaakt als van de politie en heeft [medeverdachte], op de vraag van verbalisant [verbalisant 1] of zij (verbalisanten) binnen mochten komen, de beide verbalisanten binnen gelaten7. Derhalve is sprake geweest van toestemming om de woning te betreden zodat voor het binnentreden geen machtiging was vereist. Ook de aanhouding van verdachte is gelet op het voorgaande niet onrechtmatig te achten.

In de woning heeft verbalisant [verbalisant 1] met [kleinzoon] gesproken, die hem vertelde8:

  • -

    dat hij bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in Apeldoorn had verbleven;

  • -

    dat verdachte en [medeverdachte] hadden geregeld dat hij hier een tijdje kon verblijven;

  • -

    dat verdachte hem hier maandagmiddag direct na het gesprek met de kinderrechter naar toe had gebracht; en

  • -

    dat hij die avond, 8 november 2012, door verdachte was opgehaald uit Apeldoorn.

Hoewel is aangevoerd dat de weergave van hetgeen verbalisant [verbalisant 1] door de brievenbus heeft gehoord niet juist is en hetgeen [kleinzoon] heeft verteld aan dezelfde verbalisant niet kan worden gecontroleerd omdat daarbij geen andere personen aanwezig zijn geweest, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen in het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal is vermeld. Het feit dat [kleinzoon] (zelf niet aangemerkt als verdachte) zonder advocaat is gesproken stuit ook niet op bezwaren nu dit geen vereiste is in deze situatie.

Verdachte heeft verklaard9 dat de moeder van [kleinzoon] voogd is en Bureau Jeugdzorg toeziend voogd. Hij heeft [kleinzoon] op maandag 5 november 2012 naar [betrokkene 2] en haar man in Apeldoorn gebracht. Verdachte heeft aangifte gedaan van de vermissing van [kleinzoon] terwijl hij wist dat zijn kleinzoon bij de familie [familienaam betrokkene 1 en 2] was. Hij heeft zich echter niet gerealiseerd dat hij [kleinzoon] heeft onttrokken aan het wettelijk gezag. [medeverdachte] wist overal van af, aldus verdachte, die heeft verklaard zelf het initiatief te hebben genomen. Hij heeft [kleinzoon] op 8 november 2012 weer opgehaald uit Apeldoorn.

[medeverdachte] heeft verklaard10 dat [kleinzoon], op het moment dat aangifte werd gedaan van zijn vermissing, bij vrienden van verdachte en haarzelf verbleef.

[betrokkene 1] heeft verklaard11 dat [kleinzoon] bij hem en zijn echtgenote in huis heeft verbleven, maar kan niet meer vertellen wanneer dat is geweest en voor hoe lang dat was.

[betrokkene 2] heeft verklaard12 dat [kleinzoon] op 5 november 2012 door verdachte bij haar en haar man in Apeldoorn is gebracht. Op 9 november 2012 heeft hij [kleinzoon] weer opgehaald.

De rechtbank acht gelet op het bovenstaande bewezen dat verdachte zijn kleinzoon op

5 november 2012 heeft ondergebracht bij vrienden in Apeldoorn, waar hij de jongen op

8 november 2012 weer heeft opgehaald. Dat verdachte, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, in een impuls heeft gehandeld en zich daarbij niet heeft gerealiseerd dat de vermissing van [kleinzoon] zoveel commotie teweeg zou brengen, acht de rechtbank moeilijk voorstelbaar. Het mag als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat vermissing van een minderjarige, die bovendien als kwetsbaar en mogelijk suïcidaal bekend staat, door de politie niet op zijn beloop wordt gelaten, maar dat actie wordt ondernomen. Bovendien heeft verdachte de situatie laten voortduren door bij de politie melding te maken van vermissing en zijn dochter, de moeder van [kleinzoon], en Bureau Jeugdzorg niet op enig moment op de hoogte te stellen van de verblijfplaats van [kleinzoon].

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van medeplegen met [medeverdachte]. De rechtbank acht hierbij van belang dat, hoewel verdachte degene is geweest die [kleinzoon] daadwerkelijk heeft weggebracht en naar eigen zeggen hier ook het initiatief toe heeft genomen, [medeverdachte] zich hierbij heeft aangesloten, onder andere door op 6 november 2012 tegen aangeefster [gezinsvoogd] te verklaren dat [kleinzoon] was weggelopen13. Tijdens het bezoek van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op de middag van 8 november 2012 heeft [medeverdachte] met verbalisanten gesproken over de vermissing van [kleinzoon]14. Daarnaast heeft zij, zoals blijkt uit het gesprek dat door de brievenbus is gehoord door verbalisant [verbalisant 1], [kleinzoon] instructies gegeven over wat tegen zijn moeder te zeggen15. Ook heeft [medeverdachte] de situatie in stand gehouden door [kleinzoon] niet eerder uit Apeldoorn op te halen of haar dochter dan wel Jeugdzorg in te lichten over de verblijfplaats van [kleinzoon]. Uit al deze factoren blijkt van een actieve rol van [medeverdachte] en van een bewuste en nauwe samenwerking tussen haar en verdachte.

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De omstandigheden van het geval, zoals door de raadsman naar voren gebracht, maken dit oordeel niet anders. De rechtbank merkt in dit verband op dat Bureau Jeugdzorg bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Zutphen van 4 september 2012 gemachtigd is om [kleinzoon] uit huis te plaatsen. Overeenkomstig artikel 1:262, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek vervalt deze machtiging niet eerder dan na drie maanden ongebruikt te zijn gelaten, zodat de machtiging op dat moment nog steeds kon dienen om over te gaan tot uithuisplaatsing van [kleinzoon]. Daarnaast is het verzoek van verdachte en [medeverdachte] om de machtiging te schorsen bij beschikking van het Gerechtshof Arnhem van 25 oktober 2012 afgewezen. Dat het Gerechtshof op 8 november 2012 heeft besloten de zaak twee maanden aan te houden en te bepalen dat [kleinzoon] gedurende die periode bij verdachte en [medeverdachte] diende te blijven, speelt evenmin een rol bij de bewezenverklaring, temeer nu verdachte tijdens de zitting op die datum geen openheid van zaken heeft gegeven en het Gerechtshof bewust onjuist heeft geïnformeerd door te verklaren dat [kleinzoon] was weggelopen en hij geen idee had waar [kleinzoon] was.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in de periode van 5 november 2012 tot en met 8 november 2012 te Zutphen en Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een minderjarige, te weten zijn kleinzoon [kleinzoon], geboren op [geboortedatum 2], heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met een ander voornoemde [kleinzoon] zonder medeweten/instemming van Bureau

Jeugdzorg en/of [moeder kleinzoon], zijnde de moeder van [kleinzoon], meegenomen en vervolgens gedurende enkele dagen op een voor Bureau Jeugdzorg en moeder onbekend adres ondergebracht/verborgen gehouden en daarbij [kleinzoon] buiten de macht/het toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland en [moeder kleinzoon] gebracht en gehouden.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Medeplegen van onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag en bevoegd opzicht.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden gevorderd, met een proeftijd van twee jaar, met daaraan verbonden de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden en een verbod contact op te nemen met [kleinzoon], zolang de reclassering dat wenselijk acht. Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf van 120 uur gevorderd.

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte –in geval van bewezenverklaring- schuldig moet worden verklaard zonder oplegging van straf. Subsidiair heeft hij verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Begeleiding door de reclassering voegt niets toe. Er is geen sprake van gevaar voor herhaling.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van onttrekking van zijn kleinzoon aan het gezag van zijn moeder en aan het opzicht door Jeugdzorg. Hij heeft daarmee onrust en ongerustheid veroorzaakt bij de moeder van [kleinzoon], de uitspraak van de rechtbank aan zijn laars gelapt en het gezag van Bureau Jeugdzorg ondergraven. Voorts is aan de politie werk verschaft, terwijl dit onnodig was.

Ten voordele van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij een blanco strafblad heeft.

De reclassering heeft op 29 november 2013 een advies uitgebracht, waarin is vermeld dat bij verdachte mogelijk sprake is van gebrek aan zelfinzicht. Hij was zich er niet van bewust dat hij strafbare feiten pleegde. Verdachte voelt zich al genoeg gestraft door de gang van zaken, nu hij is bestempeld door de media en hij zijn kleinzoon niet meer mag zien.

Het recidiverisico wordt als laag ingeschat.

Hoewel de reclassering heeft aangegeven dat er binnen het toezicht aandacht zou dienen te zijn voor de familieverhoudingen, heeft verdachte zelf verklaard geen bemiddeling of ondersteuning van de reclassering te willen.

Alles overwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken passend en geboden. De rechtbank overweegt daarbij dat het recidiverisico door haar als matig wordt ingeschat. Hierbij is van belang dat verdachte er, ook gelet op hetgeen hij ter zitting naar voren heeft gebracht, nog steeds van overtuigd is dat zijn handelen gerechtvaardigd was. De rechtbank wijst er echter op dat het in het belang van de samenleving is dat rechterlijke beslissingen, zoals in dit geval de beslissing [kleinzoon] uit huis te plaatsen, worden nageleefd dan wel op een juridische manier worden bestreden. Het recht in eigen hand nemen, zoals verdachte heeft gedaan, is dan ook buitengewoon onwenselijk. De rechtbank ziet af van het opleggen van een werkstraf aan verdachte, nu zij meent dat de hele gebeurtenis, met alle gevolgen van dien, al voldoende impact op verdachte heeft gehad.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor toezicht door de reclassering. Zij is van oordeel dat bij een eventuele bemiddeling tussen de familieleden voor die organisatie geen taak is weggelegd. Dat ligt eerder op de weg van Bureau Jeugdzorg. Bovendien hebben verdachte en [medeverdachte] op dit moment geen enkele behoefte aan een dergelijke bemiddeling. Oplegging van een verbod contact op te nemen met [kleinzoon] vindt de rechtbank geen taak voor de strafrechter in deze situatie. Indien daar termen voor aanwezig worden geacht door deze of gene zijn er andere wegen die hiertoe bewandeld kunnen worden

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [moeder kleinzoon], de moeder van [kleinzoon], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.965,00 gevoegd in het strafproces.

Voor wat betreft de gestelde materiële schade, een bedrag van € 465,00, overweegt de rechtbank dat het vereiste causale verband tussen het bewezenverklaarde feit en de gestelde gederfde inkomsten onvoldoende is onderbouwd. Met betrekking tot de € 1.500,00 die als immateriële schade is gevorderd, overweegt de rechtbank dat behandeling van dat onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, temeer nu daarbij de complexe en zeer moeizame familieverhouding tussen de verdachte en zijn echtgenote enerzijds en de moeder van [kleinzoon] een rol speelt.

De benadeelde partij [moeder kleinzoon] zal dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 47 en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

medeplegen van onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag en bevoegd opzicht;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken;

 bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;

 verklaart de benadeelde partij [moeder kleinzoon] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door mrs. Cremers, voorzitter, Van Apeldoorn en Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korevaar, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 december 2013.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0630 2012151192, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselsteek, team Recherche IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 24 mei 2013.

2 Beschikking van het Gerechtshof Arnhem van 25 oktober 2012, pagina 8

3 Beschikking van de rechtbank Zutphen van 1 maart 2012, pagina 17

4 Proces-verbaal van aangifte, pagina 5

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 74

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 74

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 75

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 75

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 82

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 100

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 89

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 94

13 Proces-verbaal van aangifte, pagina 6

14 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 74

15 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 75