Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4081

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
2410395
Formele relaties
Veroordeling feit: ECLI:NL:GHARL:2013:6760, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Vordering tot vergoeding buitengerechtelijke incassokosten van een consument. Alleen de voorgeschreven schriftelijke aanmaning (art. 6:96 lid 6 BW) is verzonden. Deze aanmaning wordt ook wel veertiendagenbrief genoemd.

Vordering toewijsbaar op grond van het arrest van Hof Arnhem Leeuwarden van 17 september 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:6760). Anderzijds wordt er in het rapport BGK-Integraal (van een werkgroep van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton, het LOVCK) van uit gegaan dat na het verzenden van voornoemde aanmaning nog een incassohandeling wordt verricht.

Zowel het LOVCK als LOV-Hoven hebben op 7 oktober 2013 met het rapport BGK-Integraal ingestemd. De Rechtbank Gelderland heeft daarom het voornemen de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen: Dient art. 6:96 lid 6 BW aldus te worden uitgelegd dat na het verzenden van de daarin genoemde veertiendagenbrief vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, dus zonder dat de crediteur na het verzenden van die (veertiendagen)brief nog een nadere incassohandeling verricht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/16
NJF 2014/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 2410395 \ CV EXPL 13-14923 \ BE \ 340 \ be

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FA-MED BV

gevestigd te Amersfoort

eisende partij

gemachtigde LAVG Breda

tegen

[gedaagde partij]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

niet verschenen

Partijen worden hierna Fa-Med en [gedaagde partij]genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 september 2013 met twee producties

[gedaagde partij]is niet in rechte verschenen en tegen haar is verstek verleend.

2 De beoordeling

2.1.

Fa-Med vordert betaling van twee aan haar gecedeerde vorderingen van de in de dagvaarding genoemde zorgverlener. Het betreft vorderingen van zorgverlener [naam zorgverlener] betreffende door hem of haar verleende zorg aan een minderjarig kind van [gedaagde partij]ad

€ 1.156,58 (factuurdatum 23 juni 2012) en van € 44,72 (factuur datum 28 juli 2012).

2.2.

Fa-Med vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 213,49. Fa-Med stelt daartoe dat [gedaagde partij]op 2 augustus 2012 en op 4 september 2012 schriftelijk tot betaling is gemaand en dat daarbij ten minste 14 dagen de gelegenheid is gegeven om zonder de genoemde bijkomende kosten de opeisbare vordering van Fa-Med op minnelijke wijze te voldoen. Deze beide brieven zijn bij de dagvaarding gevoegd.

2.3.

In art. 6:96 lid 2 (onder c) BW is bepaald dat als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen: “c. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.”

2.4.

In art. 6:96 lid 5 BW is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld voor de vergoeding van deze kosten (art. 6:96 lid 2 onder c BW) en dat van deze regels niet ten nadele van de schuldenaar kan worden afgeweken indien deze schuldenaar een consument (natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf) is. Dit betreft dus een maximering van de bij een consument in rekening te brengen buitengerechtelijke incassokosten. Tevens is bepaald dat in dat geval art. 241 Rv niet van toepassing is. Art. 241 Rv. bepaalt dat voor bepaalde verrichtingen voorafgaand aan het uitbrengen van een dagvaarding (zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak) geen vergoeding op grond van art. 6:96 BW wordt toegekend maar dat daarvoor alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. Dit wordt ook wel het van kleur verschieten van buitengerechtelijke incassokosten genoemd.

2.5.

De bedoelde algemene maatregel van bestuur is gepubliceerd in Stb. 2012, 141 (Besluit van 27 maart 2012, houdende regels ter normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten) en wordt hierna ‘het Besluit’ genoemd. Uit dit besluit blijkt dat de daarin genoemde (maximum) tarieven voor buitengerechtelijke incassokosten gelden voor vorderingen tot betaling van een geldsom voortvloeiende uit een overeenkomst en in sommige, hier niet van belang zijnde gevallen, van een vordering tot schadevergoeding (art. 1 van het Besluit).

2.6.

In art. 6:96 lid 6 BW is bepaald dat buitengerechtelijke incassokosten door een consument “eerst verschuldigd worden nadat de schuldenaar na het intreden van het verzuim, bedoeld in artikel 81, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling, waaronder de vergoeding die in overeenstemming met de nadere regels wordt gevorderd, vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning.” De aanmaning die aan deze vereisten voldoet, wordt hierna ook ‘veertiendagenbrief’ genoemd.

2.7.

Art. 6:96 lid 5 en 6 BW (tot 16 maart 2013 genummerd respectievelijk lid 4 en lid 5) zijn van toepassing op vorderingen ter zake waarvan de debiteur na 1 juli 2012 in verzuim is geraakt. Uit de dagvaarding moet worden afgeleid dat [gedaagde partij]ter zake van beide vorderingen na 1 juli 2012 in verzuim is geraakt, dat [gedaagde partij]in deze als ‘consument’ handelde zodat art. 6:96 lid 5 en lid 6 BW alsook dat het Besluit op beide vorderingen van toepassing is.

2.8.

Fa-med heeft aan [gedaagde partij]voor elk van de vorderingen een aanmaning gestuurd die (telkens) voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde bedragen aan buitengerechtelijke incassokosten ad € 173,49 en ad € 40,00 zijn in overeenstemming met het in het Besluit bepaalde (maximum) tarief.

2.9.

Fa-Med heeft echter niet gesteld en evenmin is gebleken dat zij na het verzenden van bedoelde aanmaningen van 2 augustus 2012 en van 4 september 2012 een nadere incassohandeling heeft verricht. In de aanmaning van 4 september 2012 wordt op geen enkele wijze verwezen naar de vordering waarop de eerdere aanmaning (van 2 augustus 2012) ziet zodat deze niet mede als incassohandeling ter zake de ‘eerste’ vordering kan worden gezien.

2.10.

Bij de Rechtbank Arnhem werden vorderingen tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (in beginsel) afgewezen indien – zoals ook in dit geval – niet was gesteld dat ná het versturen van de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW nog een of meer buitengerechtelijke incassowerkzaamheden waren verricht, waarbij tevens werd geëist dat de datum van die nadere incassohandeling(en) (meestal een aanmaningsbrief) werd(en) vermeld. Daarbij is onder andere afgegaan op door de Minister van Veiligheid en Justitie gegeven toelichting op het wetsvoorstel dat tot invoering van art. 6:96 lid 6 BW heeft geleid. De minister heeft bijvoorbeeld gezegd: “Er moet eerst een aanmaning worden verstuurd en daarvoor mag geen bedrag worden gerekend. Daarna moet een schuldeiser toch enige incassohandelingen verrichten om aanspraak te kunnen maken op incassokosten. Het is een vergoeding voor het moeten maken van deze incassokosten. Er is bewust voor gekozen om niet de wijze van incasseren zelf te reguleren. Deze kan nu juist aanleiding geven tot discussie. Daarmee verdwijnt ook de gewenste duidelijkheid die het wetsvoorstel biedt.” (Handelingen TK 2010-2011, 72-17-40). Tevens is hierbij betrokken dat

- deze uitleg niet in strijd lijkt te zijn met de tekst van art. 6:96 lid 6 BW,

- dat na indiening van het wetsvoorstel 32 418 bij de Tweede Kamer is besloten tot invoering van (art. 6:96: lid 6 BW – destijds genummerd lid 5) en dat deze aanvulling tot doel heeft de consument extra te beschermen (zie Kamerstukken II 2010-2011, nr. 5 en nr. 6) en niet om het aantal vereiste incassohandelingen tot één terug te brengen alsook

- dat de wijziging van art. 6:96 BW is ingegeven door de wens om de bij consumenten (en niet-consumenten) in rekening gebrachte incassokosten te maximeren en niet om het minimaal vereiste aantal incassohandelingen terug te brengen tot één brief (te weten de wettelijk voorgeschreven ‘veertiendagenbrief’). (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 418, nr. 3, p. 1 e.v.).

2.11.

De bij de Rechtbank Arnhem bekende deurwaarderskantoren (waaronder echter niet het kantoor van de gemachtigde van Fa-Med) alsook de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG), zijn over het onder 2.10 beschreven uitgangspunt bericht per e-mail van 21 december 2012. Dit uitgangspunt is nadien door de Rechtbank Oost-Nederland en thans Rechtbank Gelderland voortgezet.

2.12.

Hof Arnhem Leeuwarden heeft echter bij arrest van 17 september 2013 ( ECLI:NL:GHARL:2013:6760) geoordeeld dat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, in een geval waarin art. 6:96 lid 6 BW van toepassing is, niet is vereist dat na het verzenden van de zogeheten “veertiendagenbrief” nog een (nadere) incassohandeling verricht moet worden.

2.13.

Kort nadien, op 7 oktober 2013, hebben het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) en het Landelijk Overleg van de Voorzitters van de Civiele sectoren van de Hoven (LOVC-hoven) elk ingestemd met een rapport genaamd Rapport BGK-Integraal 2013, met de publicatie daarvan op rechtspraak.nl en met ingangsdatum 1 november 2013. Het rapport zal binnenkort, rond 1 november 2013, op rechtspraak.nl geplaatst worden. In dat rapport wordt (zie bijvoorbeeld par. II. 6. en III. 2.) tot uitgangspunt genomen dat na het verzenden van de veertiendagenbrief nog een incassohandeling dient te worden verricht teneinde voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (gemaximeerd in het Besluit) in aanmerking te komen. Dit was, totdat kennis werd genomen van het arrest van 17 september 2013, het uitgangspunt van de Rechtbank Gelderland. Bij de beslissing van het LOVCK en LOV-Hoven om met het rapport in te stemmen is door beide genoemde landelijke overleggen van rechters onder ogen gezien dat dit afwijkt van het genoemde arrest van 17 september 2013 van Hof Arnhem Leeuwarden.

Door de besluiten van genoemde landelijke overleggen (LOVCK en LOVC-Hoven) is een nieuwe situatie ontstaan. Ons rechtsbestel brengt met zich mee dat de lagere rechter zich in beginsel dient te richten naar de uitspraken van het Gerechtshof tot welk ressort (het arrondissement van) de desbetreffende rechtbank hoort. Anderzijds geldt dat de besluiten van beide landelijke overleggen, waaraan rechters niet formeel gebonden zijn, niet zonder betekenis zijn. De kantonrechter wijst er daarbij op dat het Rapport Voorwerk II, welk rapport in hoge mate vergelijkbaar is met het Rapport BGK-Integraal 2013, door vrijwel de gehele rechterlijke macht tot uitgangspunt werd genomen zodat verwacht mag worden dat dit ook het geval is voor het eerstgenoemde rapport. De kantonrechter is daarom van oordeel dat er aanleiding is de hiervoor beschreven rechtsvraag ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing aan de Hoge Raad voor te leggen (art. 392-394 Rv). De rechtsvraag luidt als volgt: Dient art. 6:96 lid 6 BW aldus te worden uitgelegd dat na het verzenden van de daarin genoemde veertiendagenbrief vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, dus zonder dat de crediteur na het verzenden van die (veertiendagen)brief nog een nadere incassohandeling verricht?

2.14.

Ter voorlichting van Fa-Med en de Hoge Raad zij vermeld dat het stellen van deze vraag mede geschiedt na consulatie van de afdelingsvoorzitters van sectoren/afdelingen Burgerlijk Recht (of daarmee vergelijkbare sectoren) van de vier rechtbanken in het ressort van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

2.15.

De wet stelt als voorwaarde dat een antwoord op de te stellen rechtsvraag nodig is om op de eis te beslissen. Uit het voorgaande volgt dat aan die eis is voldaan. Indien de rechtsvraag met ja wordt beantwoord, wordt de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (ad € 213,49) toegewezen en indien de vraag met nee wordt beantwoord dan wordt deze vordering afgewezen.

De wet stelt verder als voorwaarde dat de te stellen (prejudiciële) vraag een zaak overstijgend belang heeft en het antwoord rechtstreeks van belang is voor beslechting van talrijke andere feitelijk vergelijkbare zaken waarin dezelfde rechtsvraag zich voordoet. Dat aan deze voorwaarde is voldaan blijkt eveneens uit het voorgaande. Daar wordt aan toegevoegd dat als algemeen bekend verondersteld mag worden dat in een zeer groot aantal zaken door een schuldeiser vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt gevorderd. Het gaat niet alleen om vele tienduizenden rechtszaken per jaar maar ook om een zeer groot aantal incassozaken waarin het niet komt tot dagvaarding van de debiteur-consument.

2.16.

De kantonrechter zal – conform het bepaalde in art. 392 lid 2 Rv – Fa-Med in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over het voornemen voornoemde vraag aan de Hoge Raad te stellen alsmede over de inhoud van die vraag. De tekst van het onder r.ov. 13 genoemde rapport kan desnoods (vanaf 1 november 2013) bij de griffier worden opgevraagd. De kantonrechter wijst Fa-Med er tot slot uitdrukkelijk op dat de verwijzing naar de rol uitsluitend ziet op de mogelijkheid om te reageren op voornoemd voornemen en het niet betreft de mogelijkheid om alsnog nieuwe feiten aan te voeren en/of stukken over te leggen.

2.17.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 13 november 2013 voor het nemen van een akte als bedoeld in r.ov. 2.13.;

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.J. Engberts en in het openbaar uitgesproken op