Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:5723

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
13-12-2013
Zaaknummer
13/2428
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijzondere bijstand chronisch zieken, gehandicapten en ouderen 2011 door gemeente Nijmegen afgewezen. Inkomen en vermogen van eisers waren in de gemeentelijke beleidsregel genoemde peilmaand lager dan de daarin genoemde inkomens- en vermogensgrenzen. Verweerder kon daarom de bijstand in redelijkheid niet weigeren. Beroep eisers gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: Awb 13/2428

uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[eiser], eiser, en [eiseres], eiseres, wonende te [woonplaats], tezamen: eisers(gemachtigde: mr. R.G.H.M. de Glas),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder(gemachtigde: A.J.F. Widdershoven).

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om toekenning van bijzondere bijstand voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen en een langdurigheidstoeslag voor het jaar 2012 afgewezen.

Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt. Op 24 januari 2013 heeft een hoorzitting plaatsgehad. Eiser is daar samen met zijn gemachtigde verschenen.

Bij besluit van 8 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. In aanvulling daarop heeft verweerder op verzoek van de rechtbank bij brief van 30 augustus 2013, door de rechtbank ontvangen op 2 september 2013, stukken overgelegd. Afschriften daarvan zijn door de rechtbank op dezelfde dag doorgestuurd naar de gemachtigde van eisers.

Bij brief van 5 september 2013 heeft de gemachtigde van eisers het beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2013. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting stukken overgelegd. Afschriften daarvan zijn overgelegd aan verweerder.

Overwegingen

Vooraf

1. De gemachtigde van eisers heeft verzocht om aanhouding van de zitting vanwege het tijdstip van indiening van de door de rechtbank bij verweerder opgevraagde stukken. Het betreft een zogenoemd Rapportageformulier FPM van het Bureau Handhaving van de gemeente Nijmegen, de Verordening Langdurigheidstoeslag 2012 en de beleidsregel Categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen (2011). Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers desgevraagd verklaard dat hij al voor de toezending daarvan aan de rechtbank met de stukken en de inhoud daarvan bekend was. De rechtbank heeft daarom het verzoek om aanhouding van de zitting afgewezen.

Inhoudelijke beoordeling

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser is geboren op [geboortedatum]. Eiseres is geboren op [geboortedatum]. Eisers zijn gehuwd. Eiseres lijdt aan een chronisch ziekte. Eisers ontvingen van verweerder gedurende een reeks van jaren bijstand naar de norm voor gehuwden. Daarnaast ontvingen eisers een persoonsgebonden budget (PGB) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en een PGB uit hoofde van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Bureau Handhaving van de afdeling Zorg en Inkomen van de gemeente Nijmegen heeft een fraudeonderzoek ingesteld. Daarvan is door J.I.M. Hek met dagtekening 13 januari 2012 een rapport opgemaakt. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek heeft verweerder bij besluit van 24 januari 2012 met ingang van 1 maart 2007 het recht op bijstand van eisers ingetrokken en dat recht met ingang van 24 januari 2012 beëindigd. Grond daarvoor was dat het recht op bijstand niet was vast te stellen, omdat eisers het PGB dat aan hen uit hoofde van de AWBZ ter beschikking was gesteld niet hadden besteed aan verzorging maar als inkomsten om daarmee in het levensonderhoud te voorzien zonder dat aan verweerder te hebben gemeld. Verweerder heeft vervolgens een bedrag van € 79.234,58 bruto en € 6.416,02 netto als ten onrechte uitgekeerde bijstand teruggevorderd. Het PGB dat werd bekostigd uit de AWBZ is per 1 maart 2012 beëindigd. Sinds 16 september 2012 ontvangen eisers weer bijstand van verweerder.

Het PGB dat eisers uit de WMO ontvingen, betrof hulp bij het huishouden en is door verweerder met ingang van 29 juli 2009 voor de duur van vijf jaar toegekend. Verweerder heeft dit PGB vanwege oneigenlijk gebruik bij beschikking van 2 oktober 2012 per 2 januari 2012 ingetrokken. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 20 april 2013 is het bezwaar gegrond verklaard en is beslist dat recht bestaat op een PGB voor hulp bij het huishouden voor de periode 1 januari 2012 tot en met 1 oktober 2012.

3. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de beslissing van verweerder van 24 januari 2012 om het recht op bijstand in te trekken en te beëindigen. Het bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard. Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij uitspraak van deze rechtbank van 24 oktober 2012 (zaakskenmerk 12/2563; ECLI:NL:RBARN:2012:BY1452) is het beroep van eisers ongegrond verklaard. In die uitspraak heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

“Uit de ten overstaande van de fraudepreventiemedewerkers afgelegde verklaringen van de getuigen en ook uit het overige bewijsmateriaal blijkt dat de als pgb uitgekeerde gelden of via een papieren zorgverlener terugvloeiden naar eisers of nimmer aan een zorgverlener dan wel bemiddelaar zijn uitgekeerd. Het pgb is daarmee niet aan de zorg van eiseres besteed, maar is ingezet als middelen om in het levensonderhoud van eisers te voorzien. Eisers hebben dit niet aan verweerder gemeld en hebben daarmee hun inlichtingenverplichting geschonden, nu dit gegeven van essentieel belang is voor (de omvang van) het recht op bijstand. Door de onduidelijkheid over de besteding van het pgb is het recht op bijstand niet vast te stellen. Verweerder heeft dan ook op goede gronden besloten het recht op bijstand in te trekken en het betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen.”

Tegen die uitspraak hebben eisers hoger beroep ingesteld. Daarop is nog niet beslist.

4. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder had moeten onderzoeken welke PGB-gelden tot het inkomen van eisers hadden moeten worden gerekend. Eisers hebben ook aangevoerd dat de PGB-gelden altijd zijn aangewend voor geïndiceerde zorg en dat die gelden dus geen inkomen vormen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag voor categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen en de langdurigheidstoeslag voor het jaar 2012 terecht zijn geweigerd. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat uit uitgebreid onderzoek is gebleken dat de PGB-gelden niet zijn besteed aan de daarvoor bestemde doelen.

5. De rechtbank zal eerst nagaan of aan eisers terecht de langdurigheidstoeslag is geweigerd. In dit verband acht de rechtbank het volgende van belang. Op grond van artikel 36, eerste lid, Wet werk en bijstand (Wwb) (tekst voor het betrokken jaar) verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Wwb heeft en ook geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. De toeslag kan eenmaal per jaar worden toegekend. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wwb stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot de langdurigheidstoeslag. Daaraan is bij Verordening langdurigheidtoeslag 2012A (hierna: de Verordening) uitvoering gegeven. Op grond van de Verordening is sprake van een langdurig laag inkomen als gedurende 36 aaneengesloten maanden, afgezien van een mogelijke onderbreking van drie maanden, een inkomen wordt genoten dat niet hoger is dan 105 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. Voor gehuwden bedraagt de langdurigheidstoeslag € 445.

6. De bewijslast dat het inkomen van eisers gedurende de referentieperiode lager was dan de onder 5 genoemde norm rust op eisers. Eisers zijn niet in het bewijs daarvan geslaagd. Gelet op voornoemde uitspraak van deze rechtbank van 24 oktober 2012, als weergegeven onder 3, waaruit naar voren komt dat eisers in de betrokken periode niet aan hun inlichtingenverplichting hebben voldaan, moet ervan worden uitgegaan dat het recht op bijstand gedurende de referentieperiode van 36 maanden niet kon worden vastgesteld. Dat betekent dat de langdurigheidstoeslag terecht is geweigerd. In het midden kan blijven of een deel van de PGB-gelden mogelijk wel is besteed aan de daarvoor bestemde doelen. De rechtbank gaat daarom ook voorbij aan het verzoek van de gemachtigde van eiser om het dossier te completeren met de rest van het fraudedossier.

7. Vervolgens moet worden beantwoord de vraag of ook de bijzondere bijstand voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen in redelijkheid aan eiseres is geweigerd. In dit verband acht de rechtbank het volgende van belang. Op grond van artikel 35, vierde lid, van de Wwb kan bijzondere bijstand worden verleend aan een persoon, behorend tot een categorie chronisch zieken of gehandicapten met betrekking tot kosten in verband met chronische ziekte of handicap, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van die persoon die kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien aannemelijk is dat die categorie zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan. Verweerder heeft mede in verband met artikel 35, vierde lid, Wwb bij besluit van 14 december 2010 de beleidsregel Categoriale bijzondere bijstand chronisch zieken, gehandicapten en ouderen (2011) (hierna: de beleidsregel) vastgesteld. De beleidsregel is op 1 januari 2011 in werking getreden. Volgens de beleidsregel hebben onder andere belanghebbenden die een inkomen op minimumniveau hebben en kunnen aantonen chronisch ziek of gehandicapt te zijn, recht op een jaarlijkse eenmalige verstrekking van € 150. Voor het bepalen van het inkomen vindt een middelentoets plaats, bestaande uit een inkomens- en vermogenstoets. Voor de inkomensgrenzen wordt daarin aangesloten bij de inkomensgrenzen die gehanteerd zijn bij de overige regelingen in het kader van het minimabeleid en die staan vermeld op de normenkaart. Voor de vermogenstoets zijn de vermogensgrenzen van artikel 34 Wwb van toepassing. Als peilmaand voor toetsing van inkomen en vermogen geldt volgens deze beleidsregel de maand september van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

8. Niet in geschil is dat eiseres behoort tot de categorie chronisch zieken en gehandicapten waarvoor categoriale bijzondere bijstand wordt verleend. Ook niet in geschil is dat eisers in de betrokken maand bijstand ontvingen en PGB gefinancierd uit de WMO en dat zij in die maand geen andere inkomsten hadden. Op grond van de beleidsregel is peilmaand de maand september 2012. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat het PGB dat eiseres in die maand uit de WMO ontving, oneigenlijk werd gebruikt en daarom als inkomen moet worden gezien. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat het inkomen en het vermogen van eisers in die maand beneden de grenzen bedoeld in de beleidsregel bleef. De categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen kon daarom aan eisers in redelijkheid niet worden geweigerd.

9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Eisers hebben recht op categoriale bijstand voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen ten bedrage van € 150.

10. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenvergoeding ter zake van bezwaar en beroep. Er is sprake van beroepsmatig verleende bijstand. De rechtbank heeft de kosten daarvan op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend op € 1.888 (1 punt voor het maken van bezwaar, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472). Eisers procederen met een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand. De kosten dienen daarom op de voet van artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden voldaan aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op de categoriale bijstand voor chronisch zieken en gehandicapten;

- herroept het primaire besluit voor zover het de categoriale bijstand voor chronisch zieken en gehandicapten betreft;

- wijst de aanvraag om categoriale bijstand voor chronisch zieken en gehandicapten toe;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor het overige in stand blijven;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.888 aan de rechtsbijstandverlener.

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ad € 44 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. C.G. Okhuizen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Lankamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op .

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.