Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4972

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
06/950661-12 en 05/740040-13 (ttz gev.)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:526, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Verdachte heeft als hulpverlener ontucht gepleegd met twee jonge kwetsbare vrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummers: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]06/950661-12 en 05/740040-13 (ttz gev.)

Uitspraak d.d.: 29 november 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te[geboortedatum 1],

wonende te[adres].

Raadsvrouw: mr. M.G. Pekkeriet-Bischop, advocaat te Zwolle.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
16 januari 2013, 9 april 2013, 2 juli 2013 en 15 november 2013, alsmede de tussenbeslissing van 30 januari 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 06/950661-12

1.

hij (op één of meer tijdstippen) in de periode van 15 april 2006 tot en met 31

oktober 2006, te Nunspeet en/of IJsselmuiden en/of Elburg en/of Oldenbroek

en/of Kampen en/of elders in Nederland,

met[slachtoffer 1], geboortedatum [geboortedatum 2],

buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het

seksueel binnendringen van haar lichaam, te weten

- het brengen van één of meer van zijn vingers in de vagina van die[slachtoffer 1] en/of

- het tongzoenen van/met die[slachtoffer 1]

- het betasten en/of likken van de borsten van die[slachtoffer 1] en/of

- het brengen van de hand van die[slachtoffer 1] naar zijn penis,

terwijl die[slachtoffer 1] toen de leeftijd van twaalf maar niet die van zestien

jaar had bereikt;

art 245 Wetboek van Strafrecht

2.

hij (op één of meer tijdstippen) in de periode van 15 april 2006 tot en met 31

oktober 2006, te Nunspeet en/of IJsselmuiden en/of Elburg en/of Oldenbroek

en/of Kampen en/of elders in Nederland,

terwijl verdachte werkzaam was in de maatschappelijke- en/of gezondheidszorg,

ontucht heeft gepleegd met[slachtoffer 1], die toen als cliënt aan

verdachte’s hulp en/of zorg was toevertrouwd,

immers heeft verdachte die[slachtoffer 1] gevingerd en/of gezoend en/of aan de

borsten betast en/of gelikt en/of haar hand naar zijn penis gebracht en/of

haar hoofd naar zijn penis/schaamstreek gebracht;

art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

3.

hij (op één of meer tijdstippen) in de periode van 1 juli 2003 tot en met 31

juli 2007, te 't Harde en/of Ermelo en/of elders in Nederland, en/of te

Frankrijk,

terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke- en/of gezondheidszorg,

ontucht heeft gepleegd met[slachtoffer 2], die toen als cliënt aan verdachte’s

hulp en/of zorg was toevertrouwd,

immers heeft verdachte met die [slachtoffer 2]geslachtsgemeenschap gehad en/of zich

door die [slachtoffer 2]laten pijpen en die [slachtoffer 2]gevingerd en/of aan de borsten betast

en/of gelikt en/of haar hand naar zijn penis gebracht;

art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

4.

hij (op één of meer tijdstippen) in de periode van 1 januari 2003 tot en met

31 december 2008, te 't Harde en/of Oldenbroek en/of Kampen en/of elders in

Nederland, en/of te Frankrijk,

terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke- en/of gezondheidszorg,

ontucht heeft gepleegd met[slachtoffer 3], die toen als cliënt aan verdachte’s

hulp en/of zorg was toevertrouwd,

immers heeft verdachte met die [slachtoffer 3] geslachtsgemeenschap gehad en/of die [slachtoffer 3] gevingerd en/of aan de borsten betast en/of gelikt en/of haar hand naar zijn penis gebracht;

art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 11 juni 2012 te Doornspijk,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

aan [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht,

te weten een gescheurde milt (die daarna in het ziekenhuis operatief is

verwijderd),

door deze[slachtoffer 4] opzettelijk één of meermalen tegen de zijkant van zijn

lichaam te schoppen/trappen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer 05/740040-13

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003

te 't Harde, gemeente Elburg,

terwijl verdachte toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of

maatschappelijke zorg,

ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 5], die zich als cliënt aan

verdachte's hulp en/of zorg had toevertrouwd,

immers heeft verdachte toen aldaar geslachtsgemeenschap met die [slachtoffer 5] gehad;

art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De rechtbank zal eerst ingaan op de ten laste gelegde zedendelicten en daarna op de ten laste gelegde zware mishandeling.

Parketnummer 06/950661-12 (feiten 1t/m 4) en parketnummer 05/740040-13

Aanleiding van het onderzoek 1

Op 2 augustus 2012 heeft een informatief gesprek plaatsgevonden met[slachtoffer 1].[slachtoffer 1] heeft een week later aangifte gedaan van seksueel misbruik door verdachte, waarna een opsporingsonderzoek is gestart onder de naam ‘[zaaknaam]’.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 , 3 en 4 van parketnummer 06/950661-12 ten laste gelegde feiten en het onder parketnummer 05/740040-13 ten laste gelegde feit. Hij heeft ter terechtzitting de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder 1, 2 , 3 en 4 van parketnummer 06/950661-12 ten laste gelegde feiten en het onder parketnummer 05/740040-13 ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 van parketnummer 06/950661-12 heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte bij zijn standpunt blijft dat er tussen hem en[slachtoffer 1] nooit seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Volgens de raadsvrouw is de aangifte van[slachtoffer 1] niet geloofwaardig en is er geen steunbewijs, waardoor het wettig bewijs ontbreekt.

Met betrekking tot de feiten 3 en 4 van voormeld parketnummer en het feit van parketnummer 05/740040-13 heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte heeft erkend dat hij seksuele handelingen heeft gepleegd. Met [slachtoffer 3] heeft echter geen geslachtsgemeenschap plaatsgevonden. De therapieën en gesprekken waren ten tijde van de seksuele handelingen echter beëindigd en er was geen sprake (meer) van een cliënt/hulpverlenerssituatie tussen verdachte en [slachtoffer 2]dan wel [slachtoffer 3] dan wel [slachtoffer 5]. Artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht is dan ook niet aan de orde, aldus de raadsvrouw. Voor zover de rechtbank wel een cliënt/hulpverlenerssituatie aanneemt, heeft de raadsvrouw betoogd dat geen sprake is geweest van het plegen van ontucht nu die relatie bij de seksuele handelingen geen rol heeft gespeeld. Volgens verdachte was er sprake van vrijwilligheid en was er geen dwang. De raadsvrouw heeft in dit verband verwezen naar de uitzondering genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 1997, NJ 1997/485. De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten 3 en 4 van parketnummer 06/950661-12 verder nog betoogd dat de in de tenlastelegging genoemde periode niet in die mate kan worden bewezen gelet op de verklaring van [slachtoffer 2]dan wel [slachtoffer 3].

Beoordeling door de rechtbank

Inleidende overwegingen betreffende het bewijs in zedenzaken

De rechtbank overweegt dat veel zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de (beweerdelijke) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat maakt dat extra zorgvuldig naar de waardering van afgelegde verklaringen moet worden gekeken, zeker als het een ontkennende verdachte betreft.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering en de op die bepaling betrekking hebben jurisprudentie van de Hoge Raad kan en mag het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij eraan in de weg staat dat de rechter tot een bewezenverklaring komt ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander (wettig) bewijsmateriaal2.

Uit deze jurisprudentie volgt dat niet is vereist dat het springende punt (het door verdachte betwiste onderdeel van de betreffende verklaring) steun vindt in een ander bewijsmiddel. Voldoende is dat de gebezigde verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat de verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.

Vrijspraak

Feiten 1 en 2 van parketnummer 06/950661-12

Onder feit 1 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd met[slachtoffer 1], die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van[slachtoffer 1], terwijl zij op dat moment de leeftijd van 12 maar nog niet die van 16 jaar had bereikt. Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij die ontuchtige handelingen heeft gepleegd terwijl sprake was van een cliënt/hulpverlenerssituatie.

De rechtbank acht beide feiten niet bewezen.

Uit de inleidende overwegingen hiervoor volgt dat de aangifte van[slachtoffer 1] voldoende steun moet vinden in een ander bewijsmiddel (of bewijsmiddelen). De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van[slachtoffer 1]. Echter, naar het oordeel van de rechtbank vinden de verklaringen van[slachtoffer 1] ten aanzien van de aangegeven seksuele handelingen op specifieke punten onvoldoende steun in ander (wettig) bewijsmateriaal. Aldus kan niet worden vastgesteld dat haar verklaringen aangaande de seksuele handelingen in voldoende mate zijn ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.

Die steun kan ook niet worden gevonden in de verklaring van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en/of de verslagen van Karakter nu de daarin voorkomende informatie steeds afkomstig is uit dezelfde bron, namelijk aangeefster[slachtoffer 1]. Ook de overige door de officier van justitie genoemde verklaringen en/of omstandigheden, onder meer inhoudend dat[slachtoffer 1] cliënt was van verdachte in zijn rol als hulpverlener en dat [getuige 1] en [getuige 2] bij[slachtoffer 1] een gedragsverandering hebben geconstateerd, geven onvoldoende steun aan de aangifte van[slachtoffer 1].

Hoewel de rechtbank derhalve geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte van[slachtoffer 1], is er naar het oordeel van de rechtbank geen voldoende wettig (en overtuigend) bewijs. Om die reden dient verdachte van het onder 1 en 2 van parketnummer 06/950661-12 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Parketnummer 05/740040-13

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij geslachtsgemeenschap heeft gehad met [slachtoffer 5] terwijl tussen hen sprake was van een cliënt/hulpverlenerssituatie.

De rechtbank acht ook dit feit niet bewezen.

Uit de door [slachtoffer 5] afgelegde verklaringen komt naar voren dat [slachtoffer 5] en verdachte geslachtsgemeenschap hebben gehad. Verdachte heeft erkend dat hij één keer met [slachtoffer 5] naar bed is geweest. Volgens hem was er toen echter geen cliënt/hulpverlenerssituatie.

Uit de stukken kan naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende worden afgeleid dat sprake is geweest van een cliënt/hulpverlenerssituatie tussen [slachtoffer 5] en verdachte op het moment dat deze geslachtsgemeenschap tussen hen zou hebben plaatsgevonden. De verklaringen die [slachtoffer 5] daarover (onder meer bij de rechter-commissaris) heeft afgelegd zijn daarvoor te uiteenlopend, terwijl andere stukken die daar (voldoende) duidelijkheid over zouden kunnen geven in het dossier ontbreken. De uiterst summiere aantekeningen in verdachtes agenda (datum, tijd, naam) leveren geen voldoende (steun) bewijs op.

Voor zover de geslachtsgemeenschap plaatsvond toen [slachtoffer 5] naar verdachte toeging voor een gesprek over een (door de stichting/verdachte ingezet) begeleidingstraject ten behoeve van de dochter van [slachtoffer 5], kan het seksueel contact tussen verdachte en [slachtoffer 5] weliswaar als ongepast dan wel laakbaar worden aangemerkt, maar niet als een strafbaar feit als bedoeld in artikel 249 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Nu de aanwezigheid van een cliënt/hulpverlenerssituatie tussen [slachtoffer 5] en verdachte ten tijde van de seksuele handelingen niet kan worden bewezen, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Feiten 3 en 4 – algemeen

Verdachte heeft verklaard dat hij mede-oprichter en directeur is van (de stichting)[naam stichting]3. Hij begeleidde 20 / 25 mensen per week, gaf (als hoofdtrainer) psycho-fysieke training (“Budo-training)”, stuurde werkdagen aan en maakte behandelplannen. De cliënten maakten reflectieverslagen aan de hand waarvan ze individueel cliënt-hulpverlenersgesprekken met hem hadden4. De dagbesteding (klussen, workshops e.d.) en individuele gesprekken vonden plaats in ’t Harde, de trainingen in Zeewolde, Lelystad en Nunspeet. Dierenverzorging speelde een belangrijke rol in de hulpverlening, aldus verdachte5.

Volgens verdachte hadden de cliënten van[naam stichting] “hevige problematieken6”.

Verdachte beschikte bij aanvang niet over diploma’s betreffende zorg- of hulpverlening en heeft deze nadien evenmin behaald. In 2012 is de stichting HKZ-gecertificeerd (Stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling Zorgsector). De stichting is geen lid geweest van de vereniging GGZ-Nederland.

Tot de periode ter verkrijging van de HKZ-certificering werd er door de stichting over de aan cliënten verleende zorg- en/of hulpverlening weinig op papier gezet. Verdachte heeft ter terechtzitting van 15 november 2013 verklaard dat hij het einde van de hulpverleningstrajecten met [slachtoffer 2]en [slachtoffer 3] niet heeft gemarkeerd7.

In diverse mailcontacten in 2005 met een andere cliënte bezigt verdachte woorden als “lieve”, “liefs”, “(dikke) zoen”, “knuffel” en “je allerbeste vriend ooit”8.

Feit 3

[slachtoffer 2]heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door verdachte.

[slachtoffer 2]heeft verklaard dat ze op 8 februari 2003 voor het eerst contact heeft gehad met verdachte9. Haar volgende afspraak was op 2 juni 2003. Ze kreeg toen individuele boks-trainingen en gesprekken. Verdachte vervaagde de grenzen10. Hij ging heel vriendschappelijk met haar om, maar toch was ze zijn cliënt. Ze mocht hem mailen. Die mails kregen een andere lading. Volgens [slachtoffer 2]had ze behoefte aan een arm om haar heen11. Als ze bij verdachte in het logeerbed lag, voelde ze zich soms eenzaam. Verdachte vroeg dan of ze even bij hem kwam liggen zodat hij haar vast kon houden als er paniek was. Ze lag naast hem in bed en ze bespraken dat zij nooit een relatie en nooit mannelijk contact had gehad. Hij vroeg of ze wel eens nadacht om een relatie te hebben en of ze seksuele fantasieën had. Dit werd een opdracht om over te schrijven. Volgens [slachtoffer 2]waren er geen mannen in haar leven. Als ze erover nadacht kwam alleen verdachtes naam bij haar boven. Hij zei dat dit helemaal niet erg was omdat hij haar juist kon helpen. Toen ze een keer naast hem lag, begon hij te vragen hoe het zou zijn om hem aan te raken. Volgens [slachtoffer 2]zei verdachte, nadat hij met zijn geslachtsdeel in haar was geweest, dat het hun geheim was en dat het iets speciaals tussen hun was12. Ze wist dat ze cliënt was en dat het niet kon, maar ze had er ook niets op tegen.

[slachtoffer 2]heeft verklaard dat het de eerste keer gebeurde in verdachtes slaapkamer op de boerderij13. Hij begon haar te vingeren en kreeg een erectie14. Hij is op haar gaan liggen en zijn geslachtsdeel ging in haar, waarbij hij op en neerwaartse bewegingen maakte. De seksuele handelingen hebben plaatsgevonden op de boerderij in [plaats] en bij haar thuis in Ermelo15. [slachtoffer 2]heeft verder verklaard dat ze een keer verdachtes slaapkamer binnen ging om iets te pakken16. Verdachte pakte haar vast, gaf haar een knuffel en maakte schurende bewegingen tegen haar aan. Hij pakte haar hand en legde deze op zijn geslachtsdeel met de bedoeling hem af te trekken. Hij kreeg een erectie. Verdachte legde zijn hand op haar hoofd en ze voelde de druk van zijn hand die haar hoofd omlaag duwde naar zijn geslachtsdeel. Ze heeft zijn geslachtsdeel in haar mond genomen. Volgens [slachtoffer 2]heeft ze verdachte twee tot drie keer oraal bevredigd: één keer in bed en één keer in de auto toen hij naar Nunspeet moest17. Toen [slachtoffer 2]in juli 2007 afscheid van verdachte wilde nemen gaf hij haar een knuffel en pakte hij haar vast18. Hij pakte haar borsten, ging met zijn mond naar haar tepel en pakte met zijn mond haar tepel vast.

De seksuele handelingen vonden plaats in de periode van eind 2003, begin 2004 tot juli 200719. Het stopte, behalve in juli 2007, toen verdachte een vaste relatie kreeg met [betrokkene 1]. [slachtoffer 2]heeft verder verklaard dat ze ook naar Frankrijk zijn geweest. Er was daar een grote jacuzzi. [slachtoffer 2]en [slachtoffer 3] zijn daar ingegaan. Verdachte kwam erbij en heeft haar toen gevingerd.

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2]in het voorjaar van 2003 heeft leren kennen20. Het eerste half jaar/driekwart jaar was sprake van een cliënt/hulpverleningssituatie. Daarna ontstond een vriendschappelijke relatie waarbij, aldus verdachte, heel duidelijk de grenzen vervaagden. De omgang veranderde en op een gegeven moment is een seksuele relatie ontstaan met initiatief van beide kanten. Volgens verdachte had [slachtoffer 2]toen de seksuele relatie begon “meer ondersteuningsvragen” aan hem21.

Niemand wist van de seksuele relatie tussen [slachtoffer 2]en verdachte omdat, aldus verdachte, “je begint als cliënt hulpverlener (…)”22. Er is van zijn kant geen dwang toegepast. De relatie duurde tot hij een relatie kreeg met [betrokkene 1] in augustus 2005. De relatie met [slachtoffer 2]heeft van eind 2003 tot najaar 2005 geduurd. Ter terechtzitting van 15 november 2013 heeft verdachte verklaard de in de tenlastelegging genoemde seksuele handelingen te hebben gepleegd. Door verdachte wordt betwist dat er sprake was van een cliënt/hulpverlenerssituatie was toen hij een seksuele relatie had met[slachtoffer 2].

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat tussen aangeefster en verdachte seksuele handelingen plaatsvonden. De rechtbank ziet geen aanleiding, gelet op de specifieke en door de rechtbank betrouwbaar geachte verklaringen van aangeefster, voor twijfel dat deze handelingen, op het einde van de periode met een tussenpoos, voor het laatst in juli 2007 plaatsvonden. Verdachtes stelling dat de handelingen in 2005 stopten acht de rechtbank niet aannemelijk geworden, te minder nu verdachte meermalen onjuiste informatie heeft verschaft.

Voor beoordeling van het ten laste gelegde is van belang de vraag of tussen [slachtoffer 2]en verdachte sprake was van een cliënt/hulpverlenerssituatie in de periode dat tussen hen seksuele handelingen plaatsvonden. Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag bevestigend te worden beantwoord.

Voor dit oordeel is van belang de verklaring van [slachtoffer 2]zelf, waaruit ondubbelzinnig naar voren komt dat sprake was van een cliënt/hulpverlenerssituatie. [slachtoffer 2]heeft zich gedurende de periode dat de seksuele handelingen plaatsvonden, ook de hele tijd cliënt van verdachte gevoeld. Vaststaat bovendien dat [slachtoffer 2]als cliënt bij verdachte is binnengekomen.

Bewijs volgt eveneens uit een e-mail van [betrokkene 2] aan verdachte, gedateerd 3 maart 2005, waarin [betrokkene 2] onder meer aan verdachte vraagt of hij de hulpverlener is van [slachtoffer 2]23([slachtoffer 2]/aanvulling achternaam rechtbank)…”. Verdachte heeft die vraag dezelfde dag beantwoord met de woorden: “Ja lieve [betrokkene 2] (…) ik ben de hulpverlener van [slachtoffer 2]”.

Daarnaast komt uit het plaatsingsplan IRO (Individuele Reïntegratie Overeenkomst), opgemaakt op 16 juni 2005, naar voren dat [slachtoffer 2]op arbeidstherapeutische basis werkte bij Stichting[naam stichting] als administratief medewerker als aanvulling op haar therapie bij[naam stichting]24. [slachtoffer 2]was toen, aldus dat plan, ongeveer 19 maanden bekend bij Stichting[naam stichting] om met name te werken aan haar emotionele ontwikkeling waarbij weerbaarheid en keuzes maken kernaspecten waren. Ze voelde zich vertrouwd met paarden en was vanuit therapeutisch oogpunt actief met het berijden en verzorgen van paarden. Op de boerderij (locatie Stichting[naam stichting]) bereed en verzorgde [slachtoffer 2]enkele paarden en volgde ze via Stichting[naam stichting] een mencursus. Zeer belangrijk aandachtspunt met betrekking tot het re-integratietraject was volgens [slachtoffer 2]en verdachte een zo optimaal mogelijke afstemming tussen dit re-integratietraject en het therapeutische traject wat [slachtoffer 2]via Stichting[naam stichting] volgde. Volgens het plaatsingsplan was verdachte de mentor en begeleider van [slachtoffer 2]en gaf verdachte aan dat [slachtoffer 2]de afgelopen 19 maanden richting doelstelling bijzonder goed was gegroeid hetgeen volgens hem van karakter en doorzettingsvermogen getuigde.

Ook uit een bezwaarschrift van [slachtoffer 2]tegen een beschikking van het UWV betreffende haar arbeidsongeschiktheidspercentage van 5 oktober 2004 blijkt dat [slachtoffer 2]ten tijde van het bezwaarschrift nog in therapie bij Stichting [naam stichting] was en dat zij op dat moment functioneert met de hulp en begeleiding van Stichting [naam stichting].25

Getuige [getuige 3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [slachtoffer 2]eerst cliënt was, vervolgens cliënt met taken in het secretariaat en als gastvrouw in Zeewolde. Verdachte heeft hem zelf gezegd dat zij in de periode dat zij ook werkzaamheden voor [naam stichting] verrichtte nog altijd cliënt was.26

Verdachte heeft ter terechtzitting van 15 november 2013 verklaard dat niet schriftelijk is vastgelegd wanneer de hulpverlening aan [slachtoffer 2]officieel is beëindigd, noch dat hij het einde van het hulpverleningstraject op enige wijze heeft gemarkeerd. Toen de seksuele relatie met [slachtoffer 2]begon had zij ook nog “ondersteuningsvragen” aan verdachte.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat in de periode dat verdachte een seksuele relatie onderhield danwel seksuele handelingen verrichtte met[slachtoffer 2], te weten de periode van eind 2003 tot de zomer van 2007, tussen hen (in ieder geval in enige mate) sprake is geweest van een cliënt/hulpverlenersrelatie.

Verdachtes relaas dat hij slechts driekwart jaar haar hulpverlener is geweest en dat er daarna een vriendschappelijke en vervolgens een seksuele relatie ontstond, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Vaststaat dat [slachtoffer 2]ook na die driekwart jaar nog in ieder geval ruim anderhalf jaar nog intensief aanwezig was op de boerderij van verdachte in ’t Harde, waar onder meer psycho-fysieke trainingen, gesprekken en dagbesteding werden aangeboden door Stichting [naam stichting]. Ook volgens verdachte zelf had [slachtoffer 2]ten tijde van de seksuele relatie nog “ondersteuningsvragen”. Betekenis komt eveneens toe aan de verklaring die verdachte bij de politie geeft voor het feit dat niemand wist van deze relatie “je begint toch als cliënt hulpverlener.”. Verdachte heeft bovendien nagelaten een duidelijk eindpunt van het hulpverlenerstraject te markeren, als dat er al zou zijn geweest, wat naar het oordeel van de rechtbank als taak van de hulpverlener moet worden gezien. Laat de hulpverlener dat na, dan komt dat gezien de professionaliteit die van een hulpverlener mag worden verwacht en de afhankelijkheid van de cliënt die wordt voorondersteld, voor zijn rekening en risico.

Verdachtes verklaring ter terechtzitting dat de informatie in het re-integratieplan opzettelijk onjuist was om te voorkomen dat [slachtoffer 2]haar Wajong-uitkering kwijt zou raken, evenals de informatie uit het bezwaarschrift tegen de beschikking van het UWV om te voorkomen dat een lager arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld zou worden, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Dat geldt ook voor verdachtes verklaring dat de inhoud van het e-mailbericht aan [betrokkene 2] opzettelijk niet juist was (‘neutraal leggen’, zoals verdachte het noemde), omdat het volgens verdachte niet nodig was dat [betrokkene 2] meer wist dan nodig.

Niet alleen is verdachte zestien keer bij de politie verhoord en heeft hij dit niet eerder naar voren gebracht dan ter terechtzitting van 15 november 2013, maar niet valt in te zien waarom aan verschillende derden, telkens weer om een andere reden, onjuiste informatie zou zijn verstrekt. De rechtbank acht verdachtes alternatieve lezing, waaruit in elk geval volgt dat verdachte willens en wetens meermalen onjuiste informatie heeft verschaft, ongeloofwaardig en derhalve niet aannemelijk geworden.

De omstandigheid dat [slachtoffer 2]in kaartjes aan verdachte gesproken heeft over vriendschap en dat [slachtoffer 2](samen met [slachtoffer 3]) verdachte wel eens een kado heeft gegeven, doet evenmin af aan het oordeel dat sprake was van een cliënt/hulpverlenerssituatie ten tijde van de seksuele handelingen. Het illustreert wel, net als de mails richting [betrokkene 2], de gebrekkige mate waarin verdachte jegens cliënten duidelijkheid heeft verschaft over zijn positie als hulpverlener en daarbij heeft nagelaten richting die cliënten, kwetsbaar en te meer van hem afhankelijk gezien hun problematiek, een professionele afstand te bewaren en bewaken.

Voor zover de raadsvrouw met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 1997, NJ 1997/485 heeft betoogd dat geen sprake is geweest van het plegen van ontucht nu de cliënt/hulpverlenersrelatie bij de seksuele handelingen geen rol heeft gespeeld, overweegt de rechtbank als volgt.

In voormeld arrest is overwogen dat het uitgangspunt moet zijn dat de strafbaarstelling in artikel 249, lid 2 onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht, gelet op de strekking daarvan, geldt voor alle gevallen waarin tussen de betrokkenen een relatie als in deze wetsbepaling bedoeld bestaat, en dat in zodanig geval slechts dan geen sprake is van "ontucht plegen", wanneer die relatie bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest.

De rechtbank dient derhalve te beoordelen of sprake is geweest van enige vorm van afhankelijkheid. [slachtoffer 2]heeft in dit verband verklaard dat verdachte tegen haar zei ze nooit liefde en geborgenheid had gekend27, dat de GGZ haar niet kon helpen en dat niemand goed voor haar was, haar ouders niet en haar vriendengroep ook niet28. Volgens [slachtoffer 2]werd de boerderij haar plek omdat ze nergens anders terecht kon. [slachtoffer 2]heeft verder verklaard dat ze behoefte had aan een arm om haar heen29. Als ze bij verdachte in het logeerbed lag, voelde ze zich soms eenzaam. Verdachte vroeg dan of ze even bij hem kwam liggen zodat hij haar vast kon houden als er paniek was. Nadat hij in haar was geweest met zijn geslachtsdeel zei hij dat het hun geheim was en dat het iets speciaals tussen hun was30.

De rechtbank leidt uit al het voorgaande af dat sprake is geweest van een afhankelijkheidssituatie. [slachtoffer 2]kwam immers vanwege haar problematiek bij verdachte. Hij was van haar problematiek op de hoogte en deed voorkomen of zij met haar problematiek niet terecht kon bij de reguliere gezondheidszorg en niemand goed voor haar was. Hierdoor heeft verdachte [slachtoffer 2]geïsoleerd en dacht zij alleen nog terecht te kunnen op de boerderij. Van een uitzonderingssituatie als bedoeld in voormeld arrest is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake, te minder nu verdachte aan [slachtoffer 2]had gezegd dat het hun geheim was en dat het iets speciaals tussen hun was. Het verweer van de raadsvrouw treft dan ook geen doel.

Feit 4

Aangeefster [slachtoffer 3] heeft verklaard dat ze verdachte heeft leren kennen toen ze in september 2002 een agressietraining bij hem volgde. Ze volgde de training omdat ze tijdens haar stage bij ’s Heerenloo in Ermelo een trauma opliep. Toen de training zou stoppen, kwam verdachte naar haar toe en bood haar aan weerbaarheidstrainingen bij hem te gaan volgen in Nunspeet. Dat zal begin 2003 zijn geweest. Bij de weerbaarheidstrainingen hoorden het schrijven van reflectieverslagen en het voeren van gesprekken met verdachte. In 2004 vroeg verdachte of ze hem wilde helpen met de administratie. Via een re-integratieproject kreeg [slachtoffer 3] een werkcontract bij hem. Ze bracht veel tijd met verdachte door en had veel persoonlijke gesprekken. Toen verdachte bepaalde dat ze klaar was met de weerbaarheidstrainingen, gingen de gesprekken door. Ze heeft ook nog in 2006 gesprekken met hem gevoerd. Volgens [slachtoffer 3] kon ze verdachte dag en nacht bellen.

[slachtoffer 3] heeft verder verklaard dat [slachtoffer 2] op zichzelf ging wonen aan de [adres] te Ermelo en dat ze bij [slachtoffer 2] zou blijven slapen31. Verdachte was er ook en op een gegeven moment zijn ze op de slaapbank gaan liggen. Verdachte lag in het midden. Hij heeft haar gestreeld, haar broek open gedaan en haar gevingerd. [slachtoffer 3] heeft ook verklaard dat ze bij verdachte thuis kwam voor een gesprek32. Ze hebben eerst een gesprek gehad en toen dat was afgelopen kreeg ze een knuffel van verdachte. Hij tilde haar op, liep naar de slaapkamer en gooide haar op zijn bed. Hij ging op haar liggen en begon haar te zoenen. Hij pakte haar hand en duwde die in zijn kruis. Ze voelde dat hij een erectie had. Zo ook een keer toen ze bezig was met de administratie33. Hij riep haar, pakte haar beet en duwde haar tegen de muur. Hij pakte haar hand weer en deed deze tussen zijn benen. Ze voelde dat hij weer een stijve had. Volgens [slachtoffer 3] heeft verdachte haar vijf of zes keer gevingerd. Dat gebeurde bij [slachtoffer 2] thuis, bij verdachte thuis en een keer toen ze met zijn auto onderweg waren van Elburg via Oldebroek naar Kampen. Toen ze in zijn auto zaten, stopte hij op een parkeerplaats en stapten ze uit. Hij heeft haar toen betast bij haar borsten en tussen haar benen en hij heeft haar gevingerd. Hij pakte haar hand en legde die op zijn kruis. [slachtoffer 3] denkt dat dit in het voorjaar van 2005 heeft plaatsgevonden34. [slachtoffer 3] heeft verder verklaard dat ze naast verdachte lag35. Hij draaide zich om, begon haar te zoenen, deed haar beha uit en haar onderbroek naar beneden. Hij betastte haar borsten, armen en benen en bracht haar hand naar zijn geslachtsdeel. Ze moest haar hand een beetje bewegen en hij begon haar te vingeren. Hij heeft toen zijn penis in haar vagina geduwd36. [slachtoffer 3] denkt dat verdachte drie keer met zijn penis in haar vagina is geweest. Een van die keren was toen ze met [slachtoffer 2] en verdachte een keer naar Frankrijk was geweest. Toen [slachtoffer 2] ging douchen, dook verdachte op haar37. Hij begon haar te zoenen en deed zijn penis in haar vagina.

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 3] eind 2002 heeft ontmoet38. Begin 2003 is zij bij hem gekomen met een hulpvraag. Zij was eerst cliënt. In de zomer van 2003 is dat overgegaan in een vriendschappelijke relatie. Daarna hebben seksuele handelingen plaatsgevonden. Deze handelingen bestonden uit zoenen en betasten van elkaars geslachtsdelen39. Hij heeft haar ook wel eens gevingerd40. Dat was over haar vagina. Volgens verdachte is er een periode geweest dat hij zowel met [slachtoffer 2]als met [slachtoffer 3] seksuele handelingen pleegde41. Het is in augustus 2005 gestopt. Verdachte ontkent dat er sprake is geweest van penetratie. Daarnaast ontkent hij dat de seksuele handelingen op andere plaatsen dan bij hem thuis hebben plaatsgevonden.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen onder “Inleidende overwegingen betreffende het bewijs in zedenzaken” volgt dat de verklaring van [slachtoffer 3] voldoende steun moet vinden in een ander (wettig) bewijsmiddel. Naar het oordeel van de rechtbank vindt die verklaring steun in de verklaring van verdachte zelf. Verdachte heeft immers erkend dat hij seksuele handelingen heeft gepleegd bij [slachtoffer 3]. Deze informatie is derhalve afkomstig uit een andere bron dan van [slachtoffer 3]. Hiermee is dus voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 3] nu deze gedetailleerd is en ook in lijn is met hetgeen [slachtoffer 2]heeft verklaard en welke verklaringen als hier herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting van 15 november 2013 heeft verklaard dat [slachtoffer 2]en [slachtoffer 3] van elkaar niet wisten dat hij met hen beide seksuele handelingen pleegde.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, niet alleen bij verdachte thuis, maar ook elders, alsmede dat verdachte ook bij [slachtoffer 3] is binnengedrongen.

Ook hier moet de vraag beantwoord worden of sprake was van een cliënt/hulpverlenerssituatie tussen [slachtoffer 3] en verdachte, toen hij een seksuele relatie met haar had danwel seksuele handelingen met haar verrichtte.

De rechtbank beantwoordt die vraag wederom bevestigend.

Uit de verklaring van [slachtoffer 3] komt naar het oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig naar voren dat volgens [slachtoffer 3] sprake was van een cliënt/hulpverlenerssituatie. [slachtoffer 3] heeft zich gedurende de gehele periode dat de seksuele handelingen plaatsvonden ook cliënt van verdachte gevoeld. Vaststaat dat [slachtoffer 3] als cliënt bij verdachte is binnengekomen.

De verklaring van [slachtoffer 3] vindt bevestiging in de rapportage van Reïntegratiebedrijf Inclusief Intervens, waaruit blijkt dat een re-integratietraject heeft plaatsgevonden hetgeen heeft geresulteerd in een reguliere werkhervatting voor onbepaalde tijd per 1 april 2006. Daarbij komt dat getuige [getuige 3] heeft verklaard dat [slachtoffer 3] volgens hem nog langer cliënt is geweest dan [slachtoffer 2] en dat zij als cliënt werkzaamheden voor [naam stichting] heeft verricht42.

Verdachte heeft voorts ter terechtzitting van 15 november 2013 verklaard dat niet schriftelijk is vastgelegd wanneer de hulpverlening aan [slachtoffer 3] officieel is beëindigd, noch dat hij het einde van het hulpverleningstraject op enige wijze heeft gemarkeerd.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat in de periode dat verdachte een seksuele relatie onderhield met [slachtoffer 3], te weten de periode van 1 januari 2003 tot het najaar van 2005, (in ieder geval in enige mate) sprake is geweest van een cliënt/hulpverlenersrelatie.

Verdachtes relaas dat hij slechts ongeveer een half jaar haar hulpverlener is geweest en dat er daarna een vriendschappelijke en vervolgens een seksuele relatie ontstond, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Vaststaat dat [slachtoffer 3] ook na de zomer van 2003 nog in ieder geval ruim twee jaar intensief aanwezig was op de boerderij van verdachte in ’t Harde, waar onder meer psycho-fysieke trainingen, gesprekken en dagbesteding werden aangeboden door Stichting [naam stichting]. Verdachte heeft bovendien nagelaten een duidelijk eindpunt van het hulpverlenerstraject te markeren, als dat er al zou zijn geweest, wat naar het oordeel van de rechtbank als taak van de hulpverlener moet worden gezien. Laat de hulpverlener dat na, dan komt dat gezien de professionaliteit die van een hulpverlener mag worden verwacht en de afhankelijkheid van de cliënt die wordt voorondersteld, voor zijn rekening en risico.

De omstandigheid dat [slachtoffer 3] in kaartjes aan verdachte gesproken heeft over vriendschap en dat [slachtoffer 3] (samen met[slachtoffer 2]) verdachte wel eens een kado heeft gegeven, doet evenmin af aan het oordeel dat sprake was van een cliënt/hulpverlenerssituatie ten tijde van de seksuele handelingen. Het illustreert wel, net als de mails richting [betrokkene 2], de gebrekkige mate waarin verdachte jegens cliënten duidelijkheid heeft verschaft over zijn positie als hulpverlener en daarbij heeft nagelaten richting die cliënten, kwetsbaar en te meer van hem afhankelijk gezien hun problematiek, een professionele afstand te bewaren en bewaken.

Voor zover de raadsvrouw met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 1997, NJ 1997/485 heeft betoogd dat geen sprake is geweest van het plegen van ontucht nu de cliënt/hulpverlenersrelatie bij de seksuele handelingen geen rol heeft gespeeld, overweegt de rechtbank als volgt.

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat ze enorm tegen verdachte opkeek en hem op een voetstuk had geplaatst43. Hij werd een soort “God” voor haar. Hij hielp haar bij haar problemen rondom agressie bij ’s Heerenloo en haar eigenwaarde. Hij vertelde haar dat het beter was als ze bij haar vriend weg zou gaan. Verdachte zei precies wat ze wilde horen: dat ze er wel toe deed en belangrijk was. Ze durfde niets negatiefs over hem te zeggen uit angst afgewezen te worden en hem te verliezen44. Hij was haar hulpverlener/vriend45.

De rechtbank leidt hieruit af dat sprake is geweest van een afhankelijkheidssituatie. [slachtoffer 3] kwam immers met haar problematiek bij verdachte. Hij was van haar problematiek op de hoogte en zei dingen tegen haar die ze graag wilde horen. [slachtoffer 3] durfde niets negatiefs over hem te zeggen uit angst door hem te worden afgewezen. Van een gelijkwaardige relatie was om die reden geen sprake. De uitzonderingssituatie als bedoeld in voormeld arrest doet zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voor. Het verweer van de raadsvrouw treft dan ook geen doel.

Feit 5 parketnummer 06/950661-12

Aanleiding van het onderzoek 46

Op 11 juni 2012 kreeg de politie de melding van een vechtpartij op camping [naam camping] te Doornspijk, waarbij een persoon gewond zou zijn geraakt47.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het feit. Hij heeft ter terechtzitting de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft hiertoe betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Volgens de raadsvrouw wordt niet duidelijk wanneer het incident precies heeft plaatsgevonden, wie daarbij waren, of er is geschopt, waar [slachtoffer 4] zou zijn geraakt, wie er is gevallen, wie heeft geslagen en wie heeft geholpen. De verklaringen daarover lopen volgens de raadsvrouw erg uiteen. Daarnaast zijn de verklaringen van [getuige 5] en[getuige 4] niet betrouwbaar nu niet kan worden uitgesloten dat de verklaringen zijn beïnvloed door het gebruik van weed of persoonlijke gevoelens, aldus de raadsvrouw.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op 11 juni rond 22.00 uur voorbij de caravan van zijn buurman liep48. Hij hoorde allerlei gerommel binnen in die caravan en had de indruk dat er ruzie was. Hij zag dat verdachte in de deuropening van die caravan stond. Op het moment dat hij schuin voor de caravan stond, kreeg [slachtoffer 4] telefoon. Hij wendde bewust zijn hoofd af zodat hij niet naar verdachte keek. Hij nam de telefoon op en direct hoorde hij verdachte roepen dat hij door moest lopen. [slachtoffer 4] reageerde hierop door met zijn hand in de richting van verdachte te wuiven in de zin van dat hij rustig moest doen. Hierop zag hij dat verdachte naar binnen in de caravan riep “Jongens kom” of zoiets. Hierop kwamen vier jongens samen met verdachte, dus in totaal vijf man, op hem afrennen. Twee mannen pakten hem beet en verdachte liep er om heen. [slachtoffer 4] voelde dat hij een trap kreeg ter hoogte van zijn navel, op zijn ribben aan de linkerkant. Hierdoor zakte hij door zijn benen. Later bleek in het ziekenhuis dat zijn milt was gescheurd en dat hij twee liter bloed in zijn ingewanden had.

Uit medische informatie komt naar voren dat bij [slachtoffer 4] sprake was van een ernstige miltscheuring en dat zijn milt op 12 juni 2012 operatief moest worden verwijderd49.

Getuige[getuige 4] heeft verklaard dat hij op 11 juni 2012 in zijn caravan op camping “[naam camping]” te Doornspijk was en buiten lawaai en geschreeuw hoorde50. Hij zag dat vanuit de caravan van [betrokkene 3] de hem bekende [verdachte] (verdachte) kwam met drie of vier jonge mannen. Verder zag hij dat de hem bekende[slachtoffer 4] vanaf zijn caravan kwam lopen en dat[slachtoffer 4] mobiel aan het bellen was. Verdachte zei tegen[slachtoffer 4] dat hij op moest donderen of iets in die trant.[getuige 4] zag dat de jongemannen die bij verdachte waren[slachtoffer 4] vastgrepen en dat verdachte[slachtoffer 4] wel vijf keer op diens lichaam schopte. Hij deed dit van achteren weg aan de zijkant op het lichaam.[slachtoffer 4] kreeg eerst een paar trappen toen hij nog stond en vastgehouden werd en daarna toen hij op de grond lag.

Ook getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte tot drie maal toe[slachtoffer 4] in de maagstreek schopte51.

Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank medeplegen van zware mishandeling bewezen.

Meerdere personen zijn immers op aangeven van verdachte uit de caravan gekomen om aangever [slachtoffer 4] op te zoeken en hebben aangever aan weerszijden vastgepakt waarna (waardoor) verdachte “vrij spel” had om geweld te gebruiken jegens aangever.

Dat [slachtoffer 4] vermoedelijk over een prullenbak of skelter zou zijn gevallen, zoals door getuige [getuige 6] is verklaard, is niet aannemelijk geworden. Verder zijn er door de getuigen ten aanzien van verdachte geen ontlastende verklaringen afgelegd. Immers uit de verklaring van getuige[getuige 7] kan worden afgeleid dat[getuige 7] erbij kwam nadat de mishandeling had plaatsgevonden, terwijl getuige [getuige 8] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte [slachtoffer 4] een schop wilde geven.

Daarnaast is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een causaal verband tussen de gepleegde mishandeling en het letsel bij [slachtoffer 4]. Van verdachte is bekend dat hij werkzaam was in de vechtsport. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij door zijn benen zakte toen hij getrapt werd. Hij is weer opgestaan en terug in zijn caravan begon hij over te geven. Hij is gaan liggen omdat hij zich beroerd voelde. Nadat hij met de ambulance naar het ziekenhuis was gebracht werd geconstateerd dat zijn milt was gescheurd en dat hij twee liter bloed in zijn ingewanden had, waarna hij binnen een uur is geopereerd, aldus [slachtoffer 4]. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanwijzingen dat [slachtoffer 4] voorafgaand aan de mishandeling medische problemen had ter zake van zijn milt. Gelet op het feit dat hij zich direct na de gepleegde mishandeling niet goed voelde en korte tijd daarna het letsel is geconstateerd, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een causaal verband tussen de mishandeling en het geconstateerde letsel. In het schoppen richting het bovenlichaam, waar zich kwetsbare organen bevinden, terwijl het slachtoffer door anderen wordt vastgehouden ligt bovendien het (minst genomen voorwaardelijk) opzet besloten om dat slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte, bovendien een geoefende vechtsporter ook al heeft hij een ingreep aan een been ondergaan, heeft zich aldus willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zou intreden.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 06/950661-12 onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

3.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2003 tot en met 31 juli 2007, te ’t Harde en/of Ermelo en/of elders in Nederland, en/of te Frankrijk, terwijl verdachte werkzaam was in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met[slachtoffer 2], die toen als cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg was toevertrouwd, immers heeft verdachte met die [slachtoffer 2]geslachtsgemeenschap gehad en zich door die [slachtoffer 2]laten pijpen en die [slachtoffer 2]gevingerd en de borsten van die [slachtoffer 2]betast en gelikt en haar hand naar zijn penis gebracht;

4.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2008, te ’t Harde en/of Oldenbroek en/of Kampen en/of elders in Nederland, en/of te Frankrijk, terwijl verdachte werkzaam was in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met[slachtoffer 3], die toen als cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg was toevertrouwd, immers heeft verdachte met die [slachtoffer 3] geslachtsgemeenschap gehad en die [slachtoffer 3] gevingerd en de borsten betast en haar hand naar zijn penis gebracht;

5.

hij op 11 juni 2012 te Doornspijk, tezamen en in vereniging met anderen, aan[slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten een gescheurde milt (die daarna in het ziekenhuis operatief is verwijderd), door deze[slachtoffer 4] opzettelijk meermalen tegen de zijkant van zijn lichaam te schoppen/trappen.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feiten 3 en 4 telkens:

Werkzaam in de gezondheidszorg/maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp/zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd;

Feit 5:

Medeplegen van zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is op 11 januari 2013 een rapport uitgebracht door drs.[psycholoog], psycholoog. Met de conclusie van dit rapport, dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt, kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling bij een forensisch psychiatrische polikliniek zoals in het rapport van 11 januari 2013 van psycholoog [psycholoog] is geadviseerd.

De raadsvrouw heeft in geval de rechtbank tot een veroordeling komt verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van haar cliënt. Haar cliënt heeft geen strafblad en is door alle publiciteit rondom zijn stichting al enorm gestraft in de vorm van het faillissement van de stichting.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft gedurende een langere periode van ongeveer twee jaar seksueel misbruik gemaakt van twee jonge vrouwen die zich voor hulp en begeleiding hadden gewend tot de Stichting[naam stichting], waarvan verdachte (mede-)oprichter, directeur en behandelaar/zorgverlener was. Naast de weerbaarheidstraining die zij volgden, voerde verdachte individuele gesprekken met hen en wist hij van hun problematiek en hun kwetsbaarheid. Verdachte begon tijdens de begeleiding een seksuele relatie met beide vrouwen. Verdachte heeft zijn lustgevoelens laten prevaleren boven de belangen van de vrouwen. Als hulpverlener mocht van hem worden verwacht dat hij afstand bewaarde. In plaats daarvan creëerde hij situaties waarbinnen de seksuele handelingen konden plaatsvinden. Beide vrouwen konden daaraan geen of onvoldoende weerstand bieden. Hij heeft hierdoor misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hij bij hen had opgebouwd en van hun kwetsbaarheid. Verdachte heeft de grenzen die een behoorlijk hulp/zorgverlener in acht dient te nemen, meermalen fors overschreden met alle gevolgen van dien. Verdachte heeft zich geen enkele rekenschap gegeven van de impact die zijn handelen had op de beide vrouwen, toen niet als hulpverlener en nu niet of nauwelijks als verdachte.

Wat die impact was, komt onder meer naar voren in de slachtofferverklaringen. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2]blijkt dat zij zich verward voelde. Aan de ene kant werd via weerbaarheidstraining en gesprekken gewerkt aan het leren van grenzen stellen, terwijl aan de andere kant verdachte de grenzen deed verdwijnen. Volgens [slachtoffer 2]is ze door het handelen van verdachte alleen maar dieper in de hulpverlening terecht gekomen, omdat haar problematiek door het handelen van verdachte was verergerd. Ook [slachtoffer 3] beschrijft in haar slachtofferverklaring dat ze als kwetsbare jonge vrouw bij[naam stichting] kwam en met nog meer problemen wegging. Ze ondervindt nog dagelijks problemen die zijn ontstaan als gevolg van het seksueel misbruik. Zo heeft ze last van herbelevingen, moeite mensen te vertrouwen, durft ze hulpverleners niet goed toe te laten en heeft ze relationele problemen gehad met haar echtgenoot.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan zware mishandeling waarbij het slachtoffer zeer zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte, die bekend is met vechtsporten, heeft het slachtoffer meerdere keren getrapt, waardoor de milt van het slachtoffer is gescheurd en deze operatief moest worden verwijderd.

De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen het rapport van [psycholoog] voornoemd. Hieruit komt naar voren dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Er is sprake van een persoonlijkheidsstructuur met narcistische trekken. Hij overdekt zijn eigen kwetsbare zelfgevoel met grootheidsideeën. De aan de narcistische dynamiek gekoppelde onverstoorbaarheid en egocentrisme hebben de weg voor hem gebaand om redelijk blind te zijn voor de belangen en belevingen van de ander waardoor grensoverschrijding kan plaatsvinden. Zijn eigen opvattingen, ideeën en plannen van aanpak domineren dan en kunnen verdachte vervolgens doen geloven dat zijn handelen juist is, omdat het uit zogeheten goede bedoelingen voortkomt. Door zich niet meer toetsbaar en kritisch op te stellen is verdachte steeds verder verwijderd geraakt van een realistische verhouding tot de ander. De kwetsbare mensen die zich tot verdachte wendden zagen in hem aanvankelijk de redder en verdachte is zich in toenemende mate een grootse redder gaan voelen, aldus [psycholoog]. Grenzen zijn vervaagd en het minder ontwikkelde schuld- en schaamtegevoel van verdachte hebben vervolgens onvoldoende drempels opgeworpen om aan de seksuele lust enige begrenzing te stellen. In de bevrediging van zijn seksuele lusten heeft hij steeds minder rekening gehouden met de belangen van de ander.

Volgens [psycholoog] is er sprake van een recidiverisico indien verdachte onbehandeld blijft en hij terug zou keren in een hulpverlenend beroep. Geadviseerd wordt om verdachte in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf te verplichten tot een ambulante behandeling bij een forensisch psychiatrische polikliniek en tot een verplicht reclasseringscontact.

De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen de justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

Alles in aanmerking nemend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

Uitsluitend om enig globaal inzicht te geven in de wijze waarop de rechtbank tot bepaling van de strafmaat is gekomen, zou de rechtbank ter zake van de onder 2 en 3 van parketnummer 06/950661-12 ten laste gelegde feiten in geval van een volledig toerekeningsvatbare dader komen tot een gevangenisstraf van globaal respectievelijk 12 en 10 maanden, waarbij de rechtbank rekening heeft gehouden met het verschil in frequentie van de seksuele handelingen gepleegd bij de beide feiten. De rechtbank heeft met betrekking tot de zware mishandeling aansluiting gezocht bij de LOVS oriëntatiepunten voor zware mishandeling die in geval van het toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel een vrijheidsstraf van 8 maanden noemen.

Mede rekening houdend met het feit dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt, zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen. De rechtbank acht dit op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en te verzekeren dat verdachte de door de psycholoog geadviseerde behandeling zal ondergaan.

Gelet op het feit dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij (op termijn) wel weer enkele (mannelijke) cliënten wil begeleiden en gelet op het door de deskundige beschreven recidiverisico zal de rechtbank verdachte daarnaast als bijkomende straf opleggen dat hem gedurende 5 jaar het recht wordt ontzegd om als hulpverlener aan het werk te gaan in de (maatschappelijke) zorg.

De rechtbank ziet overigens in de aandacht die de Stichting[naam stichting] in verband met deze zaak in de media heeft gekregen en het faillissement van de stichting geen aanleiding voor verlaging van de straf, dit vanwege de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Ook de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis eerder werd geschorst, vormt geen aanleiding voor een andere strafoplegging.

De door de rechtbank op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank tot minder bewezenverklaarde feiten komt.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij[slachtoffer 1] (advocaat mr. D.W. Jansen) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.321,28 vermeerderd met de wettelijke rente gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 en 2 van parketnummer 06/950661-12 ten laste gelegde.

Gelet op het feit dat verdachte van deze feiten wordt vrijgesproken zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering derhalve slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij[slachtoffer 2] (advocaat mr. D.W. Jansen) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 6.264,16 vermeerderd met de wettelijke rente gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 3 van parketnummer
06/950661-12 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag vermeerderd met de wettelijke rente.

De raadsvrouw heeft primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit gelet op de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de materiële schade niet dan wel onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht, mede gelet op het aantal keren dat de benadeelde partij is verhoord, niet onaannemelijk dat zij de door haar genoemde reiskosten heeft gemaakt. Ten aanzien van de telefoon- en portokosten acht de rechtbank eveneens aannemelijk dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt. Nu het voor de reis-, porto- en telefoonkosten gevorderde, in totaal
€ 264,16, de rechtbank niet buitensporig voor komt, zal de rechtbank dit vermeerderd met de wettelijke rente toewijzen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden. De rechtbank acht een bedrag van € 3.000,- redelijk en zal dit vermeerderd met de wettelijke rente toewijzen. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend. Verdachte is voor deze schade naar burgerlijk recht aansprakelijk. Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij[slachtoffer 3] (advocaat mr. D.W. Jansen) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 6.620,80 vermeerderd met de wettelijke rente gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 4 van parketnummer
06/950661-12 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van het gevraagde bedrag vermeerderd met de wettelijke rente.

De raadsvrouw heeft primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit gelet op de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de materiële schade niet dan wel onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij opgemerkt dat er ten opzichte van de benadeelde partij [slachtoffer 2]een verschil zou moeten zijn gelet op de frequentie van de seksuele handelingen.

De rechtbank acht, mede gelet op het aantal keren dat de benadeelde partij is verhoord, niet onaannemelijk dat zij de door haar genoemde reiskosten heeft gemaakt. Ten aanzien van de telefoon- en portokosten acht de rechtbank eveneens aannemelijk dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt. Nu het voor de reis-, porto- en telefoonkosten gevorderde, in totaal
€ 520,80, de rechtbank niet buitensporig voor komt, zal de rechtbank dit vermeerderd met de wettelijke rente toewijzen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden. De rechtbank acht een bedrag van € 2.000,- redelijk en zal dit vermeerderd met de wettelijke rente toewijzen. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend. De rechtbank komt tot een lagere immateriële schadevergoeding dan in het geval van[slachtoffer 2], omdat er tussen verdachte en [slachtoffer 2](veel) vaker seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Verdachte is voor deze schade naar burgerlijk recht aansprakelijk. Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij[slachtoffer 4] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 5.350,- (waarvan € 350,- voor materiële schade en € 5.000,- voor immateriële schade) vermeerderd met de wettelijke rente gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 5 van parketnummer 06/950661-12 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag vermeerderd met de wettelijke rente.

De raadsvrouw heeft primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit gelet op de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij, zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag en de vordering de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze vordering worden toegewezen. Verdachte is hiervoor naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van de benadeelde partijen[slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 28, 36f, 47, 57, 249 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 van parketnummer 06/950661-12 en het onder parketnummer 05/740040-13 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het onder 3, 4 en 5 van parketnummer 06/950661-12 ten laste gelegde heeft begaan;

  • -

    verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:


    Feiten 3 en 4 telkens:

Werkzaam in de gezondheidszorg/maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp/zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd;

Feit 5:

Medeplegen van zware mishandeling;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 3 jaren de navolgende algemene dan wel bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

 legt als algemene voorwaarden op dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 legt als bijzondere voorwaarden op dat de veroordeelde:

  • -

    zich op uitnodiging meldt bij de reclassering;

  • -

    zich daarna blijft melden zo frequent en zo lang als de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    zich ambulant laat behandelen in een forensische polikliniek of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een bijkomende straf, te weten ontzetting uit het recht tot directe of indirecte uitoefening van een beroep of werkzaamheden in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg voor de duur van 5 (vijf) jaren;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 van parketnummer 06/950661-12 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij[slachtoffer 2], van een bedrag van € 3.000,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2007, en een bedrag van € 264,16 voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2013, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij[slachtoffer 2], een bedrag te betalen van respectievelijk € 3.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2007 en € 264,16 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2013, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 42 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 4 van parketnummer 06/950661-12 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij[slachtoffer 3], van een bedrag van
    € 2.000,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2008, en een bedrag van € 520,80 voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2013, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij[slachtoffer 3], een bedrag te betalen van respectievelijk € 2.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2008 en € 520,80 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2013, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 35 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 5 van parketnummer 06/950661-12 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij[slachtoffer 4], van een bedrag van
    € 5.350,- voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2012, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij[slachtoffer 4], een bedrag te betalen van € 5.350,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2012, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 61 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    verklaart de benadeelde partijen[slachtoffer 2] en[slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

 verklaart de benadeelde partij[slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Gilhuis en Beljaars, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 november 2013.

Mr. Althoff is buiten staat

deze uitspraak mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0610 2012160669, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Noordwest Veluwe, gesloten en ondertekend op 11 februari 2013.

2 O.a. HR 30 juni 2009, NJ 2009, 495 en laatstelijk ook nog HR 6 maart 2012, in een drietal arresten

3 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p.1645

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p.1649-1650

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p.1658

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p.1649

7 Proces-verbaal zitting 15 november 2013

8 Mails maart – augustus 2005 tussen [betrokkene 2] en verdachte, p. 1217-1240

9 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.451

10 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.452

11 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.453

12 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.454

13 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.454

14 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.455

15 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.456

16 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.457

17 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.458

18 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.459

19 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.461

20 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p.1748

21 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p.1651

22 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p.1653

23 E-mail in persoonsdossier[betrokkene 2], p.1217

24 Plaatsingsplan IRO, opgemaakt op 16 juni 2005 door Reïntegratiebedrijf Inclusief Intervens, p.525-526

25 Bezwaarschrift, p. 1471

26 Verklaring[getuige 3], afgelegd bij rechter-commissaris

27 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.451

28 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.452

29 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.453

30 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2], p.454

31 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 3], p.583-584

32 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 3], p.585

33 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 3], p.586

34 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 3], p.587

35 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 3], p.588

36 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 3], p.589

37 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 3], p.590

38 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p.1765

39 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p.1770

40 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p.1771

41 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p.1770

42 Verklaring[getuige 3], afgelegd bij rechter-commissaris

43 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 3], p.580

44 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 3], p.581

45 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 3], p.588

46 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0610 2012078677, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Noordwest Veluwe, gesloten en ondertekend op 22 november 2012.

47 Proces-verbaal van bevindingen, p.36

48 Proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 4], p.39-40

49 Geneeskundige verklaring, p.42

50 Proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige 4], p.53

51 Proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige 5], p.49