Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4726

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
13/1128
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiser is een boete opgelegd van € 2.700,- wegens overtreding van artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat er sprake was van valgevaar. Nu de overtreding niet vast staat, was verweerder niet bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/1128

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 2.700,- wegens overtreding van artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit).

Bij besluit van 13 februari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2013. Eiser is verschenen. Verweerder is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Ingevolge het tiende lid zijn de werkgever en werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt als overtreding tevens aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding. Ter zake van de overtredingen, bedoeld in de vorige zin, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald of een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.

Artikel 3.16 van het Arbobesluit, zoals dat luidde ten tijde van belang, bepaalt dat bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer is aangebracht of het gevaar is tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.

Ingevolge het tweede lid van deze bepaling is er in ieder geval sprake van valgevaar als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen.

Ingevolge het derde lid van deze bepaling zijn, indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht, ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan wel worden andere technische middelen toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in het eerste lid bedoelde arbeid geven.

Ingevolge artikel 9.1 is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 9.9b, eerste lid, aanhef en onder c, van het Arbobesluit, wordt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 3.16, eerste of vijfde lid, aangemerkt als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd.

2.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser op 21 februari 2012 heeft gehandeld in strijd met artikel 3.16 van het Arbobesluit doordat twee ingeleende werknemers werkzaamheden verrichtten op een verdiepingsvloer, waarbij de randbeveiliging niet doelmatig was in de zin van artikel 3.16 van het Arbobesluit. Hierdoor was valgevaar aanwezig.

Verweerder heeft aan het opleggen van de boete de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd, die zijn vermeld in een door een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW opgemaakt Boeterapport van 6 september 2012. Op dinsdag 21 februari 2012 omstreeks 11.00 uur zag de inspecteur dat op een bouwlocatie aan het [bouwlocatie] werkzaamheden werden verricht, mede uitgevoerd door eiser. Twee personen, die ingeleend bleken te zijn door eiser, verrichtten schoonmaakactiviteiten op een verdiepingsvloer van een toekomstig zwembad op een hoogte van ongeveer vier meter boven het maaiveld. De inspecteur zag dat op de plaats waar de werkzaamheden werden uitgevoerd een leuning was gemonteerd en dat een persoon onder deze leuning aan het werk was aan de rand. De persoon zat op zijn knieën en de leuning was op ongeveer 1.20 meter hoogte gemonteerd. De inspecteur zag dat de personen geen harnasgordel droegen en dat op de plek waar de ene persoon aan het werk was onvoldoende voorzieningen waren aangebracht die een val konden voorkomen of de gevolgen ervan konden beperken.

3.

Eiser heeft aangevoerd dat er geen sprake was van valgevaar. Volgens eiser was de verdiepingsvloer geen vier meter hoog. Ter zitting heeft eiser nog naar voren gebracht dat de twee mannen bezig waren met het bevestigen van leuningen en dat ze daarbij veiligheidsgordels droegen. De inspecteur heeft dit niet kunnen zien, omdat hij niet op de verdiepingsvloer is geweest, aldus eiser. De inspecteur heeft zijn waarnemingen vanaf de grond gedaan. Het onderzoek van de inspecteur is daarom niet volledig geweest.

Bovendien waren er houten planken bevestigd om vallen te voorkomen.

4.

Tussen partijen is in geschil of er op 21 februari 2012 sprake was van valgevaar op de bouwlocatie [bouwlocatie] voor de twee genoemde arbeiders.

5.

Ingevolge vaste rechtspraak (bijvoorbeeld uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 januari 2010, LJN: BK8361) dienen aan de bewijsvoering en de motivering die ten grondslag liggen aan het opleggen van een punitieve sanctie strenge eisen te worden gesteld. De bewijslast voor het standpunt van verweerder dat bij de werkzaamheden op 21 februari 2012 valgevaar aanwezig was, rust op verweerder.

6.

Afgemeten aan dit toetsingskader schiet het in bezwaar gehandhaafde besluit tekort. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat er sprake was van valgevaar. Eiser heeft ter zitting gesteld dat de door hem ingeleende arbeiders veiligheidsgordels droegen die waren bevestigd aan de staalconstructie. De inspecteur heeft in het boeterapport aangegeven dat de persoon die op zijn knieën aan het werk was geen harnasgordel droeg. Uit de stukken blijkt niet dat door de inspecteur op 21 februari 2012 vragen zijn gesteld over veiligheidsgordels. De foto’s en de getuigenverklaringen die zich in het dossier bevinden geven geen uitsluitsel op dit punt. Verweerder was niet ter zitting aanwezig, zodat geen nadere toelichting kon worden gegeven.

7.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat niet voldoende is komen vast te staan dat eiser bij de betreffende werkzaamheden geen afdoende maatregelen heeft genomen om het risico van valgevaar tegen te gaan dan wel te voorkomen. Daardoor staat niet vast dat eiser artikel 3.16, eerste dan wel vijfde lid, van het Arbobesluit heeft overtreden. Verweerder was daarom niet bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen.

8.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb moet worden vernietigd. Gelet op artikel 8:72a van de Awb, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen.

9.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10.

Nu de rechtbank niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 13 februari 2013;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit van 19 oktober 2012;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H.M. Pastoors, rechter, in aanwezigheid van

J. van Uden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.