Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4586

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
245105
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:6248, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/245105 / KG ZA 13-316

Vonnis in kort geding van 19 september 2013

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Financiën,

Directoraat-Generaal Belastingdienst,

zetelend te ’s-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. W.I. Wisman te ’s-Gravenhage,

tegen

1 [gedaagde 1],

2. [...] [gedaagde 2],

beiden wonende te Malden,

gedaagden,

advocaat mr. drs. S. Bharatsingh te Hilversum.

Partijen zullen hierna de Belastingdienst en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van de Belastingdienst

  • -

    de pleitnota van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In het jaar 2000 kreeg de Belastingdienst via de Belgische autoriteiten de beschikking over een grote hoeveelheid gegevens over Nederlandse rekeninghouders bij de KB Luxbank in Luxemburg. Het betreft fotokopieën van afgedrukte microfiches die afkomstig zijn uit de interne administratie van deze Luxemburgse bank. De microfiches vermelden saldi op rekeningen bij deze bank per 31 januari 1994. De fotokopieën zijn in het kader van internationale gegevensuitwisseling bij brief van 27 oktober 2000 door de Belgische autoriteiten aan de Belastingdienst verstrekt.

2.2.

Het onderzoek van de Belastingdienst aan de hand van de verkregen fotokopieën staat bekend als het Rekeningenproject.

2.3.

Aan de hand van deze fotokopieën heeft de Belastingdienst onderzoek gedaan naar de identiteit van de rekeninghouders. Op de fotokopieën die de Belastingdienst in zijn bezit heeft, staat als rekeninghouder van twee rekeningen genoemd “[...] [gedaagde 2]”. Uit de systematiek van de KB Luxbank volgt dat er bij deze notatiewijze sprake is geweest van een huwelijksrelatie tussen [...] [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. De rekeningen betreffen een “vue-rekening” (rekening-courantrekening) met een negatief saldo van NLG 28,78 en een termijndepositorekening met een saldo van NLG 65.463,64.

2.4.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn sinds 1 augustus 1988 met elkaar getrouwd.

2.5.

De Belastingdienst heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in 2002 voor het eerst aangeschreven met vragen over de bankrekening(en), aangezien de omvang, en onder omstandigheden ook de herkomst van in het buitenland aangehouden tegoeden voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Vervolgens zijn er in de jaren daarna meerdere vragenbrieven toegezonden met het verzoek om informatie te verstrekken over het vermogen in het buitenland.

2.6.

Naar aanleiding van het onderzoek heeft de Belastingdienst aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 1991 tot en met 2000 en (navorderings)aanslagen in de vermogensbelasting over de jaren 1992 tot en met 2000 opgelegd. Vervolgens heeft de Belastingdienst aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] navorderings)aanslagen IB/PVV over de jaren 2001 en 2002 opgelegd.

2.7.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn afzonderlijk daartegen in bezwaar en vervolgens in beroep gekomen bij het Hof ’s-Hertogenbosch.

2.8.

In deze fiscale procedures met betrekking tot de door de Belastingdienst opgelegde (navorderings)aanslagen heeft de fiscale rechter aannemelijk geoordeeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een (of meer) bankrekening(en) hebben gehad bij de KB Luxbank.

2.9.

In zijn uitspraak van 29 december 2011 (zaaknummer 04/01514) ten aanzien van [gedaagde 1] betreffende de belastingjaren 1991-2000 heeft het Hof ’s-Hertogenbosch ten aanzien van de identificatie van [gedaagde 1] onder meer het volgende overwogen:

De uitkomst van de door de Belastingdienst uitgevoerde identificatie is dat er maar één persoon met de naam [gedaagde 1] voorkomt in het BVR-bestand en dat is belanghebbende.

(…)

Uit het grote aantal gevallen waarin de Belastingdienst niet tot een sluitende identificatie is gekomen leidt het Hof af, dat het proces van identificatie zorgvuldig is uitgevoerd en dat in geval van twijfel de Belastingdienst tot de conclusie is gekomen dat geen eenduidige identificatie mogelijk was. Belanghebbende wijst op de gang van zaken bij het massale identificatieproces. In de voorfase van dit proces zijn mogelijk fouten gemaakt. Zo dit al het geval zou zijn geweest, kan daaruit niet worden afgeleid dat in het uiteindelijke resultaat van dit proces fouten zitten. Naast deze massale identificatie heeft bovendien een tweede identificatie, nu op individuele basis, plaatsgevonden.

(…)

De achternaam van belanghebbende komt weinig voor. De voornaam van belanghebbende komt meer voor. De naam van de echtgenote komt ook niet veel voor. Uit de omstandigheid dat bij de doorzoeking van het BVR-bestand slechts één persoon met de naam [gedaagde 1] is gevonden, leidt het Hof af dat de combinatie van beide namen zeer uitzonderlijk is. Het Hof acht de kans verwaarloosbaar klein dat (…) er een ander persoon over het hoofd is gezien die eveneens voldoet aan de omschrijving in het renseignement of dat KB-Lux bij de vastlegging van de namen een vergissing heeft gemaakt die tot gevolg heeft gehad dat belanghebbende voldoet aan de foutieve tenaamstelling. Het Hof acht in voldoende mate bewezen dat het renseignement op belanghebbende betrekking heeft.

(…)

Het Hof acht bewezen dat belanghebbende op 31 januari 1994 beschikte over een bankrekening bij KB-Lux met een saldo van f 65.434.

2.10.

In zijn uitspraak van 19 oktober 2012 (zaaknummer 10/00835) ten aanzien van [gedaagde 1] betreffende de belastingjaren 2001 en 2002 heeft het Hof ’s-Hertogenbosch ten aanzien van de identificatie van [gedaagde 1] bovenstaand oordeel herhaald.

2.11.

In de zaken van [gedaagde 2] heeft het Hof ’s-Hertogenbosch ten aanzien van de identificatie van [gedaagde 2] soortgelijk geoordeeld.

2.12.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben tegen bovengenoemde uitspraken van het Hof ’s-Hertogenbosch bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld.

2.13.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] is bij brief van 14 mei 2013 van de Belastingdienst een laatste termijn geboden tot uiterlijk 24 mei 2013 om verklaring en nadere opgaaf van buitenlandse bankrekeningen, waaronder die bij de KB Luxbank, te doen. Daarbij is tevens aangegeven dat, indien zij ter zake in gebreke zouden blijven, de Belastingdienst een kort gedingprocedure zou entameren.

2.14.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de “verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” op 15 juni 2013 ingevuld, waarbij zij informatie hebben verstrekt omtrent een reeds bij de Belastingdienst bekende rekening bij de Kredietbank in België.

3 Het geschil

3.1.

De Belastingdienst vordert [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bevelen om:

A) op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) zij na 31 januari 1994 bij de KB Luxbank - en bij eventuele andere buitenlandse banken - hebben aangehouden dan wel nog aanhouden;

B) opgaaf te doen van de onder A) bedoelde buitenlandse rekening(en) van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(en) over de periode 1994-heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van de opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing;

C) een mondelinge toelichting te geven op de onder A) en B) omschreven gegevens,

inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de inspecteur van de Belastingdienst nader te bepalen termijn;

D) binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn aan het onder A) en B) omschreven bevel en binnen de door de inspecteur van de Belastingdienst nader te bepalen termijn aan het onder C) omschreven bevel te voldoen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarmee in gebreke blijven;

E) met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum dit vonnis;

F) met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 131,00 dan wel, in het geval van betekening, € 199,00.

3.2.

De Belastingdienst legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij de beschikking heeft gekregen over gegevens waaruit blijkt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 31 januari 1994 de beschikking haden over twee bankrekeningen bij de KB Luxbank te Luxemburg. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben tot op heden de Belastingdienst niet (volledig) geïnformeerd over dit (en eventueel ander) buitenlands vermogen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn als rekeninghouders en dus als rechthebbenden van die buitenlandse rekeningen op grond van artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) verplicht om informatie te verschaffen aan de Belastingdienst. Indien alleen [gedaagde 1] als rekeninghouder beschouwd moet worden is [gedaagde 2] als fiscale partner van [gedaagde 1] op grond van artikel 47 AWR jo artikel 2.17 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) verplicht om informatie te verschaffen over dit buitenlands vermogen.

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voldoende aannemelijk is dat de Belastingdienst een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Hoe langer de Belastingdienst immers moet wachten op informatie, hoe meer kans er is dat de Staat belastinginkomsten misloopt doordat (verlengde) navorderingstermijnen verlopen. Ook gelet op de toekomstige fiscale verplichtingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft de Belastingdienst een spoedeisend belang.

4.2.

Voorop staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als belastingplichtigen op grond van artikel 47 lid 1 AWR verplicht zijn om aan de inspecteur van de Belastingdienst de gegevens en inlichtingen te verschaffen welke van belang kunnen zijn voor de belastingheffing te hunnen aanzien en voorts gegevensdragers of de inhoud daarvan beschikbaar te stellen als de raadpleging daarvan van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke van invloed kunnen zijn op de belastingheffing. De gegevens en inlichtingen dienen op de voet van artikel 49 lid 1 AWR duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, op de door de inspecteur van de Belastingdienst gekozen wijze en binnen de door hem gestelde termijn.

4.3.

[gedaagde 2] stelt zich allereerst op het standpunt dat de informatieplicht van artikel 47 AWR met betrekking tot de twee KB Luxbank rekeningen voor haar niet geldt omdat zij geen rekeninghoudster is, zodat de vorderingen die tegen haar zijn gericht reeds hierom afgewezen dienen te worden. Het feit dat op de afdruk van de microfiche van de KB Luxbank de naam [...] [gedaagde 2] voorkomt betekent volgens haar dat [gedaagde 1] de rekeninghouder is en dat hij gehuwd is met mevrouw [gedaagde 2] en niet dat [gedaagde 2] naast [gedaagde 1] mederekeninghoudster is. Ter onderbouwing van die uitleg verwijst zij naar het proces-verbaal van ambtshandeling Rekeningenproject d.d. 24 september 2002 en de systematiek van de registratie van rekeninghouders door de KB Luxbank.

4.4.

Juist is dat uit het proces-verbaal van 24 september 2002 blijkt dat indien de notatiewijze [...] [gedaagde 2] als rekeninghouder is gebruikt er volgens de systematiek van de KB Luxbank sprake is van gehuwden, in casu: ([...]) [gedaagde 1], gehuwd met [gedaagde 2]. Uit het proces-verbaal kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat deze notatiewijze erop duidt dat naast [gedaagde 1] ook [gedaagde 2] rekeninghoudster is. In het proces-verbaal wordt niet uitgelegd wanneer er sprake is van meer dan één rekeninghouder. Op basis van de beschikbare gegevens kan dan ook niet worden vastgesteld dat de betreffende rekeningen bij de KB Luxbank op naam van beide gedaagden staan. Nu niet kan worden vastgesteld dat ook [gedaagde 2] rekeninghoudster is, heeft zij op die grond geen informatieplicht ex artikel 47 AWR met betrekking tot de twee KB Luxbank rekeningen.

4.5.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de informatieplicht ex artikel 47 AWR toch op [gedaagde 2] rust op grond van het feit dat zij de fiscale partner is van [gedaagde 1], van wie op grond van de beschikbare gegevens wel kan worden aangenomen dat hij rekeninghouder is van de betreffende rekeningen bij de KB Luxbank.

4.6.

Ingevolge artikel 2.17 lid 2 Wet IB worden gemeenschappelijke inkomens- en vermogensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn fiscale partner geacht bij hen op te komen respectievelijk tot hun vermogen te behoren in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij de aangifte kiezen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kunnen dus zelf bepalen bij wie van hen dan wel in welke onderlinge verhouding het buitenlandse vermogen van [gedaagde 1] (bij de KB Luxbank) wordt opgegeven in de belastingaangifte. Dit betekent dat dit vermogen ook van belang kan zijn voor de belastingheffing ten aanzien van [gedaagde 2], zodat zij uit dien hoofde op grond van artikel 47 AWR gehouden is informatie te verstrekken over dat vermogen. Aldus heeft [gedaagde 2] als fiscale partner van [gedaagde 1], die volgens het onderzoek van de Belastingdienst over buitenlands vermogen beschikt, over dat vermogen een eigen en zelfstandige informatieplicht op de voet van artikel 47 AWR. Het verweer van [gedaagde 2] dat op haar geen informatieplicht rust ten aanzien van de twee rekeningen bij de KB Luxbank faalt daarom.

4.7.

De voorzieningenrechter overweegt verder als volgt. Er is inmiddels in een groot aantal (fiscale) procedures geoordeeld dat de identificatieprocedure die de Belastingdienst in het kader van de identificatie van de rekeninghouders bij de KB Luxbank in Luxemburg heeft verricht voldoende betrouwbaar is. Ook het Hof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraken van 29 december 2011 en 19 oktober 2012 ten aanzien van [gedaagde 1] geoordeeld dat de achternaam van belanghebbende weinig voorkomt en dat de achternaam van zijn echtgenote ([gedaagde 2]) evenmin veel voorkomt. De combinatie van de namen is naar het oordeel van het Hof ook zeer uitzonderlijk. Verder oordeelt het Hof dat bij de doorzoeking van het BVR-bestand ook slechts één persoon met de naam [gedaagde 1] is gevonden. Het Hof acht de kans dan ook verwaarloosbaar klein dat er een ander persoon over het hoofd is gezien die eveneens voldoet aan de omschrijving in het renseignement of dat de KB Luxbank bij de vastlegging van de namen een vergissing heeft gemaakt die tot gevolg heeft gehad dat belanghebbende voldoet aan de foutieve tenaamstelling. De voorzieningenrechter sluit zich bij dit oordeel aan. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ook geen nadere argumenten meer naar voren gebracht waarom de identificatie in dit concrete geval niet juist zou zijn. In dit kort geding is dan ook voldoende aannemelijk geworden dat het renseignement van 31 januari 1994 betrekking heeft op aangehouden (spaar)tegoeden op twee rekeningen die in ieder geval toebehoorden aan [gedaagde 1] en eventueel ook aan [gedaagde 2].

4.8.

Het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat de Belastingdienst geen belang heeft bij de onderhavige procedure om op de voet van artikel 47 AWR informatie te vorderen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over de twee Luxemburgse rekeningen, omdat de Belastingdienst fiscaalrechtelijk de mogelijkheid heeft om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ex artikel 41 AWR uit te nodigen voor een hoorgesprek, waartoe zij ook bereid zijn, en dat de Belastingdienst dat dus eerst had moeten doen teneinde de gewenste informatie te verkrijgen, faalt. Uit het feit dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ondanks meerdere verzoeken daartoe van de Belastingdienst in het geheel geen verklaringen hebben verstrekt over de KB Luxbank rekeningen, anders dan dat zij geen rekeningen hebben (gehad) bij de KB Luxbank, terwijl er op grond van het renseignement klemmende aanwijzingen zijn dat op naam van [gedaagde 1] twee rekeningen bestonden, had het geen zin voor de Belastingdienst om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uit te nodigen voor een hoorgesprek om inlichtingen te verkrijgen over die rekeningen. De Belastingdienst was ook niet verplicht om dat te doen. Bij gebreke van enige bereidheid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om inlichtingen te verschaffen over de rekeningen bij de KB Luxbank, zij hebben in feite stelselmatig geweigerd gegevens en inlichtingen te verstrekken over die rekeningen, heeft de Belastingdienst met gebruikmaking van zijn bevoegdheid van artikel 47 AWR de onderhavige vorderingen in kort geding kunnen instellen. Opmerking verdient in dit verband dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook de onderhavige kort geding zitting hadden kunnen benutten om inlichtingen te verschaffen, maar zonder duidelijke reden niet zijn gekomen.

4.9.

Ook het verweer dat de Belastingdienst geen belang heeft omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] al zouden hebben voldaan aan de bevelen van de Belastingdienst en daarmee aan hun inlichtingenplicht doordat zij de formulieren “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” al hebben ingevuld, faalt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” enkel aangegeven dat zij een rekening hebben gehad bij de Kredietbank in België, welke rekening bij de Belastingdienst reeds bekend was. Daarmee hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet voldaan aan hun inlichtingenplicht. Uit de ingevulde verklaringen en de daarbij behorende brief is op geen enkele wijze enig standpunt af te leiden over het al dan niet (hebben) bestaan van (een) rekening(en) bij de KB Luxbank op naam van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Nu het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] volstrekt duidelijk was dat de Belastingdienst de Luxemburgse rekeningen op het oog had, hadden zij in hun verklaringen hierin moeten voorzien. Door dat na te laten hebben zij de verzochte gegevens niet (naar behoren) verstrekt.

4.10.

Voor zover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het verweer voeren dat zij aan hun informatieplicht hebben voldaan doordat zij de gevraagde inlichtingen aan de Belastingdienst al hebben verschaft, die neerkomen op een blote ontkenning van het feit dat zij ooit rekeningen hebben gehad bij de KB Luxbank, kan daar geen genoegen mee worden genomen. Uit het renseignement en de identificatie van [gedaagde 1] als rekeninghouder blijkt dat [gedaagde 1] twee rekeningen heeft gehad bij de KB Luxbank, zodat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in weerwil daarvan niet kunnen volstaan met een enkele blote ontkenning in het kader van hun informatieverplichting ex artikel 47 AWR.

4.11.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verder het verweer dat erop neerkomt dat zij niet kunnen voldoen aan hun wettelijke informatieplicht omdat de KB Luxbank een wettelijke bewaartermijn van tien jaar heeft en aldus geen inlichtingen verstrekt over de periode daarvoor. Zij menen dat zij hierdoor in bewijsnood verkeren en dus niet in staat zijn de door de Belastingdienst gewenste inlichtingen vanaf 1994 te verstrekken.

4.12.

De voorzieningenrechter constateert dat de KB Luxbank inderdaad een bewaartermijn van tien jaar hanteert en dat de bank zich gerechtigd acht om over te gaan tot vernietiging van de documenten en stukken na afloop van deze termijn. Tussen partijen is dit verder ook niet in geschil. Niettegenstaande deze bewaartermijn kan op basis van de thans beschikbare informatie niet worden vastgesteld dat het onmogelijk is om van de KB Luxbank gegevens en inlichtingen te verkrijgen over een periode langer dan tien jaar geleden. De Belastingdienst heeft gemotiveerd aangegeven dat banken in het algemeen gegevens ouder dan tien jaar op microfiches bewaren. Daartegenover hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het standpunt ingenomen dat zij weliswaar geprobeerd hebben gegevens te verkrijgen van de KB Luxbank, maar dat de bank het verschaffen van gegevens heeft geweigerd omdat die er niet zouden zijn. Dit standpunt hebben zij echter op geen enkele wijze met stukken onderbouwd. Daarbij komt nog dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in hun eigen administratie over geen enkel bescheid of gegeven zouden beschikken over de KB Luxbank rekeningen. Vaststaat dat de Belastingdienst al in 2002 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzocht heeft informatie te verstrekken over de door hen aangehouden buitenlandse rekeningen. Dit betekent dat zij sindsdien er rekening mee hadden kunnen en moeten houden dat de informatie over de twee KB Luxbank rekeningen ooit aan de Belastingdienst verstrekt moest worden. Zij hebben dus genoeg gelegenheid gehad om alle relevante informatie tijdig bij de KB Luxbank op te vragen. Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet meer zouden kunnen beschikken over schriftelijke bescheiden met betrekking tot deze rekeningen doet bovendien niet af aan hun verplichting ex artikel 47 AWR ook mondelinge inlichtingen te verschaffen over deze rekeningen. Bij deze stand van zaken is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het geheel niet in staat zijn om de door de Belastingdienst gewenste gegevens en inlichtingen over deze rekeningen te verstrekken. Het staat voorshands dan ook in het geheel niet vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet in staat (zullen) zijn geheel of ten dele aan hun inlichtingenplicht te voldoen.

4.13.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen zich verder op het standpunt dat de Belastingdienst misbruik van procesrecht maakt doordat zij langs deze civielrechtelijke weg wil bewerkstelligen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het bewijs leveren dat zij vanaf 1994 houder zijn van de twee Luxemburgse rekeningen, terwijl de fiscale rechter de betrouwbaarheid van de identificatie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als houder(s) van die rekeningen voor de belastingjaren na 2000 nog niet heeft getoetst. Zij zijn van mening dat de fiscale rechter voor elk jaar na 2000 de identificatie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opnieuw moet toetsen op juistheid voordat definitief vastgesteld kan worden dat zij houder(s) van die rekeningen zijn.

4.14.

Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraken van 29 december 2011 en 19 oktober 2012 geoordeeld dat voor de belastingjaren 1991-2002 de identificatie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als houder(s) van de rekeningen bij de KB Luxbank betrouwbaar is. Hiervoor is reeds geoordeeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet gemotiveerd hebben betwist dat die identificatie deugdelijk is. Evenmin hebben zij voldoende gemotiveerd waarom voor andere belastingjaren opnieuw een identificatie nodig zou zijn. De voorzieningenrechter passeert dan ook het beroep van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op misbruik van procesrecht.

4.15.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren met verwijzing naar artikel 16 lid 1 AWR het verweer dat de Belastingdienst voor de jaren waarvoor reeds (navorderings)aanslagen zijn opgelegd geen gebruik meer mag maken van zijn bevoegdheid van artikel 47 AWR.

4.16.

Voorop staat dat de Belastingdienst gemotiveerd heeft gesteld dat hij belang heeft bij alle gegevens met betrekking tot de twee rekeningen bij de KB Luxbank vanaf 1994.

De Belastingdienst wil weten wat het verloop van die rekeningen sindsdien is geweest, omdat buitenlands vermogen dat in die jaren bestond ook in latere jaren kan resulteren in belastingverplichtingen voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Daarin ligt besloten dat de Belastingdienst ook belang heeft bij gegevens met betrekking tot de jaren waarvoor eventueel de navorderingstermijn is verlopen. Dit is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onvoldoende weerlegd. Daarnaast is het onjuist dat de Belastingdienst geen bevoegdheid tot navordering toekomt voor de jaren waarvoor reeds (navorderings)aanslagen zijn opgelegd. Ingevolge artikel 16 lid 1 AWR kan de Belastingdienst op grond van een nieuw feit of een feit ten aanzien waarvan de belastingplichtige te kwader trouw is navorderen, ook over de jaren waarvoor al een (navorderings)aanslag is opgelegd. De verlengde navorderingstermijn voor buitenlands vermogen bedraagt ingevolgde artikel 16 lid 4 AWR twaalf jaar, zodat de Belastingdienst belang heeft bij gegevens uit die jaren. Dit betekent dat de Belastingdienst ook voor de jaren waarvoor reeds (navorderings)aanslagen zijn opgelegd gebruik mag maken van zijn informatieaanspraken uit hoofde van artikel 47 AWR.

4.17.

In dit kader is relevant dat over de aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opgelegde (navorderings)aanslagen IB/PVV en vermogensbelasting 1991 tot en met 2002 procedures in cassatie aanhangig zijn. In het arrest van 10 februari 1988 (BNB 1988, 160) heeft de Hoge Raad bepaald dat partijen in hun rechtsstrijd als gelijken tegenover elkaar dienen te staan. Het staat (een inspecteur van) de Belastingdienst dan ook niet vrij om, nadat in een belastingzaak beroep bij een rechter is ingesteld, ter verkrijging van nadere gegevens die hij ten behoeve van de bewijsvoering die hij in die zaak meent nodig te hebben, gebruik te maken van zijn bevoegdheden op grond van artikel 47 AWR. In het onderhavige geval vordert de Belastingdienst informatie vanaf 31 januari 1994. Voor een deel bestaat dus een overlap met de jaren waarover nog een procedure voor de belastingrechter aanhangig is.

Dit staat toewijzing van de vorderingen in deze procedure evenwel niet in de weg.

De Belastingdienst heeft immers aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij de inlichtingen nodig heeft voor het opleggen van nieuwe (navorderings)aanslagen over de jaren 2001 – vanaf welk jaar kan worden nagevorderd – tot heden, waarvoor ook informatie over buitenlandse rekeningen/vermogensbestanddelen nodig is van vóór 2001. De gegevens die in dit kort geding worden gevorderd zijn van belang voor een reeks van jaren. Het instellen van (cassatie)beroep over een aantal jaren staat dan ook niet in de weg aan de onderhavige vorderingen. Daarbij komt dat op dit moment onzeker is of de cassatieberoepen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen leiden tot vernietiging en verwijzing van de zaken naar een ander gerechtshof. Mocht de Hoge Raad vernietigen en verwijzen naar een ander gerechtshof, dan is echter niet uitgesloten dat de Belastingdienst de door middel van dit kort geding verkregen gegevens ook zal gebruiken in die procedures. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding de toewijzing van de vorderingen te clausuleren in die zin, dat de op grond van dit kort geding verkregen gegevens over de jaren 1994 tot en met 2002 niet bestemd zijn voor gebruik ten behoeve van de nog aanhangige procedures over de opgelegde (navorderings)aanslagen IB/PVV en vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2002. Mocht dat toch gebeuren, dan is het aan de belastingrechter te bepalen welk gevolg aan dat gebruik moet worden verbonden.

4.18.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren voorts aan dat de door de Belastingdienst op grond van artikel 47 AWR in dit kort geding onder dreiging van een dwangsom verkregen informatie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ex artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het verbod van zelfincriminatie (het nemo tenetur beginsel) niet mag worden gebruikt voor fiscale boetedoeleinden.

4.19.

Op grond van artikel 6 EVRM is niemand gehouden zichzelf te incrimineren. De Hoge Raad heeft op 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3640) een arrest gewezen over het beroep op het nemo tenetur beginsel in verband met de mogelijkheid dat de belastingplichtige zou worden gedwongen om mee te werken aan bewijsvergaring ten behoeve van bestuurlijke boeteoplegging of strafvervolging. Het arrest komt er - kort samengevat - op neer dat de voorzieningenrechter de op grond van artikel 47 AWR ingestelde vorderingen onder last van een dwangsom wel mag toewijzen omdat deze vorderingen zijn ingesteld met het oog op de belastingheffing (vgl. EHRM 10 september 2002, ECLI:NL:XX:2002:BI9566 en EHRM 21 april 2009, ECLI:NL:XX:2009:BJ3599). Omdat echter niet uitgesloten is dat de gevorderde informatie ook ten behoeve van bestuurlijke beboeting of bestraffing zal worden gebruikt, dient de voorzieningenrechter, voor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige, aan de toewijzing een clausulering te verbinden die erop neerkomt dat het verkregen materiaal uitsluitend wordt gebruikt ten behoeve van de belastingheffing (vgl. EHRM 17 december 1996, ECLI:NL:XX:1996:ZB6862 en EHRM 3 mei 2001, ECLI:NL:XX:2001:AN6999).

4.20.

Tot slot stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op het standpunt dat de vorderingen in kort geding moeten worden afgewezen omdat de Belastingdienst ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor het jaar 2009 een informatiebeschikking heeft uitgevaardigd, die nog niet onherroepelijk is geworden. In dat kader voeren zij aan dat sinds de inwerkingtreding per 1 juli 2011 van artikel 52a AWR het voor de Belastingdienst mogelijk is om een informatiebeschikking uit te vaardigen met betrekking tot een op te leggen (navorderings)aanslag als de belastingplichtige niet volledig heeft voldaan aan zijn informatieverplichtingen van artikel 47 AWR. Indien de Belastingdienst eenmaal gekozen heeft voor een informatiebeschikking, waartegen bezwaar en beroep openstaat bij de fiscale rechter, staat het de Belastingdienst niet meer vrij om daarnaast ook nog de civiele kort geding rechter te adiëren teneinde aan dezelfde informatie en bescheiden te komen waarop de informatiebeschikking betrekking heeft. Dat zou immers neerkomen op een ontoelaatbare doorkruising van de publiekrechtelijke procedure inzake de uitgevaardigde informatiebeschikking, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. In dit verband beroepen zij zich met name op de wetsgeschiedenis van bedoeld artikel.

4.21.

Ook dit verweer faalt. Noch uit de tekst van artikel 52a (lid 4) AWR, noch uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat met de invoering van artikel 52a AWR is beoogd de toegang tot de burgerlijke rechter te beperken (vgl. TK 2009-2010, 30645, nr. 15, p. 4-5, TK 2009-2010, Handelingen nr. 100, p. 8083). Volgens het vierde lid van artikel 52a AWR laat dat artikel onverlet de mogelijkheid voor de Belastingdienst om een procedure aanhangig te maken bij de burgerlijke rechter strekkende tot een veroordeling tot nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet op straffe van een dwangsom. Hetgeen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] omtrent de wetsgeschiedenis aanvoeren, doet niet aan deze bepaling af, nu daaruit niet volgt dat indien eenmaal een informatiebeschikking is uitgevaardigd de burgerlijke rechter niet meer kan worden geadieerd. Het staat de Belastingdienst vrij om het middel van nakoming van de informatieverplichtingen ex artikel 47 AWR in een civiele kort gedingprocedure naast of in plaats van de publiekrechtelijke informatiebeschikking te gebruiken.

4.22.

Voor het aannemen van een dergelijke beperking is ook overigens geen grond.

De ingevolge artikel 52a AWR op te leggen informatiebeschikking leidt ten aanzien van de belastingplichtige die informatie over zichzelf moet verschaffen, nadat deze informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tot een omkering en verzwaring van de bewijslast. De belastingaanslag zal dan wegens gebrek aan gegevens op basis van een redelijke schatting worden opgelegd. De in de AWR voorziene omkering van de bewijslast in geval van weigering van gegevensverstrekking leidt echter niet tot een vergelijkbaar resultaat als door de Belastingdienst kan worden bereikt met de onderhavige vorderingen. De hiervoor genoemde maatregelen kunnen immers niet waarborgen dat de benodigde gegevens daadwerkelijk worden verschaft, omdat de belastingplichtige zich bij de, door de Belastingdienst mogelijk te laag geschatte, belastingaanslag kan neerleggen zonder de verlangde gegevens te verstrekken (vgl. HR 18 september 2009, NJ 2009, 566). Het argument om afdwinging van de informatieverplichting via (een kortgeding voor) de burgerlijke rechter mogelijk te doen zijn, bestaat dus, ook na de invoering van de mogelijkheid van een informatiebeschikking, nog steeds.

4.23.

Met inachtneming van het voorgaande komen de vorderingen jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor toewijzing in aanmerking. Voldoende aannemelijk is dat in ieder geval [gedaagde 1] op 31 januari 1994 over buitenlandse (spaar)tegoeden beschikte. Zij zijn op grond van artikel 47 AWR gehouden ter zake gegevens en inlichtingen te verstrekken.

4.24.

De gevorderde dwangsom zal tot het gevorderde bedrag worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden gemaximeerd tot een bedrag van € 1.500.000,00.

4.25.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Belastingdienst worden begroot op:

- dagvaarding €  96,76

- griffierecht € 589,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal €  1.501,76

4.26.

De vordering tot veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de nakosten zal worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen zeven dagen na

betekening van dit vonnis op het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” te verklaren welke buitenlandse bankrekening(en) zij na 31 januari 1994 bij de KB Luxbank - en bij eventuele andere buitenlandse banken - hebben aangehouden dan wel nog aanhouden,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis opgaaf te doen van de onder 5.1 bedoelde buitenlandse rekening(en) door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op het laatstgenoemde formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(en) over de periode 1994-heden, daaronder begrepen, indien van toepassing, bewijs van opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot het geven van een mondelinge toelichting op de onder 5.1. en 5.2. omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de inspecteur van de Belastingdienst nader te bepalen termijn,

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om aan de Belastingdienst een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 tot en met 5.3 uitgesproken veroordelingen voldoen, tot een maximum van € 1.500.000,00 is bereikt,

5.5.

bepaalt dat, voor zover de hiervoor onder 5.1. tot en met 5.3. vermelde veroordelingen betrekking hebben op materiaal waarvan het bestaan van de wil van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] afhankelijk is, dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing,

5.6.

bepaalt dat, voor zover de Belastingdienst op grond van dit vonnis de beschikking krijgt over gegevens over de jaren 1994 tot en met 2002, deze gegevens niet bestemd zijn voor gebruik ten behoeve van de thans nog aanhangige (fiscale) procedures over de (navorderings)aanslagen IB/PVV en vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2002,

5.7.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van de Belastingdienst tot op heden begroot op € 1.501,76, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.8.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.9.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2013.

Coll.: HS