Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4956

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
C-06-134233 - HA ZA 12-436
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldlening. Vordering door nabestaanden op nabestaanden. Beroep op verjaring gaat op. Geen reden om langere verjaringstermijn aan te nemen. Geen stuiting van reeds verjaarde vordering. Valsheid in geschrifte niet relevant. Verstek: Rechtsbetrekking verplicht gezien feiten en omstandigheden tot een voor alle gedaagden gelijkluidende beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/06/134233 / HA ZA 12-436

Vonnis van 27 november 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats, gemeente],

eiser,

advocaat mr. K. van Barneveld- Peters te Arnhem,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [plaats, gemeente],

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats, gemeente],

gedaagde,

advocaat mr. J.P. Wolters te Lichtenvoorde, gemeente Oost-Gelre,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [plaats, gemeente],

gedaagde,

niet verschenen,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [plaats, gemeente],

gedaagde,

niet verschenen,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te[plaats],

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna wederom[eiser] en [gedaagden] genoemd worden. Gedaagden sub 1 en 2 worden hierna wederom respectievelijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 juli 2013 (hierna het tussenvonnis),

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 5 november 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Primair voert [gedaagde sub 2] gemotiveerd aan dat de lening is terugbetaald. Nu hij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept rust het bewijs van die stelling op hem. Indien hij daarin niet slaagt, ligt de beoordeling van het subsidiaire verweer betreffende de verjaring ter beoordeling voor. Dit beroep slaagt zodat voormelde bewijslevering achterwege kan blijven.

2.2.

[eiser] voert aan dat de lening moet worden beschouwd als een lening waarvoor geen tijdstip voor nakoming is bepaald zodat een verjaringstermijn van 20 jaren geldt. Hij refereert aan gevallen waarin in de overeenkomst zelf besloten ligt dat de opeising niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden en aan leningen met een slapend bestaan waarvan stuiting niet mag worden verwacht en die eerst als de nalatenschap van de uitlener openvalt worden afgelost door verrekening met het erfdeel van de erfgenaam die de lening ontving.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat deze redenering niet op nu het in het onderhavige geval blijkens de tekst van de schuldbekentenis niet gaat om een lening waarvoor geen tijdstip van nakoming is bepaald maar juist om een lening waarin een duidelijke regeling voor de aflossing van zowel de hoofdsom als de rente is bepaald.[eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om aan te nemen dat de overeenkomst desalniettemin feitelijk zo bedoeld was als door hem geschetst zodat de rechtbank uitgaat van de tekst van de schuldbekentenis.

2.3.

Op grond van artikel 2012 oud BW en artikel 3:308 (nieuw) BW verjaren rechtsvorderingen tot betaling van renten van geldsommen en alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Op 1 januari 1992 is het BW in werking getreden. Artikel 73 Overgangswet eerbiedigt voor lopende verjaringstermijnen het oude recht nog een jaar na de inwerkingtreding van het BW, daarna verkrijgt het nieuwe recht toepassing.

Op grond van artikel 3:312 BW verjaren rechtsvorderingen tot betaling van wettelijke of bedongen rente, behoudens stuiting of verlenging, niet later dan de rechtsvordering tot nakoming van de hoofdverplichting.

2.4.

Blijkens de schuldbekentenis zal schuldenaar van de hoofdsom jaarlijks ƒ 2.000,00 op de hoofdsom terugbetalen met ingang van 1 januari 1986. Dat betekent dat de eerste termijn op 1 januari 1986 en de laatste termijn op 1 januari 1998 opeisbaar werd.

De rente van elk van 9 februari tot 9 februari lopend jaar werd elk jaar aan het eind van die periode per 9 februari opeisbaar, voor het eerst op 9 februari 1985. Op grond van de artikelen 2012 oud BW en 3:308 BW geldt zowel voor de hoofdsom als voor de rente een verjaringstermijn van 5 jaren zodat, behoudens stuiting, (het laatste deel van) de vordering tot terugbetaling op de hoofdsom alsmede de vordering tot betaling van rente, gezien ook artikel 3:312 BW, op 2 januari 2003 is verjaard.

2.5.

In de literatuur heerst verdeeldheid over de vraag wanneer stuiting nog effect sorteert. De rechtbank volgt de heersende leer - zoals weergegeven in Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/423 e.v. – dat slechts een lopende verjaring gestuit kan worden, dat wil zeggen dat stuiting slechts effect sorteert als de verjaringstermijn nog niet is verstreken, en dat stuiting niet meer kan geschieden nadat de verjaringstermijn is verstreken, ook al heeft de schuldenaar nog geen beroep op de verjaring gedaan.[eiser]

2.6.

[eiser] stelt dat de verjaring is gestuit door de brief van 22 november 2003 dan wel door de daaruit blijkende betaling of door de betalingen van 16 februari 2004 en 2 mei 2004 (zie rechtsoverweging 2.7 en 2.8 van het tussenvonnis) nu die een erkenning van het recht van erflaatster op terugbetaling inhouden. De brief kan niet leiden tot stuiting omdat erkenning slechts een lopende verjaring stuit en de onderhavige rechtsvordering op 22 november 2003 al was verjaard. Met betrekking tot de betalingen miskent[eiser] dat die betalingen, als zou komen vast te staan dat dit betalingen op de schuld betreffen, slechts zijn aan te merken als voldoening aan een natuurlijke verbintenis omdat de rechtsvordering ten tijde van de betalingen al was verjaard. Het beroep op stuiting faalt.

2.7.

Tenslotte voert[eiser] aan dat aan [gedaagden] op grond van de redelijkheid en billijkheid geen beroep op verjaring toekomt omdat zij misbruik hebben gemaakt van de goedheid en het vertrouwen van erflaatster, zowel bij het uitlenen van het geld als bij het (niet) terugbetalen en omdat zij zich schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte met het doel om onder hun verplichtingen uit te komen. Ook deze stelling gaat niet op. De valsheid in geschrifte, die overigens niet door [gedaagden] maar door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] is gepleegd, is pas na voltooiing van de verjaring gepleegd zodat deze niet aan een beroep op de reeds voltooide verjaring in de weg kan staan.[eiser]

heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt van (zodanig) misbruik van de goedheid en het vertrouwen van erflaatster dat zulks het vergaande gevolg zou rechtvaardigen dat [gedaagden] daarmee niet meer het recht toekomt een beroep te doen op de verjaringsbepalingen.

2.8.

De rechtbank zal de vordering jegens [gedaagde sub 2] afwijzen.

2.9.

Met betrekking tot de overige gedaagden, die verstek hebben laten gaan, geldt, zoals in het tussenvonnis onder 5.1 is overwogen, dat de door de wel verschenen gedaagde aangevoerde verweren niet in het voordeel van de overige gedaagden werken tenzij sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing (vgl. HR 28 mei 1999, NJ 2000, 290). Die situatie doet zich hier voor zodat de rechtbank op gelijke wijze zal beslissen. Immers gaat het in het onderhavige geval om een vordering tot terugbetaling van één lening. Die lening was een zakelijke overeenkomst van geldlening die ruim 29 jaar geleden is aangegaan en waarvoor tussen de contractspartijen een terugbetalingsregeling was overeengekomen. Die contractspartijen waren twee familieleden die beide al geruime tijd geleden zijn overleden. Gedaagden zijn allen erfgenamen van één van de contractspartijen. Eiser is één van de erfgenamen van de andere contractspartij. Alle partijen zijn verwanten van elkaar, uit verschillende generaties.

Gezien al deze omstandigheden dient naar redelijkheid en billijkheid geoordeeld te worden dat de onderhavige rechtsbetrekking verplicht tot een voor alle gedaagden gelijkluidende beslissing. De vordering wordt ook jegens [gedaagde sub 1] en gedaagden 3 tot en met 5 afgewezen.

2.10.

De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de gezien de familierelatie tussen partijen gebruikelijke compensatie van de proceskosten zodat zij zal bepalen dat elk van partijen de eigen proceskosten betaalt.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vordering af,

3.2.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.I. Spoor en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2013.1

1 TS/Vg