Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4378

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
05/986001-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Werkstraf voor valsheid in geschrift door divisiedirecteur bouwbedrijf.

Na aanvang van terechtzitting gesloten schikkingsovereenkomst geen grond voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/986001-10

Data zittingen : 26 augustus 2010, 30 juni 2011, 17 november 2011, 24 oktober 2013

Datum uitspraak : 7 november 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [1938] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsman : mr. R.W.J. Kerckhoffs, advocaat te Breda.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 april 2000 tot en met 31 december 2002, te Heilig Landstichting en/of Soest, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer vals(e) factu(u)r(en), als ware die factu(u)r(en) echt en onvervalst, te weten

- een factuur ter grootte van NLG 500,00, factuurnummer 2020, gedateerd 26-04-2000, gericht aan [bedrijf 1], (bijlage D-031), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 900,00, factuurnummer 2001/103, gedateerd 10 april 2001 geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-032), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 900,00, factuurnummer 2001/103, gedateerd 9 mei 2001 geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-033), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 1.000,00, factuurnummer 2001/126, gedateerd 12 juni 2001 geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-034), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 1.000,00 factuurnummer 2001/047, gedateerd 3 juli 2001 geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-035), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 500,00, factuurnummer 2001/978, gedateerd 13 augustus 2001, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-036) en/of

- een factuur ter grootte van NLG 500,00, factuurnummer 2001/980, gedateerd 27 augustus 2001, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-037), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 500,00, factuurnummer 2001/990, gedateerd 18 september 2001, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-038), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 1.000,00, factuurnummer 2001/991, gedateerd 18 september 2001, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-039), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 750,00, factuurnummer 2001/1219, gedateerd 19 december 2001, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-040), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 460,00, factuurnummer 2002/0108, gedateerd 8 januari 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-041), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 230,00, factuurnummer 2002/0130, gedateerd 30 januari 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-042), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 240,00, factuurnummer 2002/0213, gedateerd 13 februari 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-043), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 240,00, factuurnummer 2002/0304, gedateerd 4 maart 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-044), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 240,00, factuurnummer 2002/0327, gedateerd 27 maart 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-045), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 240,00, factuurnummer 2002/0417, gedateerd 17 april 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-046), en/of

- een factuur ter grootte van EUR 360,00, factuurnummer 2002/0513, gedateerd 13 mei 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-047),

(telkens) (schijnbaar) afkomstig van [bedrijf 2] te Amsterdam, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, bestaande dat gebruikmaken in het (telkens) overleggen van die factu(u)r(en) aan [bedrijf 1], en bestaande die valsheid of vervalsing hierin, dat op die factu(u)r(en) de bedrijfsnaam [bedrijf 2] is vermeld, althans dat de bedrijfsnaam op die factu(u)r(en) niet overeenkomt met de werkelijkheid, en/of dat op die factu(u)r(en) als omschrijving staat vermeld "Voor verrichte juridische dienstverlening", althans dat de omschrijving(en) van het geleverde

op die factu(u)r(en) niet overeenkomt met de werkelijkheid;

2.

hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 september 1998 tot en met 20 september 1999, te Ravels, althans in België en/of Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, één of meer factu(u)r(en), te weten

- een factuur ter grootte van NLG 42.252,00, factuurnummer 485, gedateerd 21-09-1998, (bijlage D-058), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 10.890,00, factuurnummer 508, gedateerd 02-09-1999, (bijlage D-059), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 16.348,77, factuurnummer 509, gedateerd 08-09-1999, (bijlage D-060), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 3.672,00, factuurnummer 510, gedateerd 20-09-1999, (bijlage D-061),

(telkens) afkomstig van [bedrijf 3] te Aarschot en geadresseerd aan [bedrijf 4], (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken of vervalst en/of doen vervalsen, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, op een of meer van die factu(u)r(en) (telkens) een valse omschrijving vermeld en/of doen vermelden, met het oogmerk om die factu(u)r(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

[bedrijf 3], op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 september 1998

tot en met 20 september 1999, te Ravels, althans in België en/of Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, één of meer factu(u)r(en), te weten

- een factuur ter grootte van NLG 42.252,00, factuurnummer 485, gedateerd 21-09-1998, (bijlage D-058), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 10.890,00, factuurnummer 508, gedateerd 02-09-1999, (bijlage D-059), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 16.348,77, factuurnummer 509, gedateerd 08-09-1999, (bijlage D-060), en/of

- een factuur ter grootte van NLG 3.672,00, factuurnummer 510, gedateerd 20-09-1999, (bijlage D-061),

(telkens) afkomstig van [bedrijf 3] te Aarschot en geadresseerd aan [bedrijf 4], (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken of vervalst en/of doen vervalsen, immers heeft [bedrijf 3] tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, op een of meer van die factu(u)r(en) (telkens) een valse omschrijving vermeld en/of doen vermelden, met het oogmerk om die factu(u)r(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken, terwijl hij, verdachte, tot dit strafbare feit opdracht heeft gegeven, dan wel

aan deze verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

3.

hij, op of omstreeks 21 oktober 1996, te Ravels, althans in België en/of Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een factuur ter grootte van NLG 31.250, afkomstig van [bedrijf 5], factuurnummer 71008, gedateerd 21 oktober 1996 en gericht aan [bedrijf 1] (bijlage D-055), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen

opmaken of vervalst en/of doen vervalsen, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, op die factuur een valse omschrijving vermeld en/of doen vermelden, met het oogmerk om die factuur als echt en onvervalst te gebruiken

of door anderen te doen gebruiken;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

[bedrijf 5], op of omstreeks 21 oktober 1996, te Ravels, althans in België en/of Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een factuur ter grootte van NLG 31.250, afkomstig van [bedrijf 5], factuurnummer 71008, gedateerd 21 oktober 1996 en gericht aan [bedrijf 1] (bijlage D-055), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken of vervalst en/of doen vervalsen, immers heeft [bedrijf 5] tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, op die factuur een valse omschrijving vermeld en/of doen vermelden, met het oogmerk om die factuur als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl hij, verdachte, tot dit strafbare feit opdracht heeft gegeven, dan wel aan deze verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

4.

hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 december 2000 tot en met 31 januari 2002, te Naarden en/of Soest, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, één of meer(kopie)factu(u)r(en), te weten

- een (kopie)factuur [bedrijf 6] ter grootte van NLG 6.575,32 invoice 18141, gedateerd 29/12/2000, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-090), en/of

- een (kopie)factuur [bedrijf 6] ter grootte van NLG 6.946,00, (copy of) invoice 1001842, gedateerd 06/02/2001, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-089), en/of

- een (kopie)factuur [bedrijf 6] ter grootte van EUR 5.430,00, invoice 2001684, gedateerd 31/01/2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-087),

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken of vervalst en/of doen vervalsen, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, op een of meer van die (kopie-)factu(u)r(en) (telkens) een valse omschrijving vermeld of doen vermelden, met het oogmerk om die (kopie)factu(u)r(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te

doen gebruiken;

althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling leidt:

[bedrijf 6], op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 december 2000 tot en met 31 januari 2002, te Naarden en/of Soest, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, één of meer factu(u)r(en), te weten

- een (kopie)factuur [bedrijf 6] ter grootte van NLG 6.575,32, invoice 18141, gedateerd 29/12/2000, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-090), en/of

- een (kopie)factuur [bedrijf 6] ter grootte van NLG 6.946,00, (copy of) invoice 1001842, gedateerd 06/02/2001, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-089), en/of

- een (kopie)factuur [bedrijf 6] ter grootte van EUR 5.430,00, invoice 2001684, gedateerd 31/01/2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], (bijlage D-087),

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken of vervalst en/of doen vervalsen, immers heeft [bedrijf 6] tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, op een of meer van die (kopie-)factu(u)r(en) (telkens) een valse omschrijving vermeld of doen vermelden, met het oogmerk om die (kopie)factu(u)r(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl hij, verdachte, tot dit strafbare feit opdracht heeft gegeven, dan wel aan deze verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

5.

hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 september 2001 tot en met 18 november 2001, te Heilig Landstichting en/of Soest, althans in Nederland, één of meer declaratie(s), te weten

- een declaratie [verdachte] creditkaart 01/01 september, gedateerd 18/11/2001 (bijlage D-075), en/of

- een declaratie [verdachte] creditkaart 73/01 september, gedateerd 18/11/2001 (bijlage D-077), en/of

- een declaratie [verdachte] eurocard afschrift 72, gedateerd 23/09-01 (bijlage D-079), en/of

- een declaratie [verdachte] kasuitgaven juli-augustus, gedateerd 25-9-'01 (bijlage D-081),

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) in strijd met de waarheid

aanvullingen/wijzigingen op die declaratie(s) geplaatst/aangebracht, nadat deze door [betrokkene 1], (voor akkoord) was/waren ondertekend, met het oogmerk om die declaratie(s) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 24 oktober 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. Wel verschenen is verdachtes raadsman mr. R.W.J. Kerckhoffs, advocaat te Breda, uitdrukkelijk gemachtigd.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [benadeelde], (ten tijde van het indienen van de vordering) curator in het (persoonlijke) faillissement van verdachte.

De officier van justitie, mr. J.W. Bollen, heeft gerekwireerd.

Verdachtes raadsman heeft het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 3:

De pleegdatum van het onder 3 tenlastegelegde feit, valsheid in geschrift, is 21 oktober 1996.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit feit is verjaard, nu het ouder is dan 12 jaar en de verjaring niet door een daad van vervolging vóór 21 oktober 2008 is gestuit. De rechtbank zal derhalve het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van dit feit.

Ten aanzien van de overige feiten:

De verdediging voert aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging. Dit baseert zij op twee gronden.

In de eerste plaats is, zo stelt de verdediging, in maart 2008 door de officier van justitie die verantwoordelijk was voor de behandeling van de zaak Beton, ter terechtzitting bij requisitoir toegezegd dat verdachte, naast de vervolging in de zaak Beton, niet ook nog voor andere op dat moment al wel bekend zijnde vergelijkbare strafbare feiten zou worden vervolgd. De verdediging wijst daarbij op zijn opmerking dat er een klachtprocedure liep op grond van artikel 12 Strafvordering tegen de beslissing om de nadere aangiften van [bedrijf 1] ‘niet, althans nog niet’ te vervolgen. Op basis van deze uitlating mocht verdachte erop vertrouwen dat hij alléén voor de zaak Beton zou worden vervolgd. Gezien de toentertijd geldende richtlijnen voor de vervolging van fraudezaken, was, gelet op het nadeel, het treffen van een schikking bovendien aangewezen.

In de tweede plaats hebben de verdediging en het Openbaar Ministerie alsnog overeenstemming bereikt over een schikking als bedoeld in artikel 74, eerste lid, Wetboek van Strafrecht. Hiervoor was het nog niet te laat. De wet sluit immers niet uitdrukkelijk uit dat een schikking wordt getroffen, terwijl de zaak al onder de rechter is. Dit blijkt uit het woord ‘kan’ dat in het eerste lid van deze wetsbepaling wordt gebruikt. Een schikking kan worden getroffen, vóór aanvang van de zaak, maar het kan ook daarna. Nu een schikking is getroffen, is het recht op strafvervolging komen te vervallen en dient niet-ontvankelijkheid te volgen.

Het standpunt van de officier van justitie

De woorden ‘niet, althans nog niet vervolgen’ zoals gesproken door de officier van justitie in de zaak Beton dienen te worden beoordeeld in het licht van de stand van zaken van dat moment. Het Openbaar Ministerie zag zich geconfronteerd met aangiften van [bedrijf 1] tegen verdachte, die elkaar opvolgden en die elkaar – voor een klein deel – overlapten. Het overgrote deel van de feiten die nu op de dagvaarding van verdachte staan, was tijdens de behandeling van de zaak Beton nog niet bekend. De uitlating van de toenmalig officier van justitie kan hierop dus geen betrekking hebben.

Het is juist dat in deze zaak een schikking is getroffen tussen verdachte en het Openbaar Ministerie. Artikel 74, eerste lid, Wetboek van Strafrecht biedt hiervoor echter formeel geen ruimte meer, nu het onderzoek ter zitting al is aangevangen. De nadere getuigenverhoren, de afwikkeling van de civiele zaak tussen verdachte en aangever [bedrijf 1] en de persoonlijke omstandigheden van verdachte geven het Openbaar Ministerie echter aanleiding om niettemin een schikking te treffen en van verdere vervolging af te zien. Het Openbaar Ministerie vraagt de rechtbank dan ook het Openbaar Ministerie, gelet op de schikking en de achtergrond daarvan, niet-ontvankelijk te verklaren. Indien de rechtbank dat nodig acht, kan zij het handelen van het Openbaar Ministerie, te weten het sluiten van een schikking in dit stadium van het geding, opvatten als handelen in strijd met de algemene beginselen van een goede procesorde. Niet-ontvankelijkverklaring in de vervolging is de sanctie die hierop dient te volgen.

Beoordeling door de rechtbank

I. Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel

Bij tussenvonnis van 1 december 2011 heeft de rechtbank de officier van justitie een aantal vragen gesteld met betrekking tot de gevoerde artikel 12-procedure(s) en de aangifte(n) die hieraan ten grondslag lag(en). Bij brief van 12 april 2012, met bijlagen, heeft mr. H. Dijkstra, destijds officier van justitie in de zaak Beton, deze vragen beantwoord.
Onweersproken is dat de zaak Beton een fiscale zaak betrof, waarin de gedragingen van verdachte binnen zijn arbeidsverhouding met [bedrijf 1] niet aan de orde waren. Uit de brief van mr. Dijkstra, en de onderliggende stukken, blijkt dat er in 2008 een groot aantal zaken speelden. Door [bedrijf 1] zijn meerdere aangiften gedaan, die het Openbaar Ministerie niet allemaal (tegelijk) in onderzoek heeft willen nemen. Daartegen heeft [bedrijf 1] klachten ingediend op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering. De rechtbank begrijpt de opmerking ‘niet, althans nog niet vervolgen’ aldus dat de officier van justitie een grens trekt. De feiten waarvan – los van de zaak Beton – ook nog aangifte is gedaan, zullen niet in het kader van de zaak Beton worden onderzocht of vervolgd. De rechtbank volgt hiermee de stelling van de officier van justitie dat de uitlating van mr. Dijkstra in de context van de zaak Beton dient te worden bekeken.
Hiervoor is naar het oordeel van de rechtbank ook redengevend dat het merendeel van de feiten die nu op de tenlastelegging van verdachte staan, afkomstig is uit de nadere aangifte van [bedrijf 1] van 18 juni 2008. Deze aangifte dateert van na het requisitoir in de zaak Beton en daar kan de uitlating van mr. Dijkstra dus geen betrekking op hebben gehad.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat een schikking op basis van de toentertijd geldende richtlijn aangewezen was. Er was sprake van een fors aantal verdenkingen, waar niet in alle gevallen een benadelingsbedrag aan was te koppelen.

De conclusie is dat dit niet-ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.

II. Ten aanzien van de getroffen schikking

Bij brief van 20 augustus 2013 heeft de raadsman van verdachte de rechtbank bericht dat tussen verdachte en de officier van justitie alsnog een schikking is getroffen. Deze schikking houdt in dat verdachte, ter voorkoming van verdere strafvervolging een taakstraf voor de duur van 120 uren zal verrichten. De transactie zal worden geregistreerd voor artikel 225 Wetboek van Strafrecht.

Artikel 74, eerste lid, Wetboek van Strafrecht bepaalt het volgende:

De officier van justitie kan voor de aanvang van de terechtzitting een of meer voorwaarden stellen ter voorkoming van de strafvervolging wegens misdrijven, met uitzondering van die waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van meer dan zes jaar, en wegens overtreding. Door voldoening aan die voorwaarden vervalt het recht tot strafvervolging.

Zoals blijkt uit de tekst van deze wetsbepaling bestaat de bevoegdheid van de officier van justitie tot het aanbieden van een transactie vóór de aanvang van de terechtzitting. Is de zaak eenmaal onder de rechter, dan bestaat die mogelijkheid niet meer. De toelichting bij dit artikel en de bestaande jurisprudentie wijzen niet in een andere richting. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het woord ‘kan’ niet worden afgeleid dat een schikking ook op een ander moment dan vóór de aanvang van de terechtzitting kan worden aangeboden. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot zijn eigen niet-ontvankelijk verklaring, omdat het Openbaar Ministerie door het aangaan van de schikking heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van een goede procesorde.

Voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie is, gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot dit artikel, alleen dan plaats indien de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan (Zwolsman-criterium). In de zaak van verdachte is tussen verdachte en de officier van justitie een schikking getroffen, op een moment dat dat volgens de wet niet meer mogelijk was. Dat is op zichzelf een schending van een wettelijk strafvorderlijk voorschrift. Deze schending brengt echter niet met zich dat verdachte doelbewust of met grove veronachtzaming van zijn belangen is tekortgedaan in zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Immers, de door verdachte gevraagde getuigen zijn gehoord en verdachte zelf is uitvoerig in de gelegenheid gesteld om zijn visie op het gebeurde te geven. De rechtbank begrijpt de stellingen van verdachte zelfs zo, dat het mogelijk was om de in discussie zijnde schikking te treffen, vanwege de uitgebreide en zorgvuldige behandeling van de zaak door de rechtbank. Op deze grond kan de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie dan ook niet volgen.

Voor de volledigheid zal de rechtbank nagaan of er sprake is van een zodanige schending van het vertrouwensbeginsel dat het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De officier van justitie heeft aangevoerd dat dat niet het geval is. Hij heeft zijn voornemen tot het aangaan van de schikking besproken met zijn parketleiding, die daarmee heeft ingestemd. De schikking is echter uitdrukkelijk aangegaan onder het voorbehoud dat de rechtbank deze gang van zaken zou moeten goedkeuren, door het Openbaar Ministerie daadwerkelijk niet-ontvankelijk te verklaren. De verdediging heeft daar tegenover gezet dat, nu de parketleiding met het aangaan van de schikking heeft kunnen instemmen, verdachte het oordeel van de rechtbank op dit punt met vertrouwen tegemoet mocht zien.

De raadsman van verdachte is vrijwel vanaf het begin van de procedure bij deze zaak betrokken geweest. Hij is bij vrijwel alle (nadere) getuigenverhoren aanwezig geweest en is bekend met het gewezen tussenvonnis. Bij deze stand van zaken, en gezien zijn juridisch geschoolde achtergrond, is de rechtbank ervan overtuigd dat hij bij het aangaan van de schikking tussen verdachte en de officier van justitie wist dat het de rechtbank was die de zaak zou moeten bezegelen, door niet-ontvankelijkverklaring uit te spreken. Eveneens is de rechtbank ervan overtuigd dat hij dit met zijn cliënt heeft besproken en mocht hij dat niet hebben gedaan, dan geldt dat hij dat had moeten doen. Er is geen reden om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren wegens schending van het vertrouwensbeginsel.

De verdediging en de officier van justitie hebben beiden te kennen gegeven, zeker in omvangrijke fraudezaken, behoefte te hebben aan de mogelijkheid van het treffen van een schikking in het strafrecht, ook in de situatie dat de terechtzitting reeds een aanvang heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat het aan de wetgever is om deze mogelijkheid, indien gewenst, te geven. De huidige stand van zaken is, dat dat niet mogelijk is. In de zaak van verdachte is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging en de zaak zal inhoudelijk worden beoordeeld.

3. De beslissing inzake het bewijs 1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. In de periode van 26 april 2000 tot en met 31 december 2002 heeft verdachte, toen divisiedirecteur Industrie en Toelevering bij [bedrijf 1] te Soest, 17 facturen van [bedrijf 2] te Amsterdam, ingediend bij en laten betalen door [bedrijf 1]2.

Het betrof de volgende facturen (tussen haakjes het bijlagenummer in het dossier)3:

- een factuur ter grootte van NLG 500,00, factuurnummer 2020, gedateerd 26-04-2000, (bijlage D-031);

- een factuur ter grootte van NLG 900,00, factuurnummer 2001/103, gedateerd 10 april 2001, (bijlage D-032);

- een factuur ter grootte van NLG 900,00, factuurnummer 2001/103, gedateerd 9 mei 2001, (bijlage D-033);

- een factuur ter grootte van NLG 1.000,00, factuurnummer 2001/126, gedateerd 12 juni 2001, (bijlage D-034);

- een factuur ter grootte van NLG 1.000,00 factuurnummer 2001/047, gedateerd 3 juli 2001, (bijlage D-035);

- een factuur ter grootte van NLG 500,00, factuurnummer 2001/978, gedateerd 13 augustus 2001, (bijlage D-036);

- een factuur ter grootte van NLG 500,00, factuurnummer 2001/980, gedateerd 27 augustus 2001, (bijlage D-037);

- een factuur ter grootte van NLG 500,00, factuurnummer 2001/990, gedateerd 18 september 2001, (bijlage D-038);

- een factuur ter grootte van NLG 1.000,00, factuurnummer 2001/991, gedateerd 18 september 2001, (bijlage D-039);

- een factuur ter grootte van NLG 750,00, factuurnummer 2001/1219, gedateerd 19 december 2001, (bijlage D-040);

- een factuur ter grootte van NLG 460,00, factuurnummer 2002/0108, gedateerd 8 januari 2002, (bijlage D-041);

- een factuur ter grootte van NLG 230,00, factuurnummer 2002/0130, gedateerd 30 januari 2002, (bijlage D-042);

- een factuur ter grootte van NLG 240,00, factuurnummer 2002/0213, gedateerd 13 februari 2002, (bijlage D-043);

- een factuur ter grootte van NLG 240,00, factuurnummer 2002/0304, gedateerd 4 maart 2002, (bijlage D-044);

- een factuur ter grootte van NLG 240,00, factuurnummer 2002/0327, gedateerd 27 maart 2002, (bijlage D-045);

- een factuur ter grootte van NLG 240,00, factuurnummer 2002/0417, gedateerd 17 april 2002, (bijlage D-046);

- een factuur ter grootte van EUR 360,00, factuurnummer 2002/0513, gedateerd 13 mei 2002, (bijlage D-047);

Op eerstgenoemde factuur staat vermeld dat het een factuur voor “verrichte diensten divers” betrof, op de andere facturen stond dat het facturen voor “juridische dienstverlening” betrof.4

In werkelijkheid waren de facturen afkomstig van een escortbureau, voor verrichte seksuele diensten. Verdachte was van dat laatste op de hoogte.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het feit heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak. Zij voert daartoe aan dat [bedrijf 1], onder meer in de persoon van financieel directeur [betrokkene 1], op de hoogte was van de omstandigheid dat de facturen in werkelijkheid seksuele diensten betroffen en dat daarom niet is voldaan aan het criterium van misleiding, vereist voor een succesvolle vervolging van valsheid in geschrift.

Beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten blijkt dat verdachte facturen van het bedrijf [bedrijf 2] voorhanden heeft gehad, waarop een omschrijving van geleverde diensten stond, die niet overeenkomstig de werkelijk geleverde diensten was. Immers, op de facturen stond vermeld ‘divers’ of ‘juridische dienstverlening’, terwijl in werkelijkheid escortservice was verleend. Verdachte wist dit, en hij wist ook dat de facturen in de boekhouding van [bedrijf 1] werden opgenomen, ter verantwoording van de financiële transacties van het bedrijf. Verdachte wist dus dat de geschriften vals waren – namelijk niet in overeenstemming met de werkelijkheid – en dat zij bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen. Hiermee is het opzet van verdachte gegeven. Verdachte heeft aangevoerd dat [bedrijf 1] hiervan op de hoogte was. Deze manier van werken, waarbij relaties werden gefêteerd en waarbij ook escortdiensten werden verstrekt indien gewenst, paste binnen de toenmalige bedrijfscultuur en werd algemeen aanvaard. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van verdachte dat hij een sterke behoefte voelt om de aan hem gemaakte verwijten in een context te plaatsen – los van de vraag of de door verdachte geschetste context de juiste is. Strikt genomen doet die context bij de beoordeling van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen echter niet ter zake. Naar het oordeel van de rechtbank is het gebruik van valse facturen in het maatschappelijk verkeer misleidend. Daarvan kan in dit geval zeker gesproken worden, nu de facturen niet uitsluitend voor intern gebruik bedoeld zijn, maar ook voor bijvoorbeeld de belastingdienst of de accountant. Indien het gebruik van valse facturen onderdeel zou zijn geweest van de bedrijfscultuur van [bedrijf 1], dan ontsloeg dit verdachte niet van zijn eigen verantwoordelijkheid de wet na te leven.

De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij, op tijdstippen in de periode van 26 april 2000 tot en met 31 december 2002, te Soest, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse facturen, als ware die facturen echt en onvervalst, te weten

- een factuur ter grootte van NLG 500,00, factuurnummer 2020, gedateerd 26-04-2000, gericht aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 900,00, factuurnummer 2001/103, gedateerd 10 april 2001 geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 900,00, factuurnummer 2001/103, gedateerd 9 mei 2001 geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 1.000,00, factuurnummer 2001/126, gedateerd 12 juni 2001 geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 1.000,00 factuurnummer 2001/047, gedateerd 3 juli 2001 geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 500,00, factuurnummer 2001/978, gedateerd 13 augustus 2001, geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 500,00, factuurnummer 2001/980, gedateerd 27 augustus 2001, geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 500,00, factuurnummer 2001/990, gedateerd 18 september 2001, geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 1.000,00, factuurnummer 2001/991, gedateerd 18 september 2001, geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 750,00, factuurnummer 2001/1219, gedateerd 19 december 2001, geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 460,00, factuurnummer 2002/0108, gedateerd 8 januari 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 230,00, factuurnummer 2002/0130, gedateerd 30 januari 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 240,00, factuurnummer 2002/0213, gedateerd 13 februari 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 240,00, factuurnummer 2002/0304, gedateerd 4 maart 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 240,00, factuurnummer 2002/0327, gedateerd 27 maart 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van NLG 240,00, factuurnummer 2002/0417, gedateerd 17 april 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], en

- een factuur ter grootte van EUR 360,00, factuurnummer 2002/0513, gedateerd 13 mei 2002, geadresseerd aan [bedrijf 1],

telkens afkomstig van [bedrijf 2] te Amsterdam, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, bestaande dat gebruikmaken in het (telkens) overleggen van die factu(u)r(en) aan [bedrijf 1], en bestaande die valsheid hierin, dat op die facturen als omschrijving staat vermeld "Voor verrichte juridische dienstverlening", althans dat de omschrijving(en) van het geleverde

op die factu(u)r(en) niet overeenkomt met de werkelijkheid.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In 1995 heeft [bedrijf 1] een steengroeve in Yvoir gekocht van de [bedrijf 5], gevestigd te Ravels (België). De gesprekken over die transactie werden hoofdzakelijk gevoerd tussen verdachte en [betrokkene 2], de algemeen directeur en eigenaar van de [bedrijf 5].6

In de administratie van [bedrijf 4] is een viertal facturen aangetroffen van [bedrijf 3], een onderdeel van de [bedrijf 5], aan [bedrijf 4], een onderdeel van [bedrijf 1], te weten:

- een factuur ter grootte van NLG 42.252,00, factuurnummer 485, gedateerd 21-09-1998;

- een factuur ter grootte van NLG 10.890,00, factuurnummer 508, gedateerd 02-09-1999;

- een factuur ter grootte van NLG 16.348,77, factuurnummer 509, gedateerd 08-09-1999;

- een factuur ter grootte van NLG 3.672,00, factuurnummer 510, gedateerd 20-09-1999.

Verdachte was directeur van [bedrijf 4]7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het feit heeft gepleegd. Volgens de officier van justitie heeft verdachte de facturen vervalst door privé-uitgaven voor hem zelf met een valse aanduiding door [bedrijf 5] aan [bedrijf 4] te laten factureren. Dit was onderdeel van de afspraak die hij met [bedrijf 5] had gemaakt, en waardoor de verkoop uiteindelijk is doorgegaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak en voert daartoe -kort gezegd- het volgende aan:

  • -

    de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [bedrijf 5] zijn op punten tegenstrijdig. Voorts zijn ze niet betrouwbaar, omdat het over feiten gaat die lang geleden hebben plaatsgevonden;

  • -

    uit niets blijkt dat de facturen vals zijn. De zich in het dossier bevindende kostenoverzichten zijn niet betrouwbaar;

  • -

    ook indien het valse facturen betreft, blijkt uit het dossier niet dat het verdachte is geweest die ze heeft vervalst of doen vervalsen.

Beoordeling door de rechtbank

Getuige [getuige 1] heeft in een brief aan de advocaat van [bedrijf 1] onder meer het volgende verklaard met betrekking tot de facturen:

Van eind 1994 tot eind 1999 was [getuige 1] financieel directeur van de [bedrijf 5]. Toen [bedrijf 5] in 1995 een steengroeve aan [bedrijf 1] verkocht, liepen de gesprekken hierover tussen [bedrijf 5] en verdachte. Vanaf oktober 1995 tot eind 1999 wist verdachte [bedrijf 5] ervan te overtuigen om voor circa 100.000 euro allerlei privékosten van verdachte te accepteren als kosten voor één van zijn ([bedrijf 5]) vennootschappen, deze kosten te groeperen en met een vage omschrijving valselijk door te factureren aan bedrijven uit de [bedrijf 1]. Verdachte zou die valse facturen namens [bedrijf 1] accorderen en voor betaling namens [bedrijf 1] zorgdragen. Verdachte maakte kosten op naam van [bedrijf 5] en verwittigde [bedrijf 5] naderhand. [bedrijf 5] noemde het gedrag van [verdachte] “ziekelijk kleptomanisch”.8

Naar aanleiding van de verklaringen van [getuige 1] is [bedrijf 5] als getuige gehoord door de rechter-commissaris. [bedrijf 5] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de verklaring van [getuige 1], zoals hierboven beschreven, correct is.9

[getuige 1] heeft zijn verklaring later tegenover de FIOD-ECD herhaald.10

Met betrekking tot de facturen op de tenlastelegging verklaart hij:

- D-058 (Hfl. 42.252 voor Verhuur van diverse mallen onderzoekkamers met verschillende hoekverdraaiingen): dit is ook een factuur die verband houdt met kosten van [verdachte]. Deze mallen bestaan wel maar worden nooit verhuurd. De omschrijving op deze factuur is verzonnen.11

  • -

    D-059 (Hfl. 10.890,- voor Levering van 1000 klimijzers): dat is ook een van de facturen met betrekking tot het doorbelasten van de kosten van [verdachte]. Klimijzers worden bij [bedrijf 3] wel gebruikt. Het is niet waarschijnlijk dat [bedrijf 3] die zou doorverkopen aan een derde bedrijf. De omschrijving op deze factuur is dan ook verzonnen.

  • -

    D-060 (Hfl 16.348,77 voor Huur mal voor Belgische onderzoekschouwen conform Benor-norm 101-154: deze herken ik ook, dat is een factuur die verband houdt met de kosten van [verdachte]. Ook in dit geval is de omschrijving verzonnen. Er is geen mal verhuurd aan [bedrijf 4]

  • -

    D-061 (Hfl. 3.672,- voor Levering van rubberringen dia 40): herken ik ook. Ook hier is de omschrijving verzonnen. [bedrijf 3] heeft die ringen niet aan [bedrijf 4] geleverd.

Getuige [getuige 1] heeft voorts verklaard dat op verzoek van [bedrijf 5] lijsten zijn bijgehouden van de kosten die [bedrijf 5] ten behoeve van verdachte had gemaakt. Deze overzichten bevinden zich in het dossier.12

Getuige [getuige 2], administrateur bij [bedrijf 4], voorheen [bedrijf 4], heeft verklaard dat toen hij de facturen zag, het hem opviel dat de paraaf van verdachte op de facturen stond, wat nooit voorkomt, omdat verdachte nooit facturen bij [bedrijf 4] aftekende. 13

Dat verdachte privérekeningen door [bedrijf 5] liet betalen, is verder bevestigd door getuige [getuige 3], voormalig secretaresse van verdachte, die heeft verklaard dat verdachte een rekening van een uitje van zijn golfclub door [bedrijf 5] vennootschap [bedrijf 7] liet betalen.14

Gelet op de genoemde verklaringen acht de rechtbank bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde facturen zijn vervalst door verdachte, in samenwerking met [bedrijf 5].

De stelling van de verdediging dat bij [bedrijf 5] en [getuige 1] het tijdsverloop de herinneringen heeft vervormd, acht de rechtbank onaannemelijk, gelet op de aard van de feiten, de gedetailleerde verklaringen en de door [getuige 1] bijgehouden lijsten. [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij alles wat verdachte aanging zo bijzonder vond, dat het hem is bijgebleven.15 Anders dan de verdediging twijfelt de rechtbank dan ook niet aan de betrouwbaarheid van de getuigen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

2.

Primair

hij, op tijdstippen in de periode van 21 september 1998 tot en met 20 september 1999, te Ravels, en/of Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, facturen, te weten - een factuur ter grootte van NLG 42.252,00, factuurnummer 485, gedateerd 21-09-1998, en - een factuur ter grootte van NLG 10.890,00, factuurnummer 508, gedateerd 02-09-1999, en - een factuur ter grootte van NLG 16.348,77, factuurnummer 509, gedateerd 08-09-1999, en - een factuur ter grootte van NLG 3.672,00, factuurnummer 510, gedateerd 20-09-1999, telkens afkomstig van [bedrijf 3] te Aarschot en geadresseerd aan [bedrijf 4], elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen, op meer van die facturen telkens een valse omschrijving vermeld en doen vermelden, met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Tussen 29 december 2000 en 31 januari 2002 heeft [bedrijf 1] een drietal facturen ontvangen van reisbureau [bedrijf 6] (hierna [bedrijf 6]) met betrekking tot door verdachte gemaakte reizen. Het betreft de volgende facturen:

  • -

    Een factuur ter grootte van NLG 6.575,32, invoice 18141, gedateerd 29/12/2000, met als specificatie “Beton congress Seville”;

  • -

    een factuur [bedrijf 6] ter grootte van NLG 6.946,00, (copy of) invoice 1001842, gedateerd 06/02/2001 met als specificatie “Beton congress Tenerife”;

  • -

    (kopie)factuur [bedrijf 6] ter grootte van EUR 5.430,00, invoice 2001684, gedateerd 31/01/2002, met als specificatie “inzake [omschrijving]16

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het feit heeft gepleegd. Volgens de officier van justitie hadden de door verdachte gedeclareerde reizen geen zakelijk karakter, maar betrof het privéreizen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak en voert daartoe -kort gezegd- aan dat het dossier geen bewijs bevat dat verdachte in strafrechtelijke zin betrokken is geweest bij de opstelling van de facturen die in de tenlastelegging worden genoemd. De verklaring van getuige [getuige 4] van [bedrijf 6] acht de verdediging niet betrouwbaar.

Beoordeling door de rechtbank

Getuige [getuige 4], in de tenlastegelegde periode manager zakenreizen bij [bedrijf 6], heeft als volgt verklaard: Het is wel eens voorgekomen dat [bedrijf 6] het verzoek kreeg van [verdachte], via zijn secretaresse, om te wachten met het versturen van een factuur en om die dan later met een omschrijving te versturen die afweek van de feitelijke reis. Getuige is een aantal keren op zo’n verzoek ingegaan.17

Met betrekking tot de tenlastegelegde facturen heeft de getuige als volgt verklaard, nadat hem de facturen en bijbehorende schermprints zijn getoond:

  • -

    Invoice 18148: volgens de schermprinten is dit een reis geweest voor twee personen en wel de heer en mevrouw [verdachte]. De omschrijving van de factuur 1 x 1 persoonskamer incl. ontbijt, lunch en dinner klopt niet met de schermprinten. In dit geval is de omschrijving 1 x 1 persoonskamer incl. ontbijt, lunch en dinner en de zin Beton congress Seville, 15 november 2000 op verzoek van mevrouw [getuige 3], de secretaresse van [verdachte] op de factuur opgenomen.

  • -

    Invoice 1001842: ik zie nu dat het gaat om een golftrip van de heer en mevrouw [verdachte]. Het is een reis geweest die wij ingekocht hebben bij Pin High Golf Travel. Op verzoek van de klant heb ik op de factuur vermeld dat het gaat om 1 x 1 persoonskamer incl. ontbijt, lunch en dinner. Volgens de stukken gaat het om een reis voor twee personen met alleen logies en ontbijt. Verder heb ik op verzoek van de klant nog opgenomen op de factuur Beton Congress Tenerife, februari 2001.

  • -

    Invoice 2001684: blijkens de stukken is het een privégolftrip naar Lissabon voor vijf personen geweest. Gelet op de namen op de blauwe schermprinten zijn het allemaal familieleden van elkaar. Gelet op deze stukken heb ik in opdracht van [verdachte] de kosten van de golftrip voor de vijf familieleden op deze factuur omschreven als reiskosten [omschrijving] met bestemming Lissabon.18

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om aan deze verklaring te twijfelen en heeft de verdediging ook niet aannemelijk gemaakt waarom de getuige niet betrouwbaar zou zijn.

Ter terechtzitting van 26 augustus 2010 heeft verdachte verklaard dat er vaak in het buitenland werd gegolfd door mensen uit de betonwereld, dat daarbij marktafspraken werden gemaakt en dat dit dan als congres op de rekening kwam. Dit was onderdeel van de mores bij [bedrijf 1].19

Uit de verklaringen van de getuige en de verklaring van verdachte zelf en uit de genoemde schermprints20 blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de gegevens op de in de tenlastegelegde facturen niet kloppen.

Alle genoemde facturen zijn opgemaakt voor verdachte en zijn vrouw, of voor verdachte en zijn familie. Dat er in Sevilla, Lissabon en op Tenerife betoncongressen plaatsvonden, is niet aannemelijk geworden en is ook niet anderszins gebleken. 21

Uit de verklaring van [getuige 4] blijkt ook dat [bedrijf 6] valse gegevens op de factuur zette in opdracht van verdachte, al dan niet via tussenkomst van diens secretaresse. Dat de secretaresse dit zelfstandig deed, zoals door de verdediging gesuggereerd, acht de rechtbank niet aannemelijk. Los daarvan blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij zelf de intentie had om de facturen op deze manier te laten opmaken.

Of dergelijk handelen deel uitmaakte van de mores van [bedrijf 1] is voor de beoordeling van de bewezenverklaring niet relevant. Zoals reeds bij feit 1 is overwogen, is de omstandigheid dat het gebruik van dergelijke geschriften in het maatschappelijk verkeer misleidend is leidend en heeft verdachte ook een eigen verantwoordelijkheid om de wet na te leven.

De rechtbank acht dan ook het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

4.

Primair

hij, op tijdstippen in de periode van 29 december 2000 tot en met 31 januari 2002, te Naarden en/of Soest, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) (kopie)facturen te weten - een (kopie)factuur [bedrijf 6] ter grootte van NLG 6.575,32, invoice 18141, gedateerd 29/12/2000, geadresseerd aan [bedrijf 1], en/of - een (kopie)factuur [bedrijf 6] ter grootte van NLG 6.946,00, (copy of) invoice 1001842, gedateerd 06/02/2001, geadresseerd aan [bedrijf 1], en/of - een (kopie)factuur [bedrijf 6] ter grootte van EUR 5.430,00, invoice 2001684, gedateerd 31/01/2002, geadresseerd aan [bedrijf 1], zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken

immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) op die (kopie-)facturen telkens een valse omschrijving doen vermelden, met het oogmerk om die (kopie)facturen als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde

De rechtbank acht dit feit niet wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier niet worden afgeleid dat de bijschrijvingen die verdachte op de in de tenlastelegging genoemde declaraties heeft aangebracht geen werkelijke onkosten zijn geweest en dus vals zijn. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2 primair en feit 4 primair telkens:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 4 primair en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 120 uren werkstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De verdediging heeft ten aanzien van een op te leggen straf verzocht artikel 9a Sr toe te passen. Verdachte heeft al zeer veel negatieve gevolgen van de (straf)zaak ondervonden. Verdachte is persoonlijk en zakelijk failliet verklaard en de vervolging van verdachte heeft in de pers veel aandacht gekregen. Daarnaast is er veel tijd verstreken sinds de zaak aan het rollen is gekomen en verdachte is inmiddels op leeftijd.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie van verdachte, gedateerd 25 juni 2013.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

In het bijzonder heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende.

Verdachte heeft derden aangezet tot het plegen van valsheid in geschrift, waarna verdachte valse facturen in de boekhouding heeft laten opnemen. Aldus was de fraude er onder meer op gericht kosten die in de privésfeer werden gemaakt, valselijk als kosten van de onderneming op te voeren en aldus werden privékosten door de onderneming vergoed. Verdachte had bovendien moeten weten hoeveel belang er in het economische verkeer, onder meer door de belastingdienst, aan de waarheidsgetrouwheid van dergelijke geschriften, die ook een bewijsbestemming hebben, wordt toegekend.

Niet kan worden uitgesloten, verschillende getuigenverklaringen wijzen in die richting, dat de bewezenverklaarde feiten plaatsvonden in een bedrijfscultuur waarin handelen als bewezenverklaard (onder bestuurders) tot op zekere hoogte normaal was, dan wel werd geaccepteerd of getolereerd. Dit neemt echter de laakbaarheid van verdachtes handelen niet weg. Verdachtes handelen is maatschappelijk onaanvaardbaar. Bovendien heeft verdachte door zijn handelen ook actief bijgedragen aan de door hem geschetste (bedrijfs)cultuur, waar hij als bestuurder juist het goede voorbeeld had moeten geven.

Een en ander zou oplegging van een vrijheidsbenemende straf van enige duur zonder meer rechtvaardigen.

De rechtbank houdt ten gunste van verdachte rekening met het feit dat onderhavige procedure lang heeft geduurd. Bovendien is verdachte na het aan het licht komen van verschillende, deels met de strafzaak samenhangende kwesties, zijn vermogen kwijtgeraakt en is hij persoonlijk failliet verklaard. Verdachte is redelijk op leeftijd en zijn vrouw is ernstig ziek.

Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte ten gevolge van de aan deze zaak gegeven publiciteit - naar de rechtbank ook uit de ter terechtzitting door de verdediging overgelegde perspublicaties heeft kunnen afleiden - aanzienlijk nadeel heeft ondervonden.

De aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten brengen in het licht van al het voorgaande mee dat aan verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 90 uren moet worden opgelegd. Die werkstraf is lager dan door het openbaar ministerie gevorderd, gelet op de vrijspraak van feit 5.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde],(ten tijde van het indienen van de vordering) curator in het (persoonlijke) faillissement van verdachte, heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 60.000.000,-.

De officier van justitie is van mening dat de vordering kennelijk geen of slechts zeer ten dele betrekking heeft op de tenlastegelegde feiten en verzoekt de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering te verklaren.

De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen de tenlastegelegde feiten en de gevorderde schade en zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit.

Spreekt verdachte vrij van het onder 5 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 90 (negentig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 45 (vijfenveertig) dagen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. J.M. Klep (voorzitter), mr. J.M. Hamaker en mr. G.M.L. Tomassen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 november 2013.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de FIOD-ECD op 4 februari 2010 opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 43030, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 augustus 2010.

3 Schriftelijke bescheiden, te weten 17 facturen, p. 2158-2174.

4 Idem.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 augustus 2010.

6 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] (G3-001) p.2348-2349. Schriftelijk bescheid, te weten een schriftelijke verklaring van [getuige 1] (D-63); verklaring [bedrijf 5] bij de rechter-commissaris d.d. 8 januari 2013.

7 Schriftelijke bescheiden, te weten facturen, p. 2191-2194; proces-verbaal van verhoor [getuige 2], p. 2345; Proces-verbaal ‘[naam 2]’ p.14 onder ‘IV-2-1. Betrokken bedrijven’.

8 Schriftelijk bescheid, te weten een schrijven van [getuige 1], (D-63) p. 2196.

9 Verklaring [betrokkene 2] bij de rechter-commissaris, d.d. 8 januari 2013.

10 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1], p. 2348-2349

11 Idem, p. 2350.

12 Schriftelijke bescheiden, p.2189-2190.

13 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2], p. 2343.

14 Schriftelijk bescheid, te weten een schriftelijke verklaring van [getuige 3], p. 2255, 2256.

15 Verklaring [getuige 1] bij de rechter-commissaris d.d. 11 januari 2011.

16 Schriftelijke bescheiden, te weten facturen, p. 2251, 2253, 2254. Verklaring verdachte ter terechtzitting van 26 augustus 2010.

17 Proces-verbaal van verhoor [getuige 4], p. 2360.

18 Idem, p. 2361-2363.

19 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 augustus 2010.

20 Schriftelijke bescheiden, te weten afdrukken van een computerscherm, p. 2261-2266.

21 Proces-verbaal (AH-10) p. 2334-2335 en proces-verbaal (AH-11) p. 2336-2337.