Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4727

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-06-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
240344
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Letselschade. Val in supermarkt. Kelderluik. Bewijswaardering. Eigen schuld. Voorschot op smartengeld en op buitengerechtelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/240344 / HA RK 13-54

Beschikking van 3 juni 2013

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. J.N.R.M. Aarts te Uden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALDI CULEMBORG B.V.,

gevestigd te Culemborg,

verweerster,

advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.

De partijen worden verder[verzoekster] en Aldi genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift tevens houdende een (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek

  • -

    het faxbericht met een bijlage van de zijde van Aldi d.d. 19 april 2013

  • -

    de mondelinge behandeling. Verschenen zijn[verzoekster] vergezeld van mr. Aarts voornoemd en A. van Overveld namens de aansprakelijkheidsverzekeraar van Aldi, vergezeld van mr. Kragt voornoemd. Mr. Aarts heeft het standpunt van[verzoekster] aan de hand van pleitnotities uiteengezet.

2 De beoordeling

2.1.

Op 23 december 2005, de vrijdag voor Kerstmis, deed[verzoekster] boodschappen in de supermarkt die Aldi in Ochten exploiteert.[verzoekster], basisschoollerares en destijds 50 jaar oud, is daar toen ten val gekomen en heeft daarbij letsel aan haar rechterschouder opgelopen, waarvoor zij op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis te Tiel is behandelend. Later is zij aan haar rechterschouder geopereerd door een orthopedisch chirurg in het CWZ te Nijmegen. Zij houdt Aldi aansprakelijk voor haar schade. Aldi wijst aansprakelijkheid van de hand.

2.2.

Bij beschikking van 16 februari 2009 heeft rechtbank Arnhem op verzoek van[verzoekster] een voorlopig getuigenverhoor over de toedracht bevolen. Op 14 april 2009 heeft de rechter-commissaris[verzoekster] gehoord, en ook de heer[betrokkene 1], die destijds boodschappen in de Aldi deed, mevrouw[betrokkene 2], vervangend filiaalleidster van Aldi, en mevrouw [betrokkene 3], medewerkster van Aldi. Op 19 mei 2009 is mevrouw[betrokkene 4] gehoord, destijds ook als klant aanwezig in de winkel.

2.3.

Bij brief van 11 juni 2009 is Aldi erbij gebleven dat zij niet aansprakelijk is. Schikkingsoverleg tussen partijen is op niets uitgelopen.

2.4.

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank, op de voet van artikel 1019w Rv:

a. voor recht zal verklaren dat Aldi jegens[verzoekster] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en uit dien hoofde gehouden is om alle daaruit aan haar zijde voortvloeiende schade aan haar te vergoeden,

b. Aldi zal veroordelen om ten titel van voorschot op de immateriële schade een bedrag van € 2.500,00 aan[verzoekster] te betalen, op de derdengeldenrekening van haar advocaat,

c. Aldi zal veroordelen om ten titel van voorschot op de vergoeding van de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand een bedrag van € 10.000,00 aan[verzoekster] te betalen, op de derdengeldenrekening van haar advocaat,

d. de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv zal begroten op € 4.085,50 en Aldi zal veroordelen tot betaling van dit bedrag aan[verzoekster], op de derdengeldenrekening van haar advocaat.

2.5.

Weel heeft haar verzoek gebaseerd op onrechtmatige daad. Zij heeft aangevoerd dat zij is gestruikeld over een lege of nagenoeg lege pallet die in één van de looppaden van de winkel lag. Het plaatsen c.q. achterlaten van een (nagenoeg) lege en daardoor slecht zichtbare pallet in een smal looppad van een supermarkt vergroot de kans op een ongeval aanmerkelijk. Zeker indien het vanwege kerstdrukte hectisch en onoverzichtelijk is in de winkel en daarom in de rede ligt dat het winkelend publiek zich minder oplettend en voorzichtig zou kunnen gaan gedragen. Voorzienbaar is voorts dat een val op een harde tegelvloer met aan weerszijden winkelschappen en andere obstakels ernstige gevolgen kan hebben. Aldi had de gevaarlijke situatie eenvoudig kunnen voorkomen door de winkel na sluitingstijd te bevoorraden of door de schappen niet vanaf een pallet te vullen maar vanuit bijvoorbeeld een winkelwagen die minder ruimte inneemt en beter zichtbaar is. Nu Aldi bovendien ter voorkoming van ongevallen geen voorzorgsmaatregelen heeft getroffen is sprake van toerekenbare onrechtmatige gevaarzetting, aldus[verzoekster].

2.6.

Aldi voert verweer. Zij werpt primair op dat de verzochte beslissingen niet kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 1019w Rv, althans dat die bijdrage onvoldoende is in de zin van artikel 1019z Rv. Verder betwist zij onder meer de door[verzoekster] gestelde toedracht van het ongeval. Haar (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek strekt ertoe dat de rechtbank, indien het komt tot een inhoudelijke behandeling van de zaak, zal beslissen dat Aldi niet aansprakelijk is, dan wel dat sprake is van 100% eigen schuld van[verzoekster] in de zin van artikel 6:101 BW.[verzoekster] voert tegen het zelfstandig verzoek verweer.

2.7.

Zowel ter zake van de vaststelling van aansprakelijkheid als de bevoorschotting kan volgens de parlementaire geschiedenis op de voet van artikel 1019w Rv een verzoek aan de rechtbank worden voorgelegd (kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 10, 14 en 16 en 2008-2009, 31 518, nr. 8, p. 9). Vaststelling van de materiële schade en de buitengerechtelijke kosten is niet verzocht. Het verzoek strekt zich bovendien niet uit over andere schadeposten. Aldus wordt niet meer verzocht dan een beslissing op onderdelen, waarna partijen de schaderegeling weer zelf ter hand kunnen nemen. Daarom kan niet worden gezegd dat het verzoek niet voldoet aan de eisen die in artikel 1019w Rv daaraan zijn gesteld.

2.8.

Er bestaat ook geen aanleiding het verzoek, vanwege een disbalans tussen kosten en baten van de verzochte beslissingen (in de zin van Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18) op de voet van artikel 1019z Rv af te wijzen. De levering van bewijs ter zake van de toedracht door middel van getuigenverklaringen heeft reeds plaatsgevonden. Voor een beslissing op de verzoeken om bevoorschotting is kostbare en tijdrovende bewijslevering niet aan de orde.

2.9.

Ter zake van de aansprakelijkheidsvraag geldt het volgende.

Alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval kan worden beoordeeld of en in hoeverre aan iemand die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld, dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen treft. Daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136.)

2.10.

Indien komt vast te staan dat het ongeval heeft plaatsgevonden onder de door[verzoekster] gestelde omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zodanige gevaarzetting dat Aldi uit hoofde van toerekenbare onrechtmatige daad verplicht is de schade die[verzoekster] dientengevolge lijdt te vergoeden. Immers, door een (nagenoeg) lege pallet onbeheerd en onbeveiligd aanwezig te hebben in het looppad van haar supermarkt stelt Aldi haar klanten bloot aan het aanmerkelijke gevaar daarover te struikelen en op de tegelvloer ten val te komen, indien zij niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid betrachten. Voorzienbaar is dat klanten – ook die van Aldi – die de schappen langsgaan op zoek naar boodschappen niet steeds bedacht zijn op lage en daarom onopvallende obstakels in het looppad, zoals een (nagenoeg) lege pallet. Aldi onderkent dit in wezen ook. In de door haar overgelegde checklist veiligheidscontrole is opgenomen dat gecontroleerd moet worden of de vloeren onbeschadigd zijn en vrij van obstakels die een ongeval kunnen veroorzaken. Eén en ander geldt in het bijzonder op een dag waarop het druk is in de winkel. Of de pallet nog voldoende ruimte liet om (met een winkelwagen) te passeren en of de pallet leeg dan wel nagenoeg leeg was, acht de rechtbank voor de voorzienbaarheid van ongelukken van ondergeschikt belang.

2.11.

Dat een val over een (nagenoeg) lege pallet op een tegelvloer ernstige gevolgen kan hebben is evident en genoegzaam voorzienbaar. Aldi onderkent dat een zeer ongelukkige val ernstige gevolgen zou kunnen hebben (punt 60 verweerschrift). Dat dit sowieso geldt ontneemt niet het onrechtmatige karakter aan het onbeheerd achterlaten van een (nagenoeg) lege pallet in een supermarkt, nu dit de kans op dergelijke ongelukkige ongevallen nu juist aanmerkelijk vergroot.

2.12.

Met de enkele stelling dat het uitermate bezwaarlijk zou zijn geweest om in het magazijn de goederen van de pallet te lossen en ze dan stuk voor stuk naar de schappen te brengen heeft Aldi onvoldoende gemotiveerd betwist dat het treffen van veiligheidsmaatregelen ter afwending van het gevaar voor haar te bezwaarlijk was.[verzoekster] heeft niet gesteld dat de artikelen vanuit het magazijn één voor één naar de schappen hadden moeten worden gebracht, maar dat daarvoor bijvoorbeeld een winkelwagentje gebruikt had kunnen worden dat in vergelijking met een (nagenoeg) lege pallet beter zichtbaar is. Bovendien staat vast staat dat er veel supermarkten zijn waar de schappen niet vanaf pallets worden gevuld. Erg bezwaarlijk kan dat dan niet zijn.

2.13.

De vraag of[verzoekster] beter had moeten opletten is in het kader van een beroep op eigen schuld eventueel van belang, maar niet in het kader van de beoordeling van de vestiging van aansprakelijkheid. In het laatste geval gaat het om de mate van waarschijnlijkheid waarmee Aldi kon voorzien dat[verzoekster] onvoldoende oplettend en voorzichtig zou zijn en niet erom of[verzoekster] moest voorzien dat zij over een (nagenoeg) lege pallet zou kunnen struikelen.

2.14.

De vraag is dan of de door[verzoekster] gestelde feiten en omstandigheden ter zake van de toedracht kunnen worden vastgesteld. Op[verzoekster], die de rechtsgevolgen daarvan inroept, rust de last deze omstandigheden te bewijzen, voor zover zij voor de vaststelling van aansprakelijk noodzakelijk zijn en door Aldi voldoende gemotiveerd zijn weersproken. In dit verband geldt het volgende.

2.15.

Vast staat – zo volgt uit de verklaringen van alle getuigen – dat zich op het looppad tussen de vleeswaren achterin de winkel en de kassa’s aan de voorzijde, ter hoogte van de stelling met nootjes aan de ene kant en de diepvries- en Aldi-actueelartikelen aan de andere kant een (nagenoeg) lege pallet bevond, met hooguit één laag met dozen nootjes. Ook volgt uit de getuigenverklaringen van[verzoekster],[betrokkene 1],[betrokkene 2] en [betrokkene 3] dat[verzoekster] ter hoogte van deze pallet ten val is gekomen toen zij van de vleeswaren naar haar winkelwagen bij de kassa’s liep. In geschil is de verdere ongevalstoedracht.

Volgens[verzoekster] is zij met haar linkerenkel tegen de (nagenoeg) lege pallet gestoten. Als gevolg daarvan heeft zij haar evenwicht verloren en is zij op de vloer gevallen waarbij zij met haar schouder ongelukkig terecht is gekomen. Er was toen geen personeel bij de pallet aanwezig. De eerste die haar hielp was de heer[betrokkene 1], voornoemd, aldus[verzoekster].

Aldi betwist deze lezing en werpt op dat uit de verklaringen van de getuigen niet blijkt dat zij[verzoekster] over de pallet hebben zien struikelen en dat het waarschijnlijker is dat[verzoekster] over haar eigen voeten is gestruikeld omdat [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij, omdat zij naast de pallet stond, zoals zij als getuige heeft verklaard, eraan in de weg stond dat[verzoekster] over de pallet kon struikelen en[verzoekster] volgens [betrokkene 3] op een drafje en niet normaal wandelend door het gangpand kwam.[betrokkene 2] heeft verklaard dat zij met [betrokkene 3] bij de pallet aan het werk was toen[verzoekster] ten val kwam, dat zij toen naar[verzoekster] is toegegaan en dat zij als eerste bij[verzoekster] was. Zij is bij[verzoekster] gebleven totdat[verzoekster] door een mevrouw met een EHBO-diploma naar de huisarts is gebracht. Behalve die mevrouw was er verder niemand anders bij, aldus[betrokkene 2].

2.16.

Opvallend aan de verklaringen van de getuigen is dat zowel[betrokkene 2] als [betrokkene 3] hebben verklaard dat zij bij de pallet aan het werk waren toen[verzoekster] ten val kwam en dat Du Chantenier voorts heeft verklaard dat zij als eerste, toen er nog niemand bij[verzoekster] was, naar[verzoekster] is toegegaan toen zij was gevallen en bij haar is gebleven tot[betrokkene 4] voornoemd haar naar de huisarts heeft gebracht. Lijnrecht daartegenover staat dat[verzoekster] heeft verklaard dat er geen personeel van Aldi bij de pallet bezig was toen zij ten val kwam en dat[betrokkene 1] haar als eerste te hulp kwam.

2.17.

Aldi werpt terecht op dat de getuigenverklaring van[verzoekster] omtrent door haar te bewijzen feiten in beginsel geen bewijs in haar voordeel kan opleveren. Dat is echter anders indien de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. (Artikel 164 lid 2 Rv.) Het moet dan gaan om aanvullende bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592). De rechtbank acht dergelijk bewijs voorhanden.

2.18.

In de eerst plaats is daar de verklaring van[betrokkene 1]. Hij heeft bij zijn verklaring geen eigen belang zodat daaraan relatief veel waarde wordt gehecht.[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij vanaf een ander gangpad over de stellingen heen keek en[verzoekster] zag liggen en dat er toen nog niemand bij haar was. En ook dat er geen mensen of personeelsleden van Aldi in de buurt van[verzoekster] of bij de pallet bezig of aanwezig waren. Deze verklaringen stroken (ook op essentiële punten) met de verklaring van[verzoekster] en zij vallen niet te rijmen met de onder punt 2.15. weergegeven verklaringen van[betrokkene 2] en [betrokkene 3].

De verklaringen van[verzoekster] en[betrokkene 1] vinden op hun beurt weer bevestiging in de verklaring van[betrokkene 4] voornoemd (als EHBO’er na verloop van tijd ter plaatse gekomen) dat er mensen bij[verzoekster] waren toen zij daar aankwam en dat daar ook een man bij was, terwijl[betrokkene 2] heeft verklaard dat er behalve[betrokkene 4] niemand bij[verzoekster] was.

De rechtbank acht de verklaringen van[verzoekster] en[betrokkene 1] om deze redenen geloofwaardiger dan die van[betrokkene 2] en [betrokkene 3], waaronder nadrukkelijk ook de verklaring van [betrokkene 3] dat zij[verzoekster] heeft zien vallen.

2.19.

Dit geldt te meer nu[betrokkene 2] en [betrokkene 3] over de positie van[verzoekster] na haar val tegenstrijdig hebben verklaard. Volgens[betrokkene 2] lag[verzoekster] “met haar voeten drie meter van het pallet vandaan”. Zij heeft deze verklaring bij de rechter-commissaris herhaald. Volgens [betrokkene 3] lag[verzoekster] echter “met haar voeten een meter van de pallet vandaan”. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat[verzoekster] op 1 à 1,5 meter van de pallet lag. Ook over de taakverdeling bij het uitvullen hebben[betrokkene 2] en [betrokkene 3] tegenstrijdig verklaard. Volgens[betrokkene 2] nam [betrokkene 3] de dozen van haar aan en deed [betrokkene 3] deze in het vak, terwijl [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij de dozen aan[betrokkene 2] gaf die ze vervolgens in de stelling deed of schoof.

In het bijzonder tegenover de verklaring van[betrokkene 1] moeten de verklaringen van[betrokkene 2] en [betrokkene 3] voorts met de nodige terughoudendheid worden bezien nu zij in dienst Van Aldi waren en zijn, hetgeen van invloed kan zijn geweest op de inhoud van hun verklaring.

2.20.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat[verzoekster] ten val is gekomen ter hoogte van een (nagenoeg) lege pallet die van de zijde van Aldi onbeheerd in het looppad was achtergelaten. Vervolgens is het de vraag of[verzoekster], zoals zij stelt en Aldi betwist, daadwerkelijk over de pallet is gestruikeld. Nu gelet op het voorgaande vast staat dat[betrokkene 2] en [betrokkene 3] niet ter plaatste van het ongeval waren toen[verzoekster] viel komt aan hun verklaringen in dit verband geen waarde toe. Anders dan Aldi stelt heeft[verzoekster] niet onduidelijk over de oorzaak van haar val verklaard. Zij heeft bij herhaling buiten rechte gesteld en ook ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat zij met haar linkerenkel tegen de pallet is gestoten, daardoor haar evenwicht heeft verloren en is gevallen. Zij weet zeker dat zij tegen de pallet is aangelopen omdat zij een klap voelde tegen haar enkel. Haar verklaring dat zij waarschijnlijk tegen de hoek van de pallet is aangekomen kan dan niet anders worden begrepen dan dat zij niet zeker ervan is tegen welk deel van de pallet zij precies heeft aangestoten. Dat zij dit heeft verklaard ligt ook in de rede omdat niet voor de hand ligt dat zij zou zijn gestruikeld als zij dat detail zou hebben waargenomen.

2.21.

De verklaring van[verzoekster] dat zij over de pallet is gestruikeld vindt steun in de getuigenverklaring van[betrokkene 1] dat[verzoekster] vlak na het ongeval aan hem verteld heeft dat zij over een pallet was gestruikeld en in de schriftelijke verklaring van[betrokkene 4], waarbij zij ten overstaan van de rechter-commissaris is gebleven, dat[verzoekster] vlak na het ongeval aan haar heeft aangegeven gevallen te zijn over de rand van een pallet. Bovendien ligt voor de hand dat[verzoekster] over de pallet is gestruikeld nu[verzoekster] ter hoogte van de pallet is gestruikeld en, zoals gezegd, een onbeheerd achtergelaten (nagenoeg) lege pallet in een looppad van een supermarkt het aanmerkelijk gevaar in zich bergt dat daarover gestruikeld wordt.

2.22.

Aldi heef ter zake van de toedracht nog opgeworpen dat de positie van de pallet in het looppad onduidelijk is, onder verwijzing naar getuigenverklaringen. In dit verband geldt het volgende.[verzoekster] heeft, anders dan Aldi opwerpt, niet gesteld dat de pallet zich vanuit de kassa bezien aan de linkerzijde van het gangpad bevond. Zij heeft verklaard dat zij de pallet op weg naar de vleeswaren links is gepasseerd (dit situeert de pallet dus, bezien vanaf de kassa’s aan de rechterkant van het looppad). Dit rijmt met haar verklaring dat zij op de terugweg met haar linkerenkel tegen de rand van de pallet is gestoten (hetgeen logischerwijze impliceert dat zij de pallet, bezien vanaf de vleeswaren, aan de rechterkant is gepasseerd). En correspondeert met de verklaringen van[betrokkene 1],[betrokkene 2] en [betrokkene 3] die, ook volgens Aldi, hebben verklaard dat de pallet, bezien vanaf de vleeswaren, aan de linkerkant van het gangpad stond. Juist is dat[betrokkene 4] heeft verklaard dat de pallet zich aan de rechterzijde van het gangpad bevond, bezien vanuit de vleeswaren. Nu[betrokkene 4] echter eerst na verloop van tijd ter plaatste is gearriveerd, en Aldi-personeel, zoals[verzoekster] onbetwist heeft verklaard de pallet voordien nog heeft verschoven, doet die verklaring naar het oordeel van de rechtbank geen onduidelijkheid rijzen over de positie van de pallet in het gangpad ten tijde van de val van[verzoekster].

2.23.

De door[verzoekster] gestelde toedracht staat dus vast. Gelet op het in punt 2.10. en verder overwogene is Aldi aansprakelijk op de voet van artikel 6:162 BW. De verzochte verklaring voor recht dat Aldi jegens[verzoekster] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval is toewijsbaar. Ter zake van de vraag of Aldi, zoals[verzoekster] stelt, gehouden is alle daaruit aan de zijde van[verzoekster] voortvloeiende schade aan haar te vergoeden is het eigen schuldverweer van Aldi van belang. Dit verweer komt dus bij de beoordeling van het verzoek van[verzoekster] al aan de orde, zodat een grond ontbreekt om het verweer als een zelfstandig verzoek te beschouwen. Aldi zal in dat verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.24.

Op Aldi rusten stelplicht en zo nodig de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW. Aldi heeft in dit verband gesteld dat[verzoekster] gehaast was en in een drafje terugging vanaf de kassa om nog een artikel te halen.[verzoekster] heeft als gevolg van deze haast en het drafje niet de normaal te verwachten oplettendheid en voorzichtigheid in acht genomen en is daardoor ten val gekomen, aldus Aldi. Zij heeft gewezen op “alle verklaringen” zoals uiteengezet onder ‘feiten en omstandigheden’ en sub 58 t/m 65 van het verweerschrift. Op welke specifieke verklaringen ten aanzien van de haast en het drafje Aldi doelt blijkt echter niet. De rechtbank houdt het erop dat Aldi zich beroept op de verklaringen van[betrokkene 2] (“Toen mevrouw[verzoekster] ons passeerde liep ze met een sukkeldrafje, tussen rennen en lopen in”) en [betrokkene 3] (“Mevrouw liep met een sukkeldrafje zowel heen als terug. Ik hoor haar hakjes nog tikken”). Verklaringen van anderen van deze strekking zijn niet voorhanden.

Hierboven is vastgesteld dat[betrokkene 2] en [betrokkene 3] niet bij de pallet stonden toen[verzoekster] daarover is gestruikeld. Dat zij op dat moment haast had en met een drafje liep, hetgeen[verzoekster] betwist, kunnen zij dan ook niet hebben waargenomen. Nu de gestelde feitelijke grondslag daarvoor niet is komen vast te staan faalt het beroep op eigen schuld. Het in punt 2.4. onder a weergegeven verzoek is dan ook toewijsbaar. Dat over de omvang van de schade, in termen van verlies aan verdienvermogen en kosten van huishoudelijke hulp, nog weinig bekend is kan, daargelaten dat[verzoekster] dit heeft betwist, hieraan niet afdoen. Over deze aspecten, met een door[verzoekster] geschat geldelijk belang van € 20.000,00, heeft[verzoekster] immers geen oordeel verzocht. De bedoeling van deze procedure is juist dat partijen hierover na het geven van deze beschikking in onderhandeling treden.

2.25.

Ter zake van het voorschot op het smartengeld is het volgende van belang. Aan Aldi kan worden toegegeven dat[verzoekster] mager heeft gemotiveerd waarom zij recht heeft op een voorschot op smartengeld van € 2.500,00. De motivering is echter niet beperkt tot de schatting van de immateriële schade op € 4.000,00 zoals Aldi opwerpt. Ter zake van de aard en de ernst van haar letsel en de beperkingen die zij als gevolg daarvan ondervindt, aspecten die rechtsreeks van invloed zijn op de hoogte van een immateriële schadevergoeding, heeft[verzoekster] wel degelijk stelling genomen.

Zoals[verzoekster] heeft gesteld en Aldi blijkens punt 6. van haar verweerschrift ook als vaststaand aanneemt, heeft[verzoekster] bij haar val letsel opgelopen in de zin van een afgebroken botfragment in de schouder. Uit de door[verzoekster] overgelegde stukken blijkt verder van een uit de kom geraakte schouder met een zogenoemde ‘cuff-ruptuur’.[verzoekster] heeft ter zitting erop gewezen dat ook dit een gevolg van de val is geweest. Aldi heeft dit niet meer betwist. Dit staat dan in deze procedure vast. Blijkens het door[verzoekster] daarvan overgelegde verslag is de operatie geschied ter behandeling van dit letsel. Ook de operatie is dan als een gevolg van de val te beschouwen. De huisarts van[verzoekster] heeft op 9 mei 2007 verklaard dat[verzoekster] toen nog steeds fysiotherapie had in verband met schouderklachten. Ter zitting heeft[verzoekster] onbetwist verklaard dat het op dit moment, ongeveer 7,5 jaar na het ongeval, nog niet goed gaat met haar schouder, dat zij haar arm niet hoog kan optillen, dat zij een boek niet kan vasthouden en dat zij niet op het schoolbord kan schrijven en daarom steeds in de kleuterklassen les blijft geven. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank thans voldoende aannemelijk dat Aldi uiteindelijk gehouden zal zijn ter zake van smartengeld een bedrag van ten minste € 2.500,00 aan[verzoekster] te betalen (vergelijk nr. 322 van Smartengeld, 18e druk, 2012). Het gevraagde voorschot zal worden toegewezen.

2.26.

Ter zake van het verlangde voorschot op vergoeding van de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand geldt het volgende.[verzoekster] heeft dit verzoek niet nader toegelicht dan met een verwijzing naar de bij het verzoekschrift gevoegde gespecificeerde facturen ter hoogte van in totaal € 13.179,13. Aldi heeft er in haar verweerschrift terecht op gewezen dat die werkzaamheden onder meer zien op niet op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komende kosten van het opstellen van een dagvaarding en de behandeling van het voorlopig getuigenverhoor, die Aldi begroot op € 8.718,17. Zij heeft voorts om een toelichting verzocht ter zake van de werkzaamheden die wel voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen. Deze toelichting heeft[verzoekster] niet meer verschaft. Niet aannemelijk is echter dat gedurende de meer dan vijf jaren dat mr. Aarts de zaak al in behandeling heeft in het geheel geen buitengerechtelijke werkzaamheden zouden zijn verricht.[verzoekster] heeft bovendien uitvoerige correspondentie overgelegd tussen haar advocaat en het schaderegelingsbureau van de verzekeraar van Aldi waaruit van werkzaamheden blijkt. Voor het bepalen van een voorschot is bovendien niet vereist dat deze bewezen worden. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat uiteindelijk in dit verband ten minste een bedrag van € 2.000,00 voor vergoeding in aanmerking zal komen. Zij zal het voorschot op dat bedrag bepalen.

2.27.

Uit het voorgaande volgt dat[verzoekster], anders dan Aldi heeft opgeworpen, deze procedure niet volstrekt onnodig en ten onrechte aanhangig heeft gemaakt. De rechtbank zal daarom de kosten begroten in de zin van artikel 1019aa Rv.[verzoekster]

heeft verzocht de kosten te begroten op een bedrag van in totaal € 4.085,50, uitgaande van 15 uur werk tegen een uurtarief van € 200,00, exclusief 5% kantoorkosten en 21% btw, en inclusief € 274,00 aan griffierecht. Aldi heeft deze begroting niet betwist. Ze komt de rechtbank niet onredelijk voor, in aanmerking genomen dat de behandeling van het verzoekschrift beduidend korter heeft geduurd dan de begrote drie uur, maar dat een verweerschrift is ingediend voor de bestudering waarvan[verzoekster] op voorhand nog niet de duur had begroot. De rechtbank zal dan ook tot de begroting van het verzochte bedrag overgegaan en voorts, zoals[verzoekster] heeft verzocht, Aldi tot betaling van dit bedrag veroordelen. Haar aansprakelijkheid staat immers vast.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat Aldi jegens[verzoekster] aansprakelijk is voor de gevolgen van de val van[verzoekster] op 23 december 2005 in de supermarkt die Aldi te Ochten exploiteert en dat Aldi uit dien hoofde gehouden is om alle daaruit aan de zijde van[verzoekster] voortvloeiende schade aan[verzoekster] te vergoeden,

3.2.

veroordeelt Aldi om binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking een bedrag van € 2.500,00 aan[verzoekster] te betalen, door overmaking op rekeningnummer 016.33.23.518 ten name van Stichting Beheer Derdengelden Aarts advocatuur te Uden, als voorschot op de geleden en te lijden immateriële schade,

3.3.

veroordeelt Aldi om binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking een bedrag van € 2.000,00 aan[verzoekster] te betalen, door overmaking op rekeningnummer 016.33.23.518 ten name van Stichting Beheer Derdengelden Aarts advocatuur te Uden, als voorschot op de vergoeding van buitengerechtelijke kosten,

3.4.

begroot de kosten aan de zijde van[verzoekster] op de voet van artikel 1019aa Rv op € 4.085,50 en veroordeelt Aldi om dit bedrag binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking aan[verzoekster] te betalen, door overmaking op rekeningnummer 016.33.23.518 ten name van Stichting Beheer Derdengelden Aarts advocatuur te Uden,

3.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het door[verzoekster] meer of anders verzochte af,

3.7.

verklaart Aldi niet-ontvankelijk in haar (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2013.