Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4261

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
243567
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is voordat hij zijn vordering instelde, toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De gevorderde verklaring voor recht, voor zover deze ziet op reeds geleden materiële schade, wordt door art. 25 Fw bestreken, nu het evident is dat, indien de verklaring voor recht wordt toegewezen, hieruit slechts een vordering van de boedel en niet langer van eiser voortvloeit. Slechts de bewindvoerder mag de desbetreffende rechtsvordering instellen; eiser wordt hierin niet-ontvankelijk verklaard, nu gedaagde zich tegen het instellen van de vordering door de schuldenaar heeft verzet.

De eerst ter comparitie toegelichte mogelijkheid van toekomstige schade, te ontstaan na de schuldsaneringstermijn, is door eiser op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank deze subsidiaire stelling passeert.

Voor zover de gevorderde verklaring voor recht ziet op de immateriële schade, is eiser naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk. Deze vordering kan vanwege haar persoonlijke karakter in beginsel wel (art. 6:106 lid 2 BW) worden ingesteld door een schuldenaar op wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is (zie ook Rechtbank Rotterdam 6 februari 2008, LJN BC4272). Dit is slechts anders indien de rechthebbende zijn of haar aanspraak heeft geconcretiseerd in een vordering in rechte of overeenkomst (HR 22 november 2002, LJN AE8474). Daarvan is hier geen sprake. Gesteld noch gebleken is echter dat eiser, naast misgelopen schade-uitkeringen, ook immateriële schade heeft geleden of nog zal lijden. Om die reden dient de gevorderde verklaring voor recht, voor zover deze ziet op immateriële schade, te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/243567 / HA ZA 13-340

Vonnis van

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W.Th.G. Hegge te Eindhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TOPTEAM AGRARISCHE ASSURANTIËN BV,

gevestigd te Millingen aan de Rijn,

gedaagde,

advocaat mr. A.T. Baarsma te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en Topteam genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 juli 2013 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    de voorafgaand aan de comparitie door de advocaat van [eiser] toegezonden brief van 7 augustus 2013 met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 26 augustus 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft via Topteam, als assurantietussenpersoon, een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij ASR Schadeverzekering N.V. (hierna: “ASR”).

2.2.

Op 1 mei 2009 laat ASR per brief aan [eiser] weten dat de verschuldigde jaarpremie niet via automatische incasso kan worden afgeschreven. Deze brief vermeldt voorts, voor zover relevant:

Wij zullen een nieuwe poging doen omstreeks 18-05-2009.

(…)

Wij verzoeken u binnen 14 dagen na de datum van deze brief ervoor te zorgen dat verdere afschrijving mogelijk is. Hiermee voorkomt u dat de dekking op deze verzekering vervalt. In de voorwaarden is namelijk bepaald dat de premie uiterlijk de 30e dag nadat deze verschuldigd is voldaan moet zijn.

2.3.

Bij brief van 4 juni 2009 laat ASR aan [eiser] weten dat hij het openstaande bedrag nog niet heeft betaald. In de brief vermeldt ASR voorts, voor zover van belang:

U krijgt nog één keer de gelegenheid aan uw verplichting te voldoen. Wilt u ervoor zorgen dat uw betaling uiterlijk 17-06-2009 op onze rekening is bijgeschreven? U herstelt daarmee de dekking van de verzekering met ingang van de dag na ontvangst van uw betaling.

2.4.

[eiser] schrijft per e-mail van 22 juli 2009 aan Topteam, voor zover relevant:

Nu heb ik een incasso gekregen van Fortis omdat ik nog niet heb betaald. Ik kan mail die ik veronderstelde naar jouw gestuurd te hebben ook niet meer vinden. Het lijkt er dus op dat ik die niet verzonden heb! Zaak loopt dus een beetje vast door mijn onoplettendheid.

(…) heb ik aan jou de vraag kan jij deze zaak weer recht trekken. Ik wil graag Aov in kwartalen betalen. Ik heb tot op heden nog niks betaald. Dit is geen onwil, maar onoplettendheid. Hopelijk kan jij zaak voor me weer in orde maken.

2.5.

Op 24 juli 2009 neemt Topteam naar aanleiding van het verzoek van [eiser] telefonisch contact op met ASR. In dit gesprek wordt afgesproken dat ASR de wijziging naar kwartaalbetaling zal doorvoeren en dat ASR het (inmiddels) verschuldigde bedrag bij [eiser] zal incasseren. Desgevraagd is door ASR in dat gesprek aangegeven dat er nog wel gewoon dekking bestond. Topteam heeft de inhoud van dit gesprek met ASR doorgegeven aan [eiser].

2.6.

In september 2009 geeft ASR aan Topteam aan dat de omzetting naar kwartaalbetaling schriftelijk dient te geschieden en dat [eiser] per omgaande de achterstallige premie dient te betalen. Op 24 september 2009 heeft [eiser] de achterstallige premie voldaan aan ASR.

2.7.

Op 7 oktober 2009 meldt Topteam [eiser] arbeidsongeschikt bij ASR in verband met allergieklachten. ASR wijst bij schrijven van 2 december 2009 aansprakelijkheid af vanwege een op de schadedatum bestaande betalingsachterstand, daarbij rekeninghoudend met een reeds op 15 september 2009 door [eiser] afgelegd huisartsbezoek in verband met zijn allergieklachten.

2.8.

Op 7 oktober 2010 meldt Topteam [eiser] opnieuw arbeidsongeschikt bij ASR, ditmaal in verband met overspannenheid. [eiser] ontvangt naar aanleiding van deze ziekmelding van ASR tot op heden een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

2.9.

Topteam ontvangt op 30 maart 2011 een brief, waarin zij door [eiser] aansprakelijk wordt gesteld voor de geleden en nog te lijden schade van [eiser]. Topteam wijst daarop aansprakelijkheid van de hand.

2.10.

Op 19 september 2011 is [eiser] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, met benoeming van [naam bewindvoerder] (hierna: “de bewindvoerder”) tot bewindvoerder.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat Topteam tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht als assurantietussenpersoon, waardoor [eiser] materiële en immateriële schade heeft geleden en nog zal lijden, welke schade door Topteam dient te worden vergoed en dit vermeerderd met de rente alsmede kosten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van Topteam in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Topteam is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen hen gesloten overeenkomst van opdracht, nu Topteam niet heeft gehandeld als van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon verwacht mag worden.

3.3.

Topteam voert verweer dat, voor zover relevant, hierna aan de orde zal komen.

4 De beoordeling

4.1.

Topteam heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, aangezien ten tijde van het instellen van de dagvaarding de wettelijke schuldsaneringsregeling op [eiser] van toepassing is.

4.2.

De rechtbank overweegt dat [eiser] door de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van rechtswege de bevoegdheid om over de tot de boedel behorende goederen te beschikken, heeft verloren (art. 296 Faillissementswet (hierna: “Fw”)). Art. 313 Fw verklaart art. 25 Fw van overeenkomstige toepassing op de schuldsaneringsregeling. Art. 25 lid 1 Fw bepaalt:

Rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, worden zowel tegen als door de curator ingesteld.

Art. 25 Fw heeft betrekking op rechtsvorderingen, waarbij de boedel is betrokken. Deze bepaling dient ruim te worden uitgelegd. De gevorderde verklaring voor recht wordt door art. 25 Fw bestreken, nu - behoudens immateriële schade alsmede toekomstig te lijden schade, waarover hierna meer - het evident is dat, indien de verklaring voor recht wordt toegewezen, hieruit slechts een vordering van de boedel en niet langer van [eiser] voortvloeit, nu het aan Topteam verweten tekortschieten heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de toelating tot de schuldsanering. De rechtbank concludeert dan ook dat slechts de bewindvoerder de desbetreffende rechtsvordering mag instellen.

4.3.

Art. 25 lid 2 Fw bepaalt weliswaar dat een schuldenaar zelf een vordering kan instellen en kan procederen, maar uit HR 1 mei 1914, NJ 1914, 709 (Vecqueray en Knops/Stein) volgt dat als de gedaagde zich verzet tegen het instellen van de vordering door de schuldenaar, zoals Topteam in deze heeft gedaan, de als eisende partij optredende schuldenaar niet-ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard (zie ook Wessels Insolventierecht II, 3e druk, 2012, par. 2365 en Verstijlen 2012, (T&C In), aant. 3 bij art. 25 Fw).

4.4.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het ter comparitie door [eiser] ingenomen standpunt, dat de bewindvoerder heeft gezegd dat er met de onderhavige vordering geen boedelbelang is gemoeid, hem niet kan baten. Voor zover [eiser] hiermee bedoelt dat zijn vordering niet in de boedel valt, is deze stelling zonder nadere toelichting - die ontbreekt - onbegrijpelijk en wordt zij verworpen. Voor zover [eiser] ermee bedoelt dat de bewindvoerder toestemming heeft gegeven voor het instellen van de vordering door [eiser] in persoon, blijkt die toestemming nergens uit, zodat ook dit standpunt niet kan worden gevolgd. Het door [eiser] ingenomen standpunt volgt evenmin uit Hoge Raad 22 oktober 1993, NJ 1994, 374, dat de vraag aan de orde stelt of een beroep op art. 25 Fw heeft te gelden als een exceptie als bedoeld in art. 141 lid 2 Rv of als een verweer ten principale. [eiser] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering, voor zover de verklaring voor recht ziet op de materiële schade.

4.5.

[eiser] heeft subsidiair nog het volgende aangevoerd. De gevorderde verklaring voor recht ziet niet enkel op schade ontstaan in het eerste jaar na de schadedatum (misgelopen schade-uitkeringen in verband met arbeidsongeschiktheid vanwege allergieklachten), maar ook op mogelijk mis te lopen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de toekomst, indien de huidige dekking voor arbeidsongeschiktheid voortvloeiend uit overspannenheid komt te vervallen. De dekking met betrekking tot de allergieklachten herleeft dan immers niet. De arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft een looptijd tot 7 juni 2032. Dit houdt in, zo stelt [eiser], dat hij ook na de schuldsaneringstermijn schade kan lijden, waarop de gevorderde verklaring voor recht (dan) eveneens ziet. Om deze reden dient [eiser] ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

De rechtbank overweegt dat, mocht tot aansprakelijkheid van Topteam worden geconcludeerd, over het bestaan van schade als gevolg van de misgelopen uitkeringen met betrekking tot de allergieklachten in het eerste jaar, behoudens het eigen schuldverweer namens Topteam, tussen partijen geen discussie bestaat. De rechtbank concludeert dat [eiser] echter de eerst ter comparitie toegelichte mogelijkheid van toekomstige schade, te ontstaan na de schuldsaneringstermijn, op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Zo is door [eiser] niet duidelijk gemaakt dat de allergieklachten nog aanwezig zijn, laat staan dat dit (nog) het geval is na afloop van de schuldsaneringstermijn, in beginsel op 19 september 2014, tot het einde van de verzekering in 2032. De subsidiaire stelling wordt daarom gepasseerd.

4.6.

Voor zover de gevorderde verklaring voor recht ziet op de immateriële schade, is [eiser] naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk. Deze vordering kan vanwege haar persoonlijke karakter in beginsel wel (art. 6:106 lid 2 BW) worden ingesteld door een schuldenaar op wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is (zie ook Rechtbank Rotterdam 6 februari 2008, LJN BC4272). Dit is slechts anders indien de rechthebbende zijn of haar aanspraak heeft geconcretiseerd in een vordering in rechte of overeenkomst (HR 22 november 2002, LJN AE8474). Daarvan is hier geen sprake. Gesteld noch gebleken is echter dat [eiser], naast misgelopen schade-uitkeringen, ook immateriële schade heeft geleden of nog zal lijden. Om die reden dient de gevorderde verklaring voor recht, voor zover deze ziet op immateriële schade, te worden afgewezen.

4.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Topteam worden begroot op:

- griffierecht €  575,00

- salaris advocaat €  904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal €  1.479,00

4.8.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover deze ziet op materiële schade;

5.2.

wijst de vordering af voor zover deze ziet op immateriële schade;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Topteam tot op heden begroot op € 1.479,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Engberts en in het openbaar uitgesproken op