Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4728

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-06-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
872056
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Letselschade. Werknemer, groepsleider van probleemjongeren. Bewuste roekeloosheid. Zorgplicht werkgever. Geen verwijzing schadestaat in deelgeschilprocedure. Samenloop met uitkering schadefonds geweldsmisdrijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0942
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 872056 \ AZ VERZ 13-7030 \ 434 \ 507

uitspraak van 28 juni 2013

beschikking

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

gemachtigde mr. E.F. Mulder

toevoegingsnummer 2EO7016

en

1 de stichting Stichting Iriszorg

gevestigd te Nijmegen

2. de naamloze vennootschap VvAA Schadeverzekeringen N.V.

gevestigd te Utrecht

verwerende partijen

gemachtigde mr. D. Zwartjens

Partijen worden hierna [verzoeker] en Iriszorg c.s. genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties

- het verweerschrift met producties

- de brief met bijlagen van de zijde van [verzoeker] d.d. 24 mei 2013

- de brief met bijlagen van de zijde van Iriszorg c.s. d.d. 24 mei 2013

- de mondelinge behandeling. Verschenen zijn [verzoeker] vergezeld van mr. Mulder voornoemd, en A.[B], bedrijfsjurist van Iriszorg en M. Bergkamp, schadebehandelaar van VvAA vergezeld van mr. Zwartjens voornoemd.

De gemachtigden van de partijen hebben de standpunten van hun cliënten beiden aan de hand van pleitnotities uiteengezet. Iriszorg heeft ter zitting een afschrift van haar zogenoemde ‘Agressievoorbeeldprotocol’ d.d. 6 november 2008 in het geding gebracht.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] werkt sinds 1 maart 2009 als groepsleider van probleemjongeren bij Woonzorg Jongeren SaM Nijmegen, onderdeel van Iriszorg, locatie Sancta Maria. In zijn groep gaat het vooral om jongeren met een alcohol-en drugsproblematiek in de leeftijd 16 tot 24 jaar.

2.2.

Op 8 november 2010 is [verzoeker] mishandeld door een ex-cliënt, [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). In de aangifte van [verzoeker] van 9 november 2010 – opgenomen in het Radboud Ziekenhuis te Nijmegen – staat onder meer:
Ik doe aangifte van zware mishandeling (…) Als gevolg van deze mishandeling heb ik nu een verbrijzeld linker jukbeen, er zijn vier tanden uit mijn bovenkaak geslagen en twee tanden uit mijn onderkaak, ik heb meerdere hechtingen in mijn linkerwenkbrauw, ik heb op twee plaatsen meerdere hechtingen in mijn bovenlip, rondom mijn rechter oog is de huid opgezwollen tevens is de huid onder mijn rechter oog donker verkleurd. Rondom mijn linker oog is de huid erger opgezwollen dan mijn rechter oog en ook de verkleuring is heftiger. Ik heb nog steeds erg veel pijn in mijn gezicht. Tevens heb ik meerdere bulten op mijn achterhoofd omdat ik waarschijnlijk hard ben gevallen maar daar kan ik mij niets van herinneren. Ik ben geopereerd aan mijn mond omdat delen van de tandwortels in de kaak waren achter gebleven.
(…) Die ochtend zag ik de mij bekende [betrokkene] voor het kantoor staan. Ik ken hem omdat hij enige tijd in Sancta Maria heeft gewoond maar nu woont hij er niet meer. Ik hoorde en zag dat hij klopte op het raam van het kantoor. Ik ben toen naar de voordeur gelopen en heb de deur geopend. Ik ben toen naar buiten gelopen en heb de voordeur achter mij gesloten omdat ik [betrokkene] niet binnen wilde hebben. Ik zag dat [betrokkene] op mij af kwam lopen en vlak voor mij kwam staan. Hij was duidelijk opgewonden, kwaad en agressief. Ik hoorde hem zeggen dat hij iets van een bewoner moest hebben. Ik heb toen tegen [betrokkene] gezegd: “Doe gewoon rustig en dan komen we er wel uit. Ik zal kijken wat ik voor je kan doen.” Ik zag toen dat [betrokkene] nog dichter bij mij kwam staan. Zijn gezicht was ongeveer 3 centimeter van mijn gezicht verwijderd. Zonder dat er aanleiding voor was sloeg [betrokkene] mij plotseling hard en opzettelijk met zijn hand in mijn gezicht. Ik weet niet hoe hij sloeg maar ik denk dat hij met gebalde vuist sloeg want de klap kwam hard aan en veroorzaakte directe hevige pijn in mijn gezicht. Ik kon niet zien hoe hij mij sloeg omdat hij erg dicht bij mij stond. Ik kan mij ook niet meer herinneren met welke hand hij sloeg. Ik weet ook niet meer hoe vaak ik door [betrokkene] ben geslagen maar ik weet wel dat het meerdere keren is geweest en dat alle klappen opzettelijk en met kracht werden uitgevoerd. Alle klappen veroorzaakten bij mij hevige pijn.

2.3.

In opdracht van de verzekeraar van Iriszorg, VVAA, heeft onderzoeksbureau To The Point Expertise onderzoek gedaan naar de toedracht van de mishandeling. In het rapport van 21 juni 2012 staat onder meer:
Op 24 mei 2012 sprak ik met (…) I. [A] (Manager Afdeling Jeugd) en (…) [B] (Bedrijfsjurist) van verzekerde. (…) De dader door wie tegenpartij is mishandeld is een ex cliënt van verzekerde en tegenpartij. Hij is een half jaar voor de mishandeling bij verzekerde uit de groep gezet vanwege zijn gedrag. Hij kwam zijn afspraken niet na, kwam soms dreigend over en was onvoldoende te sturen. Er waren echter geen spanningen of anderszins geweest tussen de dader en tegenpartij. De dader is na zijn vertrek destijds ook niet meer bij verzekerde langs geweest of iets dergelijks. Hij maakte nog wel op een andere locatie gebruik van de nachtopvang voor volwassenen en werd elders voor zijn drugsverslaving behandeld.
Op 8 november 2010 rond 09.45 uur verscheen de dader met de fiets op de locatie te Nijmegen. Bij kwam daar voor een cliënt van verzekerde met wie hij kennelijk een conflict had over geld. Hij wilde naar binnen komen maar dat ging niet want de voordeur was, zoals gebruikelijk, gesloten. De dader bonsde op de deur en liep schreeuwend rond het gebouw en klopt op de ramen. Hij was duidelijk niet in een vriendelijke stemming en stelde zich dreigend op. Hij was toen een man van 20-21 jaar oud. Tegenpartij besloot op dat moment om spontaan naar buiten te gaan om met de dader te gaan praten en hem te kalmeren. Hij trof de dader buiten voor de ingang. Dit werd vanaf de eerste verdieping door collega’s waargenomen. De dader was kennelijk al zo opgewonden en geagiteerd dat het tegenpartij niet lukte hem te kalmeren. Al vrij snel mondde dit uit in een gevecht tussen de dader en tegenpartij. Tegenpartij kreeg enkele rake klappen en viel daardoor op de grond. Hij kwam daarbij met zijn hoofd tegen de stenen rand die het trottoir voor de toegangsdeur scheidt van een grasperk. Terwijl tegenpartij op de grond lag kreeg hij nog enkele trappen van de dader. Dit ging allemaal heel snel en in een kort tijdsbestek. Door toegeschoten collega’s is tegenpartij ontzet. De dader bleek later psychotisch en onder invloed van drugs te zijn. De reeds voordat tegenpartij naar buiten ging gebelde politie verscheen kort daarop en nam de dader in hechtenis. (…)
De interne regels binnen verzekerde voor gevallen van agressie zijn dat altijd de politie wordt gebeld en daar op wordt gewacht. Tevens is de regel dat de agressor in elk geval nooit alleen wordt benaderd. (…) Toch besloot tegenpartij spontaan om in zijn eentje naar buiten te gaan en te proberen met hem te praten en hem te kalmeren. Er waren op dat moment overigens diverse (mannelijke) collega’s in het pand aanwezig. Waarschijnlijk dacht tegenpartij dat hij de dader nog goed genoeg van voorheen kende om hem tot kalmte te manen. Dit bleek spijtig genoeg een verkeerde inschatting. Ten tijde van het incident bestond reeds formeel het agressieprotocol van Iriszorg. Dit was echter nog niet individueel “vertaald” naar alle locaties en aldaar geïmplementeerd. In dit protocol zijn feitelijk de reeds intern gehanteerde regels (zie hiervoor) vastgesteld en geformaliseerd. Bovendien richt dit protocol zich vanzelfsprekend op agressie vanuit cliënten en was destijds duidelijk sprake van een agressieve derde van buitenaf.’

2.4.

In een ‘agressievoorbeeldprotocol’ van Iriszorg, vastgesteld in 2008, staat onder meer:
(p. 8):
* Spreek een (mogelijk) agressieve cliënt of een cliënt bij wie je op grond van eerdere ervaringen of op grond van het huidige toestandsbeeld agressie kunt verwachten, nooit alleen maar samen met een collega en uitsluitend tijdens reguliere werkuren (er moeten voldoende collega’s beschikbaar zijn op kantoor).’

2.5.

In een brief van de arbeidsinspectie aan Iriszorg van 24 november 2010 staat onder meer:
‘Op woensdag 17 november 2010 heb ik (…) een inspectie uitgevoerd op de arbeidsplaats: Woonzorg SAM (…). Naar aanleiding van het meldingsplichtige arbeidsongeval, dat uw medewerker de heer P.H. [verzoeker] op maandag 8 november 2010 is overkomen, is nagegaan of aan een aantal wettelijke bepalingen op het gebied van arbeidsomstandigheden ten aanzien van het beleid Agressie en Geweld (…) werd voldaan. Tijdens deze inspectie heb ik een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet geconstateerd. Op grond van de bij uw organisatie uitgevoerde werkplekinspectie en op basis het gevoerde gesprek kom ik tot de conclusie, dat het gevoerde beleid ten aanzien van agressie en geweld niet aan de daaraan door de Arbowet en het Arbobesluit gestelde eisen voldoet. Het Veiligheidsprotocol is te algemeen ingevuld en de risico’s met betrekking tot agressie en geweld zijn onvoldoende in kaart gebracht, waardoor er onvoldoende zicht is of er afdoende organisatorische, personele en/of bouwkundige en technische maatregelen zijn genomen. U dient een beleid te voeren, gericht op het voorkomen en, indien dat niet mogelijk is, het beperken van psychosociale arbeidsbelasting van uw medewerkers, waaronder agressie en geweld. Ter concretisering van dit beleid dient u met betrekking tot het risico agressie en geweld die maatregelen te treffen dan wel te verbeteren, die uit een gedegen risicoanalyse naar voren zijn gekomen. (…)’.

2.6.

[betrokkene] is door de rechtbank Arnhem strafrechtelijk veroordeeld en heeft een gevangenisstraf opgelegd gekregen voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk. De benadeelde partij vordering is tot een bedrag van € 3.350,50 toegewezen, waaronder € 2.750,00 aan smartengeld.

2.7.

Het schadefonds geweldsmisdrijven heeft bij beslissing van 27 maart 2013
€ 3.000,00 aan smartengeld toegekend.

2.8.

[verzoeker] is thans voor 50% arbeidsongeschikt voor zijn eigen werk. Hij verricht andere werkzaamheden binnen Iriszorg.

2.9.

In een brief van 2 april 2013 van GZ-psycholoog Reintjes, werkzaam voor Angstbehandelcentrum IPZO, gericht aan de medisch adviseur van [verzoeker] staat onder meer:
Het intakegesprek vond plaats op 20 juni 2011. De heer was aangemeld vanuit zijn werkgever naar aanleiding van een geweldsincident op de werkvloer d.d. 8 november 2010. Er was in die periode sprake van diverse klachten en symptomen. Op het moment dat de heer [verzoeker] weer terug wilde gaan op de werkvloer, werd hij geconfronteerd met een sterk gevoel van onzekerheid, hij durfde niet meer te vertrouwen op eigen kennis en ervaring. Dat is het moment geweest waarop de heer zich bewust werd van de gevolgen van het misdrijf en het verwerkingsproces op gang is gekomen. Er was sprake van een verhoogde alertheid op straat, ten aanzien van donkere en imponerende mannen. Ook was er een verhoogde alertheid op de werkvloer, ten aanzien van mogelijk onveilig gedrag. Er leek sprake te zijn van concentratie- en geheugenproblemen, hetgeen ook in een gesprek tot uiting kwam. Hij bood weinig structuur in zijn verhaal en had moeite om informatie op te diepen.
Er was schaamte- en schuldgevoel, evenals boosheid, verdriet en het gevoel er alleen voor te staan. Op sommige momenten was er sprake van herbelevingen, bij confrontatie met aanzien van bepaalde triggers. Ten slotte was er sprake van vermoeidheid en lusteloosheid. Op basis van de intake is de diagnose (volgens DSM-I-V-TR) posttraumatische stress-stoornis gesteld (309.81).

Verloop van de behandeling
Er is gestart met traumabehandeling middels EMDR. Er hebben diverse EMDR-sessies plaatsgevonden, gericht op beladen beelden van het misdrijf. Dit waren beelden van momenten die hij nog bewust heeft meegemaakt, maar ook beelden die hij zich gevormd heeft van de moment dat hij buiten bewustzijn was.
Na de EMDR-sessies ontstond er langzaam wat ruimte om met minder emotie terug te kijken op het misdrijf. Vervolgens is er aandacht geweest voor het traject dat daarna volgde, namelijk de hervatting van zijn werkzaamheden op de werkvloer. Dit ging gepaard met de nodige obstakels, zowel vanuit de werkgever als vanuit de heer [verzoeker]. Hij werd geconfronteerd met zijn verminderde gevoel van onveiligheid, en een verminderde motivatie om opnieuw met deze doelgroep aan de slag te gaan. Er is veel ruimte geweest voor verdere verwerking, onder andere gericht op het herwinnen van vertrouwen, het onderzoeken van zijn gevoel van veiligheid, maar ook het besef van de blijvende veranderingen die het misdrijf als gevolg heeft. Er lijkt sprake te zijn van een blijvende verminderde draagkracht. Dit is mijns inziens een logisch gevolg van het geweld waar de heer [verzoeker] mee is geconfronteerd.

2.10.

In een brief van 20 maart 2013 van de medisch adviseur van [verzoeker] aan zijn advocaat staat onder meer:
‘(…) Uit de mij toegezonden correspondentie begrijp ik dat er gebitsletsel is ontstaan, dat uw cliënt een hersenschudding heeft opgelopen en dat er een breuk in de linker oogkas is opgetreden. Uw cliënt heeft nog steeds last van klachten, onder andere van geheugen- en concentratiestoornissen. Uw cliënt is snel vermoeid en kampt met verwerkingsproblemen. Ik heb kennisgenomen van de gegevens van professor Meijer van 31 januari 2011. In deze correspondentie wordt beschreven dat uw cliënt werd gezien op de EHBO waarbij een bloeding rond het linker oog werd vastgesteld. Er was sprake van een zwelling van het gelaat en vier boventanden zaten los, dat wil zeggen de middelste vier boventanden. Twee ondertanden zijn verloren gegaan. Er zat een scheur in de bovenlip en uw cliënt had het bewustzijn verloren bij het handgemeen. De diagnose hersenschudding werd gesteld. Bij onderzoek bleken ook breuken te zijn opgetreden in het jukbeen. (…)’

2.11.

Op vragen van de advocaat van [verzoeker] heeft een oud-collega van [verzoeker], [C] onder meer geantwoord:
(…) Heeft er eerder een soortgelijk incident plaatsgevonden binnen IrisZorg?

Er zijn eerder incidenten geweest waarbij buitensporige agressie speelde.
(…) Ten tijde dat ik op SAM werkte, was er geen duidelijk agressieprotocol. Elke situatie werd afzonderlijk behandeld en beoordeeld. (…) Ik ben niet bekend met een agressieprotocol, ten minste niet ten tijde van de periode dat ik werkzaam was bij Iriszorg op SAM.

2.11.

Ondanks pogingen daartoe zijn partijen niet tot een regeling gekomen.

3 Het verzoek en het verweer


3.1. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat Iriszorg en VvAA jegens [verzoeker] aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] lijdt ten gevolge van het [verzoeker] op 8 november 2010 in de uitoefening van zijn werkzaamheden overkomen arbeidsongeval;
II. Iriszorg en VvAA te veroordelen om de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval op 8 november 201 geleden en nog te lijden schade te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede Iriszorg en VvAA te veroordelen om als voorschot op de schadevergoeding aan [verzoeker] te vergoeden € 8.000,00 althans dat bedrag dat de rechtbank in goede justitie juist acht;
III. Iriszorg en VvAA zal veroordelen in de kosten van het geding, met het verzoek terzake van het honorarium van de advocaat de kosten aan de zijde van [verzoeker] te begroten conform de door [verzoeker] in het geding gebrachte begroting, vermeerderd met de redelijke kosten betreffende de voorbereiding en behandeling van de deelgeschilprocedure.

3.2.

Aan het verzoek legt [verzoeker] kort gezegd ten grondslag dat Iriszorg op grond van artikel 7:658 BW dan wel artikel 7:611 BW en VvAA op grond van artikel 7:954 BW aansprakelijk zijn voor de schade die [verzoeker] heeft geleden als gevolg van de mishandeling door [betrokkene].

3.3.

Iriszorg en VvAA voeren verweer. Daarop wordt hierna ingegaan.

4 De beoordeling



Processueel

4.1.

Gelet op hetgeen hieronder zal worden overwogen is zowel verwijzing naar de schadestaat ter begroting van de schade als bewijslevering (d.m.v. getuigenverhoren) ter zake van de toedracht van de mishandeling niet aan de orde. Er bestaat daarom geen aanleiding het verzoek niet als een deelgeschil in de zin van artikel 1019w Rv te beschouwen of vanwege een disbalans tussen kosten en baten van de verzochte beslissingen (in de zin van Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18) op de voet van artikel 1019z Rv af te wijzen.

Artikel 7:658/7:611 BW

4.2.

De kern van het geschil vormt de vraag of Iriszorg, als werkgever, aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] stelt te hebben geleden als gevolg van de mishandeling door [betrokkene]. Ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgevers jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om schade te voorkomen of de schade in dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. De kantonrechter oordeelt als volgt.

Schade

4.3.

Tevergeefs bestrijden Iriszorg en VvAA dat [verzoeker] schade heeft geleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Niet in geschil is dat [verzoeker] door [betrokkene] (ernstig) is mishandeld doordat hij tegen zijn hoofd is geslagen en mogelijks zelfs geschopt. [verzoeker] is het bewustzijn verloren. Dat iemand daardoor lichamelijk en geestelijk letsel oploopt ligt voor de hand en volgt ook in voldoende mate uit de overgelegde bescheiden (rov. 2.9. en 2.10.). [verzoeker] is nog steeds onder behandeling van een tandarts/kaakchirurg om de forse schade aan het gebit en de kaak te behandelen. Ook is hij onder behandeling van een psycholoog in verband met, zo valt in de verklaring van drs. Reintjes te lezen, angststoornissen. Hiermee staat in voldoende mate vast dat [verzoeker] schade heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werk als bedoeld in artikel 7:658 BW. Dat Iriszorg en VvAA de tandheelkundige behandelingen tot nu toe hebben vergoed, doet daaraan niet af.

Bewuste roekeloosheid

4.4.

Iriszorg en VvAA betogen voorts dat [verzoeker] bewust roekeloos heeft gehandeld. Iriszorg en VvAA stellen in dat verband dat [betrokkene] zich, zo zouden collega’s hebben verklaard, agressief gedroeg. Doordat [verzoeker] in strijd met de interne regels in zijn eentje een agressieve probleemjongere heeft benaderd waarbij hij de deur achter zich heeft dichtgetrokken, moet zijn handelen als bewust roekeloos worden gekwalificeerd.

4.5.

Van bewust roekeloos handelen is pas sprake indien de werknemer zich, tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging, van het roekeloos karakter van die gedraging daadwerkelijk bewust is geweest (vlg. HR 11 september 1998, NJ 1998, 870).

4.6.

[verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij die dag van de trap afkwam, dat hij [betrokkene] buiten zag lopen en dat zijn collega zei dat [betrokkene] een andere cliënt zocht. Daarop is [verzoeker] naar buiten gegaan en toen [betrokkene] naar hem toe kwam zag [verzoeker] dat hij ‘verder weg was dan ik dacht’. [betrokkene] was kennelijk onder invloed van drank en drugs. [verzoeker] trok de deur dicht om te voorkomen dat [betrokkene] naar binnen zou gaan en voor meer problemen zou zorgen, aldus de verklaring van [verzoeker]. [verzoeker] heeft nadrukkelijk betwist dat hij toen hij naar buiten ging had waargenomen dat sprake was van agressief gedrag van [betrokkene], hetgeen overigens strookt met de aangifte van [verzoeker] bij de politie. Iriszorg blijft er echter - onder verwijzing naar gestelde maar niet in het geding gebrachte verklaringen van collega’s - bij dat die collega’s agressief gedrag van [betrokkene] hebben waargenomen.

4.7.

Tegen de achtergrond van de hiervoor (rov. 4.5.) genoemde maatstaf is met het standpunt dat collega’s hebben waargenomen dat [betrokkene] agressief gedrag vertoonde onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is geweest van bewuste roekeloosheid. Immers, een succesvol beroep daarop vereist onder deze omstandigheden ten minste dat ook [verzoeker] toen hij naar [betrokkene] ging bekend was met een zodanige agressieve houding van [betrokkene], dat moet worden aangenomen dat [verzoeker] zich van het roekeloze karakter van zijn handelen daadwerkelijk bewust is geweest. Met de stelling dat collega’s [betrokkene] agressief gedrag hebben zien vertonen, is niet gezegd dat [verzoeker] – die dit nadrukkelijk bestrijdt en die, zoals hij heeft verklaard, van boven kwam – dat ook heeft gezien, laat staan dat hij een zodanige houding bij [betrokkene] heeft waargenomen, dat [verzoeker] zich had moeten realiseren dat er een gerede kans bestond dat het tegemoet treden van [betrokkene] wel eens verkeerd zou kunnen aflopen. Bij de vraag naar het al dan niet roekeloze karakter van de keuze van [verzoeker] om naar buiten te gaan en de deur achter zich dicht te trekken, moet ook acht worden geslagen op het ervaringsfeit dat het regelmatig verkeren in een bepaalde werksituatie er toe kan leiden dat de werknemer minder voorzichtig zal worden dan ter voorkoming van ongevallen raadzaam zal zijn. [verzoeker] zal als groepsleider van jongeren met een verslavings- en gedragsproblematiek minder snel terugdeinzen voor een zekere mate van agressie en veeleer geneigd zijn te trachten in gesprek te gaan, ook als dat (achteraf bezien) niet verstandig is. Dat geldt ook voor het sluiten van de deur ter voorkoming van grotere problemen bij binnentreden van [betrokkene], waarmee [verzoeker] overigens zeer waarschijnlijk een groter incident heeft weten te voorkomen. Voor zijn eigen veiligheid was dat achteraf bezien geen verstandige keuze, maar dat handelen kan evenmin als bewust roekeloos worden gekwalificeerd. Dat [verzoeker] (enige) ervaring had met jongeren met gedragsproblemen doet aan het voorgaande onvoldoende af.

4.8.

Het voorgaande zou wellicht nog anders kunnen zijn wanneer sprake was van voorhanden interne regels of training van werknemers waardoor zij duidelijk voor dit gevaar waren gewaarschuwd en waren geïnstrueerd nooit alleen een agressieve jongere te benaderen. Zoals hierna zal blijken is van dergelijke regelgeving en instructie niet althans onvoldoende gebleken. Datzelfde geldt voor de gestelde voorervaring van [verzoeker], die ten minste gedateerd moet worden beschouwd. Van bewuste roekeloosheid is kortom geen sprake.

Zorgplicht

4.9.

Partijen twisten erover of Iriszorg, zoals zij stelt, aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan.

4.10.

Voorop gesteld wordt dat indien vast staat dat de werknemer schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden, het aan de werkgever is te stellen en zonodig te bewijzen, kort gezegd, dat hij al die maatregelen heeft genomen en al die aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig waren om de schade te voorkomen. Weliswaar is, zoals de Hoge Raad bij herhaling omtrent art. 7:658 BW heeft overwogen, met de zorgplicht van de werkgever niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, ook niet ten aanzien van werknemers wier werkzaamheden bijzondere risico’s van ongevallen meebrengen, maar gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade (vgl. Hoge Raad 12 december 2008, LJN BD3129). Art. 7:658 BW vergt immers een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen alsmede van de organisatie van de werkzaamheden en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies (vgl. Hoge Raad 11 april 2008, LJN BC9225). Indien de werkgever ter onderbouwing van zijn verweer dat hij de in lid 1 van art. 7:658 genoemde verplichtingen is nagekomen voldoende concrete feitelijke gegevens aanvoert, zal van de werknemer mogen worden verlangd dat hij zijn betwisting van dat verweer voldoende concreet motiveert, zij het dat aan die motivering niet zodanig hoge eisen mogen worden gesteld dat in betekenende mate afbreuk wordt gedaan aan de strekking van art. 7:658 lid 2 de werknemer door verlichting van zijn processuele positie bescherming te bieden tegen de risico’s van schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden (vgl. Hoge Raad 25 mei 2007, LJN BA3017).

Met betrekking tot de vraag of Iriszorg, zoals zij heeft gesteld en [verzoeker] gemotiveerd heeft betwist, haar in artikel 7:658 lid 1  BW omschreven zorgplicht is nagekomen, spelen, in het licht van onder andere het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2001, LJN BR5323, zowel algemene maatregelen die strekken tot beveiliging van de werknemers tegen de gevaren van hun omgang met jongeren met gedrags- en verslavingsproblemen als specifieke maatregelen en instructies die zijn vereist ter beveiliging van werknemers in hun omgang met die jongeren, een rol.



4.11. Iriszorg stelt de volgende algemene en meer specifieke maatregelen te hebben getroffen. De dagbezetting van een groep bestaat uit 3 hulpverleners: 2 groepsleiders en een maatschappelijk werker. Een dergelijke bezetting was op de dag van het incident aanwezig en volstaat. Daarnaast is er een rooster van achterwacht die te allen tijde kan worden opgeroepen om bijstand te verlenen. Bij de intake worden de jongeren gescreend door een psycholoog, waarbij onder meer wordt bekeken of de jongere geschikt is voor een verblijf op de locatie Sancta Maria. Ook wordt een begeleidingsplan opgesteld waarbij de risico’s op agressief gedrag in kaart worden gebracht. Nieuwe groepsleiders worden geselecteerd op hun ervaring en training in conflictbeheersing. Sinds 2009 traint Iriszorg middels een tweedaagse inhouse training op omgang met agressie.
Verder geldt als interne regel dat agressieve jongeren nooit alleen worden beanderd. Er wordt sinds maart 2010 een veiligheidsprotocol gehanteerd waarin onder andere staat dat bij verbale of fysieke bedreiging de cliënt altijd met twee mensen moet worden benaderd en naast het rooster van de achterwacht afspraken zijn gemaakt met de wijkpolitie die inhouden dat indien bij dreiging of agressie een vooraanmelding wordt gedaan, waartoe de instelling beschikt over het mobiele nummer van de wijkagent.

4.12.

[verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hem onbekend is dat bij zijn sollicitatie is gevraagd naar zijn ervaring met conflictbeheersing en de voornoemde inhouse training heeft hij niet gevolgd omdat die aan hem en de overige Nijmeegse medewerkers niet is aangeboden. Hem is nooit verteld dat er met minimaal twee personen een agressieve cliënt moet worden benaderd. Begeleiding vindt niet daadwerkelijk door drie personen plaats: de maatschappelijk werkster zit op een andere plek in het grote klooster waarbinnen de groep die [verzoeker] begeleidde is gehuisvest. De wijkagent is er vaak niet of niet beschikbaar en door 112 worden meldingen regelmatig niet serieus genomen. Het agressieprotocol – nog daargelaten dat [verzoeker] dat voor het incident nooit had gezien – is te algemeen, zoals ook de Arbeidsinspectie heeft geoordeeld, aldus [verzoeker].

4.13.

Met betrekking tot de vraag of Iriszorg, zoals zij heeft gesteld en [verzoeker] gemotiveerd heeft betwist, haar in artikel 7:658 lid 1  BW omschreven zorgplicht is nagekomen, spelen, in het licht van onder andere het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2001, LJN BR5323, zowel algemene maatregelen die strekken tot beveiliging van de werknemers tegen de gevaren van hun omgang met jongeren met gedrags- en verslavingsproblemen als specifieke maatregelen en instructies die zijn vereist ter beveiliging van werknemers in hun omgang met die jongeren, een rol. De kantonrechter oordeelt tegen deze achtergrond dat Iriszorg onvoldoende maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat in dit geval [verzoeker] in de uitoefening van zijn werkzaamheden op Sancta Maria schade zou lijden. Daartoe geldt het volgende.

4.14.

Het ter zitting overgelegde ‘agressievoorbeeldprotocol’ dat kennelijk ten tijde van het incident binnen Iriszorg gold, is te algemeen van inhoud – zoals ook de Arbeidsinspectie heeft geoordeeld – en voorziet onvoldoende in specifieke maatregelen en instructies die vereist zijn in de beveiliging van werknemers in de omgang met de cliënten in Sancta Maria. Daar gaat nog aan vooraf dat tegenover het verweer van [verzoeker] dat hij het protocol voor het incident nog nooit had gezien, Iriszorg ter zitting niet heeft gesteld op welke wijze [verzoeker]/haar werknemers in zijn algemeenheid daarvan kennis kunnen nemen. De enkele vage stelling dat het zou kunnen dat het in een werkmap op de locaties ligt, is onvoldoende. De werkgever dient er daadwerkelijk op toe te zien dat werknemers kennis nemen van de inhoud van een dergelijk relevant protocol.

Verder staat tussen partijen vast dat [verzoeker] (nog) niet de training conflictbeheersing had gevolgd. Dit is extra bezwaarlijk nu, anders dan Iriszorg stelt te doen, [verzoeker] onbestreden heeft verklaard dat het hem niet bekend is dat bij indiensttreding is gevraagd naar zijn ervaring met conflictbeheersing en dat hij die ervaring ook maar beperkt (en verouderd) heeft. Het uitblijven van agressietraining voor [verzoeker] is daarnaast zwaarwegend nu – eveneens onbestreden – door [verzoeker] erop is gewezen dat zich eerder een agressie-incident heeft voorgedaan bij Sancta Maria. Ook tegenover de overige verweren aangaande kort gezegd, het contact met de politie en de afstand van de derde collega (maatschappelijk werkster) ten opzichte van de groep met twee begeleiders is ter zitting door Iriszorg niet, althans onvoldoende gemotiveerd gepareerd. Op grond daarvan moet worden vastgesteld dat op de locatie Sancta Maria in ieder geval destijds mogelijk in theorie sprake was van een in zekere zin gecontroleerde situatie met diverse op de veiligheid van de werknemer gerichte maatregelen, maar in de implementatie en het toezien op de naleving van die maatregelen is Iriszorg zozeer tekort geschoten dat die maatregelen effect ontberen. Op grond daarvan moet worden geoordeeld dat onvoldoende effectieve maatregelen zijn getroffen en dat op de naleving en uitvoering daarvan niet of onvoldoende is toegezien. Iriszorg is daarmee tekortgeschoten in de nakoming van op haar rustende zorgplicht.

4.15.

De gevraagde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

Schade

4.16.

In een deelgeschilprocedure kan niet worden verwezen naar de schadestaatprocedure. In zoverre wordt het verzoek afgewezen. Bespreking van de genoemde schadeposten dient dan ook geen doel, behoudens voor zover het het gevorderde voorschot op de immateriële schade betreft.

4.17.

Volgens Iriszorg en VvAA is met hetgeen tot op heden aan smartengeld is voldaan (€ 5.750,00), de geleden schade vergoed. Zij miskent daarmee allereerst dat het bedrag dat door het Schadefonds geweldsmisdrijven is vergoed, door [verzoeker] moet worden terugbetaald op de voet van artikel 6 Wet schadefonds geweldsmisdrijven. De door [verzoeker] reeds ontvangen smartengeldvergoeding komt dus neer op € 2.750,00. Gelet op de aard en de impact van de gebeurtenis, het fysieke letsel dat tot op de dag van vandaag behandeling behoeft en het geestelijk letsel dat in voldoende mate blijkt uit de brief van drs. Reintjes en dat moet worden geduid als een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, komt [verzoeker] bij wege van voorschot in ieder geval een bedrag toe van € 8.000,00. Met daarop in mindering gebracht het door [betrokkene] voldane bedrag, zal € 5.250,00 worden toegewezen.

Kosten

4.18.

Een proceskostenveroordeling is niet mogelijk nu artikel 289 Rv, dat daarvoor de grondslag vormt, niet van toepassing is verklaard in artikel 1019aa lid 3 Rv. Zoals verzocht zullen de kosten aan de zijde van [verzoeker] bij de behandeling van het verzoek worden begroot. Dat [verzoeker] procedeert met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) staat daaraan niet in de weg. Ingevolge artikel 34g Wrb wordt de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken indien [verzoeker] de kosten kan verhalen op een derde.

4.19

[verzoeker] heeft verzocht om begroting van de kosten van zijn advocaat op basis van een uurtarief van € 225,00 inclusief 5% kantoorkosten, exclusief 21% btw. Anders dan Iriszorg en VvAA menen is dat tarief in deze zaak niet onredelijk hoog.

Ter zake van het aantal te begrote uren geldt het volgende. In de rede ligt dat de advocaat van [verzoeker] bij de opstelling van het verzoekschrift heeft kunnen putten uit stukken die zij in een eerder stadium van het geschil heeft vervaardigd. Dat betekent echter op zichzelf niet dat zij daarvoor een onredelijk aantal uren opvoert. Het gaat erom of de gespecificeerde werkzaamheden zien op de behandeling van het verzoek en of ze in redelijkheid verricht konden worden. Iriszorg en VvAA hebben geen concrete aanknopingspunten geboden om daaraan te twijfelen. [verzoeker] heeft de werkzaamheden van zijn advocaat vanaf 3 mei 2013 tot en met de beëindiging van de procedure niet meer gespecificeerd. De kantonrechter zal voor de zitting nog twee uur rekenen, inclusief reistijd. De kosten van de werkzaamheden van de advocaat van [verzoeker] worden dan begroot op € 4.718,09 (€ 225,00 maal 17,33 plus 21% btw). Tezamen met het griffierecht ad € 75,00 zullen de kosten worden begroot op € 4.793,09.

Omdat Iriszorg en VvAA aansprakelijk zijn, zullen zij worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.

De beslissing

De kantonrechter,

verklaart voor recht dat IrisZorg en VvAA jegens [verzoeker] aansprakelijk zijn voor de schade die [verzoeker] lijdt ten gevolge van het [verzoeker] op 8 november 2010 in de uitoefening van zijn werkzaamheden overkomen arbeidsongeval;

veroordeelt Iriszorg en VvAA om aan [verzoeker] te vergoeden de door [verzoeker] ten gevolge van het ongeval op 8 november 2010 geleden en nog te lijden schade;

veroordeelt Iriszorg en VvAA om een bedrag van € 5.250,00 aan [verzoeker] te betalen, als voorschot op zijn immateriële schade;

begroot de kosten aan de zijde van [verzoeker] op de voet van artikel 1019aa Rv op € 4.793,09 en veroordeelt Iriszorg en VvAA om dit bedrag aan [verzoeker] te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2013.