Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4815

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
05/740108-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeeld voor een poging zware mishandeling, omdat verdachte meermalen haar vingers hard in de vagina van de tweejarige dochter van haar partner heeft geduwd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]05/740108-13

Uitspraak d.d.: 26 november 2013

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum 1],

wonende te [adres 1],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [adres 2].

Raadsman: mr. A. Neophitou, advocaat te Berghem.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 november 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting, ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 3 augustus 2013 te Brummen, in elk geval in Nederland, (telkens) met [slachtoffer 1] (geboortedatum [geboortedatum 2]),

handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], te weten het (telkens) brengen van één of meer van haar, verdachtes, vinger(s) en/of een voorwerp in de vagina van die [slachtoffer 1], terwijl die [slachtoffer 1] de leeftijd van twaalf jaren niet had bereikt en terwijl verdachte die [slachtoffer 1] verzorgde of opvoedde als behorend bij haar gezin dan wel die [slachtoffer 1] aan haar zorg of waakzaamheid was toevertrouwd;

art 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 244 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 3 augustus 2013 te Brummen, in elk geval in Nederland, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meermalen) (met kracht) één of meerdere van haar, verdachtes, vinger(s) in de vagina van

die [slachtoffer 1] heeft geduwd/gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl verdachte die [slachtoffer 1] verzorgde of opvoedde als behorend bij haar gezin;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 3 augustus 2013 te Brummen, in elk geval in Nederland, (telkens) een persoon, [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2]), opzettelijk heeft mishandeld, door opzettelijk (meermalen) (met kracht) één of meerdere van haar, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] te duwen/brengen, waardoor die [slachtoffer 1] lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, terwijl verdachte die [slachtoffer 1] verzorgde of opvoedde als behorend bij haar gezin;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 2 augustus 2013 te Brummen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], van het leven te beroven, met dat opzet die (bovenaan de trap dan wel hoog op de trap staande) [slachtoffer 1] van de trap heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

zij op of omstreeks 2 augustus 2013 te Brummen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die

(bovenaan dan wel hoog op de trap staande) [slachtoffer 1] van de trap heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl verdachte die [slachtoffer 1] verzorgde of opvoedde als behorend bij haar gezin;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

zij op of omstreeks 2 augustus 2013 te Brummen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2]), heeft geduwd, tengevolge waarvan deze van de trap is gevallen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, terwijl verdachte die [slachtoffer 1] verzorgde of opvoedde als behorend bij haar gezin;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 3 augustus 2013 te Brummen, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], opzettelijk (meermalen) tegen haar gezicht, in elk geval tegen haar hoofd, heeft geslagen en/of (meermalen) (krachtig) in haar buik heeft geknepen en/of (krachtig) heeft vastgepakt, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, terwijl verdachte die [slachtoffer 1] verzorgde of opvoedde als behorend bij haar gezin;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 3 augustus 2013 te Brummen, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend, een persoon,[slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3], opzettelijk (meermalen) tegen zijn gezicht, in elk geval tegen zijn hoofd, heeft geslagen, tengevolge waarvan die[slachtoffer 2] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden,

terwijl verdachte die[slachtoffer 2] verzorgde of opvoedde als behorend bij haar gezin;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 3 augustus 2013 is in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht onderzoek gedaan naar letsel bij een tweejarig meisje. Volgens de arts kwamen het letsel en de verklaring over het ontstaan ervan niet overeen en was er daarnaast sprake van alarmerend genitaal letsel.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en verder toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen haar primair en subsidiair ten laste is gelegd. Er is geen sprake geweest van een seksueel motief bij verdachte. Haar opzet was gericht op het toebrengen van pijn, maar niet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Bovendien kan geen sprake zijn van een poging tot zware mishandeling, omdat het delict al is voltooid, aldus de raadsman.

Ook ten aanzien van het als feit 2 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu verdachte geen enkel opzet heeft gehad op hetgeen haar wordt verweten. Er is sprake geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en verdachte kon niet weten dat een dergelijk klein duwtje, midden op de overloop en niet bovenaan de trap – zoals onder grote druk van de politie door verdachte ten onrechte is verklaard –, tot gevolg zou hebben dat [slachtoffer 1] van de trap zou vallen.

Met betrekking tot de feiten 3 en 4 heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte deze feiten weliswaar heeft bekend, maar dat zij geen enkel opzet heeft gehad op mishandeling van de kinderen. Ook staat niet vast welke gedraging van verdachte wanneer zou hebben plaatsgevonden en welk gevolg dat zou hebben gehad. Dit zo zijnde steunt het bewijs enkel en alleen op de bekennende verklaring van verdachte hetgeen onvoldoende is zoals blijkt uit artikel 341 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering. Zij dient dan ook van deze beide feiten te worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

Door wettige bewijsmiddelen, welke hieronder verhalenderwijs zijn weergegeven, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft de rechtbank, met de officier van justitie, de overtuiging verkregen en acht de rechtbank wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Feit 1

Op 3 augustus 2013 is in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht onderzoek gedaan naar letsel bij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), geboren op [geboortedatum 2]. In de rapportage van [forensisch arts 1], forensisch arts, van 5 augustus 20132 is onder meer vermeld dat bij [slachtoffer 1] sprake is van een diepe inkeping van het maagdenvlies en van één, maar waarschijnlijk twee, weefselverscheuringen. De diepe inkeping van het maagdenvlies betreft vrijwel zeker een zogenaamde transectie, een reeds genezen diepe weefselverscheuring als gevolg van penetrerend vaginaal trauma in het verleden. Nauwkeurige datering van het moment van ontstaan van transecties van het maagdenvlies is niet mogelijk. Bij de weefselverscheuringen is het genezingsproces beperkt zichtbaar. Deze weefselverscheuringen moeten derhalve recent ontstaan zijn en zijn zeer suspect voor het plaatsgehad hebben van penetrerend vaginaal trauma. Een fors lokaal inwerkend botsend stomp trauma als oorzaak voor de weefselverscheuringen is echter niet volledig uit te sluiten. De weefselscheuringen kunnen zowel een accidentele als een niet-accidentele oorzaak hebben. Bij kinderen van de leeftijd van [slachtoffer 1], die luierdragend is, dient ingeval van een accidentele oorzaak een plausibele verklaring te kunnen worden gegeven. De gemelde toedracht, te weten een val van de trap op 2 augustus 2013, vormt geen passende verklaring. Voorts zijn weefselverscheuringen op de leeftijd van [slachtoffer 1] suggestief voor het plaatsgehad hebben van seksueel misbruik.

In een e-mailbericht van[forensisch arts 2], forensisch arts bij het NFI, afdeling Medisch Forensisch Onderzoek, van 5 augustus 20133 is vermeld dat de onderbreking van het maagdenvlies bij [slachtoffer 1] wijst op penetrerend trauma in het verleden. Deze penetratie moet met enige kracht hebben plaatsgevonden met een voorwerp zoals een penis, een vinger of met een stevig stomp of scherp(randig) voorwerp. Door kracht ter plaatse of door krachten met of door een voorwerp met enige omvang dat het maagdenvlies als het ware opzij heeft geduwd, moet het maagdenvlies zijn ingescheurd tot aan de basis van het maagdenvlies. Dit moet direct (erg) pijnlijk zijn geweest en met relatief veel bloedverlies gepaard zijn gegaan. Een dergelijke transectie betreft een blijvende onderbreking.

De (waarschijnlijk aanwezige) scheurverwonding met bloedverlies aan de onderrand van het voorhof en verder naar voren betreft een acuut letsel van maximaal enkele dagen oud op het moment van fotografische vastlegging. Een dergelijk letsel kan zowel accidenteel als niet-accidenteel zijn ontstaan. Bij een val op een voorwerp met impact ter plaatse is overigens (niet bij [slachtoffer 1] geconstateerd) bijkomend letsel zoals onderhuidse bloeduitstortingen rondom het genitaal gebied te verwachten. Een niet-accidentele verklaring is bijvoorbeeld het handmatig met enige kracht spreiden van de buitenste schaamlippen tijdens seksuele handelingen.

Getuige[getuige 1], de vader van [slachtoffer 1], heeft verklaard4 dat hij sinds juni 2013 meerdere malen bloed in de luier van [slachtoffer 1] heeft gezien.

In het procesdossier bevinden zich enkele foto’s van bebloede luiers en luierdoekjes die ter gelegenheid van het onderzoek door de politie zijn aangetroffen in de woning aan de [adres 3]5. Het in een luier aangetroffen bloed (AAGE9180NL) en het in een luierdoekje aangetroffen bloed (AAGE9191NL) zijn door het NFI vergeleken met wangslijm dat van [slachtoffer 1] is afgenomen. Volgens het NFI kan het DNA in het sporenmateriaal met de hierboven genoemde nummers afkomstig zijn van [slachtoffer 1]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is berekend op kleiner dan één op één miljard6.

Verdachte heeft bij de politie verklaard7 dat zij haar vingers hard in en uit de vagina van [slachtoffer 1] heeft bewogen. Zij heeft dit meerdere keren gedaan, vanaf de derde of vierde week van haar relatie met de vader van [slachtoffer 1],[getuige 1], die zij sinds eind mei 2013 kent. De laatste keer was op 2 augustus 2013. Dit gebeurde in de woning van [getuige 1] in Brummen. Verdachte heeft verklaard dat zij dit heeft gedaan om [slachtoffer 1] pijn te doen en dat zij pas stopte als er bloed uit de vagina van [slachtoffer 1] kwam. Ter zitting is zij bij haar verklaringen gebleven.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van verdachte niet blijkt dat zij haar vingers met een seksuele bedoeling in de vagina van [slachtoffer 1] heeft gestoken. De rechtbank heeft hierbij ook gelet op hetgeen de psycholoog hieromtrent heeft gerelateerd. De rechtbank zal haar dan ook vrijspreken van hetgeen primair ten laste is gelegd.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of sprake is van een poging door verdachte om aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer 1] pijn wilde doen, maar dat het niet haar bedoeling was om te trachten (zwaar) letsel aan [slachtoffer 1] toe te brengen. Bij beantwoording van de vraag of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel is van belang of verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden en verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Of sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Verdachte heeft op verschillende momenten, meerdere malen, met kracht én telkens tot bloedens toe haar vingers in de vagina van [slachtoffer 1] geduwd. [slachtoffer 1] is een zeer jong meisje, nog volop in ontwikkeling en verdachte heeft haar beschadigd op een zeer kwetsbare plek, namelijk haar geslachtsdelen. Gelet op de kracht waarmee verdachte haar vingers in de vagina van [slachtoffer 1] heen en weer zegt te hebben bewogen, en die eveneens wordt vermeld in de e-mail van[forensisch arts 2], is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, waarbij gedacht kan worden aan (onherstelbare) beschadiging van de geslachtsorganen en van de urineweg, waarbij van belang is dat het gaat om een kind van twee jaar oud, met een bij deze leeftijd behorende lichaamsomvang, dat nu eenmaal kwetsbaarder is dan een volwassene Verdachte heeft door haar handelingen een onaanvaardbaar risico op dergelijk letsel genomen. Gelet op de wijze waarop verdachte heeft gehandeld – het doorgaan tot bloedens toe – kan het niet anders zijn dan dat verdachte dit risico ook onder ogen heeft gezien en bewust heeft aanvaard. Dit betekent dat verdachte in ten minste voorwaardelijke zin opzet op het trachtten toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad.

De rechtbank volgt de raadsman niet in het verweer dat geen sprake kan zijn van een poging, nu het gaat om een voltooid delict (naar de rechtbank begrijpt: mishandeling). Dat wellicht ook de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen kan worden, maakt niet dat de subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet bewezen kan worden geacht.

De rechtbank concludeert dan ook dat de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan eveneens wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd tegen een kind dat zij verzorgde. Hierbij is van belang dat verdachte zelf heeft verklaard8 dat zij de kinderen wel eens douchte, hun luier verschoonde en ze aankleedde, ook wel als hun vader er niet was. Ook getuige[getuige 1] heeft verklaard9 dat verdachte regelmatig de luier van [slachtoffer 1] verschoonde.

Feit 2

Getuige[getuige 1] heeft verklaard dat hij op 2 augustus 2013 thuis kwam in zijn woning in Brummen en hem door verdachte werd verteld dat [slachtoffer 1], tijdens zijn afwezigheid, van de trap was gevallen10.

Getuige [getuige 2]11 heeft verklaard dat zij op 2 augustus 2013 App-berichten van verdachte heeft ontvangen waarin verdachte vertelt dat zij erbij was toen [slachtoffer 1] van de trap viel en dat ze zich schuldig voelt. Op 4 augustus 2013 heeft getuige [slachtoffer 1] gezien, die blauwe plekken had in haar gezicht, op haar linkerarm, rechterheup en boven haar billen.

Door [huisarts], waarnemend huisarts, is op 3 augustus 2013 geconstateerd12 dat de lip van [slachtoffer 1] stuk was, zij op haar stuitje een grote verse blauwe plek had en op haar heup een wat kleinere blauwe plek.

In de rapportage van [forensisch arts 1], forensisch arts, van 5 augustus 201313 is vermeld dat [slachtoffer 1] onderhuidse bloeduitstortingen heeft op diverse plaatsen in het gelaat, op de linker onderarm, op de rechter elleboog, in de linker flank, op de rechter bil, boven de rechter knie, bij de linker knie en op het rechter scheenbeen. Ook heeft zij een genezende huidbeschadiging met korstvorming links op de onderlip.

Verdachte heeft bij de politie verklaard14 dat zij [slachtoffer 1] op 2 augustus 2013, in het huis van [getuige 1] in Brummen, heeft geduwd. [slachtoffer 1] stond boven aan de trap, bij de eerste treden, maar nog wel op de overloop. Verdachte heeft op de foto op pagina 505 in het dossier de letter[voorletter verdachte]geplaatst op de plek waar zij zelf stond en de letter[voorletter slachtoffer 1] op de plek waar [slachtoffer 1] stond15. De letter[voorletter slachtoffer 1] is geplaatst bovenaan de trap, de letter[voorletter verdachte]daar iets achter, waarbij verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] met haar rug naar haar (verdachte) stond. Omdat [slachtoffer 1] niet wilde meewerken en niet doorliep heeft verdachte haar een duw gegeven. Volgens verdachte is [slachtoffer 1] gelijk op de grond gevallen en heeft ze geen traptreden geraakt. De rechtbank houdt verdachte aan deze verklaring.

De rechtbank acht namelijk de ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring16, dat zij midden op de overloop stond op het moment dat zij [slachtoffer 1] een duw gaf, niet geloofwaardig. Dat zij door de politie onder druk zou zijn gezet, zoals zij ter terechtzitting heeft verklaard, is bij gebreke van het concreet maken waaruit die druk zou hebben bestaan, niet aannemelijk geworden. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte de hierboven aangehaalde verklaring heeft afgelegd op 19 augustus 2013 en derhalve ruim twee weken na het incident, zodat verdachte alle tijd heeft gehad na te denken over hetgeen is gebeurd. Bovendien heeft verdachte op 20 augustus 2013 bij de rechter-commissaris verklaard17 dat de verklaringen die zij bij de politie heeft afgelegd, kloppen en dat zij daarbij blijft. Ook heeft zij ter terechtzitting wel erkend dat de val van [slachtoffer 1] is veroorzaakt door de duw18.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door te handelen zoals zij deed, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] hierdoor zou komen te overlijden. Hierbij is van belang dat een val van een klein kind van bovenaan een houten trap van dertien treden, zonder enige bekleding19, uitkomend op een harde ondergrond, naar algemene ervaringsgegevens tot de dood kan leiden. Uit de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] geen treden heeft geraakt, maar direct op de grond is gevallen, leidt de rechtbank af dat verdachte [slachtoffer 1] met behoorlijke kracht moet hebben geduwd, omdat zij anders hoogstwaarschijnlijk wel treden zou hebben geraakt. De rechtbank vindt hiervoor bevestiging in de omstandigheid dat een stuk van de houten, piramidevormige versiering onderaan de trap is afgebroken20. Naar zijn uiterlijke verschijningsvorm is deze handeling gericht op de dood van [slachtoffer 1]. De rechtbank volgt de raadsman derhalve niet in zijn betoog dat geen sprake is geweest van enige vorm van opzet. De lezing dat van een ongeluk sprake was, acht de rechtbank immers niet aannemelijk.

De rechtbank acht het primair aan verdachte ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Verdachte heeft verklaard 21 [slachtoffer 1] sinds mei 2013 zeven of acht keer in het gezicht te hebben geslagen, terwijl [slachtoffer 1] thuis in bed lag. Ook heeft zij [slachtoffer 1] ongeveer drie keer in haar buik geknepen, op de blote huid, omdat dat meer effect had dan over de kleding heen22. Zij deed dit alles om [slachtoffer 1] pijn te doen.

Door [huisarts], waarnemend huisarts, is op 3 augustus 2013 geconstateerd23 dat [slachtoffer 1] vele blauwe plekken in haar gezicht had van verschillende datum en dat er links op het gelaat puntbloedinkjes zaten.

Bij het medisch onderzoek van [slachtoffer 1] op 4 augustus 201324 zijn onderhuidse bloeduitstortingen vastgesteld op diverse plaatsen in het gelaat, waarvan is geconcludeerd dat de val van de trap geen passende verklaring vormt voor het totaal aan onderhuidse bloeduitstortingen.

In een e-mailbericht van[forensisch arts 2], forensisch arts bij het NFI, afdeling Medisch Forensisch Onderzoek, van 5 augustus 201325 is vermeld dat de onderhuidse bloeduitstorting in het gelaat van [slachtoffer 1] passender lijkt bij een niet-accidentele toedracht, zoals bijvoorbeeld het met kracht vasthouden/vastgrijpen van de wangen met een hand.

Getuige[getuige 3] heeft verklaard26 dat [slachtoffer 1] eind juli blauwe plekken in haar gezicht had, twee strepen, net of iemand haar geslagen had, aldus de getuige. Rond de ogen van [slachtoffer 1] was het helemaal blauw en op haar voorhoofd zaten blauwe plekken.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard27 dat zij het weekend voordat [slachtoffer 1] van de trap viel letsel heeft gezien bij [slachtoffer 1], namelijk zwarte plekken in haar gezicht. Het leek alsof het afdrukken van twee vingers waren, alsof ze was vastgepakt, aldus de getuige.

Getuige[getuige 4], de moeder van [slachtoffer 1], heeft verklaard28 dat zij [slachtoffer 1] een keer in bad heeft gedaan en dat haar hele heup blauw was. Zij heeft daarnaast verklaard dat zij haar kinderen iedere woensdag, wanneer de kinderen bij haar op bezoek komen, bont en blauw zag.

Zoals hierboven reeds is overwogen, was [slachtoffer 1] aan de zorg van verdachte toevertrouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank is het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Hierbij is van belang dat uit de verklaringen van verdachte, zoals hierboven weergegeven, blijkt dat zij [slachtoffer 1] bewust pijn wilde doen. Ook is bij [slachtoffer 1] op meerdere momenten letsel gezien. Het bewijs steunt, anders dan is betoogd door de raadsman, op meer dan de verklaringen van verdachte alleen.

Feit 4

Verdachte heeft verklaard29 dat zij[slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3], op drie of vier momenten met haar rechterhand in zijn gezicht heeft geslagen. Zij deed dat omdat[slachtoffer 2] niet luisterde en alsmaar door bleef huilen en hij haar daarmee ook pijn deed.

Getuige[getuige 4], de moeder van[slachtoffer 2], heeft verklaard30 dat zij[slachtoffer 2] een keer op bezoek had en hij toen een hele blauwe streep over zijn neus en een blauw voorhoofd had. Zij zag haar kinderen iedere woensdag bont en blauw.

Getuige[getuige 5]31 heeft verklaard dat[slachtoffer 2] op 3 augustus 2013 een heel dik ei voor zijn hoofd had.

Getuige [getuige 6]32 heeft verklaard dat[slachtoffer 2] op 3 augustus 2013 een blauwe bult op zijn voorhoofd had.

Hoewel lastig is vast te stellen welk letsel[slachtoffer 2] als gevolg van welke handeling heeft opgelopen, acht de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte[slachtoffer 2] op meerdere momenten opzettelijk heeft geslagen om hem pijn te doen, waardoor hij letsel heeft opgelopen. De rechtbank weegt in dit verband de bewezenverklaarde mishandeling van [slachtoffer 1] mee als schakelbewijs.

Naar het oordeel van de rechtbank kan eveneens wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd tegen een kind dat zij verzorgde. Hierbij is van belang dat verdachte zelf heeft verklaard33 dat zij de kinderen wel eens douchte, hun luier verschoonde en ze aankleedde, ook wel als hun vader er niet was.

Het bewijs steunt, anders dan is betoogd door de raadsman, op meer dan de verklaringen van verdachte alleen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het

1

subsidiair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 1 mei 2013 tot en met 3 augustus 2013 te Brummen, telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht één of meerdere van haar, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft geduwd/gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl verdachte die [slachtoffer 1] verzorgde of opvoedde als behorend bij haar gezin;

2.

zij op 2 augustus 2013 te Brummen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], van het leven te beroven, met dat opzet die bovenaan de trap staande [slachtoffer 1] van de trap heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

zij op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 1 mei 2013 tot en met 3 augustus 2013 te Brummen telkens opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], opzettelijk meermalen tegen haar gezicht heeft geslagen en meermalen krachtig in haar buik heeft geknepen, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] enig lichamelijk letsel heeft bekomen, terwijl verdachte die [slachtoffer 1] verzorgde of opvoedde als behorend bij haar gezin;

4.

zij op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 1 mei 2013 tot en met 3 augustus 2013 te Brummen telkens opzettelijk mishandelend, een persoon,[slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3], opzettelijk meermalen tegen zijn gezicht, in elk geval tegen zijn hoofd, heeft geslagen, tengevolge waarvan die[slachtoffer 2] enig lichamelijk letsel heeft bekomen, terwijl verdachte die[slachtoffer 2] verzorgde of opvoedde als behorend bij haar gezin.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1.

poging tot zware mishandeling, begaan tegen een kind dat zij verzorgt of opvoedt als behorend tot haar gezin, meermalen gepleegd;

2.

poging tot doodslag;

3.

mishandeling, begaan tegen een kind dat zij verzorgt of opvoedt als behorend tot haar gezin, meermalen gepleegd;

4.

mishandeling, begaan tegen een kind dat zij verzorgt of opvoedt als behorend tot haar gezin, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

In het rapport van[psycholoog], GZ-psycholoog, van 6 november 2013 is geconcludeerd dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. De rechtbank neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.



Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De raadsman verzoekt, mede gelet op de tijd die verdachte reeds in hechtenis heeft doorgebracht, geen verdere vrijheidsbenemende straf op te leggen anders dan in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hij heeft daarnaast aangegeven dat verdachte bereid is een taakstraf uit te voeren en/of zich te houden aan alle maatregelen die de rechtbank noodzakelijk acht.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstig geweld tegen de kinderen van haar toenmalige partner, met name tegen diens dochter [slachtoffer 1]. Deze kinderen, van 2,5 jaar oud en bijna 1,5 jaar oud, waren compleet weerloos. Verdachte heeft buitensporig veel geweld gebruikt omdat zij zich kennelijk afgewezen voelde door de kinderen. Het heeft verdachte ontbroken aan enig inlevingsvermogen in de belevingswereld van de kinderen, die werden geconfronteerd met de nieuwe partner van hun vader. De gedragingen van verdachte zijn buiten elke proportie en de rechtbank neemt daarbij in aanmerking de verklaringen van verdachte, waaruit blijkt hoe weloverwogen en beheerst zij heeft gehandeld. Zij geeft daarin aan dat zij gewoon aan het zoeken was naar een manier om [slachtoffer 1] pijn te doen, waarbij zij het geweld steeds hoger opschaalde omdat het vorige geweld onvoldoende doel leek te treffen. Zij wachtte haar moment af totdat de vader van de kinderen weg was en “vereffende” dan als het ware “een rekening”. Hieruit blijkt dat verdachte de kinderen, en met name [slachtoffer 1], zeer doelbewust pijn heeft willen doen.

Ten voordele van verdachte weegt de rechtbank mee dat zij een blanco strafblad heeft en zij ter terechtzitting spijt heeft betuigd tegenover de kinderen en hun familie, hetgeen oprecht over kwam.

In het rapport van[psycholoog], GZ-psycholoog, van 6 november 2013 is geconcludeerd dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid. Hieruit voortvloeiend heeft verdachte reeds in haar kinder- en jeugdtijd een sterke gevoeligheid voor afwijzing en uitsluiting ontwikkeld. Zij nam op alle belangrijke levensgebieden een uitzonderingspositie in vanwege haar zwakbegaafdheid. Verdachte voelde zich buitengesloten, hetgeen leidde tot minderwaardigheids- en onmachtsgevoelens. Vanwege deze achtergrond was het voor verdachte belangrijk ‘erbij’ te horen. Verdachte kon de nieuwe situatie, een relatie met een vader van twee jonge kinderen, niet overzien en had het gevoel dat ze werd buitengesloten door met name [slachtoffer 1]. Vanwege onrijpheid in de persoonlijkheidsontwikkeling ging verdachte hier niet adequaat mee om. Zij ervoer de kinderen als rivalen in de strijd om aandacht van hun vader en heeft geprobeerd door machtsmisbruik de situatie onder controle te krijgen. Verdachte heeft door haar zwakbegaafdheid verminderd beseft wat zij aanrichtte.

Ondanks het als laag ingeschatte recidiverisico is behandeling c.q. begeleiding gericht op het negatieve zelfbeeld en haar gevoeligheid voor uitsluiting geïndiceerd. Daarnaast is van belang dat zij werkt aan haar sociale en relationele vaardigheden, dat zij leert zich beter te laten kennen en dat zij leert adequaat haar grenzen aan te geven. Ook is van belang dat zij een realistisch zelfbeeld ontwikkelt en haar cognitieve beperking leert te accepteren.

De reclassering heeft in het rapport van 29 oktober 2013 geadviseerd een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij een meldplicht, een behandelverplichting en het verbod zorg voor minderjarigen op zich te nemen zonder dat de reclassering daarvoor, in overleg met de forensische polikliniek, nadrukkelijk toestemming heeft gegeven.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van de straf een proeftijd van vijf jaar koppelen. Hierbij is van belang dat in het rapport van[psycholoog] is vermeld dat, hoewel het recidiverisico als laag wordt ingeschat, het gevaar samenhangt met het al dan niet zorgen voor kinderen. Verdachte zelf heeft verklaard dat zij dat niet meer wil. Daar staat tegenover dat verdachte een jonge vrouw is, die graag een relatie heeft en geaccepteerd wil worden, en dat de situatie met de kinderen in korte tijd ernstig is geëscaleerd. De rechtbank ziet aanleiding naast de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarde ook als bijzondere voorwaarde op te leggen dat het verdachte verboden wordt zonder nadrukkelijke toestemming van de reclassering te werken met ouderen. Hierbij is van belang dat bejaarden, evenals kinderen, kwetsbaar zijn en zich in een afhankelijke positie bevinden en verdachte ter terechtzitting heeft verklaard zichzelf (ook) niet meer te vertrouwen in de zorg voor bejaarden.



Vordering tot schadevergoeding

De wettelijke vertegenwoordiger van de slachtoffers [slachtoffer 1] en[slachtoffer 2],

[getuige 4], heeft zich namens hen gevoegd in het strafproces met een vordering van

€ 10.000,00 respectievelijk € 1.000,00, beiden vermeerderd met de wettelijke rente. Dit betreffen voorschotten op smartengeld.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde bedragen niet redelijk zijn en dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte niet zijn meegenomen. Bovendien is sprake van een onevenredige belasting van het strafproces en zou het beter zijn als de raadslieden zouden proberen tot een minnelijke schikking te komen.

De rechtbank overweegt dat de totale schade bij de kinderen op dit moment nog niet te overzien is, de eindsituatie is als het ware nog niet bereikt. Wel is sprake van een causaal verband tussen het bewezen verklaarde handelen van verdachte en (toekomstige) immateriële schade bij [slachtoffer 1] en[slachtoffer 2]. De rechtbank zal ten behoeve van [slachtoffer 1] een bedrag van € 5.000,00 toewijzen en ten behoeve van[slachtoffer 2] een bedrag van € 400,00, in beide gevallen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2013, ervan uitgaande dat de schade in ieder geval deze bedragen beloopt. De verdachte is voor die schade naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De benadeelde partijen zullen voor het overige niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering. Deze kunnen voor dat deel worden aangebracht bij de civiele rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 45, 57, 287, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 

  • verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan;

 

  • verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 

  • verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

  •  

    1. subsidiair: poging tot zware mishandeling, begaan tegen een kind dat zij verzorgt of opvoedt als behorend tot haar gezin, meermalen gepleegd;

    2. primair: poging tot doodslag;

    3. mishandeling, begaan tegen een kind dat zij verzorgt of opvoedt als behorend tot haar gezin, meermalen gepleegd;

    4. mishandeling, begaan tegen een kind dat zij verzorgt of opvoedt als behorend tot haar gezin, meermalen gepleegd;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren de navolgende algemene- dan wel bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

 legt als algemene voorwaarden op dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 legt als bijzondere voorwaarden op dat de verdachte:

  • -

    zich op uitnodiging van de reclassering meldt bij de reclassering. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    wordt verplicht om zich te laten behandelen voor de psychische problematiek en/of psychiatrische stoornis die door het NIFP is vastgesteld bij Trajectum of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    niet de zorg voor minderjarigen of ouderen op zich neemt zonder dat de reclassering daarvoor in overleg met de forensische polikliniek nadrukkelijk toestemming heeft gegeven;

 beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 2 primair en 3 tot betaling van schadevergoeding ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 5.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2013, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 5.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2013, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 60 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling ten behoeve van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling ten behoeve van de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 4 tot betaling van schadevergoeding ten behoeve van de benadeelde partij[slachtoffer 2], van een bedrag van € 400,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2013, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van[slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 400,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2013, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 8 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling ten behoeve van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling ten behoeve van de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door mrs. Kropman, voorzitter, Van Apeldoorn en Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korevaar, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 november 2013.

Mr. Kropman is buiten staat dit

vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0630 2013105008-64, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, team Recherche IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 27 september 2013.

2 Rapportage [forensisch arts 1], forensisch arts, Forensische Polikliniek Kindermishandeling (kenmerk FPKM 2013-216) van 5 augustus 2013, pagina 363

3 E-mailbericht van [forensisch arts 2] aan Officier van Justitie T. Henniphof, 5 augustus 2013, pagina 398

4 Proces-verbaal van verhoor, pagina 448

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 133 en Bijlage bij proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 332

6 Rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van aangifte van een zedenmisdrijf en mishandeling gepleegd in Brummen op 3 augustus 2013, pagina 355

7 Proces-verbaal van verhoor, pagina 490

8 Proces-verbaal van verhoor, pagina 61

9 Proces-verbaal van verhoor, pagina 447

10 Proces-verbaal van verhoor, pagina 460

11 Proces-verbaal van verhoor, pagina 57

12 Brief van [huisarts], waarnemend huisarts, van 22 augustus 2013, pagina 408

13 Rapportage [forensisch arts 1], forensisch arts, Forensische Polikliniek Kindermishandeling (kenmerk FPKM 2013-216) van 5 augustus 2013, pagina 363

14 Proces-verbaal van verhoor, pagina 497

15 Bijlage bij het proces-verbaal van verhoor, pagina 505

16 Proces-verbaal van de terechtzitting van 12 november 2013

17 Verhoor van verdachte in het kader van de vordering tot inbewaringstelling, 20 augustus 2013

18 Proces-verbaal van de terechtzitting van 12 november 2013

19 Foto’s op pagina 504, 505 en 506

20 Proces-verbaal van verhoor getuige[getuige 1], pagina 428

21 Proces-verbaal van verhoor, pagina 487

22 Proces-verbaal van verhoor, pagina 489

23 Brief van [huisarts], waarnemend huisarts, van 22 augustus 2013, pagina 408

24 Rapportage [forensisch arts 1], forensisch arts, Forensische Polikliniek Kindermishandeling (kenmerk FPKM 2013-216) van 5 augustus 2013, pagina 363

25 E-mailbericht van [forensisch arts 2] aan Officier van Justitie T. Henniphof, 5 augustus 2013, pagina 398

26 Proces-verbaal van verhoor, pagina 48

27 Proces-verbaal van verhoor, pagina 57

28 Proces-verbaal van verhoor, pagina 95

29 Proces-verbaal van verhoor, pagina 513

30 Proces-verbaal van verhoor, pagina 95

31 Proces-verbaal van verhoor, pagina 102

32 Proces-verbaal van verhoor, pagina 112

33 Proces-verbaal van verhoor, pagina 61