Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4344

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
06/950831-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering van gelden van vader en oudtante en het – kort gezegd – profiteren daarvan door een echtpaar uit Nunspeet leidt tot het opleggen van voorwaardelijke gevangenisstraffen en het verrichten van werkstraffen, alsmede tot schadevergoeding aan de benadeelden van substantiële bedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer 06/950831-13

Uitspraak d.d. 5 november 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te[geboortedatum],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 oktober 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 15 september

2011 te 't Harde, gemeente Elburg en/of te Wezep, gemeente Oldebroek,

(telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld (tot een totaalbedrag van ongeveer

71.633,31 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e)

goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als door die [benadeelde 1]

tot diens spaarrekening en/of betaalrekening bij de ING bank

gemachtigde persoon, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

2.

zij in of omstreeks de periode van 01 juli 2010 tot en met 21 april 2011 te

Wezep, gemeente Oldebroek en/of 't Harde, gemeente Elburg, althans te

Nederland, (telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld (tot een totaal van

19.896,51 euro) , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e)

goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als door die [benadeelde 2] tot

haar spaarrekening en/of betaalrekening bij de Rabobank gemachtigde persoon,

onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op of omstreeks 09 oktober 2010 te Wezep, gemeente Oldebroek, een aanvraag

voor een Doorlopend Krediet bij de ING bank (ad 8.500 euro onder nummer

[nummer]) ten name van [benadeelde 1] - zijnde een geschrift dat bestemd was

om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte valselijk een handtekening geplaatst onder voormelde

aanvraag, welke handtekening moest doorgaan voor de handtekening van voormelde

[benadeelde 1] , zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding tot het onderzoek

Aanleiding voor het onderzoek was een aangifte op 21 september 2011 door de vader van verdachte terzake van door zijn dochter [verdachte] (verdachte) gepleegde diefstal/verduistering van gelden. Op diezelfde datum werd ten behoeve van een oudtante van verdachte eveneens aangifte gedaan van diefstal/verduistering. In de loop van het onderzoek is verdachte samen met haar man op 10 april 2012 in verband daarmee aangehouden.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard te volharden bij de door haar bij de politie afgelegde bekennende verklaringen ten aanzien van de feiten 1 en 2, kort gezegd inhoudende dat zij door haar vader en oudtante gemachtigd was tot het beheer van hun rekeningen en dat zij in de tenlastegelegde periode inderdaad zonder toestemming grote geldbedragen voor eigen gebruik heeft aangewend. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft verdachte aangevoerd dat zij weliswaar zelf de desbetreffende kredietaanvraag heeft opgesteld maar dat de handtekening op de bewuste aanvraag door haar vader is gezet. Zij heeft haar vader daar onder valse voorwendselen toe bewogen, aldus verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aangezien verdachte zowel bij de politie2 als ter terechtzitting3 duidelijk en ondubbelzinnig een bekennende verklaring heeft afgelegd ten aanzien van de haar onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Naast deze verklaring van verdachte is voor het bewijs voorhanden de aangifte van [benadeelde 1]4, diens klacht tot vervolging, de verklaring van de getuige[getuige]5, het relaas van verbalisant [verbalisant 1]6, de aangifte van [benadeelde 2]7 en het relaas van verbalisant [verbalisant 1]8.

De rechtbank komt op basis van het vorenstaande tot een bewezenverklaring van deze aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan. Dit feit wordt door de verdachte ten stelligste ontkend. Verdachte heeft een plausibele uitleg heeft gegeven over de wijze waarop de handtekening van haar vader, onder valse voorwendsels, op de bedoelde aanvraag terecht is gekomen. Het enkele relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (pag. 310) dat uit het dossier van de ING betreffende deze aanvraag bleek dat bij een controle door een medewerker van de ING naar voren kwam dat de handtekening afweek van de bij de ING bekende handtekening, acht de rechtbank, zonder enige nadere verklaring en toelichting van de ING, onvoldoende om te een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen. De verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 15 september

2011 te 't Harde, gemeente Elburg en/of te Wezep, gemeente Oldebroek,

(telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld toebehorende aan

[benadeelde 1], welk geld verdachte anders dan door misdrijf, te weten als door die [benadeelde 1]

tot diens spaarrekening en betaalrekening bij de ING bank

gemachtigde persoon, onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 21 april 2011 te

Wezep, gemeente Oldebroek en/of 't Harde, gemeente Elburg, althans te

Nederland, (telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld (tot een totaal van

19.896,51 euro), toebehorende aan [benadeelde 2], welk geld verdachte anders dan door misdrijf,

te weten als door die [benadeelde 2] tot haar spaarrekening en betaalrekening bij de Rabobank gemachtigde persoon, onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert de navolgende strafbare feiten op:

1.

verduistering, meermalen gepleegd;

2.

verduistering, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan een gedeelte van vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De officier heeft in haar strafafweging betrokken de ernst van de onderhavige feiten. Verdachte heeft haar vader en oudtante op slinkse wijze geld afhandig gemaakt om daarvan zelf op grote voet van te kunnen leven. Verdachte heeft haar gezin daarin meegesleurd. Tevens heeft de officier rekening gehouden met het toegevoegde leed, de richtlijnen die in dit soort zaken gelden en uitspraken die in vergelijkbare zaken zijn gedaan, alsmede met de omstandigheid dat verdachte een blanco strafblad heeft.

De verdachte heeft aangevoerd dat zij oprecht spijt heeft van hetgeen zij heeft gedaan en zij de gevolgen van haar handelen zal moeten aanvaarden.

De rechtbank acht na te melden beslissing in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft verder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een lange periode ten eigen gerieve - en dat van haar gezin - de financiële tegoeden van haar vader en oudtante aangewend. Zij heeft daarmee niet alleen financieel nadeel berokkend, maar ook in emotioneel opzicht groot leed toegebracht aan personen die haar juist dierbaar moesten zijn. Gelet op de lange duur en het berokkende nadeel is in beginsel een gevangenisstraf, zoals ook door de officier van justitie gevorderd, op zijn plaats. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om een substantiële voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en een maximale werkstraf. De redenen daarvoor zijn dat verdachte een blanco strafblad heeft, dat zij heeft aangegeven het verwerpelijke van haar handelen in te zien en oprecht lijkt in haar berouw, dat verdachte in familiair opzicht haar trekken thuis heeft gekregen en de banden met de familie zijn verbroken en dat verdachte nog lange tijd in financieel opzicht de gevolgen van haar handelen zal moeten ervaren.

Vorderingen tot schadevergoeding en/of schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding – ter terechtzitting door de raadsman van de benadeelde, mr. De Ruiter, nader aangevuld - ten bedrage van € 71.633,31 terzake de geleden materiële schade gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Tevens is door de benadeelde een bedrag van € 1.695,75 gevorderd in verband met kosten voor rechtsbijstand. Door de raadsman is aangevoerd dat uitzonderingen op het (kanton)liquidatietarief dat in het algemeen wordt gehanteerd, mogelijk is. In dit verband geldt dat extra kosten zijn gemaakt voor rechtsbijstand in verband met de kwetsbare (relationele) positie en de taalvaardigheid van [benadeelde 1].

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 20.664,75 (materieel € 20.389,75, immaterieel € 275,00) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] kan worden toegewezen tot het bedrag dat de rechtbank met betrekking tot het terzake tenlastegelegde bewezen acht. De door de benadeelde gevorderde kosten voor rechtsbijstand kunnen worden toegewezen, nu deze kosten deugdelijk zijn onderbouwd en overigens ook niet buitensporig voorkomen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] kan integraal worden toegewezen.

Beide vorderingen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente voor zover gevorderd en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vorderingen is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot na te melden bedragen schade hebben geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vorderingen zijn als zodanig niet door de verdachte betwist.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toewijzen voor zover – in lijn met de bewezenverklaring van feit 1 - de benadeling van [benadeelde 1] in relatie kan worden gebracht met de tegoeden en kredieten bij de ING bank.

De verdwenen tegoeden bij de ABN - die door de raadsman van de benadeelde partij in de vordering zijn betrokken en ook zijn meegenomen in de voordeelsberekening door de politie (p. 198 e.v. van het proces-verbaal) - blijven hierbij dus buiten beschouwing. Immers, het verwijt dat verdachte zich wederrechtelijk geld heeft toegeëigend van de ABN rekening(en) van benadeelde, maakt geen deel uit van de tenlastelegging en bewezenverklaring van de verduistering onder feit 1. Aangezien de officier van justitie er kennelijk voor heeft gekozen om een mogelijk verwijt met betrekking tot het verdwenen geld van de ABN rekening(en) niet als afzonderlijk feit ten laste te leggen, maakt onder de gegeven omstandigheden dat de vordering van de benadeelde partij op het onderdeel van ABN tegoeden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Voor het wel toe te wijzen bedrag overweegt de rechtbank als volgt.

Aansluiting wordt gezocht bij de bedragen die de politie heeft gehanteerd bij de berekening van het verkregen wederrechtelijk voordeel (pagina 198 e.v. van het dossier).

Het totaalbedrag dat in de periode 2008 t/m 2011 aan betalingen en opnames door verdachte van de ING rekening is opgenomen, bedraagt totaal € 64.048,06 (11.872,85 + 20.128,45 + 25.058,23 + 6.988,53). Daaraan moeten worden toegevoegd het totaalbedrag dat verdachte heeft uitgegeven met behulp van de ING credit card (€ 2.282,85) en het totaalbedrag dat zij zich heeft toegeëigend van het bij deze bank lopende doorlopend krediet (€ 8.192,36). Dat geeft een totaalbedrag aan opnames en betalingen van € 74.523,27.

Van dat bedrag moeten worden afgetrokken het totaalbedrag aan terugstortingen door verdachte (€ 550,00) en het totaalbedrag dat de politie aan de hand van de aangifte heeft berekend aan periodieke betalingen van verdachte aan haar vader (totaal € 8.000,00). Voor zover verdachte op dit laatste punt naar voren heeft gebracht dat zij vaker dan berekend geld aan haar vader gaf of aankopen voor hem deed, overweegt de rechtbank dat dit niet aannemelijk is geworden.

Aldus resteert een totaal schadebedrag van € 65.973,27.

De vordering zal derhalve voor dat bedrag worden toegewezen.

De door de benadeelde partij [benadeelde 1] geclaimde proceskosten (honorarium advocaat) acht de rechtbank in dit geval, afgezet tegen de benadeling en gelet op de aangevoerde bijzondere omstandigheden, niet buitensporig. Deze kosten zullen dan ook worden toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal integraal worden toegewezen, inclusief de gevorderde immateriële schade. Met betrekking tot de materiele schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de voordeelsberekening door de politie (zie onder meer het rapport van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 16 oktober 2012) waarbij ook rekening is gehouden met door verdachte teruggestorte en voor haar oudtante gepinde bedragen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de immateriële schade dat er redenen zijn voor toewijzing, aangezien in het onderhavige geval de betamelijkheidsnorm is overtreden, gezien de relationele band die er bestond tussen slachtoffer en dader en het misbruik dat verdachte heeft gemaakt van het door haar oudtante in haar gestelde vertrouwen. Dat dit psychische gevolgen heeft (gehad) voor deze hoogbejaarde vrouw is alleszins invoelbaar.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedragen ten behoeve van genoemde slachtoffers.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit telkens als:

verduistering, meermalen gepleegd;

en verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden;

 bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die werkstraf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van een bedrag van € 65.973,27, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2011 en met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding, bestaande uit de advocaatkosten ten bedrage van € 1.695,75 en de kosten van de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] voornoemd een bedrag te betalen van € 65.973,27, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2012, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 304 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 2]

[benadeelde 2] van een bedrag van € 19.896,51, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

21 april 2011 en met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de kosten van de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] voornoemd een bedrag te betalen van € 19.896,51, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2011, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 134 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Cremers, voorzitter, Kleinrensink en Gerbranda, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

5 november 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit delen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het stamproces-verbaal van de politie Regio Noord- en Oost Gelderland, District Noordwest-Veluwe, gedateerd 15 mei 2012, opgemaakt door de verbalisant brigadier [verbalisant 1] (voor zover niet anders is vermeld)

2 Verklaring verdachte, doorgenummerde dossierpag. 295, 296, 297, 301, 304, 307, 308, 312, 392, 393, 394

3 Proces-verbaal terechtzitting 22 oktober 2013

4 Aangifte/verklaring [benadeelde 1], doorgenummerde dossierpag. 63 t/m 66, 71 t/m 74

5 Verklaring [getuige], doorgenummerde dossierpag. 78 t/m 83

6 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpag. 221 en 224

7 Aangifte [benadeelde 2], doorgenummerde dossierpag. 366 t/m 369

8 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpag. 374 en 375, alsmede de daarbij behorende bijlagen, doorgenummerde dossierpag. 376 t/m 38910 en 111