Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4819

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
243471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Vrouw wil tot verdeling van de pensioenaanspraken komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/243471 / HA ZA 13-336

Vonnis van 23 oktober 2013

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te[woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. M. Wolkenfelt te Nijmegen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te[woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. W.G.A. van Hoogstraten te Beuningen.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 juni 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 augustus 2013

  • -

    de verzoeken van partijen om vonnis te wijzen

  • -

    de rolverwijzing van 10 september 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 1 september 1972 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 12 december 1991. De echtscheiding is op 14 februari 1992 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente Druten.

2.2.

Uit het huwelijk van partijen zijn drie, thans meerderjarige, kinderen geboren.

2.3.

Voor en tijdens het huwelijk heeft de man bij het ABP ouderdomspensioenaanspraken opgebouwd. Hij heeft op 30 maart 2013 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Vanaf die datum ontvangt hij een pensioenuitkering.

2.4.

De (gemachtigde van de) vrouw heeft de man op 22 januari 2013 schriftelijk verzocht mee te werken aan waardeverrekening van het pensioen, maar de man is daar niet op ingegaan.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man veroordeelt om binnen veertien dagen na dit vonnis aan haar schriftelijk
- door het ABP opgestelde - opgave te doen omtrent de hoogte van de waarde van haar aanspraken in de door hem tot 14 februari 1992 opgebouwde pensioenrechten, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat hij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen. De vrouw vordert voorts veroordeling van de man haar vanaf 30 maart 2013 maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen haar pro rato deel in de waarde van zijn ouderdomspensioen dat hij van enig pensioenfonds ontvangt en wel pro rato over de periode tot 14 februari 1992, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tot slot vordert de vrouw de man te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

De vrouw baseert haar vordering op de stelling dat partijen na de echtscheiding geen afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarin de tot 14 februari 1992 door de man opgebouwde pensioenaanspraken vallen. Volgens haar is alleen de voormalige echtelijke woning verdeeld. De vrouw wenst thans alsnog te komen tot verdeling van de pensioenaanspraken.

3.3.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij stelt in de eerste plaats dat partijen mondeling hebben afgesproken dat de vrouw geen aanspraak zou maken op verrekening van het door hem opgebouwde ouderdomspensioen, en dat hij daartegenover geen aanspraak zou maken op de nalatenschap van de ouders van de vrouw. Verder stelt de man zich op het standpunt dat de vordering van de vrouw is verjaard.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat partijen in gemeenschap van goederen gehuwd waren. Hun huwelijk is door echtscheiding ontbonden in de periode na het arrest Boon / Van Loon (HR 27 november 1981, NJ 1982, 503) en voor inwerkingtreding van de Wet verevening pensioenrechten. De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap wordt daarom beheerst door de regels die uit het arrest Boon / Van Loon voortvloeien. Als gevolg van dit arrest zijn de door de man tot 14 februari 1992 (zowel vóór als tijdens het huwelijk) opgebouwde pensioenaanspraken aan te merken als voorwaardelijke vorderingsrechten die in de inmiddels ontbonden gemeenschap vallen.

Gemaakte afspraken

4.2.

Partijen zijn het er niet over eens of zij ten tijde van de echtscheiding afspraken hebben gemaakt over (verdeling van) de pensioenaanspraken. Vast staat dat zij geen afspraken op schrift hebben gesteld. De man heeft ter comparitie verklaard dat hij in een gesprek met de vrouw onder vier ogen heeft afgesproken dat eventuele pensioenaanspraken zullen wegvallen tegen aanspraken op de nalatenschap van de ouders van de vrouw. Dat gesprek zou zijn geweest na het overlijden van de moeder van de vrouw. De vrouw heeft in reactie hierop verklaard dat tussen partijen geen overleg mogelijk was, niet vóór de echtscheiding, maar ook daarna niet. Volgens haar zijn er zeker geen afspraken gemaakt zoals de man die stelt. Ter toelichting heeft zij aangevoerd dat haar ouders in een testament hadden vastgelegd dat zij niet wilden dat de nalatenschap bij de partners van hun kinderen terecht zouden komen. De vrouw was hier al voor het overlijden van haar moeder van op de hoogte. Zij zou de door de man gestelde afspraak daarom nooit gemaakt hebben. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft de man niet nader toegelicht en concreet gemaakt wanneer en onder welke omstandigheden deze afspraak zou zijn gemaakt. Omdat geen concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld die, indien bewezen, de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat de door de man gestelde afspraak daadwerkelijk is gemaakt, gaat de rechtbank aan dit verweer van de man voorbij.

Verjaring

4.3.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of de vordering van de vrouw tot verdeling aan verjaring onderhevig is. De man heeft ter onderbouwing van zijn beroep op verjaring verwezen naar twee uitspraken van het gerechtshof te Arnhem, te weten het arrest van 12 mei 2009 (LJN: BJ3742) en het arrest van 28 juni 2011 (LJN: BR4699).

4.4.

Van belang is dat het hier gaat om verdeling van een gemeenschappelijk goed, zoals bedoeld in de artikelen 3:178 BW en 3:179 BW. Nu verdeling niet heeft plaatsgevonden kunnen de pensioenaanspraken worden aangemerkt als een “overgeslagen goed” zoals bedoeld in artikel 3:179 lid 2 BW. Op grond van artikel 3:178 lid 1 BW kan iedere deelgenoot te allen tijde verdeling vorderen. De woordcombinatie “te allen tijde” houdt in dat een vordering tot verdeling niet aan verjaring onderhevig is. De rechtbank ziet niet in waarom dat in dit geval anders zou zijn. De door de man genoemde arresten zijn niet vergelijkbaar, omdat het daar ging om een wettelijk deelgenootschap waaruit wel een verrekenvordering kan voortvloeien, maar geen vordering tot verdeling. Het beroep op verjaring van de man wordt daarom verworpen.

slotsom

4.5.

Zoals hiervoor reeds is overwogen zijn de pensioenaanspraken aan te merken als een gemeenschappelijk goed, waarvan de verdeling nog niet heeft plaatsgevonden. Verdeling kan te allen tijde worden gevorderd. De vrouw heeft die verdeling gevorderd door verrekening van de waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken. Nu tegen deze vordering overigens geen verweren zijn aangevoerd, zal de rechtbank deze toewijzen met inachtneming van het volgende.

4.6.

De gevorderde dwangsom, die niet is weersproken, zal worden beperkt als volgt.

4.7.

Nu de wijze van verdeling eerst bij deze beslissing wordt vastgesteld, is er nog geen sprake van verzuim. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man over het reeds aan de vrouw verschuldigde bedrag wettelijke rente verschuldigd is te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.

4.8.

Gelet op de vroegere relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de man binnen veertien dagen na heden aan de vrouw schriftelijk
– door het ABP opgestelde – opgave te doen omtrent de hoogte van de waarde van haar aanspraken in de door de man tot 14 februari 1992 opgebouwde pensioenaanspraken,

5.2.

veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.3.

bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voorzover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding,

5.4.

veroordeelt de man om, te rekenen vanaf 30 maart 2013, aan de vrouw te voldoen haar pro-rato deel in de waarde van het ouderdomspensioen dat de man (van enig pensioenfonds) ontvangt en wel pro-rato over de periode tot 14 februari 1992, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.M. Overkamp en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2013.