Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4753

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
17-02-2014
Zaaknummer
AWB-13_2802
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Indiening langs elektronische weg.

Niet is gebleken dat verweerder voor de indiening van een Wob-verzoek de elektronische weg heeft opengesteld. Eiser heeft de faxverzendrapporten van de brieven van 6 augustus 2012 en 5 september 2012 overgelegd. In het besluit van 20 november 2012 is vermeld dat, nu deze brieven niet per post zijn verzonden, maar via de elektronische weg, zij niet in goede orde zijn ontvangen en niet in behandeling genomen. Ter zitting is door de vertegenwoordiger van verweerder meegedeeld dat, indien de elektronische weg niet is opengesteld, per fax ontvangen stukken ter zijde worden gelegd en dat daar niets mee wordt gedaan. Uit hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht volgt niet dat de brieven van 6 augustus 2012 en 5 september 2012 niet zijn ontvangen.

Gelet op een en ander gaat de rechtbank er van uit dat verweerder deze brieven heeft ontvangen.

Mede gelet op de Memorie van Toelichting is de rechtbank van oordeel dat verweerder ingevolge artikel 2:15 van de Awb gehouden was om aan eiser mee te delen dat de aanvraag van 6 augustus 2012 en de brief van 5 september 2012 geweigerd werden. Bovendien had verweerder eiser ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid moeten stellen om de aanvraag langs schriftelijke weg in te dienen.

Verweerder heeft niet aan eiser meegedeeld dat de brieven geweigerd werden. Voorts heeft verweerder geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de aanvraag van 6 augustus 2012 ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet te behandelen.

Derhalve merkt de rechtbank 6 augustus 2012 aan als datum van indiening van het Wob-verzoek, en 5 september 2012 als datum van ontvangst van de brief van 5 september 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/2802

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[eiser], eiser,en

de korpschef van het landelijk politiekorps, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2012, verzonden op 26 november 2012 (het primaire besluit) heeft de rechtsvoorganger van verweerder het verzoek van eiser om informatie te verstrekken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) deels afgewezen en gesteld dat geen dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag.

Bij besluit van 27 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en geweigerd om een dwangsom toe te kennen wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2013. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.W. Schild, werkzaam bij de eenheid Noord-Nederland te Groningen.

Overwegingen

Ten aanzien van het Wob-verzoek

1. Verweerder heeft het verzoek afgewezen voor zover dat zag op de schietbevoegdheid en de schietvaardigheid van de twee agenten die betrokken waren bij een incident met een schaap op 5 augustus 2012.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder meegedeeld dat verweerder zich niet langer op het standpunt stelt dat het verzoek niet ziet op een bestuurlijke aangelegenheid.

Volgens verweerder is de gevraagde informatie opgenomen in het computersysteem van de Integrale Beroepsvaardigheid Trainingen (IBT) en worden hieruit geen documenten in de vorm van certificaten op iets dergelijks uitgegeven. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger meegedeeld dat zij nog contact heeft gehad met het organisatieonderdeel dat over de IBT gaat en dat haar is meegedeeld dat het niet mogelijk is om een uitdraai van gegevens te maken of een schermprint. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt onvoldoende gemotiveerd is. Het is een feit van algemene bekendheid dat het bij vrijwel alle (administratieve) computersystemen/-programma’s mogelijk is om op vrij eenvoudige wijze gegevens uit te draaien of een schermprint te maken. Derhalve valt zonder nadere motivering niet in te zien dat dit bij het computersysteem van de IBT niet mogelijk zou zijn.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat, indien het wel mogelijk zou zijn om gegevens uit het IBT te verstrekken, dat in het onderhavige geval geweigerd zou moeten worden vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken agenten. De rechtbank is van oordeel dat eiser zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het mogelijk moet zijn om de gegevens geanonimiseerd te verstrekken. In dit verband wijst de rechtbank erop dat verweerder ook de aanstellingsgegevens van de betrokken agenten geanonimiseerd heeft verstrekt.

De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 14 maart 2012, LJN: BV8748 gaat niet op, omdat in die zaak de identiteit van de betrokken agent bekend was.

Ten aanzien van de dwangsom in de primaire fase

2. Naar het oordeel van de rechtbank houdt het primaire besluit een weigering in om dwangsommen toe te kennen wegens niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het standpunt van verweerder in het besluit op bezwaar dat die weigering geen besluit is, is onjuist. De weigering om dwangsommen toe te kennen is een besluit, dat gebaseerd is op artikel 4:18 van de Awb. Het bezwaar was dus ook gericht tegen die weigering.

In de Memorie van Toelichting (TK 28 483, nr. 3) bij de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer is onder meer het volgende opgenomen:

Op pagina 31:

“Indien een bericht langs elektronische weg aan een bestuursorgaan wordt verzonden, terwijl het bestuursorgaan niet kenbaar heeft gemaakt dat deze weg voor berichten van die aard is geopend (vgl. artikel 2:15, eerste lid), dan kan het bestuursorgaan op deze grond weigeren het bericht te aanvaarden.”

Op pagina 32:

“Uit een oogpunt van behoorlijk bestuur dient het bestuursorgaan de afzender steeds zo spoedig mogelijk van de weigering op de hoogte te stellen. Artikel 2:15, vierde lid, heeft tot strekking hiervoor een waarborg te bieden.”

Op pagina 33:

“Indien een aanvraag tot het geven van een beschikking langs elektronische weg wordt ingediend, terwijl de elektronische weg daarvoor niet is geopend of niet op deze wijze is geopend, dan kan het bestuursorgaan ingevolge artikel 2:15, eerste lid, weigeren de aanvraag te aanvaarden. Ook op deze situatie is artikel 4:5 van toepassing. Voor zover het bestuursorgaan op de hoogte is van de aanvraag, dient het de aanvrager in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag te herstellen binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn.”

Niet is gebleken dat verweerder voor de indiening van een Wob-verzoek de elektronische weg heeft opengesteld. Eiser heeft de faxverzendrapporten van de brieven van 6 augustus 2012 en 5 september 2012 overgelegd. In het besluit van 20 november 2012 is vermeld dat, nu deze brieven niet per post zijn verzonden, maar via de elektronische weg, zij niet in goede orde zijn ontvangen en niet in behandeling genomen. Ter zitting is door de vertegenwoordiger van verweerder meegedeeld dat, indien de elektronische weg niet is opengesteld, per fax ontvangen stukken ter zijde worden gelegd en dat daar niets mee wordt gedaan. Uit hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht volgt niet dat de brieven van 6 augustus 2012 en 5 september 2012 niet zijn ontvangen.

Gelet op een en ander gaat de rechtbank er van uit dat verweerder deze brieven heeft ontvangen.

Mede gelet op de Memorie van Toelichting is de rechtbank van oordeel dat verweerder ingevolge artikel 2:15 van de Awb gehouden was om aan eiser mee te delen dat de aanvraag van 6 augustus 2012 en de brief van 5 september 2012 geweigerd werden. Bovendien had verweerder eiser ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid moeten stellen om de aanvraag langs schriftelijke weg in te dienen.

Verweerder heeft niet aan eiser meegedeeld dat de brieven geweigerd werden. Voorts heeft verweerder geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de aanvraag van 6 augustus 2012 ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet te behandelen.

Derhalve merkt de rechtbank 6 augustus 2012 aan als datum van indiening van het Wob-verzoek, en 5 september 2012 als datum van ontvangst van de brief van 5 september 2012.

Eiser heeft gesteld dat hij verweerder bij brief 5 september 2012 in gebreke heeft gesteld met betrekking tot het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van 6 augustus 2012. In deze brief heeft eiser verweerder, onder verwijzing naar een verzoek om informatie van 6 augustus 2012, verzocht dit verzoek met voortvarendheid en binnen de daarvoor wettelijk vastgestelde termijn te behandelen.

Hoewel een ingebrekestelling, behalve dat deze schriftelijk moet zijn, vormvrij is, voldoet de brief van 5 september 2012 naar het oordeel van de rechtbank niet aan de voorwaarden om als ingebrekestelling te kunnen worden aangemerkt, omdat hieruit niet valt af te leiden dat eiser verweerder heeft willen manen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit op het verzoek te nemen of dat aanspraak op een dwangsom zal worden gemaakt, indien dat besluit niet binnen een redelijke termijn wordt genomen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 december 2012, LJN: BY5083).

De brief van 1 november 2012, door verweerder ontvangen op 6 november 2012, moet als ingebrekestelling worden aangemerkt. De laatste dag van de termijn van 2 weken om alsnog te beslissen was 20 november 2012. Verweerder heeft een besluit genomen op 26 november 2012. Dat betekent dat over de periode van 21 tot en met 25 november 2012 een dwangsom verschuldigd is door verweerder. Dit zijn 5 dagen, zodat de dwangsom € 100 bedraagt.

Ten aanzien van de dwangsom in de bezwaarfase

3. Het primaire besluit is bekend gemaakt op 26 november 2012. De laatste dag van de bezwaartermijn was 7 januari 2013. Uitgaande van een beslistermijn in bezwaar van 6 weken was de laatste dag van de beslistermijn 18 februari 2013.

Verweerder heeft gesteld dat de vertraging aan eiser kan worden toegerekend. Kennelijk beroept verweerder zich op artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder b van de Awb, in samenhang met artikel 7:14 van de Awb.

De rechtbank volgt verweerder hierin niet. De omstandigheid dat verweerder bij brief van 9 januari 2013 aan eiser heeft verzocht om een datum en tijdstip door te geven die zouden schikken voor telefonisch horen, en dat eiser daarop pas bij brief van 6 februari 2013 heeft gereageerd, en de briefwisseling die daarop gevolgd is, nemen niet weg dat het de verantwoordelijkheid van verweerder is om tijdig te beslissen. Verweerder had zo nodig de beslissing op bezwaar met 4 weken kunnen verdagen, of een hoorzitting kunnen plannen, toen de reactie van eiser naar de mening van verweerder te lang op zich liet wachten.

Eiser heeft verweerder bij brief van 19 februari 2013, door verweerder ontvangen op 20 februari 2013, in gebreke gesteld. Aangezien 18 februari 2013 de laatste dag van de beslistermijn was, is die ingebrekestelling – anders dan verweerder meent – niet prematuur.

Omdat verweerder de ingebrekestelling heeft ontvangen op 20 februari 2013 is de termijn van 2 weken als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb aangevangen op 21 februari 2013. De laatste dag van de termijn van 2 weken, tevens de laatste dag waarop verweerder een besluit had kunnen nemen zonder een dwangsom verschuldigd te zijn, is 6 maart 2013.

De dwangsom is derhalve verschuldigd vanaf 7 maart 2013. Aangezien het bestreden besluit bekend is gemaakt op 4 april 2013 is de dwangsom verschuldigd tot en met 3 april 2013.

De dwangsom is verschuldigd over een periode van 28 dagen. De dwangsom bedraagt in totaal € 700.

Conclusie

4. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met betrekking tot de verstrekking van gegevens over de schietbevoegdheid en schietvaardigheid van de agenten. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 4 weken. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door eiser verzocht, vast te stellen dat verweerder een dwangsom verbeurt indien deze termijn wordt overschreden.

5. Verweerder is een dwangsom van € 100 verschuldigd wegens niet tijdig beslissen op de aanvraag. De rechtbank ziet aanleiding om op dit punt zelf in de zaak te voorzien. Bij het primaire besluit is ten onrechte geweigerd een dwangsom toe te kennen. Het primaire besluit zal in zoverre worden herroepen, en de rechtbank zal vaststellen dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd van € 100 wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek van 6 augustus 2012 en bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6. Verweerder is een dwangsom van € 700 verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. De rechtbank ziet aanleiding om op dit punt zelf in de zaak te voorzien op de wijze zoals in het dictum vermeld.

Eiser heeft verzocht verweerder te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente over de verschuldigde dwangsom. Artikel 4:100 Awb bepaalt dat, indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop het bestuursorgaan in verzuim zou zijn geweest, indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor geldende termijn zou zijn gegeven. Ingevolge artikel 4:18 van de Awb had verweerder de dwangsombeschikking uiterlijk op 17 april 2013 moeten geven. De betaling had op grond van artikel 4:87, eerste lid, van de Awb uiterlijk 6 weken later moeten plaatsvinden, dus uiterlijk op 29 mei 2013. Verweerder is in verzuim met ingang van 30 mei 2013 en is vanaf die datum de wettelijke rente over de dwangsom verschuldigd.

7. Verweerder dient het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen 4 weken na de dag van verzending van deze uitspraak met betrekking tot de verstrekking van gegevens over de schietbevoegdheid en schietvaardigheid van de agenten een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- herroept het besluit van 20 november 2012, voor zover daarbij is geweigerd om een dwangsom toe te kennen aan eiser, stelt vast dat verweerder wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag een dwangsom heeft verbeurd van € 100 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- stelt vast dat verweerder wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar een dwangsom heeft verbeurd van € 700, en bepaalt dat verweerder met ingang van 30 mei 2013 aan eiser de wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd is;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van R. van Diest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.