Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:5425

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
06/940311-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940311-12

Uitspraak d.d.: 11 december 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1968],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman: mr. J.W.M. Soentjens, advocaat te ’s-Heerenberg.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
27 november 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 augustus 2012 te Groenlo, gemeente Oost Gelre, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet

met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp een of meer stekende

en/of slaande bewegingen in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 04 augustus 2012 te Groenlo, gemeente Oost Gelre, [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte

opzettelijk dreigend met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voowerp, een of meer stekende en/of slaande bewegingen gemaakt in de richting

van het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2];

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 04 augustus 2012 te Groenlo, gemeente Oost Gelre,

opzettelijk en wederrechtelijk een glas in lood raam, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met

1 augustus 2012 te Groenlo, gemeente Oost Gelre, [slachtoffer 3] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend

de woorden toegevoegd :"Jou schiet ik kapot. Als je de politie belt, schiet ik

je helemaal kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 4 augustus 2012 kreeg de politie de melding dat de hen ambtshalve bekende [verdachte] (verdachte) een ruit had vernield en de bewoners had bedreigd met een groot mes2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde omdat daarvoor onvoldoende bewijs voorhanden is. De onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten acht zij bewezen. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie en vrijspraak bepleit voor het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van de feiten 1 subsidiair en 2 heeft hij zich op het standpunt gesteld dat deze kunnen worden bewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak

Feit 1

Onder 1 primair is aan verdachte poging tot doodslag ten laste gelegd, onder feit 1 subsidiair bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans bedreiging met zware mishandeling. De rechtbank acht echter noch het primair noch het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Zij overweegt in dit verband allereerst dat de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meerdere inconsistenties bevatten, waardoor gerede twijfel over de verweten feitelijkheden mogelijk blijft.

Zo zijn de aangiftes niet eenduidig over de afstand tussen het mes en het slachtoffer en over de beweging(en) die verdachte daarbij maakte. [slachtoffer 1] heeft immers verklaard dat verdachte een horizontale snijbeweging maakte richting de hals van zijn vrouw en dat het mes haar net niet raakte. Tussen het mes en haar hals zat nog zo’n tien tot vijftien centimeter, aldus [slachtoffer 1]. [slachtoffer 2] heeft evenwel verklaard dat verdachte met het mes in haar richting stak. Ze zag dat hij met een krachtige beweging het mes recht op haar afstak in de richting van haar borst. Volgens [slachtoffer 2] was de afstand tussen het mes en haar op dat moment ongeveer een halve meter.

Verder heeft [slachtoffer 1] verklaard dat verdachte ook met het mes richting zijn (aangevers) borst stak. Hij werd net niet geraakt. Volgens [slachtoffer 1] was de afstand tussen het mes en hem toen ongeveer vijf centimeter. [slachtoffer 2] heeft in dit verband verklaard dat ze zag dat verdachte een of meerdere malen met hetzelfde mes in de richting van haar man stak. Dat gebeurde op de wijze zoals hij haar had geprobeerd te steken. Ze zag dat haar man niet werd geraakt door het mes en dat de afstand tussen verdachte en het mes net als bij haar, net iets te groot was.

De rechtbank vindt het voorts bevreemdend dat zowel [slachtoffer 2] als verdachte hebben verklaard dat verdachte heeft geslagen in de richting van de telefoon die [slachtoffer 2] in haar hand hield, terwijl [slachtoffer 1] die op dat moment volgens de verklaring van [slachtoffer 2] bij haar en verdachte stond daarover niets heeft verklaard.

De rechtbank overweegt verder dat weinig tot vrijwel niets bekend is geworden over het beweerdelijk door verdachte gehanteerde mes. Dat in de kast in de serre een mes is aangetroffen dat daar volgens verdachte normaal gesproken niet ligt, roept vragen op maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte juist dat mes gehanteerd zou hebben aan de deur ten opzichte van zijn buren. Er is blijkbaar verder geen onderzoek gedaan naar dit mes en de vraag of verdachte dit mes heeft gehanteerd, bijvoorbeeld door aangevers met dit mes te confronteren.

Getuige [getuige] heeft verklaard te hebben gezien dat verdachte met een mes in zijn handen stond. Het mes dat zij vervolgens beschrijft, te weten een groot keukenmes met een donker handvat, lijkt niet overeen te komen met de beschrijving die verdachte heeft gegeven van het mes dat in de serre in de kast lag. Hij heeft dit beschreven als een keukenmes met lichtbruin houten handvat van naar schatting twintig centimeter inclusief handvat.

De rechtbank overweegt tot slot dat twijfel is gerezen over de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige] en haar waarneming. De rechtbank heeft haar verklaring niet kunnen verifiëren, nu door de politie is nagelaten [getuige] nader te bevragen over onder meer haar afstand en positie ten opzichte van de plaats waar het incident zich heeft afgespeeld en de afstand tussen het mes en de aangevers. Dit nog daargelaten dat de verklaring van [getuige] geen duidelijkheid verschaft over de volgorde van de aangegeven gebeurtenissen. Zo blijkt uit de verklaring van [getuige] niet dat [slachtoffer 2] weg is gegaan nadat verdachte in haar richting heeft gestoken dan wel gezwaaid met het mes, terwijl [slachtoffer 2] zelf heeft aangegeven tussentijds weg te zijn gelopen.

Alles overwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat weliswaar valt vast te stellen dat er een confrontatie heeft plaatsgevonden bij de voordeur van verdachte tussen verdachte en aangevers, maar dat veel vragen blijven bestaan omtrent wat er bij die confrontatie precies is gebeurd. Dat maakt dat naar het oordeel van de rechtbank de overtuiging dat verdachte het primair dan wel subsidiair ten laste gelegde heeft gepleegd, ontbreekt. De rechtbank zal verdachte om die reden vrijspreken van feit 1 zowel wat betreft het primair als het subsidiair ten laste gelegde.

Feit 3

De rechtbank is van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde niet kan worden bewezen nu de aangifte niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit feit.

Bewijsoverweging

Feit 2


De rechtbank acht de verweten vernieling bewezen. Gelet op het feit dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten de aangiftes van [slachtoffer 1]3 en [slachtoffer 2]4 en de verklaring van verdachte bij de politie5 welke verklaring hij ter terechtzitting heeft bevestigd.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 4 augustus 2012 te Groenlo, gemeente Oost Gelre, opzettelijk en wederrechtelijk een glas-in-loodraam, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], heeft vernield.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is op 15 november 2012 een rapport uitgebracht door [psychiater], psychiater. Met de conclusie van dit rapport dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt, kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarden:

  • -

    een meldplicht bij de reclassering;

  • -

    een ambulante behandeling bij het[kliniek 1];

  • -

    een ambulante behandeling bij [kliniek 2] waarbij verdachte onder meer de modules delictscenario, recidivepreventieplan en agressieregulatie volgt;

  • -

    regelmatige bloedcontroles van de medicatiespiegel.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de strafmodaliteit en de hoogte van de straf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden betwijfelt de raadsman of het rapport van het NIFP nog actueel is. Primair meent de raadsman dat volstaan kan worden met het opleggen van de voorwaarde dat zijn cliënt zich ambulant dient te laten behandelen bij het[kliniek 1]. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van een glas-in-loodraam van zijn buren. Hij heeft hierdoor schade en overlast veroorzaakt voor zijn buren.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen het psychiatrisch rapport als voornoemd. Hieruit komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van het syndroom van Asperger, een depressieve stoornis (recidiverend) in remissie, een psychotische stoornis NAO en een periodiek explosieve stoornis. In de periode voorafgaand aan 4 augustus 2012 toonde verdachte enkele symptomen van depressieve stemming. Deze symptomen waren echter niet voldoende om te kunnen spreken van een ‘full blown’ depressieve episode. Verder was verdachte in de periode voor 4 augustus 2012 psychotisch. Verdachte is bekend met woedeaanvallen. Op 4 augustus 2012 voelde hij een woedeaanval opkomen. Het lukte hem niet afleiding te zoeken. Hij voelde zich chaotisch. De klinische inschatting is, dat het recidiverisico hoog is als verdachte niet adequaat wordt behandeld en als er geen toezicht is op zijn gedrag en medicatie inname. Het risico is zeker hoog als verdachte psychotisch of randpsychotisch is. De ambulante psychiatrische behandeling zoals die tot dan toe wordt gegeven, is onvoldoende om het recidiverisico te verlagen, aldus de psychiater. Geadviseerd wordt de overdracht van de ambulante psychiatrische behandeling aan het[kliniek 1] in Winterswijk, omdat dit team verdachte intensiever kan begeleiden dan het ambulante team waar hij in behandeling is. Het is van belang dat verdachtes toestandsbeeld nauw en proactief wordt gemonitord om te voorkomen dat hij wederom net zo psychotisch wordt als ten tijde van het ten laste gelegde. Verder wordt geadviseerd dat een deel van de ambulante behandeling wordt gedaan door de Forensische polikliniek van [kliniek 2]. Het gaat dan om de modules: delictscenario, recidivepreventie plan en agressieregulatie. Daarnaast wordt een reclasseringstoezicht geadviseerd. Ten slotte wordt geadviseerd om regelmatige bloedcontroles van de medicatiespiegels als een bijzondere voorwaarde op te nemen om meer zekerheid te hebben dat verdachte deze goed en regelmatig inneemt.

De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat verdachte een blanco strafblad heeft.

Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, ziet zij aanleiding voor het toepassen van een andere strafmodaliteit. De rechtbank zal verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete opleggen met een proeftijd van één jaar. De rechtbank ziet vanuit het oogpunt van proportionaliteit en mede gelet op het tijdsverloop sedert de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis af van de geadviseerde (ambulante) behandelingsvoorwaarden, te minder nu verdachte zich in het afgelopen jaar aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en hij beschikt over een sociaal vangnet. De proeftijd wordt gesteld op een jaar, gezien het tijdsverloop in deze zaak en het uitblijven van nieuwe justitiecontacten.

De rechtbank hecht eraan op te merken dat indien zij tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde zou zijn gekomen, zij mede gelet op het tijdsverloop sinds het opmaken van het rapport en de positieve ontwikkeling die verdachte sinds de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis heeft doorgemaakt, evenmin zou hebben gekozen voor een ambulante behandeling bij het FACT team in combinatie met een ambulante behandeling bij [kliniek 2].

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.550,- voor materiële schade en € 500,- voor immateriële schade, beide te vermeerderen met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 550,- voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

De raadsman heeft ten aanzien van de materiële schade betoogd dat het raam € 1.000,- heeft gekost en de benadeelde partij er niet beter van mag worden. Daarnaast is geen sprake van reparatie en is niet zeker dat het raam wordt vervangen. Volgens de raadsman heeft zijn cliënt ook schade geleden en heeft [slachtoffer 1] bekend de deur te hebben vernield. De vordering die zijn cliënt tegen [slachtoffer 1] kan indienen, dient dan ook te worden verrekend met de onderliggende vordering, aldus de raadsman. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman betoogd dat zowel ten aanzien van [slachtoffer 1] als ten aanzien van [slachtoffer 2] een bedrag van € 350,- reëel is en in lijn met hetgeen in den lande over het algemeen in een soortgelijke situatie wordt toegekend.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen toewijsbaar zijn, doch dat geen verrekening dient plaats te vinden met de door verdachte geleden schade.

Gelet op het feit dat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering ter zake van immateriële schade. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen derhalve slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van de onder 2 bewezen verklaarde vernieling rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is, vermeerderd met de wettelijke rente, voor toewijzing vatbaar. De rechtbank overweegt in dit verband dat de vordering voldoende onderbouwd is. Dat (nog) geen sprake is van reparatie van de schade dan wel vervanging van het vernielde raam doet aan het voorgaande niet af, nu reparatie dan wel vervanging niet is vereist voor een geslaagd beroep op schadevergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank is geen plaats voor verrekening van de vordering van [slachtoffer 1] met de door verdachte geleden schade nu niet is gebleken dat [slachtoffer 1] de hieruit voortvloeiende vordering heeft erkend.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 27, 36f en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:


Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 500,- (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis;

 bepaalt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 bepaalt, dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht volgens de maatstaf van € 50,00 per dag;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 1.550,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2012, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 1.550,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2012, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 25 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

  • -

    heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Gerbranda en Cremers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 december 2013.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0646 2012106315, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, gesloten en ondertekend op 6 augustus 2012.

2 (Stam)proces-verbaal, relaas, p.2

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], p.21-22

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], p.25-26

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p.36