Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:5159

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
05-862043-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor poging tot doodslag en een overtreding van de Wet wapens en munitie (bezit van een balletjespistool).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 05/862043-13

Uitspraak d.d. 4 december 2013

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in PI [adres 1]

raadsvrouw: mr. L. Thomson, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 28 op 29 juni 2013 in de gemeente Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met zeer veel kracht

- in diens gezicht en/of op/tegen diens hoofd heeft geschopt en/of geslagen en/of gestompt

en/of

- in diens zij en/of in diens rug(streek) en/of in diens maag(streek) heeft geslagen en/of

gestompt en/of geschopt en/of

- met zodanige kracht in diens gezicht en/of op/tegen diens hoofd en/of elders op/tegen diens

lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of geduwd dat deze hard

(voorover) ten val is gekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de nacht van 28 op 29 juni 2013 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (indeuking/breuk voorhoofdsholte en neusbreuk en oogkasbreuk, hersenschudding), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal met zeer veel kracht in diens gezicht en/of tegen diens hoofd te schoppen en/of te slaan en/of te stompen en/of deze met zodanige kracht in diens gezicht en/of op/tegen diens hoofd en/of elders op/tegen diens lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te duwen dat deze hard (voorover) ten val is gekomen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de nacht van 28 op 29 juni 2013 te Apeldoorn met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Hoofdstraat en/of Caterplein en/of Korenstraat en/of Deventerstraat, in elk geval op of aan een of meer openbare wegen, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal met zeer veel kracht die [slachtoffer] in diens gezicht en/of op/tegen diens hoofd en/of in diens zij en/of in diens rug(streek) en/of in diens maag(streek) en/of tegen diens

be(e)n(en) en/of elders op/tegen diens lichaam slaan en/of stompen en/of schoppen en/of duwen en/of die [slachtoffer] met zodanige kracht tegen diens lichaam slaan en/of stompen en/of schoppen en/of duwen dat deze hard (voorover) ten val is gekomen;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met 12 augustus 2013 in de gemeente Apeldoorn een wapen van categorie I onder 7°, te weten een gasdrukpistool (een zogenaamde airsoftgun), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen(te weten een pistool van het merk Springfield, model 1911-A1-mil-specs) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 29 juni 2013 omstreeks 03.40 uur kreeg de meldkamer Oost-Nederland een melding dat in de Hoofdstraat in Apeldoorn, ter hoogte van de winkel Le Ballon (Hoofdstraat 118) een man met een bebloed gezicht op de grond lag. Verbalisanten zagen ter plaatse een man, naar later bleek [slachtoffer], op de grond zitten. [slachtoffer] werd door de ambulancedienst meegenomen naar het Gelre Ziekenhuis in Apeldoorn. Diezelfde dag heeft [slachtoffer] aangifte gedaan. Op 12 augustus 2013 werd verdachte aangehouden en in verzekering gesteld.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft hij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van de ten laste gelegde poging tot doodslag heeft zij aangevoerd dat verdachte ontkent dat hij het slachtoffer tegen het hoofd heeft geschopt. Medeverdachte[medeverdachte 1] is twaalf keer door de politie verhoord en in zijn laatste verklaring wijst hij naar de verdachte. Naast de verklaring van[medeverdachte 1] is er geen bewijs voorhanden dat verdachte het slachtoffer tegen het hoofd zou hebben geschopt. De schoenen van verdachte zijn onderzocht en er werd geen bloed op de schoenen aangetroffen (pagina 239 van het dossier). Verdachte heeft tegen de schouder van het slachtoffer geschopt en niet tegen het hoofd. Het slachtoffer had zijn arm/handen voor zijn gezicht en de schop van verdachte was niet gericht op het hoofd. De raadsvrouw heeft verder verwezen naar het letselrapport (pagina 238) waarin is vermeld dat het hoofdletsel kan zijn veroorzaakt door een schop of een stomp. Het slachtoffer is volgens verdachte tegen een bankje gevallen en daardoor kan het hoofdletsel zijn ontstaan, aldus de raadsvrouw. Als verdachte het slachtoffer wel aldus zou hebben geschopt dan is er geen sprake van voorwaardelijk opzet, omdat verdachte een vriend wilde beschermen.

De raadsvrouw heeft subsidiair een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces en ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Er was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van medeverdachten[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Verdachte hield zich in eerste instantie afzijdig van de confrontatie, maar het slachtoffer bleef opstaan en aanvallen. Verdachte wilde het slachtoffer tegenhouden, maar hij werd weggeduwd door het slachtoffer. Verdachte verkeerde op dat moment in een hevige gemoedstoestand, het slachtoffer heeft een stevig postuur en de vriend van verdachte werd aangevallen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde feit uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op zaterdag 29 juni 2013 omstreeks 03:40 uur kregen verbalisanten opdracht van de meldkamer Oost-Nederland om naar de Hoofdstraat n Apeldoorn te gaan, ter hoogte van Le Ballon en Witteveen, omdat er een man met een bebloed hoofd op de grond zou liggen. Ter plaatse zagen verbalisanten een man, naar later bleek [slachtoffer], op de grond zitten. Het gezicht van het slachtoffer zat onder het bloed. Het slachtoffer gaf aan niet meer te weten wat er was gebeurd. Hij was in café Humphrey geweest en was onderweg naar huis. De fiets van het slachtoffer stond op ongeveer tien meter afstand van de plek waar het slachtoffer was aangetroffen. Verbalisanten zagen dat het linkeroog van het slachtoffer blauw en opgezwollen was en er een deuk tussen de wenkbrauwen zat.2 Een van de verbalisanten heeft aangegeven dat [slachtoffer] heeft verklaard dat hij drie jongens inhaalde en dat hij vervolgens een klap voelde.3

Op 29 juni 2013 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij vrijdagavond
28 juni 2013 zijn fiets in de bewaakte fietsenstalling in het centrum van Apeldoorn had gestald. Omstreeks 03:00 uur is hij op de fiets naar een snackbar op het Caterplein in Apeldoorn gefietst. Daarna wilde hij via het Caterplein over de Hoofdstraat richting het station fietsen. Toen hij richting de Hoofdstraat fietste, heeft hij drie jongens op de fiets ingehaald. Hij heeft deze jongens niet aangesproken. Hij heeft met niemand ruzie gehad. Wat er daarna is gebeurd, kan hij zich niet meer herinneren.4

Uit het dossier blijkt verder dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] meerdere verklaringen bij de politie hebben afgelegd. Zij zijn eerst als getuigen gehoord en daarna als verdachten. Daarbij hebben zij wisselende verklaringen afgelegd, ieder voor zich maar ook onderling vergeleken. Verdachte heeft eerst ontkend betrokken te zijn bij het incident. Pas op 14 augustus 2013 nadat hij was geconfronteerd met tapgesprekken heeft hij verklaard over zijn betrokkenheid. Uiteindelijk hebben verdachte en zijn medeverdachten toegegeven ter plaatse te zijn geweest, maar hebben zij een andere lezing van de toedracht. De kern van hun uiteindelijke verklaringen is dat aangever de agressor was en dat zij zich hebben verdedigd tegen het geweld van aangever.

Behalve aangever, die volgens zijn verklaring een beperkte herinnering aan de gebeurtenissen heeft, en verdachte en zijn medeverdachten, zijn er geen directe ooggetuigen (mensen die de gebeurtenissen zelf hebben gezien). Uit de processen-verbaal van bevindingen blijkt dat [slachtoffer] met een bebloed gezicht alleen is aangetroffen op de grond in het centrum van Apeldoorn. Bij het aantreffen van [slachtoffer] heeft niemand zich gemeld die mogelijk betrokken was bij het incident. [slachtoffer] werd derhalve alleen en gewond achtergelaten.5

De rechtbank zal derhalve eerst de andere onderzoeksresultaten beoordelen. Daarbij spelen de camerabeelden, de telefoontaps, het bij aangever vastgestelde letsel en de door verdachte en zijn medeverdachten (bij de politie) afgelegde verklaringen een belangrijke rol.

De toedracht

- De tijd

Door de politie is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van camerabeelden kort voor, tijdens en na het incident.6

Uit beelden van een camera bevestigd aan de Museumpassage blijkt dat [slachtoffer] om 03:34:45 uur naar de ingang van de fietsenstalling loopt. Vervolgens fietst [slachtoffer] weg in de richting van de Nieuwstraat. Omstreeks 03:35:09 uur verdwijnt hij uit beeld.

Uit de beelden van een camera gemonteerd aan de Hoofdstraat met een overzicht van de Paslaan aan de linkerzijde en de Hoofdstraat aan de rechterzijde blijkt dat om 03:35:57 uur drie personen aanstalten maken om weg te fietsen. Om 03:36:12 verdwijnen de drie personen uit beeld, fietsend in de richting van de Hoofdstraat in de richting van het station. Omstreeks 03:37:15 uur fietst een persoon komende uit de richting van de Paslaan de Hoofdstraat op.7

Er zijn door de politie ook camerabeelden opgevraagd van een camera van de winkel [naam winkel], gevestigd aan de [adres 2]. Deze winkel bevindt zich volgens de politie globaal 33 meter van de plaats waar [slachtoffer] de bewuste nacht werd aangetroffen. Uit die camerabeelden blijkt dat om 03:47:14 [slachtoffer] op de fiets voorbijkomt. Hij komt uit de richting van de Paslaan en fietst in de richting van de Deventerstraat. [slachtoffer] lijkt flink door te fietsen, aldus de politie. Om 03:47:18 uur is te zien hoe drie personen voorbij komen fietsen. Zij komen uit dezelfde richting als [slachtoffer] en gaan ook in dezelfde richting als [slachtoffer] verder. De snelheid waarmee deze personen fietsen lijkt aanmerkelijk lager te liggen dan de snelheid van [slachtoffer]. Om 03:48:43 uur komen twee personen voorbijfietsen. Zij komen uit de richting van de Paslaan en fietsen in normaal tempo door in de richting van de Deventerstraat.8 Uit onderzoek blijkt dat de camera van [naam winkel] elf minuten en tien seconden voorloopt op de werkelijke tijd.9

Uit het proces-verbaal over de camerabeelden van [naam winkel] blijkt dat aangever op korte afstand van de plaats delict (33 meter) een voorsprong van 4 seconden heeft op de groep van 3 fietsers, waarvan uit het dossier blijkt dat het verdachte en zijn mede-verdachten betreft. De laatsten hebben op dat moment een voorsprong van 1 minuut en 25 seconden op de twee volgende fietsers, waarvan uit het dossier volgt dat het gaat om getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de gebeurtenissen zich derhalve in minder dan anderhalve minuut hebben afgespeeld, omdat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaard hebben dat zij niemand meer zagen toen zij aangever gewond aantroffen10.

- Het letsel

Uit de geneeskundige verklaring van 17 juli 2013 blijkt dat [slachtoffer] een indeuking/breuk voorhoofdsholte had. Tevens was er een neusbreuk en een oogkasbreuk. Er waren meerdere afgebroken stukken van de voortanden. Er zou een operatie plaatsvinden voor het vastzetten van de voorhoofdsholte, de oogkas via een incisie op het achterhoofd en het vervolgens afschuiven van de voorhoofdshuid tot over de oogkassen. Vervolgens het vastzetten met titaniumplaten en terugzetten van de neusbreuk. De duur van de genezing werd geschat op zes weken tot negen maanden.

Uit het letselrapport van de GGD, Noord- en Oost Gelderland van 30 juni 2013 (met aanvullingen d.d. 30 september 2013) blijkt dat er geen letsel is opgegeven bij hals, romp, armen en benen. Wel letsel van het hoofd. De oogleden zijn beiderzijds zowel boven als onder fors gezwollen, ogen zijn enkele millimeters open. In de neusgaten zijn resten oude bloedvaatjes. De neus is fors gezwollen, er lijkt enige scheefstand naar de linkerzijde. Op de neusrug en daarboven is oud bloed aanwezig, enkele, streepvormige letsels, deels onderbreking van de huid, deels blauw-rode verkleuring, met name boven het linker oog is een patroon zichtbaar. De kin heeft een rode verkleuring met mogelijk iets zwelling. Onder rechter oor en op oorlel enkele blauw-rode verkleurde streepvormige en puntvormige letsels. Naast het linker oor is een kleine streepvormige onderbreking van de huid te zien. Boven op het hoofd zijn kleine deels streepvormige, parallel verlopende, deels puntvormige, blauw-rood verkleurde letsels, kleine onderbrekingen van de huid. Er was sprake van een inwendig trauma in het hoofd en fracturen van de beenderen van het hoofd. Een hersenschudding lijkt gezien de aard van de letsels waarschijnlijk.
In het letselrapport is verder vermeld dat het geconstateerde letsel kan passen bij de toedracht die gesuggereerd wordt door de partner van [slachtoffer], namelijk toegebracht door stomp trauma in het gelaat, bijvoorbeeld met een schoen. Er is een forse impact geweest door contact met een stomp, redelijk plat voorwerp, mogelijk met een profiel. Eenmalig contact met een stomp voorwerp lijkt meest waarschijnlijk, meerdere impacten zijn niet uitgesloten. Gezien de aard van het letsel is het minder waarschijnlijk dat het letsel is veroorzaakt door contact met eigen onderarm/elleboog (met kracht in beweging gezet door andere persoon). Daarbij zou de kracht op deze onderarm aanzienlijk moeten zijn geweest, het is vreemd dat [slachtoffer] geen pijn/letsel aangeeft aan deze arm. Op 30 juni 2013 werd [slachtoffer] van het Gelre Ziekenhuis in Apeldoorn overgeplaatst naar het UMC in Utrecht voor een operatie.11

Op grond van vorenstaande medische informatie komt de rechtbank tot de conclusie dat aangever ernstig gewond op straat is achtergebleven. Het gaat bovendien om letsel dat als zeer zwaar lichamelijk letsel is aan te merken.

Verdachte heeft verklaard dat hij enkele dagen na het incident last heeft gehad van een opgezette hand vanwege een klap die hij [slachtoffer] heeft gegeven.12

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij een blessure aan zijn voet heeft overgehouden door het geven van een trap tegen een been van [slachtoffer].13

Van ander letsel bij verdachte en diens medeverdachten is de rechtbank niet gebleken.

- De telefoontaps / uitlezen telefoon

Er is onderzoek verricht naar de telecommunicatie op de telefoonlijnen van verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Uit tapgesprekken blijkt het volgende. Nummer 395 is verdachte. Nummer 385 is medeverdachte [medeverdachte 1] en nummer 449 is medeverdachte [medeverdachte 2]14.

Uit het opgenomen tapgesprek tussen beller NNman395 en gebelde blijkt het volgende. Op 24 juli 2013 om 00:41:11 uur:

NN-man395 belt uit met NN-man.

NN-man vraagt of hij [medeverdachte 2] aan de telefoon mag. Hierna wordt [medeverdachte 2] geroepen.

op de achtergrond roept iemand "[verdachte]", kennelijk om te verduidelijken dat

[verdachte] aan de telefoon is. op de achtergrond roept iemand "nergens over

praten' .

vervolgens wordt hieronder letterlijk weergegeven:

NN-man: Joh.

NN-man395: He [medeverdachte 1]. Hoe heet dat? Jij bent toch ook al geweest?

[medeverdachte 1]: He ?

NN-man395: "Jij bent toch al geweest voor eh dinge?

[medeverdachte 1]: Ja.

NN-man395: moest je een route tekenen?

[medeverdachte 1]: wat ze~ je ? Ja.

NN395: ben Je via Mango gegaan of .... onverstaanbaar.

[medeverdachte 1]: ja, ja ja.

NN395: Ben je via Mango gegaan?

[medeverdachte 1]: ja.

NN395: of via Hangar, dat stukje?

[medeverdachte 1]: Nee, Mango.

NN395: Mango en dan dinge .... (onverstaanbaar) ?

[medeverdachte 1]: praat, praat niet over de telefoon jonge.

NN395: Jonge, dat kenne ze niet hacken, Jonge.

[medeverdachte 1]: Hmm?

NN395: dat kunnen ze niet .. (onverstaanbaar) volgen.

[medeverdachte 1]: Neeeh, ik heb, ik heb via via Appie zijn we toen gegaan toch?

NN395: ja.

[medeverdachte 1]: Appie, Marktplein over ...

NN395: Marktplein ..

[medeverdachte 1]: langs Mango. En toen zijn we linksaf gegaan waar die auto's alleen maar

van een kant af konden.

NN395: ja, ja, ja.

[medeverdachte 1]: en toen daar naar rechts het fietspad op. Over die brug en dan langs het

kanaal naar huis.

NN395: langs kanaal, oh ja, ik weet het al.

[medeverdachte 1]: ja maar .....

NN395: Quinty.

[medeverdachte 1]: Wat?

NN395: Quinty's Crew toch?

[medeverdachte 1]: wat zeg je ?

NN395: Quinty s Crew.

[medeverdachte 1]: ik kan je niet verstaan joh.

NN395: Quinty's crew, daar, dat die, voorlangs ... toch?

[medeverdachte 1]: eeh, ik weet niet, ik kon alleen maar tekenen tot aan eeh, waar we, waar we links gingen.

NN395: ooh, oke, nee, dan is het goed man.

[medeverdachte 1]: Ja ?

NN395: ja. oke, is cool.

[medeverdachte 1]: oke.

NN395: kalm.

[medeverdachte 1]: jeuh.”15

Op 24 juli 2013 om 15:00:03 uur belt NNman395 met NNMan981. Uit dit gesprek blijkt het volgende:

nnman1: Kankerhonden, ze vragen godverdomme vier keer hetzelfde joh, op een

andere manier. Ik zeg de hele tijd, dat zeg ik net als met [medeverdachte 1].

Kankerirritant jonge.

nnman2: Klopt.

nnman1: (…)

Kankerirritant jonge, dat gedrag van hun.

(..)

De hele tijd kankerirritant doorvragen alsof ik kankerverdachte wordt, opkankeren man, ik werd helemaal gek daar.

(..)

Kankerirritant jonge, doen ze

net alsof ze mij te pakken hebben ofzo, opkankeren.”16

Op 27 juli 2013 om 22:24:43 uur belt NN-man449 met NN-man395. Uit het gesprek blijkt het volgende:

395: Die eh, hoe heet dat, zaak is stopgezet, man. Want ze hebben te weinig

bewijs.

449: hoe weet je dat?

395: eh, ik heb eh gechat. Ik ging kijken voor die [betrokkene 1] toch, van die ogen incident toch ?

449: ja.

395: daar stond opeens zo'n eh, een website met eh, ik ... (onverstaanbaar) of zo.

449: ja

395: Maar ik ging opzoeken, kwam ik opeens op de site. Maar daar stond zijn verhaal ook op maar ook alle ... (onverstaanbaar) topic van 25 mei ... 26 mei. 25 mei was het eh van de zaak van mishandeling stopgezet. Ik dacht fuck ... . 38-jarige man in elkaar geslagen bij de Korenstraat. Dat is waar wij hem in elkaar hebben geslagen.

449: ja.

(…)

En eh, maar nu is het alleen wachten op kijken wat [betrokkene 2]zegt, toch?

449: hmmm, beter, beter.

395: maar eh, de zaak wordt gewoon stopgezet maar ik bedoel ze hebben te weinig bewijs en als ze veel (fon) bewijs, dan wordt het nog wel herhaald maar dat denk ik niet, want ja, jongen, die vent was ook dronken en die trap van mij, dat was gewoon een knock-out trap en hij weet gewoon helemaal niks meer.

(..)

395: Jaah, ik weet niet, van [betrokkene 2] weet ik eigenlijk niet, maar ik bedoel, als ze zegt: ja, dat zijn [verdachte] [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], ja, dan komen we toch weer ... (onverstaanbaar), waar waren we dan? Ik bedoel, ze hebben ons op de camera zien staan bij de Kijkshop.

449: ja precies.

395: DUS daar gewoon.

449: das ook de enige die ze hebben.

(…)

395: nee, maar dat maakt niet zoveel uit, ik bedoel als ze een naam (fon) krijgen. Ik bedoel ik blijf gewoon bij mijn hele verhaal want hoe erger je in je verhaal gelooft. Ik bedoel ik geloof heel erg in mijn verhaal omdat ik elke keer met jullie zit te praten en ik [betrokkene 3] (fon) sms'st (fon) me ook wel en belt me ook van ja, ik heb weer nieuw nieuws en zo en hij begint elke keer dit en dat te zeggen.

449: ja

395: En 'dan weet je ook niet meer anders. Ik bedoel ik weet wel wat er was gebeurd maar elke keer wordt het wel anders. En toch, je moet wat anders bedenken dit en dat.

449: hmmmm.

395: nou elke keer dacht van, ik geloof toch dat ik het in een keer dat kan en toen geloofde ik gewoon zelf dat ik gewoon zelf niks had gedaan toch?

449: ja precies

395: als je dat gelooft kom je nog wel geloofwaardig over.

(..)

395: Ja, ik bedoel als een volgende keer dit weer gebeurt, ik zou zeggen van eh, ja de vorige keer met die gozer dan, ah als dat nog weer eens met ... (onverstaanbaar) dan zou ik gewoon zeggen van tegen die vent ja, laat het gewoon zitten weet je.

449: ja precies

395: ... (onverstaanbaar) gewoon geen zin om te vechten en als je dan nog, ik bedoel, ik bedoel als hij dan toch .... (onverstaanbaar) oke, dan zal ik hem nog wel slaan weet je. Gewoon gelijk boem, weet ik veel wat. Maar ik bedoel, wat vorige keer ging eigenlijk om niks maar. omdat ik toen sowiezo al frustraties had en zo weet ik nog(fon)

449: ja ja ja.”17

Uit onderzoek naar de telefoon van verdachte blijkt van een berichtenuitwisseling (Whatsappberichten) tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op 29 juni 2013.

“[verdachte] kk mooi werk

[medeverdachte 1] ik kan niet meer lopen gek
ik heb kanker pijn
[verdachte] heb je een bult op je poot

[medeverdachte 1] ja”18

Naar het oordeel van de rechtbank komt uit het vorenstaande naar voren dat tussen verdachten gesproken wordt over geweld dat door verdachte en zijn medeverdachten is gebruikt tegen het slachtoffer (“Dat is waar wij hem in elkaar hebben geslagen”, “ze hebben te weinig bewijs” en “die trap van mij, dat was gewoon een knock-out trap”, “kk mooi werk”). Verder blijkt daaruit dat verdachten afspraken hebben gemaakt over de af te leggen verklaringen.

- Verdachtenverklaringen over het geweld

De verdachte heeft op 14 augustus 2013 bij de politie verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij zag dat [slachtoffer] op [medeverdachte 1] afliep en [medeverdachte 1] wilde slaan. Verdachte liep naar de man toe en gaf hem een klap met zijn rechtervuist. De man gleed uit en viel vervolgens op de grond tussen het bankje en een prullenbak. Toen [slachtoffer] daar lag, gaf verdachte hem met zijn linkerbeen met kracht een trap tegen zijn rechter bovenarm/schouder. Hij zag dat [slachtoffer] zijn armen omhoog deed, terwijl [slachtoffer] op de grond lag en verdachte hoorde [slachtoffer] snurken, nadat hij die trap had gegeven.19

Op 19 augustus 2013 heeft verdachte bij de politie verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij [slachtoffer] met zijn linker vuist met kracht een klap in het gezicht heeft gegeven. [slachtoffer] viel op een gegeven moment achterover en tijdens de val zag verdachte dat [slachtoffer] met zijn rechterhand een klap wilde opvangen, maar daarbij met zijn rechterhand het bankje raakte. [slachtoffer] viel met de rechterkant van zijn hoofd tegen het bankje. Hij viel verder achterover op de grond en verdachte hoorde een doffe knal. [slachtoffer] wilde omhoog komen. Hij kwam met zijn bovenlichaam omhoog waarbij hij zich op de grond afzette met zijn beide handen. Verdachte liep op [slachtoffer] af en gaf hem met zijn linkerbeen met kracht een trap. Het zou kunnen dat de trap ook zijn gezicht raakte. Verdachte weet in ieder geval wel dat [slachtoffer] na de trap als een lappenpop met zijn armen bewoog en direct knock-out ging. Verdachte hoorde ook dat [slachtoffer] direct daarna snurkte en had direct voordat hij de trap gaf, geen zichtbare verwondingen in het gezicht van [slachtoffer] gezien buiten een bebloede lip. Direct na de knock-out trap is verdachte naar zijn fiets gerend en naar huis gefietst. Hij had nog tegen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geschreeuwd: “Kom, kom jongens, we gaan.” en zij gingen gelijk mee.

Verdachte had enkele dagen na het incident last gehad van een opgezette rechter hand.20

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij aangever een vuistslag in het gezicht heeft gegeven, waardoor de man viel. Daarna heeft [medeverdachte 2] de man nog twee vuistslagen in de zij gegeven. Volgens [medeverdachte 2] heeft verdachte de man met de vuisten geslagen toen de man op handen en knieën zat en wilde verdachte de man ook een trap geven. [medeverdachte 2] zag dat de man bleef liggen21.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de man een duw gaf. [medeverdachte 1] gaf de man een trap en blesseerde zich daarbij. [medeverdachte 1] maakte een slaande beweging naar de man maar weet niet of het raak was. Volgens [medeverdachte 1] sloeg [medeverdachte 2] de man in het gezicht waardoor deze viel. De man wilde zich omhoog drukken en toen gaf verdachte de man een trap in het bovenste deel van het gezicht, waarna de man knock-out ging22.

- Conclusie omtrent toedracht

Gelet op het vorenstaande zelfstandig en in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat er iets moet zijn gebeurd tussen aangever en verdachte en zijn medeverdachten dat leidde tot een treffen dat minder dan anderhalve minuut moet hebben geduurd en dat er mee eindigde dat aangever ernstig gewond op straat is achtergebleven. Mede gelet op de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten staat vast dat zij alle drie - samen en in vereniging - geweld hebben gebruikt tegen aangever die alleen was. Dat geweld bestond uit schoppen en slaan (met de vuisten) en moet fors zijn geweest gezien het bij aangever vastgestelde letsel.

Het aandeel van verdachte in het geweld bestond uit het geven van een vuistslag in het gezicht van aangever en het schoppen van aangever in diens gezicht terwijl deze op de grond lag danwel bezig was overeind te komen. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat verdachte het slachtoffer alleen tegen de arm danwel schouder heeft geschopt. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt immers dat verdachte de man een trap gaf. De voet van verdachte kwam in het bovenste deel van het gezicht van [slachtoffer] terecht. [slachtoffer] ging naar de grond en hij was knock-out. Uit de letselrapportage blijkt bovendien

dat het letsel past bij een schop in het gezicht. Verdachte zelf heeft uiteenlopend en weinig aannemelijk verklaard omtrent de schop(richting). Zo verklaarde verdachte dat hij het slachtoffer raakte op diens arm, die het slachtoffer voor zijn gezicht hield (“waardoor hij zichzelf sloeg”) terwijl verdachte ook heeft verklaard het slachtoffer op diens schouder te hebben geraakt. Gelet op verdachtes ook op dit punt uiteenlopende verklaringen acht de rechtbank niet aannemelijk dat het slachtoffer gewond is geraakt (met name de indeuking op het voorhoofd) doordat hij – aldus verdachte – met de zijkant van zijn hoofd het bankje heeft geraakt, te minder nu die verklaring overigens geen steun vindt in het dossier. Het hoofd was naar het oordeel van de rechtbank derhalve in elk geval onmiskenbaar de schoprichting.

Verdachten hebben niet of nauwelijks letsel. Uit voormelde telefoontaps (onder meer passages: “Dat is waar wij hem in elkaar hebben geslagen”, “ ze hebben te weinig bewijs” ; “die vent was ook dronken en die trap van mij, dat was gewoon een knock-out trap en hij weet gewoon helemaal niks meer”) en het Whatsappbericht blijkt eveneens dat verdachte en zijn medeverdachten de plegers zijn van het geweld jegens aangever.

Alternatief scenario verdachte en medeverdachten

Verdachte en zijn medeverdachten hebben over de aanleiding en de toedracht een scenario geschetst, dat er op neerkomt dat aangever de agressor was en dat zij zich slechts hebben verdedigd.

Kort samengevat houdt het relaas van verdachte en zijn medeverdachten in dat [slachtoffer] hen op de fiets heeft ingehaald en hij [medeverdachte 2] toen een klap op diens achterhoofd heeft gegeven. [medeverdachte 1] heeft, anders dan verdachte en [medeverdachte 2], nog verklaard dat [slachtoffer] racistische opmerkingen heeft gemaakt. Volgens verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] vervolgens de fiets neergezet en is hij dreigend op de jongens afgekomen. Ter verdediging heeft [medeverdachte 1] hem een duw en een schop gegeven en heeft [medeverdachte 2] hem in de zij geslagen. [slachtoffer] heeft de confrontatie gezocht en zij hebben zich (en elkaar) tegen hem verdedigd, aldus verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].

De rechtbank overweegt dat voor dit scenario, anders dan in de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten, geen enkel aanknopingspunt is te vinden in het dossier. Uit het dossier blijkt dat verdachten lange tijd hun betrokkenheid bij danwel aandeel in het incident hebben ontkend. Zij hebben de tijd en de gelegenheid gehad om hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Dat er onderling is gesproken over deze zaak blijkt ook uit de voormelde tapgesprekken en voormeld Whatsappbericht. Verdachte spreekt zelfs van het in elkaar slaan van het slachtoffer en dat hij het slachtoffer een knock-out trap heeft gegeven. Uit geen van die gesprekken/berichten komt het beeld naar voren van jongens die door een man zijn aangevallen en/of bedreigd waarna zij niet anders konden dan geweld gebruiken om zich te verdedigen of weg te komen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bovendien verklaard dat zij onderling hadden afgesproken een verhaaltje te vertellen, om er vanaf te komen.23

Naast de opstelling van verdachte en de medeverdachten weegt de rechtbank mee de omstandigheid dat verdachte en [medeverdachte 2] nauwelijks tot geen letsel hebben opgelopen tijdens de confrontatie met het slachtoffer. [medeverdachte 1] heeft een bult op de voet, maar dit is veroorzaakt door de schop die hij aangever tegen het been heeft gegeven, toen aangever nog stond.

Uit de hiervoor weergegeven camerabeelden, 33 meter van de plaats delict, blijkt voorts dat [slachtoffer] voorop fietst in een snel tempo en dat verdachten er in een langzamer tempo achteraan fietsen. Over de volgorde van inhalen en het beweerdelijk geven van een klap door [slachtoffer], zoals door verdachte is geschetst, is in de beschikbare camerabeelden geen steun te vinden. Het gaat ook om punten waarover door verdachte en zijn medeverdachten uiteenlopend is verklaard (voor of na de kruising, stoppen voor of ook na de klap in de nek van [medeverdachte 2], al [medeverdachte 1] niet zonder iets terug te zeggen doorfietsen van verdachte en medeverdachten, al dan niet tussen verdachte en zijn medeverdachten doorfietsen). Opvallend is bovendien dat verdachte en [medeverdachte 2] niet hebben verklaard over discriminerende opmerkingen die aangever volgens [medeverdachte 1] zou hebben gemaakt. Deze verschillen maken de verklaringen omtrent de alternatieve toedracht te minder aannemelijk.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geschetste scenario niet aannemelijk is geworden.

Juridische betekenis van het gebruikte geweld

Verdachte en zijn medeverdachten hebben ieder – tezamen – geweld gebruikt tegen aangever. Vaststaat wel dat het geweld is geëindigd met de trap van verdachte waarop aangever knock-out ging.

De vraag is of de schop die verdachte aangever gaf, een poging doodslag oplevert.

Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval.

Verdachte heeft het slachtoffer dat als gevolg van een vuistslag was gevallen en overeind probeerde te komen, (met geschoeide voet en met kracht) een schop midden in het gezicht gegeven. Het slachtoffer was extra kwetsbaar door de positie die hij ten opzichte van verdachte, die stond, innam. Het kan niet anders zijn [medeverdachte 1] dat verdachte heeft gezien in welke richting hij uithaalde. Verdachte had het slachtoffer dodelijk kunnen verwonden gezien de vitale lichaamsfuncties in het getroffen gebied in het hoofd van het slachtoffer, zijn schoprichting en de kracht waarmee is geschopt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich – minst genomen - willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de dood door deze schop zou intreden en heeft hij die aanmerkelijke kans bewust aanvaard. Het oordeel van de rechtbank dat sprake is van opzet, in ieder geval in de voorwaardelijke zin, wordt nog onderstreept door het feit dat verdachte, blijkens het tapgesprek op 27 juli 2013, heeft gezegd dat die trap van hem een knock-out trap was. Mede gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] waaruit volgt dat verdachte in aangevers gezicht schopte en voormeld tapgesprek, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte aangever een knock-out trap heeft willen geven. Daarmee heeft hij het risico voor lief genomen dat de knock-out trap een doodschop zou kunnen zijn.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de onder het 2e en 3e gedachtestreepje weergegeven handelingen nu verdachte deze niet (in de tenlastegelegde zin) heeft gepleegd.

De rechtbank moet verder de vraag beantwoorden of het geweld het medeplegen van een poging doodslag oplevert.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van dergelijk medeplegen.

Het slaan met de vuisten en de trap tegen het been leveren in dit geval niet dergelijk medeplegen op.

De vraag is dan of de schop die verdachte heeft gegeven, en waarmee het geweld is geëindigd, aan de anderen als medeplegers kan worden toegerekend. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Uit het dossier blijkt niet van een gezamenlijk plan ten aanzien van de schop of dat anderen bij het geven van die schop een rol hebben gespeeld (bijv. opruien, aanmoedigen). Na de schop zijn verdachte en zijn medeverdachten vertrokken. Van de vereiste bewuste en nauwe samenwerking, zoor zover dit ziet op de schop in het gezicht van [slachtoffer] en het daardoor ontstane letsel, is de rechtbank derhalve niet gebleken. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het medeplegen van de poging doodslag.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan.

Feit 224

Op 12 augustus 2013 is bij verdachte thuis (op zijn slaapkamer) in Apeldoorn een voorwerp inbeslaggenomen (een Airsoftgun, een balletjespistool)25 dat een nabootsing is van een pistool dat wat betreft vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen, te weten een pistool van het merk Springfield, model 1911-A!-Mil-specs.26 Uit onderzoek bleek dat voornoemde Springfield een vuurwapen is in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder A van de Regeling wapens en munitie.27

Verdachte heeft zowel bij de politie28 als ter terechtzitting erkend29dat hij dit balletjespistool in zijn bezit had, nadat hij het in de zomervakantie van 2012 had gekocht. Verdachte wist dat het bezit van zo’n pistool verboden was.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de nacht van 28 op 29 juni 2013 in de gemeente Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met zeer veel kracht in diens gezicht heeft geschopt en gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.


2.

hij in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 12 augustus 2013 in de gemeente Apeldoorn een wapen van categorie I onder 7°, te weten een gasdrukpistool (een zogenaamde airsoftgun), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen(te weten een pistool van het merk Springfield, model 1911-A1-mil-specs) voorhanden heeft gehad;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1 primair:poging tot doodslag;

Feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van het feit en de verdachte

- Bespreking van het beroep op noodweer(-exces) (feit 1)

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair dan wel subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft gehandeld uit noodweer

(-exces), zodat hij voor dit feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich moest verweren, nu hij door [slachtoffer] werd aangevallen. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waardoor verdachte tegen [slachtoffer] geweld heeft gebruikt, hetgeen in die situatie proportioneel was.

Volgens de officier van justitie is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een noodweersituatie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Er is sprake van noodweer als het feit is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk gevaar voor zo een aanranding. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond. Voor het scenario van verdachte, dat er op neerkomt dat aangever de agressor was, zijn zoals hiervoor reeds overwogen, geen aanknopingspunten te vinden in het dossier. Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen omtrent de toedracht dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Het beroep van verdachte op noodweer dan wel noodweerexces kan derhalve niet slagen zodat het wordt verworpen.

- De persoonsrapportage

Door drs. [psycholoog], GZ-psycholoog, is op 17 oktober 2013 een rapport over verdachte opgemaakt. In dit rapport wordt – onder meer – het volgende geconstateerd/geconcludeerd.

Bij betrokkene is geen sprake van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling. Verdachte functioneert op een beneden gemiddeld intelligentieniveau, maar niet dermate laag dat dit zijn beoordelingsvermogen of het overzicht over de wereld om hem heen in sterke mate beïnvloedt. Wel is sprake van enige impulscontrole problemen, heeft hij de neiging gevoelens van angst en onzekerheid te loochenen en heeft hij weinig zicht op zijn eigen en andermans grenzen. Betrokkene functioneert verder op de diverse levensgebieden goed. Ten tijde van het tenlastegelegde was er geen sprake van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling. Er was dan ook geen sprake van een doorwerking van een van beide in het delict. Geadviseerd wordt betrokkene volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de psycholoog over en komt, gezien de persoonlijkheidsproblematiek en de context waarin het onder 1 primair bewezen verklaarde feit is gepleegd tot het oordeel dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit volledig toerekeningsvatbaar is. De rechtbank ziet ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

Verdachte is derhalve strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van poging tot doodslag te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Als bijzondere voorwaarden is gevorderd een toezicht door de reclassering, een meldplicht en een CoVa-training*.

De raadsvrouw heeft bij een eventuele strafoplegging bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Er kan een voorwaardelijke straf van lange duur worden opgelegd. De psycholoog en de reclassering hebben aangegeven dat detentie voor verdachte niet passend is. Het wordt wenselijk geacht dat verdachte zijn gewone leven weer zo snel mogelijk oppakt, waaronder zijn schoolopleiding, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bijzonder ernstig misdrijf, te weten poging tot doodslag. Hij heeft het slachtoffer dat na een vuistslag (van een medeverdachte) op de grond was gevallen en daar weerloos lag, met een geschoeide voet in het gezicht geschopt.

Het letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen, is ernstig. Hij heeft een ingrijpende operatie moeten ondergaan; een andere operatie volgt nog. Hij heeft een titaniumplaat in zijn hoofd, een litteken bovenop zijn hoofd van oor tot oor en (tijdelijk) geen geur- en reukvermogen. [slachtoffer] had door de handelwijze van verdachte het leven kunnen verliezen. Verdachte heeft daardoor een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Naast het lichamelijk letsel dat [slachtoffer] hierbij heeft opgelopen, en waarvan hij nog steeds last ondervindt, de littekens waarmee hij achterblijft, leert de ervaring dat slachtoffers van geweldsmisdrijven daar ook nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen van kunnen ondervinden. Daarvan is ook hier sprake, zoals blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer]. Het gaat om een ernstig geweldsdelict dat een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt en dat leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Daarnaast is bij verdachte thuis een (verboden) balletjespistool aangetroffen.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte, blijkens een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 5 november 2013, eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen in verband met het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. In februari 2012 is hij door de kinderrechter veroordeeld tot een werkstraf en in 2009 heeft hij een transactie voldaan. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met verdachtes opstelling, waaruit een beeld naar voren komt van een man die ondanks zijn jonge leeftijd niet of nauwelijks terugdeinst voor of schrikt van fors geweld en op wie politie-onderzoek en strafvervolging nauwelijks indruk maakt.

De rechtbank houdt verder rekening met het eerder vermelde rapport van [psycholoog], GZ-psycholoog, en met het reclasseringsadvies van 31 oktober 2013.

Door de psycholoog is naar voren gebracht dat de kans op recidive niet voortvloeit uit pathologie, dus vanuit die zin is hier geen uitspraak over te doen. Er is gekeken op basis van het diagnostisch onderzoek en met behulp van de Savry, risicotaxatie voor gewelddadig gedrag, naar de kans op gewelddadige recidive, niet voortvloeiend vanuit pathologie, maar vanuit andere factoren. De kans op gewelddadige recidive wordt als laag ingeschat. Protectieve factoren zijn de betrokkenheid en goede band met ouders, het deel uitmaken van een pro sociale groep jongeren (voetbalclub) en het goed om kunnen gaan met tegenslag. Geadviseerd wordt om betrokkene een zo groot mogelijk voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Aangezien er bij verdachte geen sprake is van een stoornis wordt geen training of behandeling geadviseerd. Mogelijk kan vanuit de penitentiaire inrichting aandacht worden besteed in een eventueel resocialisatietraject aan de invloed van alcohol en peerpressure op het tenlastegelegde. Als een CoVa-training wordt opgelegd, kan de psycholoog zich hierin vinden.

In het reclasseringsrapport is vermeld dat uit het onderzoek geen signalen naar voren komen die verdachte mogelijk in zijn ontwikkeling kunnen bedreigen. Hoewel verdachte aangeeft geen agressieproblemen te hebben, heeft de reclassering de indruk dat verdachte niet altijd adequaat kan omgaan met zijn gevoelens op het moment dat hij door anderen wordt beïnvloed. In deze zaak heeft verdachte zijn zelfbeheersing verloren en impulsief gereageerd. De reclassering is van mening dat het verdachte in soortelijke situaties ontbreekt aan vaardigheden om adequaat te handelen. Hij is niet in staat de gevolgen en consequenties van zijn betrokkenheid te overzien. Op grond van het recidiverisico en de criminogene factor ’gedrag en vaardigheden’ is een toezicht op bijzondere voorwaarden geïndiceerd. Verdachte dient binnen het toezicht de CoVa-training te ondergaan en af te maken. Er zal verder op zijn doen en laten worden toegezien, teneinde herhaling in de toekomst te kunnen verminderen.
Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en deelname aan een gedragsinterventie.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie, in die zin dat het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf een kortere duur kent dan door de officier van justitie voorgesteld. Dit is mede ingegeven door het advies van de psycholoog en van de reclassering, waaruit blijkt dat bij verdachte geen ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling is geconstateerd en hij derhalve geen (intensieve) behandeling hoeft te ondergaan. Een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf om een bijzondere voorwaarde te borgen, is derhalve niet zinvol. Mede gelet op de recidive bij deze nog jonge verdachte acht de rechtbank het evenmin zinvol om vanuit generaal preventief oogpunt een zo lange voorwaardelijke straf op te leggen als gevorderd. Met een korter, maar nog steeds fors, voorwaardelijk deel kan derhalve worden volstaan.

Mede gelet op de ernst van het onder 1 bewezen verklaarde en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, de documentatie en verdachtes opstelling, legt de rechtbank een gevangenisstraf op voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Met een kortere straf kan gezien de ernst niet worden volstaan. In zoverre doet de door de officier van justitie geëiste straf geen recht aan de ernst van de feiten, met name feit 1. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf worden als bijzondere voorwaarden gesteld een meldingsgebod, begeleiding door de reclassering en deelname aan een CoVa training of CoVa(+) training.

In beslag genomen voorwerpen

Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de rechtbank over het in beslag genomen balletjespistool dient te beslissen (nummer 1 op de beslaglijst).

De officier van justitie heeft vernietiging van het balletjespistool gevorderd.

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, dient te worden onttrokken aan het verkeer, nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1 primaire begane misdrijf werd aangetroffen en dit aan verdachte toebehorende voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 10.681,63 (€ 2.181,63 aan materiële schade en € 8.500,- aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat zij vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de rol van het slachtoffer in deze zaak. Uiterst subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van het materiële deel aangevoerd dat de schoenen zijn teruggegeven aan het slachtoffer en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van een vest blijkt uit een bijgevoegde nota dat deze met korting is gekocht en deze korting niet is verrekend. De immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd. Er kan een voorschot worden vastgesteld, maar niet voor het gehele bedrag.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij door verdachte met geschoeide voet in zijn gezicht is geschopt. Dit handelen heeft zoals hiervoor reeds is beschreven een grote impact op de benadeelde partij gehad zowel in fysieke als in psychische zin. Dit blijkt genoegzaam uit het schadeonderbouwingsformulier en de schriftelijke slachtofferverklaring van de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft door het handelen van de verdachte een titaniumplaat in zijn hoofd, een litteken boven op zijn hoofd van oor tot oor en hij moet nog een operatie ondergaan. Ook ondervindt hij (tijdelijke) vermindering van zijn reuk- en smaakvermogen en kan hij niet langer “onbezorgd” van het uitgaansleven genieten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer] immateriële schade heeft geleden. De rechtbank acht een bedrag tot € 7.500,- aannemelijk geworden als vergoeding voor immateriële schade. Daarbij heeft de rechtbank mede gelet op min of meer soortgelijke gevallen. Zij zal dit bedrag toewijzen en de benadeelde partij voor het overige deel in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van materiële schade overweegt de rechtbank dat uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de schoenen ( € 189,95) zijn teruggegeven aan de benadeelde partij. De verzochte vergoeding voor schoenen zal derhalve niet worden toegewezen.

Ten aanzien van het vest (€ 56,-) blijkt uit het bijgevoegde nota dat de korting van 20 % van het vest niet is doorgerekend. Dit betekent dat een vergoeding voor het vest wordt toegekend van € 56,00 - 20% (€11,20) = € 44,80. De rechtbank zal derhalve voor de materiële schade een bedrag toewijzen van € 2.181,63 - € 11,20 - € 189,95 = € 1.980,48.

De vordering wordt derhalve toegewezen voor een bedrag van € 9.480,48 (€ 7.500,- + € 1.980,48) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2013. De verdachte is voor die schade naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De rechtbank ziet gelet op het procesdossier en de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit geen aanleiding rekening te houden met enige vorm van medeschuld van het slachtoffer zoals door verdachte aangevoerd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de verdere behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Ten aanzien van de hoofdelijkheid overweegt de rechtbank het volgende.

Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn bij vonnis van 4 december 2013 (hoofdelijk) veroordeeld tot het betalen van immateriële schadevergoeding van € 500,-. Verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn hoofdelijk aansprakelijk tot een bedrag van € 500,-. Verdachte is derhalve daarnaast gehouden tot vergoeding van het toegekende bedrag ter zake van immateriële schade boven dat bedrag van € 500,-.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen:

  • -

    10, 27, 14,a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    13, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feit 1 primair:poging tot doodslag;

feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en

munitie;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot zes (6) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 legt als algemene voorwaarden op dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 legt als bijzondere voorwaarden op dat de veroordeelde:

  • -

    zich op uitnodiging meldt bij de reclassering;

  • -

    zich gedurende op door de reclassering bepaalde perioden blijft melden zo frequent als de reclassering dat nodig acht;

  • -

    deelneemt aan de gedragsinterventie ‘GI-RN Cognitieve Vaardigheden/ Cognitieve vaardigheidstraining of GI-RN Cognitieve Vaardigheden/Cognitieve vaardigheidstraining(+)’, zulks te bepalen door de reclassering;

 geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

 beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een balletjespistool;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij

[slachtoffer], van een bedrag van € 9.480,48, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2013 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 9.480,48, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2013, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 82 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededaders het betreffende schadebedrag ter zake van immateriële schade van € 500,- is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Gerbranda en De Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 december 2013.

Mr. De Bie is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0620/2013085710, Regiopolitie Oost Nederland, team recherche Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 12 oktober 2013 door [verbalisant], werkzaam bij team recherche Apeldoorn.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 45-46.

3 Proces-verbaal van bevindingen van 5 juli 2013, p. 53.

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 31-32.

5 Proces-verbaal van bevindingen van 29 juni 2013, p.45-46 , en proces-verbaal van bevindingen van 5 juli 2013, p. 53.

6 Stamproces-verbaal, p. 14.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 150-151.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 199-200.

9 Stamproces-verbaal, p. 15.

10 Processen-verbaal van verhoor van getuigen [getuige 1], p. 70 en [getuige 2], p. 103.

11 Letselrapportage van de GGD, Noord- en Oost Gelderland van [arts], arts M & G forensische geneeskunde van 30 juni 2013 (met aanvullingen 30 september 2013), p. 236-238.

12 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte, 284.

13 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1], p. 694.

14 Proces-verbaal van bevindingen van 6 augustus 2013, p 229.

15 Tapgesprek, p. 221-222.

16 Tapgesprek, p. 222-223.

17 Tapgesprek, p. 224-227.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 234.

19 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 270-271.

20 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 284.

21 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2], p. 579, 587-588.

22 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1], p. 694.

23 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2], p. 591.

24 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0620/2013085710, Regiopolitie Oost Nederland, team recherche Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 12 oktober 2013 door [verbalisant], werkzaam bij team recherche Apeldoorn.

25 Kennisgeving van inbeslagneming van onbekende datum, p. 1, ongenummerde dossierpagina.

26 Proces-verbaal relaas van 2 oktober 2013, p. 1, ongenummerde dossierpagina.

27 Proces-verbaal van bevindingen van 16 augustus 2013, p. 1-2, ongenummerde dossierpagina.

28 Processen-verbaal van verhoor van verdachte van 19 augustus 2013 te 14.00 uur, p. 2-3, ongenummerde dossierpagina.

29 Proces-verbaal van terechtzitting van 20 november 2013.