Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4995

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-11-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
253388 KZ RK 13-306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking van de rechters af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige wrakingskamer

zaakgegevens: 253388 KZ RK 13-306

Beslissing van 25 november 2013 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

Gevi Gorssel B.V.,

Gevi International B.V.,

Holding Silest B.V.,

Lest Beheer B.V.,

Siles Beheer B.V.

alle gevestigd te Gorssel,

hierna te noemen: Gevi c.s.,

advocaten mr V.R.M. Appelman en mr J.M.J. Arts

strekkende tot wraking van:

mr. K.H.A. Heenk, mr. M.A.M. Vaessen en mr. E. Boerwinkel,

rechters in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechters.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:

  • -

    het op 29 oktober 2013 ingekomen verzoekschrift van Gevi c.s.;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechters d.d. 6 november 2013, strekkende tot afwijzing van het wrakingsverzoek;

  • -

    het proces-verbaal van de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van 11 november 2013.

2 Het wrakingsverzoek

Het verzoekschrift richt zich tegen de behandelend rechters mr. K.H.A. Heenk, mr. M.A.M. Vaessen en mr. E. Boerwinkel in de zaak tussen de Coöperatieve Rabobank Apeldoorn en omgeving U.A. en de curatoren in het faillissement van Eurocommerce Holding B.V. tegen Gevi c.s.

Gevi c.s. zijn van mening dat in bovengenoemde zaak de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is omdat er in strijd wordt gehandeld met hun recht op een fair trial zoals onder meer neergelegd in artikel 6 EVRM.

De reden voor het wrakingsverzoek is gelegen in de weigering door de behandelend rechters van het door Gevi c.s. verzochte pleidooi waardoor Gevi c.s. geen mogelijkheid meer hebben zich uit te laten over de door Rabobank en curatoren in hun laatste processtuk “verstopte” nieuwe producties.

3 Het standpunt van de rechters

De rechters hebben schriftelijk geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek op grond van het volgende.

In de eerste plaats geven de rechters aan dat zij op geen enkele wijze betrokken zijn geweest bij de besluitvorming rond het gevraagde pleidooi. Daarnaast geven de rechters aan dat als eisers in conventie in hun akte uitlating producties verwijzen naar correspondentie en zij volgens Gevi c.s. nieuwe stellingen innemen, dit niet meebrengt dat Gevi c.s. het recht moet krijgen daar (onmiddellijk) op te reageren. De rechter heeft, aldus de rechters in hun verweerschrift, ook de taak toe te zien op de voortvarendheid van de procedure zodat op enig moment het partijdebat dient te worden beëindigd. In dat verband hebben de rechters nog aangegeven dat, indien het zo mocht zijn dat de desbetreffende passages en/of stellingen in de akte van eisers in conventie in het nadeel van Gevi c.s. zouden kunnen worden uitgelegd, zij nog de gelegenheid moeten krijgen daarop te reageren omdat de eisen van een goede procesorde dit nu eenmaal vergen.

4 De beoordeling door de rechtbank

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Onderzocht moet worden of de door Gevi c.s. aangevoerde gronden kunnen worden gekwalificeerd als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid.

Het burgerlijk procesrecht brengt mee dat een partij die daarom verzoekt, de gelegenheid behoort te krijgen haar standpunt nader toe te lichten. Op grond van artikel 134 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt aan partijen desverlangd gelegenheid geboden voor pleidooien voordat de rechter over de zaak beslist. De rechter kan daarbij bepalen dat indien partijen hun standpunt in voldoende mate mondeling hebben kunnen uiteenzetten, geen gelegenheid zal worden gegeven voor pleidooien.

4.5

De procespartijen hebben in beginsel aanspraak op pleidooi (vgl. o.a. HR 10 juni 2011, NJ 2011, 272, rov. 3.3.2.). Een verzoek om de zaak te mogen bepleiten zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogen worden geweigerd. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde (zie HR 15 november 2002, nr. C02/052, 2002, 185). In elk van beide hiervoor bedoelde gevallen zal de rechter zijn redenen voor de afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk moeten motiveren (zie HR 5 oktober 2001, nr. C00/248, 2002,514).

4.6

Uit de wrakingskamer ter beschikking staande stukken en met name het roljournaal d.d. 22 oktober 2013 blijkt dat door Gevi c.s. op 16 oktober 2013 pleidooi is gevraagd. In het roljournaal is vervolgens opgenomen ‘GEWEIGERD DOOR ROLRECHTER”. Het roljournaal bevat geen nadere motivering.

4.7

Aangaande het door verzoekers ingediende wrakingsverzoek overweegt de rechtbank dat, anders dan Gevi c.s. lijkt te veronderstellen, een door de rolrechter genomen beslissing niet zondermeer kan worden toegerekend aan de behandelend rechters. Voor zover het tegen de behandelend rechters ingediende wrakingsverzoek is gegrond op de in het roljournaal vermelde weigering pleidooi toe te staan, kan het daarom geen doel treffen nu het zich richt tegen een beslissing van een ander, de rolrechter.

4.8

Voor zover het wrakingsverzoek is gegrond op de beslissing niet op die weigering terug te komen, overweegt de rechtbank als volgt.

In hun schriftelijke reactie van 6 november 2013 hebben de rechters aangegeven dat zij omtrent het verzoek om herziening van de beslissing pleidooi te weigeren, nadat de rolrechter de zaak aan hen heeft voorgelegd, daaromtrent hebben besloten dat er in de gegeven omstandigheden geen grond is het pleidooi toe te staan. De rechtbank laat in het midden of het hier een advies aan de rolrechter betreft of een op een eigen bevoegdheid gebaseerde beslissing van de rechters, waarbij de rechtbank overweegt dat, ook uit de reactie van de rechters, in ieder geval blijkt van enigerlei betrokkenheid bij de besluitvorming hieromtrent.

Inhoudelijk overweegt de rechtbank als volgt.

Een beslissing over het niet toestaan van pleidooi kan in de regel geen grond voor wraking van de behandelend rechters dan wel de rolrechter vormen. De juistheid van de beslissingen van de behandelend rechters of de rolrechter is immers niet ter beoordeling van de wrakingskamer. Procedurele beslissingen kunnen slechts dan leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek indien uit die beslissingen blijkt van een vooringenomenheid van de rechter die deze beslissingen heeft genomen. Naar het oordeel van de wrakingskamer wijzen de door Gevi c.s. aangevoerde feiten en omstandigheden daar niet op. Het enkele feit dat de behandelend rechters geen aanleiding hebben gevonden desgevraagd aan de rolrechter te adviseren op dit besluit terug te komen of hierop zo mogelijk zelf terug te komen geeft geen blijk van vooringenomenheid jegens Gevi c.s., waarbij de wrakingskamer overweegt dat de behandelend rechters op goede gronden hebben overwogen dat ook op de voortvarendheid van de procedure dient te worden toegezien. Dit geldt temeer nu de rechters in hun reactie op het wrakingsverzoek hebben aangevoerd dat, indien de door Gevi c.s. bedoelde nieuwe stellingen en/of producties in hun nadeel zouden kunnen worden uitgelegd, zij alsnog de gelegenheid moeten krijgen daarop te reageren, waarop door de rechters zal worden toegezien.

4.9

In dit verband overweegt de wrakingskamer voorts nog dat een wrakingsverzoek niet kan worden toegepast als verkapt rechtsmiddel tegen de verzoeker onwelgevallige beslissingen van de rechter. Daartoe dient immers het rechtsmiddel van hoger beroep. Volgens vaste rechtspraak staat geen hoger beroep open van zogenaamde rolbeschikkingen. Daaronder worden verstaan: rechterlijke (orde)maatregelen of weigeringen daarvan ter rolle, van administratieve aard en van ondergeschikte betekenis. De beslissing van de rolrechter, waarbij het verzoek van Gevi c.s. om tot pleidooi te worden toegelaten is afgewezen, is echter, eveneens volgens vaste rechtspraak, niet als een rolbeschikking, maar als een tussenvonnis aan te merken, waarvan in beginsel hoger beroep openstaat, tegelijk met het eindvonnis.

4.10

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het wrakingsverzoek te worden afgewezen.

De rechtbank beslist derhalve als volgt.

5 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking van de rechters af;

bepaalt dat de procedure, bij de rechtbank bekend onder kenmerk: C/06/133375 HA ZA 12-391, zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het onderhavige wrakingsverzoek werd ingediend.

Deze beslissing is gegeven door mr. F.M.T. Quaadvliet, voorzitter, mrs. E.G. de Jong en J.Th. van Belzen, rechters, en in het openbaar uitgesproken door mr. De Jong op 25 november 2013 in aanwezigheid van mr. Koster, griffier.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.