Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4474

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
AWB-13_2104
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongegrond beroep wegens onder meer aanspraak in verband met indicatie voor langdurig verblijf op grond van de AWBZ op verhoging pgb voor de kosten van huishoudelijke hulp. Binnen de context van de Wmo wordt belanghebbende geacht van dit bedrag hulp bij het huishouden in te kopen. Verwezen is naar ECLI:NL:CRVB:2013:CA2974.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Team bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/2104

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Mampel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder

(gemachtigde: W.C.M. Hermans).

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 25 november 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor 4 uur per week hulp bij het huishouden 1 (HH1). Voorts heeft verweerder voor de periode van 26 november 2012 tot en met 31 december 2012, op grond van een indicatie die loopt tot en met 25 november 2013, een pgb toegekend voor 3 uur per week HH1.

Bij besluit van 22 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts is haar echtgenoot, de heer [naam echtgenoot], verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is voor verweerder mevrouw K. van den Dam, indicatieadviseur bij de gemeente Arnhem, verschenen.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiseres, geboren op [geboortedatum 1], is onder meer bekend met frequente epileptische aanvallen. Als gevolg van deze aanvallen en de gebruikte medicatie zijn bij eiseres cognitieve stoornissen ontstaan. Eiseres voert een huishouden met haar echtgenoot en haar zoon. Haar echtgenoot, geboren op [geboortedatum 2], is bekend met een door een herseninfarct ontstane neurologische aandoening, een psychische aandoening en aspecifieke rugklachten. De zoon, geboren op [geboortedatum 3], heeft een verstandelijke beperking en een neurologische aandoening.

Eiseres had vóór de inwerkingtreding van de Wmo een indicatie voor hulp bij het huishouden voor vier uur per week op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Deze indicatie heeft verweerder onder de Wmo zonder herindicatie voortgezet tot 31 december 2011. De toegekende 4 uur per week bestond uit 30 minuten per week voor het doen van boodschappen, 3 uur per week voor de zware huishoudelijke taken en 30 minuten per week voor de wasverzorging. Op 25 november 2012 is verweerder een herindicatieprocedure gestart. In het kader daarvan heeft SCIO Consult, op verzoek van verweerder, op 21 maart 2012 en voorts op 23 augustus 2012 advies uitgebracht. Op grond van dit laatste advies heeft verweerder bij besluit van 29 augustus 2012 besloten dat eiseres geen recht meer had op hulp bij het huishouden. In het kader van een heroverweging van dit besluit heeft verweerder aan de MO-zaak een second opinion gevraagd. Op 20 november 2012 heeft de MO-zaak advies uitgebracht, waarna het primaire besluit is genomen. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen dit besluit, heeft verweerder de MO-zaak opnieuw verzocht om advies uit te brengen. De MO-zaak heeft op 6 februari 2013 advies uitgebracht en daarin een door de Stichting Epilepsie Instellingen Nederland (SEIN) op 22 november 2012 uitgebracht rapport van een psychologisch onderzoek betrokken.

Het Centrum Indicatiestelling Zorg heeft eiseres voor de periode van 14 januari 2013 tot en met 31 januari 2028 geïndiceerd voor een ZZP VV 04, klasse 7, in de vorm van een pgb.

2.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres voor het zwaar huishoudelijk werk gecompenseerd dient te worden, nu de echtgenoot deze taken niet kan overnemen. Voor dit standpunt heeft verweerder zich gebaseerd op voormelde adviezen van de MO-zaak. Volgens verweerder komt eiseres op grond van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Arnhem, zoals dit geldt met ingang van 1 januari 2012, en de in de bijlage 1 opgenomen tijdsnormering voor hulp bij het huishouden in aanmerking voor 3 uur per week hulp bij de huishouding.

3.

Eiseres heeft in beroep, zakelijk weergegeven, gesteld dat de situatie van haarzelf, haar echtgenoot en hun beider zoon zodanig is dat een omvang van drie uur hulp bij het huishouden onvoldoende is en niet als een voldoende compensatie als bedoeld in artikel 4 Wmo kan gelden. Er zou eerder aan méér uren hulp bij het huishouden gedacht moeten worden dan de huidige vier uur per week dan aan minder uren, maar handhaving van het aantal van vier uren is wel het minste wat van verweerder mag worden verlangd. Er dient dan ook minimaal één uur per week extra toegekend te worden.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft zijn beleid inzake de normering voor de hulp bij het huishouden gewijzigd, welke beleidswijziging al eerder door deze rechtbank is getoetst, waarbij door de rechtbank is geoordeeld dat dit beleid in algemene zin in redelijkheid aan de besluitvorming ten grondslag kan worden gelegd (zie ECLI:NL:RBGEL:2013:CA0739). Deze marginale beleidstoetsing laat echter onverlet dat elk individueel besluit de volle toets die voortvloeit uit de vaste jurisprudentie inzake artikel 4 Wmo moet kunnen doorstaan. De rechtbank toetst het bestreden besluit dan ook vol.

Uit het beleid van verweerder vloeit voort dat de compensatie voor de zware huishoudelijke taken in beginsel gemaximeerd is op drie uur per week. Deze maximale indicatie is jegens eiseres ook gesteld en in het bestreden besluit is haar deze omvang van de hulp bij het huishouden door verweerder ook daadwerkelijk toegekend. Volgens eiseres volstaat deze omvang niet, maar voor dit standpunt is van de zijde van eiseres geen objectieve onderbouwing aangedragen. Weliswaar beroept eiseres zich op het rapport van Scio van 21 maart 2012, waaruit voor respectievelijk boodschappen en wasverzorging twee maal 30 minuten zou dienen te worden toegekend, toch leidt dit volgens de rechtbank niet tot de conclusie dat een uur per week meer zou moeten worden toegekend. Immers, de MO-zaak rapporteert dat slechts de zware huishoudelijke werkzaamheden – waartoe deze beide taken niet worden gerekend – zouden moeten worden gecompenseerd, wat van de zijde van eiseres in feite niet wordt weersproken. Immers, de echtgenoot van eiseres heeft blijkens het laatste rapport van de MO-zaak zelf aangegeven dat eiseres onder diens toezicht de was kan doen, dan wel daarbij kan helpen. Voorts is aangegeven dat de echtgenoot zelf de boodschappen doet, waarbij eiseres en hun beider zoon meegaan.

Voorts is het volgende relevant. Verweerder heeft aan zijn besluit een medisch advies van de MO-zaak ten grondslag gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit medisch advies, dat tot de omvang van drie uur strekt, op voldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen. De enkele weersprekingen van onderdelen daarvan door de echtgenoot van eiseres zijn onvoldoende om anders over dit advies – en in het verlengde daarvan over het bestreden besluit – te oordelen. Er is derhalve voor de periode tot 1 januari 2013 naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om ervan uit te gaan dat de toegekende omvang van de hulp bij het huishouden voldoende moet zijn.

Voor de periode die is ingegaan op 1 januari 2013 komt daar nog het volgende argument bij. In het jaar 2013 geldt dat zowel eiseres als haar zoon in verband met hun indicaties voor langdurig verblijf jegens het zorgkantoor aanspraak kunnen maken op een verhoging van hun pgb’s op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) met een bedrag van € 3.332,-- voor de kosten van huishoudelijke hulp. Zij zijn immers beiden te kenschetsen als een budgethouder die niet verblijft in een instelling. Weliswaar betekent deze toekenning binnen het toetsingskader van de verantwoording van de AWBZ niet méér dan dat de inkoop van hulp bij het huishouden uit dit extra budget is toegestaan (en dus niet verplicht), toch is dit gegeven volgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) relevant bij de uitvoering van de Wmo. Eiseres wordt volgens de CRvB geacht om binnen de context van de Wmo van dit bedrag hulp bij het huishouden in te kopen. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van de CRvB van 5 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA2974).

Verweerder heeft weliswaar niet onderzocht hoeveel hulp bij het huishouden naar de in de gemeente Arnhem geldende pgb-tarieven hiervan naar verwachting door eiseres en haar zoon concreet moet kunnen worden ingekocht, het is de rechtbank ambtshalve bekend dat men hiervan bij een gemiddeld pgb-tarief geacht kan worden circa drie uur per week in te kunnen kopen. Aangezien zowel eiseres als haar zoon beschikken over een dergelijke toekenning op grond van de bedoelde AWBZ-beleidsregel heeft verweerder terecht gewezen op de relevantie hiervan voor het onderhavige geschil, nu de rechtbank het er gezien het voorgaande voor moet houden dat hiermee naar verwachting circa zes uur per week (extra) moet kunnen worden ingekocht, naast de aan haar door verweerder reeds toegekende drie uur per week. Daarmee is door verweerder ruimschoots voldaan aan de zijdens eiseres in geding als noodzakelijk beschouwde vier uur per week. Extra compensatie – naast de toegekende drie uur per week – is daarmee terecht door verweerder, nog los van de uit het medische advies blijkende noodzaak van niet meer dan drie uur per week, ook om die reden als niet noodzakelijk aangemerkt.

Het bestreden besluit kan de rechterlijke toets doorstaan.

5.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Lankamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.