Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4887

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
05/720305-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor zware mishandeling waarbij het slachtoffer met een mes in het gezicht is gesneden. Beroep op noodweer verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/720305-13

Datum zitting : 14 november 2013

Datum uitspraak : 28 november 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [1991] te [geboorteplaats]

adres : [geboorteplaats]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Raadsvrouw : mr. J.E. Kremer, advocaat te Nijmegen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 02 augustus 2013 te Nijmegen aan een persoon genaamd [slachtoffer]

, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een diepe snee in het

(aan)gezicht), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een (stanley)mes,

althans een scherp voorwerp en/of puntig voorwerp in het gezicht te steken

en/of te snijden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 02 augustus 2013 te Nijmegen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

meermalen, althans éénmaal in het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en/of

(vervolgens) met een (stanley)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in

het gezicht heeft gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 14 november 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.E. Kremer, advocaat te Nijmegen.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [slachtoffer], bijgestaan door mr. J. de Bruin, advocaat te Maastricht, die de vordering ter terechtzitting heeft toegelicht.

De officier van justitie, mr. G. Steeghs, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs 1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 2 augustus 2013 bevonden verdachte en aangever zich beiden bij het Texaco tankstation aan de Wijchenseweg in Nijmegen. Op een gegeven moment heeft een confrontatie plaatsgevonden tussen verdachte en aangever.2 Bij die confrontatie is aangever met een mes in het gezicht verwond. Aangever liep daarbij het volgende letsel op:

Snijverwonding in het gezicht van het linker oor tot op de kin, 16 centimeter lang. Onderlip volledig doorsneden tot in de mondholte over een lengte van één centimeter. Doorgesneden slagader. Drie takken van de aangezichtszenuw doorsneden en één tak beschadigd. Beschadigde oorspeekselklier. Ingesneden kauwspier. Zichtbare kerf in het botvlies van de kaak.

De wond is gehecht met 30 hechtingen.3 Zes dagen na het feit is bij aangever een verlamming geconstateerd van de aangezichtsspieren van de linker gelaatshelft, waardoor de wenkbrauw lager staat en niet goed meebeweegt. Het linkeroog kan niet goed sluiten, de lippen kunnen zich niet goed vormen waardoor de spraak is bemoeilijkt. Aan de linkerzijde kan aangever niet lachen of de tanden laten zien.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat aangever hem aanviel met een mes dat hij in zijn linkerhand hield. Verdachte heeft daarop met zijn rechterhand de arm van aangever weggeslagen. Daarbij moet aangever zichzelf met het mes hebben verwond.

De verdediging verzoekt, gelet op die verklaring, verdachte vrij te spreken. Naar de mening van de verdediging bevindt zich in het dossier onvoldoende betrouwbaar bewijs om aan te nemen dat het anders is gegaan dan verdachte heeft verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever heeft als volgt verklaard over hoe hij de verwondingen heeft opgelopen.

Hij zag dat verdachte een klapmes uit zijn broekzak haalde en dit uitklapte. Verdachte stapte naar aangever toe en haalde met het mes uit in aangevers richting. Bij die uithaal ging het mes door zijn gezicht heen, waarna hij direct een heftige pijn voelde.5

De rechtbank acht de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd ongeloofwaardig.

Naar het oordeel van de rechtbank zou het wegslaan van de arm van aangever door verdachte, indien daardoor al het gezicht van aangever zou kunnen worden geraakt, hoogstens tot gevolg kunnen hebben dat het mes het gelaat van aangever zou schampen. Dit zou wel tot enige verwonding kunnen leiden, maar een zo ingrijpende verwonding als bij aangever is geconstateerd, waarbij het mes de wang van oor tot lip heeft doorsneden en tot op het bot is gegaan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet passen bij het door verdachte geschetste scenario.

Daar komt nog bij dat verdachte in de drie maanden dat hij in voorlopige hechtenis heeft gezeten voorafgaand aan de behandeling van zijn zaak, niet eerder met deze verklaring is gekomen, niet bij de politie en ook niet bij de rechter-commissaris. Verdachte heeft als redenen daarvoor gegeven dat hij geen vertrouwen had in de politie, omdat die hem “verkeerde informatie” zou hebben verstrekt en dat hij niet wist dat hij met de rechter-commissaris van doen had. Ook die verklaringen acht de rechtbank niet geloofwaardig.

De rechtbank heeft dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat het verdachte was die hem met een mes heeft verwond.

Die verklaring wordt voorts ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1], die tien minuten na het feit heeft verklaard dat hij zag dat verdachte opeens twee keer uithaalde naar aangever.6

De rechtbank betrekt bij haar overwegingen dat verdachte geen enkele uitleg heeft willen geven over de ruzie die hij met aangever zou hebben gehad. Aangever schetst daarentegen een concreet en toetsbaar verhaal. Verdachte heeft verklaard dat hij na afloop van de gebeurtenis in de auto is weggereden, samen met getuige [getuige 2]. In de auto hebben zij volgens verdachte en [getuige 2] niet gesproken over wat zich even daarvoor heeft voorgedaan. Uitgaande van de verklaring die verdachte zelf heeft afgelegd, komt dat de rechtbank zeer ongeloofwaardig voor. Volgens verdachte was hij immers degene die met een mes zou zijn aangevallen. Dat hij daarover niet heeft gesproken met de getuige en dat hij geen aangifte heeft willen doen, wil er bij de rechtbank niet in. Dit weegt mee in het nadeel van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de onder de vaststaande feiten beschreven verwondingen als zwaar lichamelijk letsel zijn aan te merken.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

Primair

hij op 02 augustus 2013 te Nijmegen aan een persoon genaamd [slachtoffer]

, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een diepe snee in het (aan)gezicht), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een mes, in het gezicht te snijden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Primair:

Zware mishandeling

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat er sprake is van noodweer. De verdediging betoogt daartoe dat verdachte door aangever met een mes werd aangevallen en zich heeft verdedigd door aangevers arm weg te slaan, waardoor aangever zichzelf aan het gezicht heeft verwond.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het is niet aannemelijk geworden dat er sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever of onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

De rechtbank verwijst naar het onder 3 overwogene met betrekking tot de beoordeling van het bewijs.

Niet is gebleken van andere feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De verdediging heeft verzocht in geval van bewezenverklaring een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 de justitiële documentatie van verdachte, gedateerd 17 oktober 2013 en

 een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 9 oktober 2013, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft een ander met een mes in het gezicht gesneden. De gevolgen voor die ander zijn zeer ingrijpend. Het slachtoffer heeft ernstige verwondingen opgelopen die deels van blijvende aard zijn. Uit de letselrapportage van de forensisch arts volgt dat het herstel één tot enkele jaren zal duren en dat volledig herstel niet waarschijnlijk is. Zeker is dat aangever zijn leven lang een zichtbaar litteken van oor tot lip zal hebben. Op dit moment kan het slachtoffer zijn mond bij het eten nog niet goed open en dicht doen en functioneert zijn linkeroog nog niet goed. Daarom heeft het slachtoffer problemen met slapen.

Had verdachte een aantal centimeters lager gesneden, dan was het letsel levensbedreigend geweest. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan een zeer ernstige zware mishandeling. Naar het oordeel van de rechtbank past voor een zo ernstige mishandeling met dergelijk zwaar letsel slechts een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank zal daarom de officier van justitie volgen in zijn eis, met dien verstande dat zij een groter deel voorwaardelijk oplegt, gelet op de omstandigheid dat verdachte geen relevante documentatie heeft. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding voor een proeftijd van 3 jaren en zal een proeftijd van 2 jaren opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een shirt, een jeans, een schoudertas, een paar schoenen en een paar sokken moeten worden teruggegeven aan verdachte.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 18.140,09, waarvan € 17.500,- immateriële schade, toe te kennen als voorschot. De benadeelde partij vordert tevens de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 125 dagen hechtenis.

De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade geheel of ten dele niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat de gevorderde schade niet eenvoudig is vast te stellen en aldus een onevenredige belasting van het strafgeding met zich meebrengt.

Ten aanzien van gevorderde reis- en telefoonkosten verzoekt de verdediging afwijzing, dan wel matiging, dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, omdat een onderbouwing ontbreekt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de materiële schade:

Het eigen risico en de factuur van Radboud UMC zijn met stukken onderbouwd en niet betwist. De rechtbank acht die kosten toewijsbaar.

De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat de benadeelde partij de reis- en telefoonkosten heeft moeten maken en acht de hoogte van die kosten niet bovenmatig of onredelijk. Ook deze kosten zullen worden toegewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade:

Gelet op de aard van de schadeveroorzakende gebeurtenis, de aard en de ernst van de lichamelijke en psychische gevolgen voor de benadeelde partij (voor zover tot dit moment bekend) en rekening houdend met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht de rechtbank het voorschot op de schadevergoeding zoals dit is gevorderd door de benadeelde partij billijk. Dit bedrag zal als voorschot worden toegewezen.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De gevorderde en toegewezen rente is daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 11 november 2013 (zijnde de dag van indiening van de vordering) over de materiële schade en vanaf 2 augustus 2013 over de immateriële schade.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 1 (één) jaar niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 1 shirt, 1 jeans, 1 Armani schoudertas, 1 paar schoenen en 1 paar sokken aan de veroordeelde.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], te betalen € 18.140,09 (achttienduizendeenhonderdenveertig euro en negen cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2013, over € 640,09 (de materiële schade) en vanaf 2 augustus 2013, over € 17.500,- (het voorschot op de immateriële schade) tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 18.140,09 (achttienduizendeenhonderdenveertig euro en negen cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2013, over

€ 640,09 (de materiële schade) en vanaf 2 augustus 2013, over € 17.500,- (het voorschot op de immateriële schade) tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 125 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. J.M. Klep (voorzitter), mr. W.A. Holland en mr. G.M.L. Tomassen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen als griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 november 2013.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de regiopolitie Oost-Nederland, Flex Nijmegen, opgemaakte proces-verbaal, nummer 2013076695 (onderzoek Louisiana), gesloten op 20 september 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 49, alinea 5 en 6; verklaring verdachte ter terechtzitting van 14 november 2013.

3 Schriftelijk bescheid, te weten een letselrapportage van drs. [arts], forensisch arts FMG, p.2.

4 Schriftelijk bescheid, te weten een letselrapportage van drs. [arts], forensisch arts FMG, p.2 en 3; schriftelijke bescheiden, te weten foto’s, p. 14-16.

5 Proces-verbaal van aangifte, p. 49, alinea 6.

6 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1], p. 81, alinea 3.