Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4596

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
06-12-2013
Zaaknummer
134010 FA RK 12-2055
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning, ontzegging omgangsregeling voor beperkte duur, informatieregeling toewijzen, consultatieregeling afwijzen.

Niet is gebleken dat de erkenning de relatie van de moeder met de minderjarige zal verstoren en/of dat erkenning schadelijke gevolgen voor de minderjarige zal hebben. De belangen van de moeder en de minderjarige worden door erkenning niet geschaad. Niet is gebleken dat ten gevolge van erkenning reële risico’s bestaan dat de minderjarige belemmerd wordt in een evenwichtig sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling, hetgeen onder meer het geval zou kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft. De door de moeder geschetste psychische toestand waarin zij zou gaan verkeren na erkenning beoordeelt de rechtbank als niet voldoende en zwaarwegend ernstig.

Voldoende is gebleken van gronden die rechtvaardigen dat de man het recht op omgang met de minderjarige op dit moment moet worden ontzegd. Niet is gebleken dat bij de man sprake is van contra-indicaties die een contact in de weg staan. Ook is niet gebleken dat daarvan bij het kind sprake is. De belemmeringen in het contact tussen de man en het kind zijn geheel en alleen gelegen in de belemmeringen en verhinderingen van de moeder. De rechtbank ontzegt het contact voor de duur van twee jaren.

De moeder heeft niet aannemelijk gemaakt dat oplegging van een informatieregeling ernstig bezwaarlijk is voor het kind en dat haar belang eist dat een dergelijke verplichting buiten toepassing blijft. Dat is anders voor wat betreft de consultatieverplichting. Onder de huidige omstandigheden acht de rechtbank een consultatieverplichting prematuur, daarbij aansluitend bij de situatie van de ontzegging van de omgang voor bepaalde tijd. Op dit moment is, evenals bij omgang, namelijk nog sprake van conflicterende rechten.

Wetsartikelen: 1:204 lid 3 BW, 1:253c lid 2 BW, 1:247 leden 2 en 3 BW, 1:377a BW, 1:377b lid 1 BW en artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 134010 FA RK 12-2055

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 6 november 2013

in de zaak tussen:

[man],

wonende te [plaats],

verzoeker, hierna te noemen de man,

advocaat: voorheen mr. D.M. Enthoven, thans mr. K.J. Kerdel te ’s-Gravenhage,

tegen

[moeder],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

verweerster, hierna te noemen de moeder,

advocaat: mr. J.A.B.H.M. Willemse te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek.

Voorts is als belanghebbende aangemerkt:

de minderjarige [kind], geboren op [2008] te [plaats], hierna te noemen [kind] of de minderjarige,

vertegenwoordigd door mr. R. Mulder te Lichtenvoorde, als bijzondere curator.

Het verdere procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    de tussenbeschikking van de rechtbank Oost-Nederland van 4 februari 2013;

  • -

    het journaalbericht van mr. Kerdel van 4 april 2013;

  • -

    de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) van 16 mei 2013, met als bijlage het op 13 mei 2013 uitgebrachte rapport, alsook de schriftelijke reactie van de vrouw op het conceptrapport;

  • -

    het journaalbericht van mr. Willemse van 28 mei 2013, met akte van uitlating;

  • -

    het journaalbericht van mr. Kerdel van 3 juni 2013;

  • -

    het aanvullend verzoekschrift, ingekomen op 18 oktober 2013;

  • -

    het proces‑verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 23 oktober 2013.

De verdere beoordeling

De rechtbank neemt over hetgeen in voormelde tussenbeschikking is overwogen en beslist en volhardt daarin.

Bij voormelde tussenbeschikking is aan de raad verzocht een onderzoek in te stellen, te rapporteren en de rechtbank te adviseren over het verzoek van de man omtrent de vervangende toestemming tot erkenning van [kind] door hem in verhouding tot de belangen van [kind] en die van de moeder bij een ongestoorde verhouding tot elkaar en de eventuele mogelijkheden tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen de man en [kind]. Iedere beslissing is daartoe aangehouden.

De man heeft nadien een aanvullend verzoek ingediend. Hij verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad voor zover rechtens mogelijk, een informatie- en consultatieregeling zal vaststellen, waarbij de moeder de man één maal in de twee maanden schriftelijk dient te informeren over de persoon en het vermogen van [kind] en dat zij hem bij die gelegenheid raadpleegt over belangrijke beslissingen ten aanzien van [kind], zo nodig door tussenkomst van een derde, althans enige overige informatie- en consultatieregeling vast zal stellen die de rechtbank juist acht.

advies van de raad

De raad heeft geadviseerd om het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van [kind] toe te wijzen. Voorts heeft de raad geadviseerd om de man het recht op omgang met [kind] te ontzeggen, omdat omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van [kind].

In zijn rapport heeft de raad dat advies als volgt onderbouwd. De raad is van mening dat vervangende toestemming tot erkenning de belangen van de moeder op een ongestoorde verhouding met [kind], of de belangen van [kind], niet schaadt. De moeder heeft reeds erkend dat de man de biologische vader is van [kind] en dat zij heeft getracht tot omgangsmomenten te komen. [kind] heeft hierdoor, op wisselende momenten en met wisselende intensiteit, contact gehad met de man. De onofficiële erkenning van de moeder heeft er niet toe geleid dat zij een verstoorde verhouding met [kind] heeft gekregen. Bij erkenning gaat het erom de juridische situatie gelijk te stellen met de biologische werkelijkheid. De relatie van de moeder met [kind] zal niet veranderen als de man ook juridisch de vader wordt. De huidige situatie blijft bestaan. Het toekennen van toestemming tot erkenning betreft een juridische vastlegging van het biologische ouderschap, en niet meer dan dat. De zorgen van de moeder betreffen vooral de gevolgen van de erkenning. Zij vreest voor verdere stappen van de man, zoals een verzoek tot gezamenlijk gezag en het verzoeken van een omgangsregeling. De raad merkt op dat de man, ook zonder erkenning, juridische stappen kan aanwenden om te verzoeken tot omgang.

Voor wat betreft de verzochte omgangsregeling meent de raad dat vaststelling van een omgangsregeling niet tegemoet komt aan de belangen van [kind]. Het is voor de raad duidelijk dat [kind] klem en verloren raakt in de problematische situatie tussen haar ouders, die door (toewerken naar) omgang aangewakkerd zal worden. Hoewel de raad van mening is dat het van belang is dat [kind] weet wie haar vader is en het voor een kind belangrijk is omgang te hebben met beide ouders, zal een dergelijk traject de opvoedsituatie van [kind] nu te veel in gevaar brengen. De moeder ervaart zeer veel spanningsklachten, en is niet in staat adequaat te functioneren wanneer er aangestuurd wordt op contact of samenwerking met de man. Haar draagkracht is dermate laag dat een dergelijke regeling op dit moment niet haalbaar is. De ontwikkeling van [kind], die momenteel al hinder ondervindt van de ontstane situatie en de korte spanningsboog van de moeder, wordt dan verder bedreigd. Vooruitlopend op eventuele vervolgstappen, zoals een eventueel verzoek van de man tot het verkrijgen van het gezag, is de raad dezelfde mening toegedaan. De contra-indicaties zijn vooralsnog niet op te heffen. Het is nodig dat rust ontstaat, zodat [kind] niet langer belast wordt door een spanningsvolle opvoedsituatie. Vanuit deze rust kan [kind] zelf ervaren welke wens zij, als zij ouder wordt, heeft ten aanzien van omgang met de man. Dan kan er, dan wel door middel van een nieuw verzoek van de man dan wel op eigen kracht van de ouders en [kind], naar contact tussen haar en de man toegewerkt worden. Het is wenselijk en noodzakelijk dat de moeder in de tussentijd leert om haar angsten richting de man te proportioneren en te verwerken, zodat zij [kind] niet langer belast met haar ervaringen en spanningen. Zij dient te leren [kind] op dit vlak te ontlasten en haar in de toekomst te ondersteunen in een eventueel gewenst contact met de man. Voorkomen moet worden dat [kind] door de moeder negatief beïnvloed wordt over de man, waardoor haar mogelijke bereidheid tot contact in de toekomst wordt geminimaliseerd. De raad acht het van belang dat contact tussen [kind] en de man door de moeder gestimuleerd dient te worden aangezien het voor een evenwichtige (identiteits)ontwikkeling van [kind], en kinderen in het algemeen, belangrijk is om te weten wie hun ouders zijn er daar, waar mogelijk, een band mee te onderhouden.

De raad acht hulpverlening voor de ouders noodzakelijk. De moeder heeft ondersteuning nodig bij het verwerken van haar angsten voor de man. Tevens dient zij ondersteund te worden in het neutraal positioneren van de man in de beleving van [kind]. Voor de man is structurele hulpverlening nodig, om hem te ondersteunen bij verdere acceptatie van de relatiebreuk en bij de pijn die het hem zal brengen als er geen omgangsregeling of toenaderingstraject met [kind] door de rechter wordt uitgesproken.

Hoewel de raad er zich van bewust is dat het advies voor de man zeer pijnlijk zal zijn en voor hem een forse tragiek met zich meebrengt, meent de raad desalniettemin het belang van [kind] voorop te moeten stellen. De kwetsbare opvoedsituatie laat het niet toe om nu een omgangstraject op te starten.

Tot slot stelt de raad dat uit het onderzoek is gebleken dat wanneer de moeder geen spanningen rondom de man ervaart zij een adequate indruk maakt. Er zijn geen zorgen naar voren gekomen die een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel rechtvaardigen.

het nadere standpunt van de man

De man berust node in het advies van de raad om geen omgangsregeling tussen hem en [kind] vast te stellen. Voormelde berusting druist weliswaar tegen zijn vadergevoel in, maar hij wil niet dat [kind] nog meer klem tussen haar ouders komt te zitten dan zij thans al zit. Het feit dat [kind] een negatief beeld van hem heeft gekregen acht de man zorgelijk. Ontzeggen van omgang is een vergaand middel. Doorprocederen zal echter een proces van jaren zijn en zal uiteindelijk stuiten op het niet bereidwillig zijn van de moeder. [kind] mag niet nog verder de dupe worden van de situatie. Indien de rechtbank zou oordelen dat sprake dient te zijn van ontzegging van omgang, dan wenst de man dat zulks niet onbepaald zal worden ontzegd. Een bepaalde termijn is dan ook aangewezen. De man handhaaft zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en wenst een oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft het verzoek tot vervangende toestemming erkenning persisteert de man bij alle eerder door hem geponeerde stellingen en wenst hij dat de rechtbank het advies van de raad zal volgen. Hij is de vader van [kind]. Hij en [kind] hebben belang bij juridisch vaderschap. Dat staat naar zijn mening een ongestoorde verhouding tussen de moeder en [kind] ook niet in de weg. Een risico bij het niet juridische vaderschap is dat [kind] niet zal weten wie haar vader is en zij ook geheel uit zijn zicht zal verdwijnen. Tot slot wenst de man een aantal keren per jaar door de moeder over [kind] geïnformeerd te worden, hetgeen ook haar plicht is.

het nadere standpunt van de moeder

In de schriftelijke reactie van de moeder, gevoegd bij het rapport van de raad, laat zij weten dat zij de door de raad geadviseerde erkenning begrijpelijk vindt, maar de meerwaarde daarvan niet ziet. Haar bezorgdheid met betrekking tot de erkenning is vooral gericht op wat de man hiermee kan aanrichten. Bij haar is de vraag gerezen of het mogelijk is dat bij erkenning de man, zonder haar toestemming of medeweten, een Turks paspoort voor [kind] kan aanvragen. Dit met het oog op de dreiging van ontvoering. Ook vreest zij dat de man een procedure tot gezamenlijk gezag zal starten. De moeder kan zich geheel vinden in het advies om aan de man de omgang te ontzeggen. Ook zij vindt omgang geheel niet in het belang van [kind]. Het vaststellen van een omgangsregeling belemmert inderdaad de stabiliteit in de opvoedingssituatie op ernstige wijze. De mentale gesteldheid van de moeder staat al lang onder hoogspanning door de situatie met de man. Echter ook de veiligheid van [kind] komt in gevaar. Ook is de man totaal niet bekwaam of empatisch als vader, aldus de moeder.

Bij nadere akte uitlating stelt zij zich op het standpunt dat zij het niet eens is met het advies van de raad om het verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning toe te wijzen. Zij is van mening dat bij een erkenning de belangen van een ongestoorde verhouding van haar met [kind] de belangen van [kind] worden geschaad. Op grond van het wettelijke criterium van artikel 1:204 lid 3 BW kan de vervangende toestemming dan ook niet worden verleend. De raad lijkt in zijn advies een andere maatstaf te willen volgen. De raad komt tot zijn advies op dit punt door te overwegen dat het toekennen van erkenning een juridische vastlegging van het biologische ouderschap betreft en niet meer dan dat, hetgeen onjuist is, aldus de moeder. Uit het gehele rapport van de raad en uit het verslag van de moeder (productie 1 van het verweerschrift) blijkt juist dat bij erkenning de belangen van de ongestoorde verhouding van de moeder met het kind en de belangen van het kind worden geschaad. Aanvullend op haar eerdere schriftelijke reactie op het raadsrapport wenst de moeder nog te stellen dat aan de man het recht op omgang met [kind] moet worden ontzegd, omdat omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van [kind]. Van het opleggen van een informatie- en/of consultatieverplichting kan al helemaal geen sprake zijn omdat de man geen juridisch ouder van [kind] is. De man is dan ook in zijn aanvullend verzoek niet-ontvankelijk, dan wel ligt afwijzing van dat verzoek voor de hand als zijnde niet op de wet gegrond.

het nadere standpunt van de bijzondere curator

De bijzondere curator heeft zich op het standpunt gesteld dat zij, hoewel als uitgangspunt dient te gelden dat de man en [kind] recht hebben op erkenning van hun rechtsbetrekking, toch tot een andere conclusie komt, en wel het niet verlenen van vervangende toestemming tot erkenning. De situatie tussen de ouders is heel gespannen. De negatieve gevoelens van de moeder jegens de man zijn dusdanig diep en roepen zodanig veel spanningen bij haar op dat dit een negatief effect heeft op de verhouding tussen haar en [kind]. Indien de man toestemming tot erkenning zou verkrijgen zal dit zoveel spanningen bij de moeder teweeg brengen dat zij niet meer in staat zal zijn de opvoeding van [kind] goed ter hand te nemen. Bovendien is er nog een kind in het gezin van de moeder, het broertje van [kind].

De belangen van [kind] wegen dusdanig zwaar bij een goed contact met haar moeder dat de bijzondere curator geen andere mogelijkheid ziet dan dat aan de man geen vervangende toestemming tot erkenning zal worden verleend. De erkenning zou zeer ten nadele van [kind] zijn. De enige mogelijkheid die er nog zou kunnen zijn is de zaak aanhouden, de moeder de gelegenheid geven via hulpverlening de ergste spanning weg te krijgen, zodat er ruimte zou kunnen gaan ontstaan voor erkenning. De hulpverlening zou echter ook weer spanningen bij de moeder kunnen gaan opleveren, wat dan ook weer zijn weerslag op [kind] zou (kunnen) hebben. Tot slot spreekt de bijzondere curator de hoop voor [kind] uit dat deze ouders een manier vinden om te maken dat [kind] rustig opgroeit en dat zij haar vader ook mag kennen.

rechtbank overwegingen

inzake het verzoek tot vervangende toestemming erkenning

Ingevolge artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan op verzoek van de man de toestemming van de moeder door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is van het kind.

Op grond van de ontstaansgeschiedenis moet artikel 1:204 lid 3 BW aldus worden uitgelegd dat het in de procedure tot verkrijging van vervangende toestemming aankomt op een afweging van de belangen van de verwekker bij erkenning tegen de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind en de belangen van het kind bij niet-erkenning, waarbij als uitgangspunt geldt dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. De wetgever heeft zoveel mogelijk willen aansluiten bij de biologische werkelijkheid.

Rekening houdend met de belangen van alle betrokkenen stelt de moeder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om van voormeld uitgangspunt, dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking, af te wijken. De moeder heeft niet voldoende onderbouwd dat erkenning haar relatie met [kind] zal verstoren en/of welke schadelijke gevolgen erkenning voor [kind] zal hebben. Ook uit de stukken valt niet af te leiden dat de belangen van de moeder of [kind] zullen worden geschaad door erkenning door de man. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de moeder dat de man geen band met [kind] zou hebben, nu dit geen vereiste is voor erkenning.

Dat ten gevolge van de erkenning reële risico’s bestaan dat [kind] belemmerd wordt in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling, hetgeen onder meer het geval zou kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De door de moeder geschetste psychische toestand waarin zij zou gaan verkeren na erkenning beoordeelt de rechtbank als niet voldoende en zwaarwegend ernstig. Uit de feiten en plaatsgevonden omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat de moeder de afgelopen jaren de man reeds een vaderschapsrol had toegekend, door de raad omschreven als ‘de onofficiële erkenning’. Tot verbreking van het contact in januari 2012 is er, hoewel volgens de man nog vaker, volgens de moeder in ieder geval in een periode van vierenhalf jaar tienmaal contact tussen de man en [kind] en de moeder geweest en hebben [kind] en de ouders twee (buitenland)vakanties samen doorgebracht. In die periode van vierenhalf jaar is niet gebleken dat die contacten hebben geleid tot psychische onbalans, dan wel een onevenwichtige psychische toestand, dan wel psychische decompenstatie bij de moeder. Ook met haar handelen heeft de moeder laten zien dat zij aan de man ouderlijke verantwoordelijkheid toedichtte door contact met hem op te nemen over de noodzaak van het aankopen van een auto met airco ten behoeve van [kind]. Een auto die de man ook voor hen heeft gekocht.

Eerst per 26 juli 2011 gaat de moeder met klachten van boosheid, vermoeidheid, slecht slapen en stress naar de huisarts. Blijkens de door de moeder overgelegde uitdraai van het dossier van de huisarts is de aanleiding onder andere “weet niet hoe om te gaan met de vader van haar dochter (is tevreden als alleenstaande moeder maar kan niet tegen de invloed van de vader van dochter [kind] op haar leven).”

Weliswaar ervaart de moeder door onderhavige procedure angst en onzekerheid en kan dit enige weerslag hebben op [kind], niettemin is de rechtbank van oordeel dat de moeder een zodanig stabiele ouder is (hetgeen ook blijkt uit de informatie van haar maatschappelijk werker, zie daarvoor het rapport van de raad) dat [kind] zich in een stabiele situatie bevindt dat risico op schade voor [kind] niet in de rede ligt. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat indien sprake zal zijn van erkenning door de man de moeder in een psychische noodtoestand zal geraken en daardoor niet in staat zal zijn de opvoeding van [kind] adequaat voort te zetten.

Dat er rust voor [kind] en de moeder moet komen onderschrijft de rechtbank. Dat de enkele erkenning van [kind] door de man die rust zal doorbreken is niet aannemelijk geworden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder na erkenning met name vreest voor toekomstige procedures door de man. Daarmee doelt zij op een verzoek om gezamenlijk gezag en vaststelling van een omgangsregeling. De rechtbank gaat daar aan voorbij, nu die vrees, mede gelet op hetgeen de advocaat van de man ter zitting naar voren heeft gebracht, niet reëel is. De man heeft node berust in het advies van de raad om thans geen omgangsregeling vast te leggen. De man heeft daartoe aangevoerd dat [kind] nog meer klem tussen haar ouders komt te zitten indien een omgangsregeling zou worden vastgesteld. Daarmee geeft de man impliciet reeds aan dat onder de huidige omstandigheden van een gezamenlijk gezag in de nabije toekomst geen sprake kan zijn. Ingevolge artikel 1:253c lid 2 kan een dergelijk verzoek van de tot het gezag bevoegde ouder die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend immers worden afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders. Nu de man erkent dat thans reeds sprake is van voormeld klemcriterium is de vrees van de moeder voor het entameren door de man van een dergelijke procedure dan ook ongegrond. Voor zover het gaat over een procedure tot vaststelling van een omgangsregeling kan de man ook zonder juridisch ouderschap een dergelijke procedure aanbrengen, zodat ook het verweer van de moeder op dat punt geen doel treft. Door berusting van de vader in het advies van de raad om thans geen omgangsregeling vast te stellen wordt in ieder geval de rust in het gezin van de moeder en [kind] (en haar broertje) gewaarborgd. Voor zover de moeder, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, stelt dat sprake is geweest van misdragingen/ bedreigingen van de man tegenover haar en dat door deze misdragingen een zware druk op haar leven en dat van [kind] is gelegd en dat daardoor de spanningen die zij reeds ervaart zullen verergeren indien de vervangende toestemming wordt verleend, is naar het oordeel van de rechtbank van dergelijke misdragingen/bedreigingen niet gebleken. Uit het onderzoek door de raad is in de door de moeder geschetste context door de wijkagent [plaats] de door de moeder aangevoerde zorgen omtrent agressie en dreiging van de man niet herkend. Ook in de door de moeder aan hem getoonde e-mails kon de wijkagent geen bedreigingen vaststellen. De man komt niet in het politiesysteem voor, evenmin is hij bij de politie [plaats] of de wijkagent aldaar bekend. Ook heeft de wijkagent [plaats] van de basisschool van [kind] geen zorgsignalen ontvangen, of zijn er op andere wijze gronden waargenomen die een zeker dreigingsniveau vormen. Dat sprake zou zijn van misdragingen/bedreigingen wordt, anders dan hetgeen de moeder daartoe aanvoert, op geen enkele wijze met stukken onderbouwd.

Tot slot is er geen enkele aanwijzing dat de man na erkenning een Turks paspoort voor [kind] zal aanvragen. Voor zover die vrees al reëel zou zijn, zullen de Turkse autoriteiten bij een aanvraag van een dergelijk document als voorwaarde stellen dat beide ouders toestemming verlenen met overlegging van geldige identiteitsdocumenten van beide ouders Ook van dreiging voor ontvoering is niet gebleken. De raad heeft gerapporteerd dat de zorgen van de moeder inzake de dreiging van verbaal en fysiek geweld door de man en mogelijke ontvoering van [kind], zeker het afgelopen jaar, niet zijn waargenomen. Noch is door de betrokken hulpverleners en politie ervaren dat de man in het algemeen emotieregulatieproblemen zou hebben. De moeder heeft voormelde dreigingen niet aannemelijk gemaakt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat aan de man vervangende toestemming tot erkenning van [kind] moet worden verleend, in dat oordeel is eveneens meegewogen het onherroepelijke karakter van de erkenning, zodat dat gedeelte van zijn verzoek voor toewijzing vatbaar is.

inzake het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling

Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind (artikel 1:377a BW). Het gezag omvat mede de verplichting van een ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW).

De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Voldoende is gebleken van gronden die rechtvaardigen dat de man het recht op omgang met [kind] op dit moment moet worden ontzegd. De rechtbank acht het vaststellen van een omgangsregeling tussen de man en [kind] onder de huidige omstandigheden in strijd met zwaarwegende belangen van [kind]. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat (aansturen op) omgang op dit moment zo veel negatieve spanningsklachten bij de vrouw teweeg brengt dat zij daardoor niet meer in staat is adequaat als opvoeder te functioneren. De ontwikkeling van [kind] zal dan nog verder worden bedreigd. Eerst en vooral dient er rust te ontstaan.

Wel ziet de rechtbank echter aanleiding de ontzegging van de omgang in duur te beperken. Uit het onderzoek van de raad en ook uit de onderzoeken ter terechtzitting is namelijk niet gebleken dat bij de man sprake is van contra-indicaties die een contact in de weg staan. Ook is niet gebleken dat daarvan bij [kind] sprake is. Alle angsten die [kind] volgens de moeder voor de man zou hebben worden niet ondersteund door aangetoonde uitlatingen van [kind]. De enkele uitlating die [kind] heeft gedaan aan de bijzondere curator “nee, [man] is stout. Hij krijgt een briefje van sinterklaas.’, is onvoldoende om te concluderen dat bij [kind] uit eigen (negatieve) ervaringen angst is ontstaan voor de man en dat de door de moeder gestelde angst van [kind] authentiek is en uit haar zelf komt. Ook in het raadsrapport blijkt niet van de door de moeder gestelde angst van [kind] voor de man. Uit de informatie van school blijkt dat het verdriet van moeder [kind] af en toe belast. Ook is het de leerkracht van [kind] onduidelijk of [kind] zelf spanning ervaart als haar vader op de één of andere wijze ter sprake komt, of dat zij reactief gedrag laat zien op de spanning vanuit de moeder. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de strijdige zwaarwegende belangen van [kind] in het contact met de man geheel en alleen gelegen in de belemmeringen en verhinderingen van de moeder en is niet gebleken dat die voortkomen uit persoonlijke belevingen van [kind]. De rechtbank zal met het oog daarop de omgang ontzeggen voor de duur van twee jaren. In de komende twee jaren mag van de moeder verlangd en verwacht worden dat zij hulpverlening voor zichzelf inroept en met hulpverlening gaat werken aan haar persoonlijke problematiek. Dat is een ouderlijke verplichting die de moeder heeft in het kader van de uitoefening van haar ouderlijke gezag (ex artikel 1:247 leden 2 en 3 BW, specifiek “de verantwoordelijkheid voor het bevorderen van de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind en de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.”). De belemmeringen/verhinderingen die de moeder ondervindt in het contact tussen de man en [kind] mogen niet blijvend en jarenlang een doorslaggevende rol blijven spelen in het al dan niet tot stand komen van het contact van [kind] met de man en de man met [kind]. Voor een evenwichtige identiteitsontwikkeling is het voor kinderen in het algemeen belangrijk om te weten wie hun ouders zijn en daar waar mogelijk een band mee te onderhouden. De rechtbank beslist daarom als na te melden.

inzake het verzoek tot vaststelling van een informatie- en consultatieregeling

Ingevolge artikel 1:377b lid 1 BW kan de rechter op verzoek van een ouder een informatie- en consultatieregeling vaststellen. De informatie- en de consultatieplicht strekt zich uitsluitend uit tot gewichtige aangelegenheden de persoon en het vermogen van het kind betreffende. Hierbij kan gedacht worden aan kwesties als schoolkeuze, leerprestaties, beroepskeuze of belangrijke zaken op medisch of financieel gebied het kind betreffende. De informatie- en consultatieverplichting kan ook via derden zoals advocaat, raad voor de kinderbescherming of vertrouwenspersoon geschieden.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de rechter, indien het belang van het kind zulks vereist, zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.

Het informatie- en consultatierecht in art. 1:377b lid 1 BW is blijkens de parlementaire geschiedenis (in 1995) in de wet opgenomen omdat de niet met gezag belaste ouder die bij de opvoeding betrokken wil blijven, daartoe door de andere ouder in de gelegenheid behoort te worden gesteld. De band tussen de niet met gezag belaste ouder en het kind dient niet onnodig ernstiger te worden aangetast dan door de (echt)scheiding toch al vaak het geval is. De informatie- en/of consultatieverplichting kan buiten toepassing blijven indien het belang van het kind dat eist. Zeer ernstige bezwaren van het kind zijn op zich niet beslissend (HR 5 april 1991, NJ 1992, 24). Het gaat bij een beslissing hierover om conflicterende rechten van kind en ouder voortvloeiend uit art. 8 EVRM (privéleven en familie- en gezinsleven), (HR 12 juni 1992, NJ 1992, 589).

De moeder heeft niet aannemelijk gemaakt dat oplegging van een informatieregeling ernstig bezwaarlijk is voor [kind] en dat haar belang eist dat een dergelijke verplichting buiten toepassing blijft. Dat is anders voor wat betreft de consultatieverplichting. Hoewel de informatie- en consultatieverplichting nauw samenhangen en de verplichting om advies te vragen geen verandering in de bevoegdheid tot het nemen van de beslissing brengt (de gezagsouder is en blijft als enige bevoegd de desbetreffende beslissing te nemen) acht de rechtbank onder de huidige omstandigheden een consultatieverplichting prematuur, daarbij aansluitend bij de situatie van de ontzegging van de omgang voor de bepaalde tijd van twee jaar in welke periode van de moeder verwacht en verlangd wordt dat zij werkt aan het wegnemen van haar belemmeringen/verhinderingen als hiervoor omschreven. Op dit moment is, evenals bij de omgang, nog sprake van conflicterende rechten.

Nu de man zijn verzoek met betrekking tot de informatieregeling niet nader heeft omschreven zal worden aangesloten bij de onderwerpen als hiervoor omschreven. De moeder kan, indien zij zich (nog) niet in staat acht de man te informeren over [kind] dat overlaten aan haar hulpverlener of een vertrouwenspersoon (bijvoorbeeld iemand van de school van [kind]). Anders dan de moeder stelt kan op grond van artikel 8 EVRM een informatieregeling eveneens voor een biologische ouder met family life gelden, zodat ook voor de periode totdat de beslissing tot vervangende toestemming erkenning in kracht van gewijsde is gegaan de hierna op te leggen informatieverplichting reeds geldt. Dat sprake is van family life staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast.

De rechtbank ziet aanleiding de proceskosten te compenseren als na te melden.

Beslissing

De rechtbank:

verleent verzoeker (vervangende) toestemming tot de erkenning van [kind], geboren op [2008] te [plaats] als zijn kind;

bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te [plaats] zal zenden zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan;

ontzegt de man het recht op omgang met voornoemde minderjarige voor de duur van twee jaren;

bepaalt dat de moeder de man eenmaal per twee maanden schriftelijk dient te informeren over [kind] aangaande de school(keuze), leerprestaties (kopie schoolrapport, (school)foto) en medische zaken, zo nodig door tussenkomst van een derde;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de ontzegging van de omgangsregeling, alsook voor wat betreft de informatieverplichting uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van dit geding aldus dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft;

wijst het meer of anders verzocht af.

Deze beschikking is gegeven door mr. T. ter Brugge, rechter, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 november 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.

conc.1: ah

1 * De griffier deelt mede dat van vorenstaande beschikking hoger beroep open staat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: - voor verzoeker en de verschenen belanghebbenden binnen drie maanden na de dagtekening van deze beschikking; - voor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze hun bekend is geworden. Dit beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.