Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4813

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
249350
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding: art. 3:169 BW, 3:172 BW en 6:10 BW. Ex-echtelieden. Mede-eigenaar woning is gehouden naar rato van zijn aandeel in de woning bij te dragen in de kosten. In verband met exclusieve gebruik woning met praktijkruimte door andere mede-eigenaar wel aanleiding aan mede-eigenaar een redelijke gebruiksvergoeding toe te kennen. Gebruiksvergoeding strekt in mindering op het (pro resto) aandeel van mede-eigenaar in de maandelijkse kosten van de gemeenschappelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/249350 / KG ZA 13-476

Vonnis in kort geding van 25 september 2013

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.M.C. Tinneveld te Arnhem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat B. Vreke (kantoorgenoot van mr. S. Striekwold) te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 augustus 2013

  • -

    de eis in reconventie (door [gedaagde] aangeduid als: conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie)

  • -

    de mondelinge behandeling, waar zijn verschenen [eiseres], vergezeld van mr. Tinneveld, en [gedaagde], vergezeld van mr Vreke.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad en hebben van 8 november 1994 tot 1 februari 2013 met elkaar samengewoond, laatstelijk in de woning te [woonplaats 1] aan het [adres] 76-32, waarvan beiden voor de helft eigenaar zijn.

2.2.

Partijen hebben de woning gefinancierd met drie hypothecaire geldleningen van in totaal € 270.000,00 van ING, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. De maandelijks verschuldigde hypotheekrente bedraagt € 1.192,51. De af te lossen hoofdsom bedraagt momenteel nog steeds € 270.000,00. Partijen hebben opdracht gegeven aan een makelaar om de woning te verkopen. De vrije verkoopwaarde is getaxeerd op € 218.000,00.

2.3.

De feitelijke samenwoning is op 1 februari 2013 beëindigd. [gedaagde] huurt vanaf die datum een kamer onder bij een kennis voor € 350,00 per maand. [eiseres] is in de gemeenschappelijke woning blijven wonen met de jongste dochter van partijen (van 18 jaar). De twee oudste dochters van partijen (van 20 en 22 jaar) wonen zelfstandig.

2.4.

Met ingang van 1 juli 2013 maakt [gedaagde] voor zijn acupunctuurpraktijk geen gebruik meer van de praktijkruimte in de gezamenlijke woning; hij huurt elders praktijkruimte voor € 4,00 per behandeling. [eiseres], eveneens ZZP’er, gebruikt de praktijkruimte bij de woning nog gedurende twee dagdelen per week. Een tweede praktijkruimte bij de woning wordt verhuurd. [eiseres] ontvangt hiervoor € 373,50 aan huurinkomsten.

2.5.

Begin juli 2013 heeft [gedaagde] zijn betalingen aan [eiseres] stopgezet.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. [gedaagde] te veroordelen om de woning aan het [adres] 76-32 te [woonplaats 1] niet meer te betreden, met machtiging aan [eiseres] het vertrek van [gedaagde] zelf te doen bewerkstelligen door een gerechtsdeurwaarder indien [gedaagde] in gebreke blijft aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen, zo nodig met behulp van de sterke arm van justitie en politie, een en ander op kosten van [gedaagde];

  2. [gedaagde] te veroordelen om maandelijks met een bedrag van € 506,29 bij te dragen in de aan de eigendom van de woning aan het [adres] 76-32 te Nijmegen verbonden lasten en de uit hoofde van de hypothecaire lening bij ING en de polis levensverzekering bij Nationale Nederlanden voortvloeiende verplichtingen,

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat partijen na het verbreken van de relatie hebben afgesproken dat [gedaagde] de helft zou blijven bijdragen in de eigenaarslasten van de woning totdat de woning aan een derde verkocht en geleverd zou zijn. Na 1 juli 2013 heeft [gedaagde] echter niets meer bijgedragen. Op grond van het bepaalde in artikel 3:172 BW is [gedaagde] ook na 1 juli 2013 gehouden gebleven om naar evenredigheid van zijn eigendomsaandeel bij te dragen in de aan de woning verbonden lasten. Op grond van het bepaalde in artikel 6:10 BW is [gedaagde] gehouden om de helft van de hypotheeklasten aan [eiseres] te voldoen. [eiseres] heeft een jaarinkomen van € 20.000,00 en is niet in staat de volledige eigenaarslasten voor haar rekening te nemen. Dit geldt temeer nu zij ook aanzienlijke kosten maakt ten behoeve van (het levensonderhoud van) de kinderen, aldus [eiseres].

3.3.

Volgens [eiseres] zijn de eigenaarslasten van de woning per maand als volgt samengesteld:

Hypotheekrente € 1.192,51

Premie kapitaalverzekering 141,80

Premie opstalverzekering 45,00

Watersysteemheffing 6,77

Subtotaal 1.386,08

-/- Huurinkomsten 373,50

Totaal per maand 1.012,58

De helft is € 506,29

3.4.

[gedaagde] voert verweer. Hoewel [gedaagde] stelt dat [eiseres] geen belang heeft bij de eerste vordering, heeft hij geen bezwaar tegen toewijzing daarvan mits daaraan de voorwaarde wordt verbonden dat [eiseres] hem te zijner tijd in de gelegenheid zal stellen de aan hem in eigendom toebehorende en toe te delen zaken uit de woning te halen.

De tweede vordering dient volgens [gedaagde] niet, althans niet volledig, te worden toegewezen. Hij is financieel niet in staat te blijven bijdragen in de lasten die voortvloeien uit de hypothecaire geldleningen en meent dat dit onder de gegeven omstandigheden niet van hem kan worden gevergd. Mocht worden geoordeeld dat hij wel moet blijven bijdragen in deze lasten, dan maakt hij aanspraak op een gebruiksvergoeding vanwege het feit dat [eiseres] vanaf 1 februari 2013 het exclusieve gebruik van de woning heeft en vanaf 1 juli 2013 ook van de praktijkruimte. Op voorstellen van [gedaagde] om ook na de breuk gezamenlijk in de woning te blijven wonen heeft [eiseres] telkens afwijzend gereageerd en [eiseres] heeft [gedaagde] zelfs het gebruik van de woning geweigerd. Om die reden is [gedaagde] genoodzaakt geweest zijn intrek te nemen in een kleine kamer. Het kan hem niet worden verweten dat hij vanaf 1 juli 2013 geen gebruik meer maakt van de praktijkruimte bij de gemeenschappelijke woning en dat hij tegen een zeer geringe vergoeding elders praktijkruimte is gaan huren. Na zijn gedwongen verhuizing was het voor [gedaagde] te belastend om voor de uitoefening van zijn acupunctuurpraktijk naar de praktijkruimte in de gezamenlijke woning te gaan. Bovendien was het met het oog op de continuïteit van zijn praktijk en de toekomstige verkoop van de woning noodzakelijk dat hij andere praktijkruimte vond. De gebruiksvergoeding dient te worden vastgesteld op de helft van de aan de woning verbonden eigenaarslasten, te weten € 725,54, althans op de helft van de hypotheekrente, te weten € 596,26. In reconventie wordt dan ook een voorwaardelijke vordering met die inhoud ingesteld.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in (voorwaardelijke) reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert – in het geval hij in conventie zou worden veroordeeld te blijven bijdragen in de aan de hypothecaire leningen verbonden kosten - veroordeling van [eiseres] tot betaling van een maandelijkse gebruiksvergoeding van € 725,54 voor het gebruik van de gezamenlijke woning, althans een vergoeding ter hoogte van € 596,26, althans een door de rechter in goede justitie vast te stellen vergoeding, tot het moment dat de woning zal zijn verkocht en geleverd, althans gedurende de periode dat [eiseres] met uitsluiting van [gedaagde] van de woning gebruik zal maken.

4.2.

[eiseres] voert verweer. Zij meent dat de voorzieningenrechter de reconventionele vordering buiten beschouwing dient te laten nu deze te laat is ingesteld. Voorts stelt zij dat er geen reden is om een gebruiksvergoeding aan [gedaagde] toe te kennen.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

5.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de goede procesorde niet is geschonden doordat de advocaat van [gedaagde] de eis in reconventie korter dan 24 uur voor de zitting aan de advocaat van [eiseres] heeft toegezonden. Van een onredelijke bemoeilijking van de procespositie van [eiseres] is geen sprake. De reconventionele vordering zal dan ook in behandeling worden genomen en daarop zal worden beslist.

5.2.

Aangezien de vorderingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de voorzieningenrechter deze gezamenlijk.

Spoedeisend belang

5.3.

Het spoedeisend belang van [eiseres] vloeit in voldoende mate voort uit haar stellingen en standpunten.

Verbod woning te betreden

5.4.

[eiseres] heeft ter zitting verklaard dat toewijzing van de eerste vordering wellicht niet strikt noodzakelijk is maar ten goede zou komen van de rust voor haar en voor de kinderen. [gedaagde] heeft verklaard geen behoefte meer te hebben om de woning te betreden maar ook geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van de vordering, mits daaraan de voorwaarde wordt verbonden dat [eiseres] hem te zijner tijd in de gelegenheid zal stellen de aan hem in eigendom toebehorende en toe te delen zaken uit de woning te halen. Onder deze voorwaarde zal de voorzieningenrechter de eerste vordering dan ook toewijzen. Partijen worden erop gewezen dat zij hieromtrent onderling een goede afspraak dienen te maken, rekening houdend met elkaars gerechtvaardigde belangen in deze.

Bijdrage in de eigenaarslasten

5.5.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

5.6.

In geschil is in welke mate [gedaagde] gehouden is bij te dragen in de maandelijkse lasten van de gemeenschappelijke woning. Allereerst zal worden beoordeeld hoe hoog deze lasten zijn en wie momenteel welk deel daarvan betaalt. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de door [eiseres] opgevoerde eigenaarslasten van € 1.386,08, verminderd met de huurinkomsten van € 373,50, niet volledig door haar worden voldaan. [eiseres] heeft ter zitting niet weersproken dat [gedaagde] de premie van de kapitaalverzekering bij Nationale Nederlanden van € 141,80 per maand betaalt. Ten aanzien van de premie opstalverzekering heeft [gedaagde] gesteld dat hij maandelijks een bedrag van € 91,83 betaalt voor een gezamenlijk verzekeringspakket, waardoor hij niet begrijpt waarom [eiseres] voor een separate opstalverzekering nog € 45,00 per maand zou betalen. Aangezien [gedaagde] niet heeft gesteld dat hij en niet [eiseres] de opstalverzekering betaalt en hij evenmin stukken heeft overgelegd waaruit zou blijken dat een opstalverzekering is begrepen in het door [gedaagde] genoemde verzekeringspakket, moet er vooralsnog van worden uitgegaan dat [eiseres] de door haar genoemde opstalverzekeringspremie betaalt. Tenslotte is onweersproken dat [gedaagde] naast de premie voor de kapitaalverzekering, de voor de woning verschuldigde OZB van € 65,79 per maand betaalt. De totale eigenaarslasten van de gemeenschappelijke woning komen dan ook neer op een bedrag van € 1.451,87 (€ 1.386,08 + € 65,79).

5.7.

Van de eigenaarslasten wordt € 373,50 tot op heden voldaan uit de huurinkomsten die door [eiseres] worden ontvangen voor één van beide praktijkruimten bij de gemeenschappelijke woning.

5.8.

Voorop staat dat [gedaagde] als mede-eigenaar van de woning op grond van artikel 3:172 BW gehouden is naar rato van zijn aandeel in de woning bij te dragen in de kosten. Dat betekent dat [gedaagde] in beginsel een bedrag van € 725,93 (€ 1.451,87 : 2) dient bij te dragen. Aangezien de huurinkomsten ingevolge genoemd artikel ook voor de helft (voor € 186,75) aan hem toekomen, bedraagt zijn bijdrageverplichting in de kosten thans € 539,18 (€ 725,93 -/- € 186,75) per maand. De premie voor de kapitaalverzekering (€ 141,80) en de OZB (€ 65,79) worden reeds door hem betaald, zodat hij per saldo nog € 331,59 per maand aan [eiseres] dient te voldoen als bijdrage in de eigenaarslasten. Zodra de huurinkomsten weg zouden vallen, zal deze bijdrage conform bovenstaande berekening € 518,34 (€ 725,93 -/- de reeds door [gedaagde] betaalde € 207,59) per maand moeten bedragen.

5.9.

[gedaagde] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als hij ook zou moeten bijdragen aan de hypotheeklasten. De omstandigheid dat [eiseres] verzoekt om met uitsluiting van [gedaagde] gebruik te mogen maken van de gemeenschappelijke woning en dat al vanaf februari 2013 doet, maakt – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet dat zou moeten worden afgeweken van de uit artikel 3:172 BW voortvloeiende verdeling van de eigenaarslasten. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er in verband met dat exclusieve gebruik van de woning met praktijkruimte door [eiseres] echter wel aanleiding om, gelet op artikel 3:169 BW en artikel 3:172 BW, een redelijke gebruiksvergoeding aan [gedaagde] toe te kennen.

5.10.

In beginsel dient de deelgenoot die een gemeenschappelijk goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van zijn aandeel in het gemeenschappelijk goed recht heeft, een vergoeding te betalen. De vergoeding strekt dan ook tot vervanging van gemist gebruiksgenot van de gemeenschappelijke woning met praktijkruimte. Hier doet zich de situatie voor dat één van de partners zijns of haars ondanks noodgedwongen achterblijft in een veel te dure woning en geen van de partners in staat is de volledige eigenaarslasten te betalen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is een redelijke gebruiksvergoeding onder de gegeven omstandigheden dan ook niet gelijk te stellen aan de helft van de eigenaarslasten van de woning, zoals [gedaagde] heeft gevorderd. Doordat geen overwaarde in de woning aanwezig is, kan voor de vaststelling van een redelijke gebruiksvergoeding evenmin worden aangesloten bij gemist rendement over de overwaarde van de woning. Vast staat dat [gedaagde] thans alternatieve woonruimte en alternatieve praktijkruimte dient te huren als gevolg van de relatiebreuk. Anders dan [eiseres] stelt, kan in redelijkheid niet aan [gedaagde] worden verweten dat hij deze kosten maakt. Niet duidelijk is wat de kosten zijn van de praktijkruimte bij de woning en hoeveel huur [gedaagde] thans verschuldigd is op maandbasis. Hiervan is slechts bekend dat hij € 4,00 per behandeling dient te betalen. Mede op grond van de vereiste terughoudendheid bij toewijzing van een geldvordering in kort geding, zal de voorzieningenrechter de gebruiksvergoeding naar redelijkheid vaststellen op € 150,00 per maand. Deze gebruiksvergoeding die [eiseres] aan [gedaagde] dient te betalen strekt in mindering op het (pro resto) aandeel van [gedaagde] in de maandelijkse kosten van de gemeenschappelijke woning van € 331,59. Per saldo betekent dit dat [gedaagde] maandelijks een bedrag van € 181,59 (€ 331,59 - € 150,00) aan [eiseres] dient te voldoen.

5.11.

[gedaagde] zal derhalve worden veroordeeld tot betaling van € 181,59 per maand als bijdrage in de kosten van de gemeenschappelijke woning tot aan de datum van notariële levering, ervan uitgaande dat hij de premie kapitaalverzekering en de OZB voor de woning zal blijven betalen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat indien de huurinkomsten wegvallen, de bijdrageplicht van [gedaagde] met € 186,75 (de helft van € 373,50) dient te worden verhoogd.

5.12.

Anders dan [eiseres] heeft bepleit kan bij deze (voorlopige) vaststelling van de bijdrageplicht van [gedaagde] geen rekening worden gehouden met kosten die zij zou maken voor de kinderen. Of en zo ja, in hoeverre [gedaagde] gehouden is nog een bijdrage te leveren in het levensonderhoud van de meerderjarige kinderen wordt in deze procedure niet beoordeeld.

5.13.

Gelet op de voormalige relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie en in reconventie

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om de woning aan het [adres] 76-32 te [woonplaats 1] niet meer te betreden, met machtiging aan [eiseres] het vertrek van [gedaagde] zelf te doen bewerkstelligen door een gerechtsdeurwaarder indien [gedaagde] in gebreke blijft aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen, zo nodig met behulp van de sterke arm van justitie en politie, een en ander op kosten van [gedaagde], met dien verstande dat [eiseres] [gedaagde] na een daartoe in onderling overleg gemaakte afspraak in de gelegenheid dient te stellen de aan [gedaagde] in eigendom toebehorende en toe te delen zaken uit genoemde woning te halen,

6.2.

veroordeelt [gedaagde] om met ingang van juli 2013 tot de overdracht van de woning aan het [adres] 76-32 te Nijmegen maandelijks aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 181,59 (éénhonderdeenentachtig euro en negenenvijftig eurocent) als bijdrage in de aan de genoemde woning verbonden lasten, met dien verstande dat [gedaagde] de premie van de kapitaalverzekering bij Nationale Nederlanden en de OZB rechtstreeks zal blijven voldoen,

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2013.