Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4804

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
06/940219-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeeld voor het produceren van harddrugs en het medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne en heroïne

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]06/940219-12

Uitspraak d.d.: 26 november 2013

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres].

Raadsvrouw: mr. S. Koster, advocaat te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

21 augustus 2012, 12 oktober 2012, 19 december 2012, 5 februari 2013 en 12 november 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 mei 2012 te Zutphen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 28,94 gram cocaïne en/of 10,92 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 03 juli 2012 te Apeldoorn, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, althans aanwezig heeft gehad, één of meer (handels/gebruikers) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 1 ahf/ond a alinea Opiumwet

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 25 mei 2012 is verdachte te Zutphen samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en verder toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de aanhouding en fouillering van verdachte onrechtmatig zijn geweest omdat geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden van schuld. Bij die fouillering zijn bovendien geen verdovende middelen aangetroffen zodat geen enkele basis bestond voor de aanhouding van verdachte. Het bewijs dat is verkregen ten gevolge van die aanhouding dient dan ook te worden uitgesloten. Ook de doorzoeking van de schuur van de ouderlijke woning van verdachte is onrechtmatig, nu deze is betreden zonder toestemming van de hoofdbewoner en zonder dat een machtiging was afgegeven. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

De raadsvrouw heeft met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte niet aanwezig was bij de aankoop van de bij hem aangetroffen cocaïne en hij daar ook niet van op de hoogte was. Het vereiste opzet aan de kant van verdachte kan dan ook niet worden afgeleid uit de verklaringen van [medeverdachte]. De enkele aanwezigheid van verdachte in de auto bij [medeverdachte] is volstrekt onvoldoende om aan te nemen dat verdachte de hoeveelheid cocaïne in de onderbroek van [medeverdachte] mede voorhanden heeft gehad. [medeverdachte] had de feitelijke beschikkingsmacht over de verdovende middelen, niet verdachte. Ook overigens blijkt niet van een bewuste en nauwe samenwerking, zodat medeplegen ook om die reden niet bewezen kan worden. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van feit 1, aldus de raadsvrouw.

De raadsvrouw concludeert ook tot vrijspraak voor feit 2. Het is niet zonder meer vast te stellen dat verdachte degene is die gebruik heeft gemaakt van de garagebox. De ping-gesprekken zijn verre van eenduidig en daarnaast is niet duidelijk waarop de tenlastegelegde periode is gebaseerd. Hierbij is opmerkelijk dat verdachte een periode gedetineerd was tijdens de tenlastegelegde periode.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt aangaande het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting als volgt.

Verbalisanten[verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben in hun proces-verbaal van bevindingen2, beiden op ambtsbelofte, onder meer vermeld:

- dat zij op 25 mei 2012 omstreeks 19:30 uur reden over de Halvemaanstraat richting de Melatensteeg in Zutphen;

- dat de Melatensteeg bij de politie bekend staat als locatie waar vaak gedeald wordt en dat zij daarom deze locatie in hun controle/surveillance meenamen;

- dat zij in het verlengde van de Halvemaanstraat een auto – een blauwe Opel Signum – geparkeerd zagen staan, met daarin twee jongens, en een brandende binnenverlichting;

- dat op dat moment links van hun een manspersoon, met de opvallende uiterlijke kenmerken van een junk, kwam aanfietsen die zichtbaar schrok van hun aanwezigheid;

- dat die persoon (de junk) zich in hun bijzijn nerveus gedroeg en meerdere malen oogcontact maakte met de inzittenden van de blauwe Opel en dat bij hun het vermoeden bestond dat de inzittenden en de fietsende man elkaar kenden of een afspraak met elkaar hadden;

- dat de auto midden op de rijbaan naar de garageboxen geparkeerd stond, op een dusdanige wijze dat er geen enkele andere auto meer door kon;

- dat verbalisant[verbalisant 1] beide inzittenden van de auto heeft verzocht een geldig identiteitsbewijs te overleggen en zij daaraan hebben voldaan;

- dat verbalisant[verbalisant 1] beide inzittenden heeft geverifieerd bij de regionale meldkamer van de politie in Apeldoorn;

- dat verdachte geregistreerd stond voor de Opiumwet; en

- dat er tijdens het controleren onafhankelijk van elkaar nog twee personen op de Melatensteeg kwamen met de uiterlijke kenmerken van een junk, die zich omkeerden bij het zien van verbalisanten.

Op 27 november 2012 heeft verbalisant[verbalisant 1] bij de rechter-commissaris in aanvulling op het voorgaande nog verklaard3 dat het voertuig dusdanig geparkeerd stond dat dit niet in één oogopslag te zien was. Er was genoeg parkeergelegenheid tegenover. De auto blokkeerde de doorgang naar de garageboxen. Hij stond vlak tegen de gevel. Voorts waren de telefoons (van de twee personen in de auto, zo begrijpt de rechtbank) steeds stand-by en gingen telkens hoorbaar af.

Uit bovenvermeld relaas trekt de rechtbank het gevolg, dat ten aanzien van de verdachte ernstige bezwaren bestonden terzake van handelingen in strijd met artikel 2 van de Opiumwet, zodat de verdachte(n) op grond van het bepaalde bij artikel 9, tweede lid, van die wet aan de kleding mocht(en) worden onderzocht.

Vervolgens, is in bovenvermeld proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat verbalisant[verbalisant 1] bij die fouillering in de schoudertas van verdachte twee mobiele telefoons en een grote hoeveelheid papiergeld heeft gezien, in eerste oogopslag een aantal bankbiljetten van vijftig en twintig euro. Ook bij de medeverdachte zijn veel contanten en meerdere, namelijk vier, mobiele telefoons aangetroffen. Deze aanvullende bevindingen rechtvaardigen, mede gelet op hetgeen hierboven reeds is weergegeven, naar het oordeel van de rechtbank zonder meer dat beide personen vervolgens op verdenking van overtreding van de Opiumwet zijn aangehouden en zijn overgebracht naar het bureau. Ter gelegenheid van het onderzoek aan het lichaam is vervolgens bij de medeverdachte in diens onderbroek een hoeveelheid hard drugs aangetroffen, zoals hierna uiteen zal worden gezet.

Er zijn geen onregelmatigheden die zouden nopen tot bewijsuitsluiting op dit onderdeel.

De rechtbank volgt de raadsvrouw evenmin in haar betoog dat de doorzoeking van de schuur van de ouderlijke woning van verdachte aan de [adres] onrechtmatig is geweest. De Algemene wet op het binnentreden is enkel van toepassing op woningen, waaronder een schuur niet kan worden begrepen, zodat de in deze wet opgenomen voorschriften in het onderhavige geval niet kunnen worden ingeroepen.

Verdere overwegingen omtrent het bewijs

In het bijzonder ten aanzien van feit 2

Bij verdachte is op 25 mei 2012 een Blackberry-telefoon in beslag genomen. Uit deze telefoon, met ping-nummer [nummer], een nummer dat uniek is per telefoon, zijn de ping-berichten uitgelezen4. De rechtbank neemt hieronder een aantal teksten op. De data van de teksten zijn herleid uit het nummer dat in het proces-verbaal vóór de betreffende tekst is geplaatst.

In reactie op het op 5 april 2011 ontvangen bericht: ‘geef je gebruikersnaam en ww van digid’ wordt geantwoord: ‘[ping-code]’ en ‘[ping-code]’. Op de vraag naar zijn nieuwe adresgegevens komt als antwoord: ‘[ping-code]’. Dit adres is het GBA-adres van verdachte5. Op basis van deze antwoorden concludeert de rechtbank dat voormelde ping-code aan de telefoon van verdachte toebehoort.

Op 4 april 2011 heeft verdachte de volgende teksten verzonden aan contact [nummer] :

‘ik moet koken jongen’

‘als je kookt moet ie drogen :$’
‘ChefkokB-)’

‘Ammoniac:&’

‘eventjes inpakken dat is 15 dakka’
‘onder flat’
’50 gram’
‘is bijna droog’
Volgens verbalisant [verbalisant 3] zegt verdachte hier dat hij iets in ammonia aan het koken is. Het is verbalisant ambtshalve bekend dat ammonia wordt gebruik voor het uitkoken van cocaïne.

Op 5 april 2011 heeft verdachte de volgende teksten verzonden aan contact [nummer]:

‘haha wat ik heb gemaakt is nog niks’
‘morgen maak ik de rest’

Hieruit leidt verbalisant [verbalisant 3] af dat verdachte kennelijk meerdere malen grotere hoeveelheden base-coke maakt.

Op 6 april 2011 heeft verdachte de volgende teksten verzonden aan contact [nummer]:

‘Ik ben nu in schuur’
‘dingen maken:(‘
‘Ja was nog niet klaar’
Op de vraag ‘je had toch gepakketlemekt’ antwoordt verdachte: ‘ja maar niet alles’.

Verbalisant [verbalisant 3] merkt hierover op dat verdachte aangeeft in de schuur te zijn, hetgeen hij vaker zegt in ping-gesprekken. Hij is dan vermoedelijk bezig met harddrugs, aldus verbalisant. Verdachte geeft ook aan dat hij “dingen maakt”. De tekst ‘je had toch gepakketlemekt’ betekent ‘je had toch al pakketjes gemaakt’, zo heeft een verbalisant van Turkse afkomst vertaald.

Op 8 april 2011 ontvangt verdachte van contact [nummer] berichten met de tekst: ‘heb doeroe’ en ‘125 voor 5’. Naar aanleiding van vragen van verdachte antwoordt het contact: ‘kant en klaren is der ook’, en die is ‘ssschoon’. Volgens verbalisant lijken de cijfers te duiden op de inkoopprijs voor cocaïne, namelijk 5 gram voor € 125,00. De omschrijvingen ‘kant en klaar’ en ‘schoon’ duiden op de benamingen voor basecoke en snuifcoke.

Op 6 april 2011 verstuurt verdachte de volgende berichten aan contact [nummer]:

‘ik ben leeg nu’

‘ik ga zo maken’

‘ik zit in me schuur

Volgens verbalisant wordt hiermee de plaats bedoeld waar verdachte zijn harddrugs klaarmaakt.

De duiding die de verbalisant aan de ping-gesprekken heeft gegeven, wordt door de rechtbank overgenomen. De gekozen bewoordingen laten geen andere aannemelijke uitleg toe dan dat telkens (min of meer versluierd) over de bereiding van drugs wordt gesproken.

Op 2 juli 2012 is de schuur, behorend bij de woning aan de [adres], de ouderlijke woning van verdachte, betreden6. In de schuur werden een waterkoker, met in het waterreservoir een hoeveelheid poeder, een kookplaatje, butaangas, een pan met restanten van wit poeder, een spiegel met restanten van wit poeder, verpakkingsmateriaal voor zogenoemde bolletjes, ammoniak, een haardroger, een weegschaaltje en een brok cocaïne aangetroffen en in beslag genomen.

De bevindingen in de schuur geven, zij het achteraf bezien, ook steun aan de uitleg die is gegeven aan de ping-berichten.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft onderzoek gedaan naar een hoeveelheid verdovende middelen die op 2 juli 2012 zijn aangetroffen op het adres [adres]7. Hij heeft monsters genomen van poeder dat op het bovenblad van de kast is aangetroffen (AAEZ1152NL), van een vaste stof die in de waterkoker is aangetroffen (nummer AAEZ1155NL) en uit de aangetroffen pan (nummer AAEZ1154NL). Verbalisant heeft de monsters onderzocht, waarbij deze drie monsters cocaïne bleken te bevatten. Het monster dat van het poeder op de spiegel is genomen (met nummer AAEZ1153NL) was zo gering van hoeveelheid dat dit te weinig was voor een indicatieve test.

De monsters zijn ook door het NFI onderzocht8. Alle vier de monsters bevatten cocaïne.

In de fouillering van verdachte is een zwarte tag met een sleutel aangetroffen, die door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 3] op 6 juli 2012 is meegenomen naar de woning aan de [adres]9. De schuifdeuren bij de ingang van het flatgebouw konden worden geopend met behulp van deze tag.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode tussen 1 april 2011 en 3 juli 2012 meermalen opzettelijk cocaïne heeft bereid en verwerkt. Dat verdachte sinds 25 mei 2012 in voorlopige hechtenis zat, maakt niet dat het aanwezig hebben van cocaïne na die datum niet bewezen geacht kan worden, nu de detentie van verdachte niet betekent dat de drugs zich niet meer in de machtssfeer van verdachte bevonden.

In het bijzonder ten aanzien van feit 1

Na de bovenbeschreven aanhouding van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 25 mei 2012 in Zutphen zijn zij op het politiebureau in Zutphen aan het lichaam gefouilleerd. Daarbij is bij verdachte niets aangetroffen. Bij [medeverdachte] zijn meerdere plastic zakjes, een zakje met meerdere kleine bolletjes apart verpakt en een plastic zakje met hierin meerdere apart verpakte bolletjes en twee sealpacks in zijn ondergoed aangetroffen10.

Verbalisant [verbalisant 6] heeft de partij, die bestond uit 10,92 gram (netto) bruin poeder, verpakt in bolletjes11, en 28,94 gram (netto) crèmekleurig poeder, verpakt in bolletjes12, bemonsterd en verzonden naar het NFI. Het bruine poeder heeft nummer AAEC7067NL gekregen en het crèmekleurige poeder nummer AAEC7068NL.

Het NFI heeft beide monsters onderzocht. Het monster met nummer AAEC7067NL bevat heroïne13 en het monster met nummer AAEC7068NL bevat cocaïne14.

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden bewezen dat verdachte de drugs samen met [medeverdachte] voorhanden heeft gehad. [medeverdachte] heeft verklaard dat de vriend met wie hij is aangehouden, wist dat hij ([medeverdachte]) naar iemand toe ging voor een beetje drugs.15 Ter terechtzitting heeft verdachte daarover opgemerkt dat dat voor diens gebruik was.16 Daar gaat de rechtbank aan voorbij. Verdachte bevond zich namelijk met zijn medeverdachte op een dealplek, waar junks langskwamen, terwijl hun telefoons voortdurend overgingen en waarbij verdachte en zijn medeverdachte beiden een gigantische hoeveelheid cash bij zich hadden, hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat zij daar waren vanwege handel in drugs en deze handel doorgaans niet mogelijk is zonder het daadwerkelijke bezit van drugs. Het is dan weinig relevant voor de bewezenverklaring in wiens kleding die bolletjes nu daadwerkelijk worden aangetroffen. In zoverre acht de rechtbank aldus het medeplegen bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 25 mei 2012 te Zutphen tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 28,94 gram cocaïne en 10,92 gram heroïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

2.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 april 2011 tot en met 3 juli 2012 te Apeldoorn meermalen opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en aanwezig heeft gehad, handels hoeveelheden cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

2.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.



Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat een gevangenisstraf ter hoogte van de duur van de voorlopige hechtenis wordt opgelegd en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een geldboete van € 12.000,00.

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat bij het opleggen van een eventuele straf rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Een eventuele gevangenisstraf moet worden beperkt tot de duur van het voorarrest.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich – kort gezegd – schuldig gemaakt aan het bereiden en verwerken van drugs. Harddrugs als de onderhavige leveren, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Verdachte heeft voorts een hoeveelheid harddrugs voorhanden, in zijn bezit, gehad.

Het uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister vermeldt een veroordeling in 2012 wegens een drugsgerelateerd delict.

Op 6 november 2013 heeft de reclassering een voortgangsverslag uitgebracht. Hierin is vermeld dat verdachte zich heeft gehouden aan de hem in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis opgelegde meldplicht. Vanwege de ontkennende houding van verdachte heeft de reclassering hem geen aanwijzingen kunnen geven of interventies kunnen plegen ter voorkoming van recidive. Op advies van de reclassering is verdachte vrijwilligerswerk gaan doen in een jongerencentrum. Per 1 augustus 2013 volgt hij weer een opleiding.

De rechtbank heeft daarnaast de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting meegewogen.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank acht een forse voorwaardelijke straf nodig, om te voorkomen dat verdachte wederom de fout in gaat. De rechtbank zal verdachte daarnaast een geldboete van € 3.500,00 opleggen. De door de officier van justitie gevorderde geldboete komt de rechtbank bovenmatig voor.

In beslag genomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 2.340,00 vatbaar is voor verbeurdverklaring, waarbij zij aanneemt, mede in aanmerking genomen dat een ander scenario niet aannemelijk is geworden, dat het geld geheel of grotendeels door middel van het als feit 2 bewezen verklaarde is verkregen. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat het beslag op de Audi gehandhaafd dient te blijven nu dit dient tot bewaring van het recht tot verhaal van de opgelegde geldboete.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 33, 33a, 57, 47 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het als de feiten 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als bovenvermeld;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van (16) zestien maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 3.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis;

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag van

€ 2.340,00;

 heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Kropman, voorzitter, Van Apeldoorn en Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korevaar, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 november 2013.

Mr. Kropman is buiten staat dit

vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0630 2012070349-83, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, team Recherche IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 26 september 2012.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 68

3 Verhoor van getuige[verbalisant 1] bij de rechter-commissaris, 27 november 2012

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 108

5 Gegevensblad verdachte, pagina 17

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 129

7 Proces-verbaal Opiumwet, pagina 96

8 Rapport identificatie drugs en precursoren, pagina 102

9 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 138

10 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 69

11 Proces-verbaal Opiumwet, pagina 90

12 Proces-verbaal Opiumwet, pagina 92

13 Rapport identificatie van drugs en precursoren, pagina 100

14 Rapport identificatie van drugs en precursoren, pagina 98

15 Proces-verbaal van verhoor, pagina 239

16 Proces-verbaal van de terechtzitting van 12 november 2013