Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4752

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
AWB-13_1341
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek Wob. Ingebrekestelling. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks het feit dat blijkens de wetsgeschiedenis bij het formuleren van de dwangsomregeling een belangrijk uitgangspunt is geweest de laagdrempeligheid voor de burger en dat daarbij de vormvrijheid van de ingebrekestelling is benadrukt, aan een ingebrekestelling qua inhoud zekere eisen mogen worden gesteld, zodat het voor het bestuursorgaan voldoende duidelijk is dat de betreffende brief als een ingebrekestelling is bedoeld. De in deze zaak voorliggende brief kan niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling, nu daar niet uit valt af te leiden dat betrokkene de verweerder heeft willen manen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit op het verzoek te nemen of dat aanspraak op een dwangsom zal worden gemaakt, indien dat besluit niet binnen een redelijke termijn wordt genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/1341

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. M.F. van Immerseel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft het verzoek van eiseres om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) en het verzoek van eiseres om een dwangsom toe te kennen vanwege het niet tijdig beslissen afgewezen.

Bij besluit van 23 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, mr. M.F. van Immerseel, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Huisman, werkzaam bij de gemeente Harderwijk.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende, tussen partijen vaststaande, feiten. Eiseres heeft verweerder verzocht om informatie te verstrekken omtrent het aantal aangevraagde vergunningen in het kader van de Wet Milieubeheer in de periode 1 januari 2010 tot en met 30 september 2010, alsmede welke beslissingen op die aanvragen zijn genomen en of er rechtsmiddelen tegen deze beslissingen zijn aangewend. Daarnaast heeft eiseres verzocht om een overzicht van het aantal handhavingsacties op basis van de Wet Milieubeheer in 2010.

2.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder inmiddels alle gevraagde informatie heeft overgelegd. In geschil is of verweerder gehouden is een dwangsom te betalen. De rechtbank laat daarbij in het midden of de brief van 18 september 2012 of de brief van 18 oktober 2012 als (primair) besluit op het verzoek moet worden aangemerkt. In de brief van 18 oktober 2012 is beslist op het verzoek tot vaststelling van de verschuldigdheid tot het betalen van een dwangsom. In zoverre is in ieder geval sprake van een besluit.

3.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van eiseres geen betrekking heeft op informatie omtrent de voorbereiding of uitvoering van beleid, zodat het verzoek niet kan worden aangemerkt als een verzoek in het kader van de Wob. Verweerder is dan ook niet gehouden een beslissing op het verzoek te nemen. Verder heeft verweerder betoogd dat het informatie betreft die reeds openbaar is, zodat het verstrekken van deze informatie een feitelijke handeling vormt. In dit verband heeft verweerder gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 11 januari 2012 (AB 2012/52). Daarnaast heeft verweerder overwogen dat het aantal ingediende aanvragen om een milieuvergunning niet als zodanig in een document wordt vastgelegd en dat de Wob niet verplicht tot het aanmaken van een dergelijk document. Omdat het verzoek niet kan worden aangemerkt als een verzoek in het kader van de Wob, is er van een verschuldigde dwangsom wegens het niet tijdig beslissen geen sprake, aldus verweerder.

Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor zover sprake zou zijn van een verzoek in het kader van de Wob, er geen ingebrekestelling is verzonden, zodat er ook in dat geval geen dwangsom zou zijn verschuldigd.

4.

Eiseres heeft ten eerste betoogd dat het informatieverzoek ziet op een bestuurlijke aangelegenheid, zodat de Wob van toepassing is. Verder heeft eiseres betoogd dat de namens haar verzonden faxbrief van 12 juli 2012 is te kwalificeren als een ingebrekestelling, in welk verband eiseres heeft gewezen op de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, mr. R.H.L. IJzerman, van 21 november 2012 (LJN:BY5323).

5.

De rechtbank overweegt als volgt.

6.

Op grond van artikel 3 van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Onder een document wordt in artikel 1 van de Wob verstaan een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

7.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wob, beslist het bestuursorgaan op een verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen. In het tweede lid staat dat het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste vier weken kan verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.

8.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verbeurt het bestuursorgaan indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag. Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

9.

Ingevolge artikel 4:18 van de Awb stelt het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

10.

Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het door eiseres gedane informatieverzoek niet is te kwalificeren als een verzoek in de zin van de Wob.

11.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraken van 3 oktober 2007, zaaknummer 200701294/1 en 12 december 2012, zaaknummer 201202578/1/A3, www.raadvanstate.nl) de term bestuurlijk bij de toepassing van de Wob ruim worden opgevat en heeft deze betrekking op het openbaar bestuur in al zijn facetten. De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde stukken zien op de uitvoering van de publieke taak van verweerder in het kader van de Wet Milieubeheer. Deze stukken dienen aldus te worden aangemerkt als documenten over een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de Wob, zodat het informatieverzoek, althans deels, dient te worden gekwalificeerd als een verzoek waarop de Wob van toepassing is.

12.

Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat geen dwangsom is verschuldigd omdat geen ingebrekestelling is ontvangen.

13.

De rechtbank overweegt dat namens eiseres op 12 juli 2012 een faxbrief aan verweerder is gestuurd, waarin, voor zover van belang, het volgende is vermeld:

“Bij brief d.d. 11 juni jl. heb ik u benaderd namens cliënte met enkele verzoeken. Ik verwijs kortheidshalve naar de inhoud van die brief. Tot op heden heeft cliënte nog geen beslissing op het verzoek mogen ontvangen. Bij deze dring ik dan ook namens cliënte aan om het verzoek voortvarend te behandelen.”

14.

De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van

5 december 2012 (LJN: BY5083), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de in die zaak voorliggende brief niet kon worden aangemerkt als een ingebrekestelling, nu daar niet uit viel af te leiden dat betrokkene de verweerder in die zaak heeft willen manen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit op het verzoek te nemen of dat aanspraak op een dwangsom zal worden gemaakt, indien dat besluit niet binnen een redelijke termijn wordt genomen.

De rechtbank onderschrijft dit oordeel van de Afdeling en is daarbij voorts van oordeel dat, ondanks het feit dat blijkens de wetsgeschiedenis bij het formuleren van de dwangsomregeling een belangrijk uitgangspunt is geweest de laagdrempeligheid voor de burger en dat daarbij de vormvrijheid van de ingebrekestelling is benadrukt, aan een ingebrekestelling qua inhoud zekere eisen mogen worden gesteld, zodat het voor het bestuursorgaan voldoende duidelijk is dat de betreffende brief als een ingebrekestelling is bedoeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de faxbrief van 12 juli 2012 niet als een ingebrekestelling heeft hoeven aanmerken, nu deze faxbrief naar zijn inhoud slechts een herinnering aan het initiële verzoek behelst en de kennisgeving van de wens spoedig een besluit te willen ontvangen en daaruit niet valt af te leiden dat eiseres verweerder heeft willen manen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit op het verzoek te nemen of dat, indien het besluit niet binnen een redelijke termijn wordt genomen, aanspraak op een dwangsom zal worden gemaakt. De stelling van eiseres dat deze uitspraak van de Afdeling niet maatgevend is voor de beoordeling van de vraag of een brief als een ingebrekestelling moet worden beschouwd, volgt de rechtbank niet. Dat andere rechtbanken in afwijking van deze uitspraak hebben beslist, zoals eiseres heeft betoogd, en de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad waarnaar eiseres heeft verwezen zijn daartoe onvoldoende.

15.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van E. Spoelstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.