Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4113

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-09-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
c05249114
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voortzetting behandeling verzoek ondertoezichtstelling en machtiging gesloten jeugdzorg voor zestienjarige jongen wegens vermoedens vertrek naar Syrië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2013-0201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/249114 / JE RK 13-16594

Datum uitspraak: 2 september 2013

beschikking van de kinderrechter

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Arnhem,

hierna te noemen de Raad,

betreffende

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],

hierna ook te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige als belanghebbende aan:

mw. [naam moeder](de moeder),

wonende te[adres],

[adres].

Het verdere procesverloop

Gezien de stukken, waaronder:

- de beschikking van de kinderrechter van 15 augustus 2013;

- het proces-verbaal van bevindingen van Politie Gelderland-Midden
d.d. 21 augustus 2013 (PV-nummer: 20130821.1825);

- de ter zitting overgelegde stukken door mr. J.H. Schaap en de moeder.

Aan de minderjarige is als raadsvrouw toegevoegd, mr. J.H. Schaap te Arnhem.

Op 26 augustus 2013 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord daarbij zijn:

- de minderjarige [minderjarige], bijgestaan door mr. J.H. Schaap, advocaat te Arnhem,

- mw.[naam moeder],

- een vertegenwoordigster van de Raad,

- twee vertegenwoordigers van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland
(nader te noemen: Bureau Jeugdzorg).


Bij beschikking van 15 augustus 2013 is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld tot 15 november 2013.

Bij beschikking van 15 augustus 2013 heeft de kinderrechter tevens een voorlopige machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, met ingang van 15 augustus 2013 voor de duur van vier weken. De kinderrechter heeft de beslissing voor het overige aangehouden.

Naar aanleiding van een telefonisch contact tussen de kinderrechter en officier van justitie mr. J.E.R. Osinga is op 23 augustus 2013 een e-mailbericht ontvangen met als bijlage een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 augustus 2013 (PV-nummer: 20130821.1825).

De kinderrechter heeft ongeveer drie kwartier voor de zitting een kopie van voormeld proces-verbaal aan mr. J.H. Schaap overhandigd.



Het standpunt van de Raad

De Raad heeft ter zitting de verzoeken gehandhaafd. De Raad stelt zich op het standpunt dat gedurende het verdere onderzoek [minderjarige]binnen de gesloten jeugdzorg instelling dient te blijven, doch er wordt naar gestreefd het verblijf zo kort mogelijk te laten duren.

De inhoud van de ambtsberichten van de AIVD in combinatie met de oneigenlijke paspoortaanvraag in juli 2013 hebben ertoe geleid dat de Raad het verzoekschrift heeft ingediend. De inhoud van het voormelde proces-verbaal bevindingen d.d. 21 augustus 2013 bevestigt de vermoedens uit de ambtsberichten van de AIVD. De Raad stelt dat de dreiging dat [minderjarige]afreist naar Syrië om zich aan te sluiten bij de Jihadstrijders niet is weggenomen nu er nog steeds onduidelijkheid is over de vraag of [minderjarige]wel of niet beschikt over een Marokkaans paspoort. Daarnaast zou [minderjarige]met het vliegtuig naar Syrië reizen en niet per auto meereizen met zijn halfbroer [naam]. De Raad acht de kans dat [minderjarige]door de AIVD mogelijk is aangezien voor een ander persoon niet aanwezig omdat uit de beschikbare informatie blijkt dat er een rugzak/bagage klaarstond voor een derde persoon en omdat de naam [minderjarige]’ meerdere malen wordt genoemd door de AIVD en het OM.

De Raad maakt zich zorgen over het netwerk van [minderjarige]en de ontkenning van wetenschap over de Syriëplannen van de halfbroers. [minderjarige]en zijn gezin hebben tot nu ontkend dat zij contact (hebben) onderhouden met de halfbroer [naam] in Syrië. Daarnaast hebben de moeder en [minderjarige]niet aan de Raad gemeld dat [minderjarige]tot voor kort nog zorgelijk gedrag vertoonde op school. De Raad heeft van de school van [minderjarige]vernomen dat hij grensoverschrijdend en agressief gedrag vertoonde en dat last had van een autoriteitsprobleem. De laatste periode is het op school kennelijk rustiger geworden rond[minderjarige]. Hij heeft houvast gevonden in zijn geloof, de Islam, en is in staat tot zelfreflectie. [minderjarige]is echter nog wel beïnvloedbaar en groepsgevoelig. Voorts heeft de Raad begrepen dat[minderjarige], anders dan hijzelf stelt, zich voor komend seizoen heeft afgemeld voor voetbal en boksen.

De Raad heeft van de Horizon te Harreveld waar [minderjarige]thans verblijft vernomen dat uit een korte observatie is gebleken dat [minderjarige]moeite heeft met de gesloten plaatsing. Hij past zich desondanks aan en hij gedraagt zich goed binnen de groep. Elektronisch toezicht vanuit de Horizon voor [minderjarige]is niet mogelijk.

Het standpunt van de minderjarige

Door en namens [minderjarige]is gemotiveerd verweer gevoerd tegen de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.
Een plaatsing van [minderjarige]binnen de gesloten jeugdzorg wordt allereerst niet noodzakelijk geacht, omdat de informatie van de AIVD en het OM waar de Raad zijn verzoek op baseert niet klopt. [minderjarige]heeft nooit een vliegticket naar Syrië in bezit gehad. Het Nederlandse paspoort van [minderjarige]is bovendien in beslag genomen door de politie waardoor hij niet naar het buitenland kon afreizen. Zeker niet per vliegtuig. Mocht er al sprake zijn geweest van een dreiging van een vertrek van [minderjarige]naar Syrië is deze dreiging inmiddels weggenomen nu is gebleken dat de halfbroer van [minderjarige], [naam], en een vriend,[naam], in Duitsland zijn opgepakt. [minderjarige]wil terug naar huis, naar zijn moeder, en zijn normale leven weer oppakken op school en met voetbal en boksen.

In reactie op de onderbouwing van het verzoek van de Raad d.d. 14 augustus 2013 is ter zitting naar voren gebracht dat de Raad onjuiste conclusies heeft getrokken uit de informatie in het ambtsberichten van de AIVD en het proces-verbaal aangifte voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift. Daarnaast heeft de Raad de gegeven informatie onjuist aan elkaar verbonden. [minderjarige]weerspreekt dat hij zijn schoolboeken heeft teruggestuurd naar Van Dijk Educatie. Dit blijkt uit de ter zitting overgelegde e-mailberichten van 19 juli 2013, 13 augustus 2013 en 15 augustus 2013. Tevens blijkt uit e-mailwisseling tussen de echtgenote van halfbroer [naam],[naam], met haar oom, dat [minderjarige]op korte termijn een scooter zou krijgen van het merk Vespa. Niet valt in te zien waarom een scooter zou worden besteld als [minderjarige]van plan zou zijn naar Syrië te reizen.
is op dit moment niet in het bezit van zijn Nederlandse paspoort wegens inbeslagname door de politie. Betwist wordt dat [minderjarige]thans de beschikking heeft over een Marokkaans paspoort.

[minderjarige]heeft kennisgenomen van het voormelde proces-verbaal d.d. 21 augustus 2013. Het feit dat zijn halfbroer [naam] in Duitsland in aangehouden, is voor [minderjarige]nieuwe informatie. Hij is hiervan geschrokken omdat hij het met [naam] nooit heeft gehad over een mogelijk vertrek naar Syrië. De medeverdachte[naam] kent [minderjarige]niet. [minderjarige]is ook nog steeds geschrokken van de hem eerder bekend geworden informatie inhoudende dat zijn halfbroer[naam] in Syrië zou verblijven. [minderjarige]wist niet dat zijn halfbroers naar Syrië wilden reizen of waren gereisd en was en is zelf niet van plan naar Syrië af te reizen om daar deel te nemen aan de Jihadstrijd. [minderjarige]wil niets met de Jihad te maken hebben en is niet afhankelijk van de mening van zijn halfbroers. Voorts wordt in reactie op het voormelde proces-verbaal van 21 augustus 2013 door [minderjarige]gesteld dat hij een trekkingrugzak met kleding op zijn kamer heeft omdat hij niet beschikt over een kledingkast. Vermoedelijk wordt [minderjarige]door de AIVD en het OM aangezien voor een ander persoon, bijvoorbeeld [naam].

Het standpunt van belanghebbenden

De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij niet instemt met de gesloten plaatsing van [minderjarige]. Van belang is dat [minderjarige]zo spoedig mogelijk zijn normale leven bij de moeder thuis kan hervatten zodat hij weer naar school kan en zijn sporten kan beoefenen.
De moeder betwist dat zijzelf en [minderjarige]het plan hadden om naar Syrië te reizen en dat [minderjarige]thans beschikt over een Marokkaans paspoort. In 2001 is [minderjarige]bijgeschreven in het Marokkaanse paspoort van de moeder, doch dit paspoort is in 2011 verlopen. De moeder heeft ter onderbouwing van dit standpunt een kopie van haar Marokkaans paspoort overgelegd.

Namens Bureau Jeugdzorg is ter zitting naar voren gebracht dat op dit moment wordt onderzocht in hoeverre Bureau Jeugdzorg in staat is de (ontwikkelingsbe)dreiging van [minderjarige]weg te nemen. De gesloten plaatsing van [minderjarige]dient in ieder geval zo kort als mogelijk te duren. Aangezien er tot voor kort nog geen hulpverlening betrokken is geweest bij (het gezin van) [minderjarige]is er bij Bureau Jeugdzorg weinig informatie over de situatie bekend. Desalniettemin acht Bureau Jeugdzorg de veiligheid van [minderjarige]thans van primair belang en volgt daarom het verzoek van de Raad.

De verdere beoordeling

Bij beschikking van 15 augustus 2013 is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld tot 15 november 2013.

Bij beschikking van 15 augustus 2013 heeft de kinderrechter tevens een voorlopige machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, met ingang van 15 augustus 2013 voor de duur van vier weken. De kinderrechter heeft de beslissing voor het overige aangehouden.

Bij voormelde beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 15 augustus 2013 is de verzochte gezagsontnemende maatregel in het kader van artikel 1:272 van het Burgerlijk Wetboek afgewezen, aangezien met een minder verstrekkende maatregel voorlopig een voldoende veilige situatie kon worden gecreëerd.

De kinderrechter overweegt het volgende.

Gelet op de beschikking van 15 augustus 2013 ziet de kinderrechter zich geplaatst voor de vraag of deze beslissing in stand kan blijven en zo ja, of het verzoek van de Raad om Bureau Jeugdzorg te machtigen om de minderjarige te plaatsen in een instelling voor gesloten jeugdzorg voor de periode van drie maanden, al dan niet dient te worden toegewezen.

De kinderrechter is van oordeel dat ten tijde van de indiening van het verzoek tot onmiddellijke verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg sprake was van een ernstig vermoeden van ernstige opgroei- of opvoedproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige]naar volwassenheid ernstig zou belemmeren en die een vrijheidsbeneming voor een korte duur heeft gerechtvaardigd. Bovendien was deze uithuisplaatsing noodzakelijk om te voorkomen dat [minderjarige]zich aan de zorg die [minderjarige]nodig heeft zou onttrekken of daaraan door anderen zou worden onttrokken.

De periode van vier weken gesloten plaatsing acht de kinderrechter geboden om de betrokken instanties de gelegenheid te geven nader onderzoek te doen en de afloop van de spoedmachtiging te kunnen voorbereiden. Voor dat deel zal het verzoek derhalve worden toegewezen.

De kinderrechter geen reden om terug te komen van deze beslissing.

Het verzoek van de Raad om verlening van een machtiging in een instelling voor gesloten jeugdzorg voor een langere periode dan vier weken, te weten drie maanden, wijst de kinderrechter af.

Ingevolge artikel 29b lid 3 Wet op de jeugdzorg kan een machtiging gesloten plaatsing slechts worden verleend indien er bij de jeugdige sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daardoor door anderen zal worden onttrokken.

De kinderrechter stelt vast dat plaatsing van een jeugdige in een gesloten accommodatie een ingrijpende maatregel is die door de wetgever in het leven is geroepen om een jeugdige binnen een gedwongen kader de benodigde zorg, veelal in de vorm van behandeling en opvoeding te kunnen geven. Met de invoering van de gesloten jeugdzorg is nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen strafrechtelijke en civielrechtelijke plaatsingen.

De kinderrechter stelt verder vast dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er aanwijzingen zijn dat de halfbroer(s) van [minderjarige]betrokken zijn bij een verblijf in, of een reis naar Syrië, mogelijk om deel te nemen aan de Jihadstrijd.

De aanwijzingen dat [minderjarige]eveneens een dergelijk voornemen zou hebben, zijn echter beduidend minder sterk.

Verder is gebleken dat justitie (AIVD, OM en politie) in staat zijn om adequaat en in een strafrechtelijk kader zo nodig op te treden tegen (de uitvoering van) genoemde voornemens.

De maatregel van de gesloten plaatsing is nadrukkelijk niet bedoeld als strafrechtelijk instrument, maar kan slechts worden opgelegd als er sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen waarvoor behandeling of andere vormen van hulp noodzakelijk is.

Naar het oordeel van de kinderrechter is van dergelijke ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen met betrekking tot [minderjarige]onvoldoende gebleken.

De aandachtspunten die uit het korte onderzoek van de Raad naar voren komen geven blijk

van zorg waaraan binnen het kader van de (voorlopige) ondertoezichtstelling aandacht kan worden besteed. Deze zorg is echter niet van dien aard dat een vrijheidsbenemende maatregel langer gerechtvaardigd is.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek om de jeugdige te plaatsen in een instelling voor gesloten jeugdzorg toe voor een termijn tot 12 september 2013 om 18.00 uur.

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Peper, kinderrechter, in tegenwoordigheid van
mr. M.G.H. Groothedde als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2013.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.