Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:4007

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
C-06-136175 - HA ZA 13-49
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging duurovereenkomst met wederzijds goedvinden. Concurrentie door ex-werknemer levert in de gegeven omstandigheden heen onrechtmatige daad / "uitspanning" op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/06/136175 / HA ZA 13-49

Vonnis van 23 oktober 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te[plaats],

eiseres in conventie,

(gewezen) verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.M. Van Zelm te De Bilt,

tegen

1. de rechtspersoon naar Duits recht

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [plaats], Duitsland,

2. de personenvennootschap naar Duits recht

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [plaats], Duitsland,

gedaagden in conventie,

(gewezen) eiseressen in reconventie,

3. [naam A],

wonende te [plaats], Duitsland,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] B.V.,

gevestigd te [plaats] ([gemeente]),

5. [naam B],

wonende te [plaats],

gedaagden in conventie,

advocaat mr. E.W. Mehring te Amsterdam.

Eiseres in conventie zal hierna [eiseres] genoemd worden. Gedaagden in conventie zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] en ieder afzonderlijk respectievelijk [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [naam A], [gedaagde sub 3] en [naam B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 maart 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 7 mei 2013

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de akte uitlaten tevens houdende vermindering van eis in conventie van [eiseres]

  • -

    de antwoordakte tevens houdende vermindering van eis in reconventie van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] houdt zich bezig met de groothandel in bruidsmode, badmode en lingerie. Enig aandeelhouder van [eiseres] is de [naam C] (hierna: [naam C].

2.2.

[gedaagde sub 1] is producent van lingerie, waaronder het merk “[merk A]”. [gedaagde sub 2] is producent van bruidsmode, die wordt verkocht onder het merk “[merk B]”. [naam A] is, althans was, directeur van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

2.3.

[naam B] deed sinds 1995 zaken met [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1], laatstelijk via zijn vennootschap [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]). Eind 1997 heeft [naam C] [eiseres] opgericht en een aantal van de activiteiten van [bedrijf 1]/[naam B] overgenomen, waaronder die met [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1]. In dat kader heeft [gedaagde sub 1] [eiseres] eind 1997 aangesteld als exclusief distribiteur van het merk “[merk A]” in de Benelux. [gedaagde sub 2] heeft [eiseres] eind 1997 aangesteld als distributeur van door [gedaagde sub 2] geproduceerde bruidsjurken in de Benelux.

[naam B] werd door [eiseres] (via [bedrijf 1]) als verkoopleider ingehuurd en is later in die hoedanigheid bij [eiseres] in dienst getreden.

2.4.

Vanaf 1 mei 2009 is de zoon van [naam C], [naam D] (hierna: “[naam D]”) werkzaamheden gaan verrichten binnen [eiseres]. Op

1 november 2010 is hij benoemd tot statutair bestuurder (met de titel adjunct directeur).

2.5.

In maart 2011 is het dienstverband tussen [naam B] en

[eiseres] op initiatief van laatstgenoemde geëindigd. Kort daarna zijn [naam B] en [naam A] een samenwerking aangegaan, in welk kader [naam A] op

5 juli 2011 de vennootschap [bedrijf 2](thans [gedaagde sub 3]) heeft opgericht, waarvan [naam A] enig aandeelhouder en [naam B] bestuurder is.

2.6.

Bij e-mail van 17 mei 2011 (productie 1 van [gedaagden]) heeft [naam A] aan [naam C] het volgende geschreven:

“[…] Lieber [naam C],

Bezug nehmend auf unsere Telefonate von Freitag und soeben bestätige ich Dir wie

folgt:

[naam B] kauft von uns ab einem noch zu vereinbarenden Zeitpunkt, jedoch

spätestens ab dem 30.07.2011 keine Produkte unseres Hauses mehr. Entsprechend

erfolgt ab diesem Zeitpunkt keine weitere Ausführung von Aufträgen. Ich habe Dir

bereits mitgeteilt, dass wir den Vertrieb in BENELUX selbst übernehmen.

Um Dir die Abwicklung Deiner geschäftlichen Aktivitäten, soweit es die von uns

gekauften Produkte betrifft, zu erleichtern, biete ich Dir an, den von Dir

abgeschlossenen Mietvertrag für den Showroom in [plaats] zu übernehmen

einschlieβlich der Übernahme des dazugehörigen Inventars. Dies kann allerdings nur

vorbehaltlich des Einverständnisses Deines Vermieters erfolgen.

Dasselbe bieten wir Dir hinsichtlich des Leasingvertrages für das Fahrzeug an.

Weiterhin sind wir bereit, Dein [merk A] Lager bzw. die darin befindlichen Bestände

von uns bezogener Ware zu übernehmen. Wir wollen von Dir zusätzlich die Lagerkästen

kaufen.

Mit der von Dir gewünschten Rücknahme von ca. 120 Kleidern, die Deine Kunden nicht

bezahlt haben und deshalb von Dir nicht ausgeliefert bzw. zurückgenommen wurden,

sind wir einverstanden.

Wir sind auch bereit, in Deinen Versicherungsvertrag über die Modit Versicherung

einzutreten, sofern der Versicherer dem zustimmt.

Da Du langjähriger Kunde unseres Hauses bist, freuen wir uns über eine

einvernehmliche Lösung bei der Beendigung unserer Zusammenarbeit. […]”.

2.7.

Hierop is door [naam C] bij e-mail van 18 mei 2011 (productie 2 van

[gedaagden]) onder meer als volgt geantwoord:

“[…] Danke für dein E-mail. Ich hoffe so schnell wie möglich eine erste Reaktion zu geben. […]”.

Bij e-mail aan [gedaagde sub 2] van 24 mei 2011 (productie 3 van [gedaagden]) heeft [naam C] vervolgens onder meer het volgende geschreven:

“[…] Ich hab [naam E] berichtet das ich mit meine Firma weitermache.

Ich habe ihm auch gesagt das mir keine andere Wahl bleibt. [naam A] beëndet den Vertrag für [merk A].

Wir haben gesprochen über den Datum, z.b. 15.07 is der anfang von unsere Betriebsferien. Mit der Übernahme der Ware, des Showrooms, und den Bus bin ich einverstanden. Wit müssen uns auch vereinbaren über die Finanzen.

Daneben haben wir auch gesprochen über übernahme van Versicherungen usw. Müssen wir auch noch abstimmen. […]”

2.8.

Vervolgens heeft [naam C] bij mail van 6 juni 2011 aan [naam A] (productie 3 van [gedaagden]) onder meer als volgt gereageerd op de hiervoor geciteerde e-mail van

17 mei 2011:

“[…] Mit den übernahme von den Mietvertrag für den Showroom in [plaats] bin ich einverstanden. […] Mit den übernahme de Fahrzeuges bin ich auch einverstanden. […] Mit den übernahme von den [merk A] lager bin ich auch einverstanden, mit Lagerkästen.

Mit Dein vorschlag um ca. 120 Kleider zurück zu nehmen bin ich auch einverstanden.

Ich muss mit die versicheringsfirmen nog fragen ob die zustimmen dass [naam A] die Verträge übernimmt. Ich werde dich informieren.

Auch muss ich noch kontrollieren ob ich Kosten gemacht habe die bezug haben auf

[merk A] / [merk B] für den Zeitraum nach beëndigung des Vertrages. Ich werde dich informieren. […]”.

2.9.

Bij e-mail van 8 juni 2011 aan [naam A] (productie 3 van [gedaagden]) heeft [naam C] het volgende geschreven:

“[…] Ich bin einverstanden met den Verkaufpreis vom Inventar Showroom und der LKW für eine Summe van € 47.000 exklusiv Btw (mehrwertssteuer).

Bitte melde mich an welche Firma ich den Rechnung machen soll. […]”,

waarop [naam A] bij mail van dezelfde datum heeft geantwoord:

“[…] Danke. Die Rechnung schickst Du bitte mit den erforderlichen Papieren/Eigentumsübertragungen an die [gedaagde sub 1] […]”.

2.10.

Vervolgens heeft [naam C] bij e-mail van 16 juni 2011 (productie 3 van

[gedaagden]) facturen voor de “Inventar Showroom und für den Bus” alsmede een vervoersverklaring toegezonden aan [naam A], en enige mededelingen gedaan over de afhandeling met de leasemaatschappij en de uit- en invoer van de bestelbus.

2.11.

Bij e-mail van 21 juni 2011 aan [naam A] (productie 5 van [gedaagden]) heeft [naam C] onder meer het volgende geschreven:

“[…] Die Rechnungen von den Invantar showroom und den LKW sind gemacht worden auf nahmen von [gedaagde sub 1]. Du möchtest die Rechnungen auf nahmen von den neuen firma in Holland. […]

Nach unser Gespräch habe ich beim Handelskammer informiert, die Firmanahme ist nach den Daten vom Handelskammer:

[bedrijf 2] i.o.

Ich werde die Rechnungen auf diesen Nahmen stellen.

Mit den Nahmen bin ich ‘not amused’, ich berate darüber.

3. Lager [merk A] – [merk B]

Die vertretung wird am 30. Juni beëndet. Also ist unser Lagersbestand am 1. Juli verfugbar. […] Wir sind uns noch nicht einig über Kästen und ihren Preis.

[…] Dus hast mir gebeten um den Schlüssel vom Showroom ab zu geven […]”.

2.12.

De door [eiseres] verzonden factuur in verband met de overname van de bestelbus is door [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] voldaan; de factuur in verband met de overname van de inventaris (nog) niet.

2.13.

Op 21 juni 2011 hebben [naam B] en [naam A] aan de relaties van [eiseres] een brief verzonden (productie 13 bij dagvaarding) waarin onder meer het volgende staat:

“[…] Het goede niveau van onze merken [merk A] bruids-ondermode en Valérie bruids-, avondmode en accessoires willen we graag voor vele jaren continueren […].

Om dit voor een lange termijn te kunnen garanderen hebben we een Nederlands filiaal van [naam A] Hof opgericht:

[…volgen naam en logo van “[eiseres]”, Rb]

Voor u veranderd het verkoopteam niet en zal dus bestaan uit [naam F], [naam G] en [naam B]. Het kantoor/magazijn in [plaats] zal gerund worden door, voor u geen onbekenden: [naam H] / [naam I]. Eigenlijk een nieuwe verpakking voor een bekende inhoud. […]”.

2.14.

Bij e-mail van 12 juli 2011 (productie 6 van [gedaagden]) heeft [naam A] aan [naam C] het volgende geschreven:

“[…] die Vermieter des Showrooms in [plaats] sind bereit, den Raum an uns direkt zu vermieten.

Sie brauchen jedoch von Dir noch einmal Deine Bestätigung hierfür. Kannst Du das bitte schnellstmöglich veranlassen.

[…]

Die Bezahlung des Mobiliars erfolgt dann sofort. […]”,

waarop door [eiseres] ([naam C] bij e-mail van 15 juli 2011 als volgt is gereageerd:

“[…] Ik heb van jullie het verzoek ontvangen om de verhuurder van de showroom te bevestigen dat de verhuur van showroom 1.26 kan worden overgedragen. Ik zal aan dat verzoek niet meewerken.

Op 13 mei 2011 heeft u de importeurs- en distributierechten va [merk B] en [merk A] opgezegd en aangekondigd hiervoor zelf een onderneming op te richten die deze werkzaamheden in de Benelux gaat verzorgen. Direct na deze opzegging heb ik mijn voornemen tot bereidheid tot overdracht van enkele zaken uitgesproken.

Maar de situatie is fors veranderd.

• nadien blijkt ons dat u enkele van onze agenten een agenturenovereenkomst van deze merken heeft aangeboden;

• blijkt ons dat u twee personeelsleden een dienstverband heeft aangeboden;

• blijkt dat[bedrijf 3] na contacten met uw onderneming de importeurs- en distributierechten bij ons weghalen en aan uw onderneming toekennen;

• blijkt ons dat u zonder overleg een onduidelijke circulaire omtrent de overgang van merken aan klanten heeft verzonden;

• blijkt ons dat u een vergelijkbare bedrijfsnaam en logo voor de onderneming hanteert;

• blijkt ons […] dat [bedrijf 4] na contacten met uw onderneming de importeurs- en distributierechten bij ons weghalen en aan uw onderneming toekennen.

Het gevolg hiervan is dat onze bedrijfsvoering qua continuïteit verstoord raakt. Wij vinden dat u onbehoorlijk tegenover ons heeft gehandeld en ontbinden – voor zover er al een overeenkomst is – deze per heden. Overigens zijn wij van mening dat er geen overeenkomst is.

Bijgaand treft u een creditnota aan voor de door u onbetaald gelaten factuur inzake de inventaris van de showroom. […]”.

2.15.

Twee agenten van [eiseres], [naam F] (hierna: [naam F]) en [naam G] (hierna: [naam G]), hebben naar aanleiding van het beëindigen van de distributierelatie tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] elk bij brief van 16 mei 2011 hun agentuurovereenkomsten met [eiseres] met betrekking tot de merken [merk B] en [merk A] opgezegd.

2.16.

Twee bureaumedewerksters van [eiseres],

[naam H] en [naam I], hebben bij brieven van respectievelijk 24 en

25 mei 2011 hun arbeidsovereenkomsten met [eiseres] opgezegd en zijn vervolgens bij [gedaagde sub 3] in dienst getreden. [naam I] heeft in haar brief als reden voor haar ontslagname gegeven dat [naam A] haar een dienstverband had aangeboden.

2.17.

[bedrijf 3], leverancier van [eiseres], heeft bij e-mail van 24 mei 2011 (productie 10 bij dagvaarding) aan [eiseres] meegedeeld dat zij had vernomen dat “your company has lost the distribution of [merk B] and [merk A]”.[bedrijf 3] heeft op enig moment daarna besloten niet meer aan aan [eiseres] te leveren en is thans leverancier van [gedaagde sub 3]. Een agent van [eiseres] heeft naar aanleiding van de beëindiging van de distributierelatie tussen[bedrijf 3] en [eiseres] bij brief van 29 juni 2011 haar agentuurovereenkomst met die laatste met betrekking tot het merk[bedrijf 3] beëindigd.

2.18.

De leverancier van het merk [merk C] heeft [eiseres] meegedeeld haar relatie met [eiseres] te beëindigen en verder zaken te zullen doen met [gedaagde sub 3]. Naar aanleiding daarvan heeft een agent van [eiseres] zijn agentuurovereenkomst opgezegd wat betreft het merk [merk C].

2.19.

Bij vonnis van 19 oktober 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen [bedrijf 2]bevolen om het gebruik van haar statutaire naam binnen twee dagen na betekening van het vonnis te staken en gestaakt te houden. Ook heeft de voorzieningenrechter [bedrijf 2]en [naam B] bevolen om die naam zodanig te wijzigen dat er geen gevaar voor verwarring met de naam van [eiseres] meer te duchten zou zijn. Voorts is [bedrijf 2]en [naam B] in genoemd kort gedingvonnis bevolen om – kort gezegd – aan de ontvangers van de hiervoor onder 2.13. geciteerde brief een (rectificatie)brief te sturen waarin hen werd duidelijk gemaakt dat [bedrijf 2]niet dezelfde onderneming was als [eiseres] en evenmin de activiteiten van [eiseres] had overgenomen. Aan deze bevelen hebben [bedrijf 2]en [naam B] gehoor gegeven.

3 De vordering in conventie

3.1.

[eiseres] vordert na vermeerdering en vermindering van haar eis, samengevat, dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis,

I. primair

zal verklaren voor recht

- dat sprake is van een als duurovereenkomst te kwalificeren exclusieve distributieovereenkomst,

- dat gezien de omstandigheden een voldoende zwaarwegende grond vereist is voor opzegging van die duurovereenkomst en

- dat deze niet rechtsgeldig door [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] en/of [naam A] is opgezegd, aangezien de door [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] en/of [naam A] aangevoerde reden onvoldoende zwaarwegend is,

subsidiair

zal verklaren voor recht

- dat sprake is van een als duurovereenkomst te kwalificeren exclusieve distributieovereenkomst,

- dat gezien de omstandigheden een voldoende zwaarwegende grond vereist is voor opzegging van die duurovereenkomst,

- dat de door [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] en/of [naam A] aangevoerde grond voldoende is voor een rechtsgeldige opzegging, maar dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] en/of [naam A] daarbij geen redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen

- dat de omstandigheden in dit geval een redelijke opzegtermijn van drie jaar rechtvaardigen,

- dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] en/of [naam A] toerekenbaar tekort is/zijn geschoten in de nakoming van de distributieovereenkomst en verplicht is/zijn tot het betalen van een vergoeding van de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

II. zal verklaren voor recht dat [gedaagden], althans [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] en/of [naam A] en/of [gedaagde sub 3] en/of [naam B] onrechtmatig hebben gehandeld bij de beëindiging van de samenwerking met [eiseres] en daardoor aansprakelijk zijn voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

met veroordeling van gedaagden, althans ieder van hen afzonderlijk, in de proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente en in de nakosten.

3.2.

[eiseres] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende stellingen aan haar vordering ten grondslag.

Op 13 mei 2011 heeft [naam A] aan [naam C] meegedeeld dat [gedaagden] niet meer aan [eiseres] zou leveren, aangezien [naam A] de markt in de Benelux zelf wilde gaan bedienen. [gedaagden] heeft eerst aangegeven te beëindigen per 30 juli 2011 om vervolgens die datum te vervroegen naar 1 juli 2011. Medio juli 2011 heeft [eiseres] de laatste producten van [gedaagden] geleverd gekregen. Het handelen van [gedaagden] heeft geleid tot aanzienlijke achteruitgang van de omzet en een verhoging van de kosten van [eiseres]. Tussen partijen is sprake van een als duurovereenkomst te kwalificeren distributieovereenkomst. De omstandigheden van dit geval brengen volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad mee dat [gedaagden] voor het opzeggen van die overeenkomst een voldoende zwaarwegende grond dient te hebben. De door [gedaagden] opgegeven reden voor de opzegging, inhoudende dat zij de distributie in de Benelux zelf ter hand wilde nemen, is geen voldoende zwaarwegende grond. [gedaagden] mocht de distributieovereenkomst dus niet opzeggen. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat [gedaagden] wel een voldoende zwaarwegende grond had voor de opzegging, geldt (subsidiair) dat [gedaagden] niet de vereiste redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen, die gelet op de relevante omstandigheden drie jaren bedraagt. [gedaagden] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de distributieovereenkomst. In dat geval kan de overeenkomst alsnog rechtsgeldig worden beëindigd, maar ontstaat een verplichting voor [gedaagden] tot vergoeding van de schade die [eiseres] als gevolg van het niet in acht nemen van de redelijke opzegtermijn heeft geleden en nog steeds lijdt.

Gedaagden hebben bij de beëindiging van de samenwerking onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] door welbewust, structureel en in vereniging te proberen om [eiseres] te benadelen (“uit te spannen”). Gedaagden zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door [eiseres] geleden en nog te lijden schade.

4 Het verweer in conventie

4.1.

[gedaagden] concludeert dat de rechtbank de vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. Zij voert, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende verweren aan.

[eiseres] heeft niet voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) om de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren en ook niet aan haar substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv. Subsidiair geldt dat geen sprake is (geweest) van een eenzijdige beëindiging van de distributieovereenkomsten door [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2], aangezien partijen overeenstemming hebben bereikt over een beëindiging met wederzijds goedvinden, waarbij zij zijn overeengekomen dat [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] de bij [eiseres] aanwezige voorraden, de bestelbus en de (inventaris van de) showroom zou overnemen. Zij hebben aan die afspraken ook reeds uitvoering gegeven. [eiseres] was niet bevoegd de gemaakte afspraken eenzijdig terzijde te schuiven. De e-mail van 15 juli 2011 ontslaat haar dan ook niet van de gebondenheid aan die afspraken. [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] is niet toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de distributieovereenkomst. [eiseres] daarentegen is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de beëindigingsovereenkomst door die van de ene op de andere dag op oneigenlijke gronden te ontbinden en geen medewerking te verlenen aan de overeengekomen overdracht van de showroom. Reeds daarom dienen de onder 3.1.I. weergegeven verklaringen voor recht te worden afgewezen en is [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] niet aansprakelijk voor enige vermeende schade van [eiseres].

Bovendien geldt dat er geen contractuele relatie heeft bestaan tussen [eiseres] enerzijds en [naam A] en [naam B] in persoon anderzijds, zodat de onder 3.1.I. weergegeven verklaringen voor recht voor zover zij op [naam B] en [naam A] betrekking hebben reeds daarom dienen te worden afgewezen.

Gedaagden hebben evenmin onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] bij het beëindigen van de samenwerking; de in dat verband door [eiseres] ingenomen stellingen worden betwist.

Meer subsidiair, voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat wel sprake is geweest van een eenzijdige opzegging van de distributierelatie, wordt aangevoerd dat in de omstandigheden van het onderhavige geval geen zwaarwegende grond voor opzegging vereist was, althans was een dergelijke grond aanwezig nu [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] reeds vanaf 2009 bij herhaling heeft aangegeven dat zij zich niet kon vinden in de aanstelling van [naam D] bij [eiseres] en die laatste naar aanleiding daarvan geen maatregelen heeft getroffen, terwijl zij zich moest realiseren dat dit een beëindiging van de samenwerking tot gevolg zou kunnen hebben. Voorts wordt uiterst subsidiair betoogd dat, als er al een opzegtermijn zou moeten worden gehanteerd, die termijn ten hoogste zes maanden zou bedragen.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Aangezien vier van de vijf gedaagden in conventie woonachtig dan wel gevestigd zijn in Duitsland en derhalve sprake is van een geschil met internationale aspecten dient allereerst te worden beoordeeld of deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige geschil. Nu [naam B] woonachtig is in Nederland en tussen de tegen de verschillende gedaagden gerichte vorderingen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling, ontleent de rechtbank rechtsmacht aan het bepaalde in artikel 6 lid 1 van Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening).

5.2.

Partijen hebben ter comparitie desgevraagd meegedeeld dat zij hun geschil – zo mogelijk – naar Nederlands recht wensen te laten beoordelen en beslechten. Artikel 3 lid 2 van het Verdrag van Rome van 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO) staat een dergelijke processuele rechtskeuze toe in een geschil als het onderhavige voor zover dat ziet op (de nakoming van) verbintenissen uit (een) onder de temporele werking van het EVO vallende overeenkomst(en) waarbij in de verdragsluitende staten woonachtige/gevestigde partijen betrokken zijn. Partijen zijn alle woonachtig dan wel gevestigd in verdragsluitende staten en niet in geschil is dat tussen hen in 1997 een tweetal distributieovereenkomsten voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. Voor zover de vorderingen zien op (de nakoming en beëindiging van) die overeenkomsten zal de rechtbank gevolg geven aan de rechtskeuze van partijen.

Voor zover aan de vordering een (gestelde) onrechtmatige daad ten grondslag is gelegd staat het partijen niet vrij om een rechtskeuze te maken. Artikel 4 lid 1 van het Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) bepaalt dat, tenzij in genoemde Verordening anders is bepaald, op een onrechtmatige daad van toepassing is het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van de gebeurtenis zich voordoen. [eiseres] stelt door een door gedaagden gepleegde onrechtmatige daad schade te hebben geleden, maar heeft zich er niet over uitgelaten waar die schade zich zou hebben voorgedaan. Nu [eiseres] in Nederland gevestigd is en de distributieovereenkomsten betrekking hadden op de Benelux gaat de rechtbank ervan uit dat de gestelde schade zich – in ieder geval voor een niet te verwaarlozen deel – in Nederland zou hebben voorgedaan. Gelet op het voorgaande zullen alle vorderingen in conventie naar Nederlands recht worden beoordeeld.

5.3.

De door [gedaagden] aangevoerde primaire verweren, inhoudende dat [eiseres] niet aan haar verplichtingen op grond van de artikelen 21 en 111, lid 3 Rv heeft voldaan, kunnen niet slagen. Weliswaar is de rechtbank met [gedaagden] van oordeel dat [eiseres], door een te summiere beschrijving te geven van de relevante feiten en onder meer geen melding te maken van de tussen partijen gevoerde onderhandelingen en correspondentie met betrekking tot de overname van diverse bedrijfsmiddelen en voorraden, niet heeft voldaan aan haar verplichting tot het volledig aanvoeren van de voor de beslissing van belang zijnde feiten, maar daaraan kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat de vorderingen reeds daarom dienen te worden afgewezen. Nu, zoals hierna zal blijken, [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden veroordeeld, is een sanctionerende gevolgtrekking in het kader van de kostenveroordeling in dit geval evenmin aan de orde.

5.4.

Bij de beoordeling van de vorderingen van [eiseres] wordt vooropgesteld dat niet in geschil is dat in 1997 distributieovereenkomsten tot stand zijn gekomen tussen enerzijds [eiseres] en [gedaagde sub 1] en anderzijds [eiseres] en [gedaagde sub 2]. Deze beide overeenkomsten zullen hierna kortheidshalve gezamenlijk ook worden aangeduid als “de distributieovereenkomst”.

Dat [naam A] in persoon, [gedaagde sub 3] en/of [naam B] in persoon partij zijn (geweest) bij de distributieovereenkomst is niet, althans onvoldoende onderbouwd, gesteld en evenmin gebleken. [eiseres] heeft de stelling van [gedaagden] dat [naam A] bij zijn (relevante) contacten met [naam B] over de beëindiging van de distributieovereenkomst (slechts) handelde als vertegenwoordiger van [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] en niet op persoonlijke titel niet gemotiveerd weersproken. Enige grondslag voor aansprakelijkheid van [naam A], [gedaagde sub 3] en/of [naam B] voor de gevolgen van het (gestelde) opzeggen van de distributieovereenkomst ontbreekt dan ook. Voor zover de hiervoor onder 3.1.I. weergegeven (primaire en subsidiaire) vordering tegen hen is gericht zal deze reeds daarom worden afgewezen.

5.5.

Partijen zijn het erover eens dat de distributieovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en het karakter heeft van een duurovereenkomst. [eiseres] heeft aan haar onder 3.1.I. weergegeven vorderingen ten grondslag gelegd dat deze overeenkomst door [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] niet had mogen worden opgezegd zonder zwaarwegende reden, welke ontbrak, althans dat [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] een redelijke opzegtermijn in acht had dienen te nemen. In een geval als het onderhavige, waarin de wet en de overeenkomst zelf niet in een opzeggingsregeling voorzien, is een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst in beginsel opzegbaar. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, ook voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot het betalen van een schadevergoeding (vgl. o.m.

HR 28 oktober 2011 Gemeente / SNU en Stedin, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854).

Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval in het midden blijven of, en zo ja onder welke voorwaarden, de distributieovereenkomst door [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] kon worden opgezegd, omdat de overeenkomst - uiteindelijk - met wederzijds goedvinden is beëindigd. Het volgende is daartoe van belang.

5.6.

Het initiatief tot beëindiging van de distributieovereenkomst lag bij [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2]; zij hebben immers op 13 mei 2011 bij monde van [naam A] aan [eiseres] meegedeeld dat zij de samenwerking wilden beëindigen en zelf de distributie van de relevante producten in de Benelux ter hand wilden nemen. Onder meer uit de door [gedaagden] overgelegde e-mailcorrespondentie, hiervoor geciteerd onder 2.6. tot en met 2.11., blijkt dat partijen vervolgens uitgebreid met elkaar hebben overlegd over de overname van diverse met de distributieovereenkomst en de daaronder vallende merken verband houdende bedrijfsmiddelen en voorraden. Daaruit blijkt ook dat [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] in dat verband diverse voorstellen heeft gedaan, die – na onderhandelingen over de door [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] te betalen vergoeding – door [eiseres] grotendeels zijn geaccepteerd. Uit het feit dat reeds facturen zijn verzonden door [eiseres] en betalingen zijn gedaan door [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] blijkt dat aan een deel van de afspraken ook reeds uitvoering werd gegeven. Dat [eiseres] (blijvend) bezwaar heeft gemaakt tegen het beëindigen van de distributierelatie blijkt niet uit de overgelegde correspondentie en is door [eiseres] niet, althans onvoldoende onderbouwd gesteld. In reactie op de stelling van [gedaagden] dat zij niet geprotesteerd heeft, heeft [eiseres] slechts gerefereerd aan de passage “Ich habe Ihm auch gesagt das mir keine andere wahl bleibt” in haar e-mail van

24 mei 2011. Aangezien deze zinsnede direct volgt op de mededeling dat [eiseres] haar bedrijf voortzet vermag de rechtbank daarin zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen protest tegen de gestelde opzegging van de distributieovereenkomst te lezen. Bovendien wordt de geciteerde zinsnede gevolgd door de mededeling dat [eiseres] akkoord (“einverstanden”) is met de overname van de goederen, de showroom en de bestelbus en dat partijen gesproken hebben over de einddatum, in welk verband het begin van de vakantie op 15 juli 2011 wordt genoemd. Uit de overgelegde producties blijkt kortom dat partijen op hoofdlijnen overeenstemming hebben bereikt over de beëindiging van de distributieovereenkomst, de overname van bedrijfsmiddelen, door [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] te betalen compensatie en de einddatum van de leveranties. Dat over bepaalde details nog werd overlegd en dat nog niet alle afspraken waren uitgevoerd op het moment dat [eiseres] bij

e-mail van 15 juli 2011 haar medewerking aan de overname van de huur van de showroom introk en meedeelde dat zij “de overeenkomst” (voor zover die er al was) ontbond, maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor de stelling van [eiseres] dat de onderhandelingen met [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] zagen op het beperken van de schade, nu van enig (expliciet) protest van [eiseres] tegen de beëindiging niet is gebleken. Met betrekking tot de redenen die [eiseres] in haar

e-mail van 15 juli 2011 aanvoert voor het beëindigen van haar medewerking is de rechtbank van oordeel dat – wat er ook zij van de verwijten van [eiseres], waarvan een aantal hierna nader aan de orde zullen komen – deze niet afdoen aan de tussen partijen bereikte overeenstemming op hoofdlijnen over de beëindiging van de distributierelatie. In ieder geval leveren de verweten gedragingen geen toerekenbare tekortkoming door [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] in de nakoming van de beëindigingsovereenkomst op en rechtvaardigen zij dus niet de ontbinding daarvan.

5.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, voor zover er al sprake is geweest van een opzegging van de distributieovereenkomst door [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2], deze gevolgd is door het bereiken van overeenstemming tussen partijen over een beëindiging met wederzijds goedvinden, waarbij afspraken zijn gemaakt met het doel [eiseres] te compenseren voor door de beëindiging veroorzaakt nadeel. In de gegeven omstandigheden mist het recht ter zake van de opzegging van duurovereenkomsten toepassing en bestaat er geen grondslag voor aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] voor als gevolg van de beëindiging van de distributieovereenkomst geleden schade. Daaruit volgt dat – deels bij gebrek aan belang – een grondslag ontbreekt voor toewijzing van de door [eiseres] gevorderde verklaringen voor recht als hiervoor onder 3.1.I. weergegeven. Deze zullen dan ook worden afgewezen.

5.8.

Aan het tweede onderdeel van haar vordering heeft [eiseres] de stelling ten grondslag gelegd dat gedaagden bij de beëindiging van de samenwerking onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld, door welbewust, structureel en in vereniging te proberen om haar te benadelen (“uit te spannen”). De bewuste structurele samenwerking van [gedaagden] om haar te benadelen blijkt volgens [eiseres] uit de volgende door haar gestelde feiten:

  1. [naam B] is kort na uitdiensttreding een samenwerking aangegaan met [naam A];

  2. [naam A] heeft voor die samenwerking een vennootschap opgericht en daarvoor hebben hij en [naam B] een naam gekozen die gelijkluidend is aan die van [eiseres], waardoor gerede kans op verwarring bij het publiek ontstond;

  3. [naam B] heeft voor de samenwerking met [naam A] gebruik gemaakt van de kennis en knowhow die hij gedurende de samenwerking met [eiseres] omtrent diens organisatie heeft opgedaan (onrechtmatige werknemersconcurrentie);

  4. [gedaagden] heeft [eiseres] meegedeeld dat hij niet meer aan haar zou leveren omdat [gedaagden] de markt in de Benelux zelf wilde gaan bedienen;

  5. [gedaagden] heeft bij het beëindigen van de handelsrelatie op geen enkele wijze de belangen van [eiseres] in acht genomen, in het bijzonder door geen redelijke opzegtermijn te hanteren;

  6. [naam B] en [naam A] hebben bewerkstelligd dat de handelsagenten [naam G] en [naam F] bij [eiseres] zijn vertrokken en zich bij [gedaagde sub 3] hebben aangesloten;

  7. [naam B] en [naam A] hebben bewerkstelligd dat de bureaumedewerksters [naam H] en [naam I] hun arbeidsovereenkomst bij [eiseres] hebben opgezegd en aansluitend bij [gedaagde sub 3] in dienst zijn getreden;

  8. [naam B] en [naam A] hebben op onrechtmatige wijze bewerkstelligd dat de leveranciers van de merken[bedrijf 3] en [merk C] de relatie met [eiseres] hebben beëindigd en zijn gaan leveren aan [gedaagde sub 3] alsmede dat handelsagenten [naam J] ([bedrijf 3]) en [naam K] ([merk C]) bij [eiseres] zijn vertrokken en zich bij [gedaagde sub 3] hebben aangesloten;

  9. [naam B] en [naam A] hebben alle relaties van [eiseres] de hiervoor onder 2.13. geciteerde brief gezonden.

[gedaagden] heeft deze stellingen van [eiseres] deels betwist en voor het overige gemotiveerd betwist dat de verweten gedragingen onrechtmatig zijn jegens [eiseres].

5.9.

Bij de beoordelingen van dit onderdeel van de vordering stelt de rechtbank voorop dat, nu vaststaat dat [naam B] niet gebonden was aan enig non-concurrentie- of relatiebeding, het hem in beginsel vrij stond om een samenwerking aan te gaan met [naam A] en ook om zaken te doen met klanten van zijn voormalige werkgever [eiseres] en daarbij gebruik te maken van gegevens, kennis, ervaring en persoonlijke goodwill die hij in dienst van [eiseres] heeft verworven. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan dit onrechtmatig worden geacht. [eiseres] heeft gesteld dat [naam B] voor de samenwerking met [naam A] gebruik heeft gemaakt van de kennis en knowhow die hij gedurende de samenwerking met [eiseres] omtrent haar organisatie heeft opgedaan, maar heeft nagelaten deze stelling te onderbouwen door te specificeren om welke kennis en knowhow het zou gaan, terwijl [gedaagden] gemotiveerd heeft betwist dat [naam B] met behulp van vertrouwelijke informatie stelselmatig relaties van [eiseres] heeft benaderd. [eiseres] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat het gebruik van bij haar opgedane kennis en ervaring door [naam B] onrechtmatig moet worden geacht.

5.10.

De door [naam B] en [naam A] verzonden brief van 21 juni 2011 (hiervoor geciteerd onder 2.13) kan naar het oordeel van de rechtbank niet los gezien worden van het feit dat de distributieovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] reeds vóór het moment van verzending van die brief met wederzijds goedvinden was beëindigd en dat met [eiseres] afspraken waren gemaakt over de overname van bedrijfsmiddelen, waaruit volgt dat [eiseres] instemde met het voortzetten van de distributie van de lingerie en bruidsmode van [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] door (een samenwerkingsverband van) [naam A] en [naam B], althans zich daar uitdrukkelijk bij had neergelegd. Voor zover de brief ertoe strekte afnemers van de relevante merken te informeren over deze veranderde situatie kan deze daarom niet als onrechtmatig worden beschouwd. Weliswaar heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank geoordeeld dat door de bewuste brief ten onrechte de indruk kon ontstaan dat

[gedaagde sub 3] dezelfde onderneming was als [eiseres] en dat zij de activiteiten van [eiseres] had overgenomen, maar nu het vonnis heeft geleid tot een rectificatie van de brief in dat opzicht en [eiseres] heeft nagelaten te stellen dat die indruk bij relaties ook daadwerkelijk is ontstaan, laat staan aannemelijk te maken dat zij als gevolg van die eventueel (kortstondig) bestaande verwarring schade heeft geleden, bestaat er geen grondslag voor aansprakelijkheid op dit punt.

5.11.

Ten aanzien van de naamkeuze voor de door [naam A] opgerichte vennootschap geldt dat [eiseres] eveneens heeft nagelaten te stellen, laat staan aannemelijk te maken dat verwarring met haar eigen (handels)naam gedurende de periode voor de naamswijziging daadwerkelijk is opgetreden en dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden.

5.12.

In reactie op de stelling dat [naam B] en [naam A] hebben bewerkstelligd dat de handelsagenten [naam G] en [naam F] bij [eiseres] zijn vertrokken en zich bij [gedaagde sub 3] hebben aangesloten, heeft [gedaagden] betwist dat zij de handelsagenten heeft “overgehaald” om voor

[gedaagde sub 3] te komen werken. [eiseres] heeft nagelaten uiteen te zetten op welke wijze [naam B] en [naam A] zouden hebben bewerkstelligd dat de bewuste agenten voor [gedaagde sub 3] zijn gaan werken. Uit de overgelegde (opzeggings)brieven van deze agenten (producties 6 en 7 bij dagvaarding) blijkt bovendien dat zij als reden voor de opzegging van hun agentuurovereenkomsten opgeven het feit dat de merken [merk A] en [merk B] niet meer door [eiseres] zullen worden gedistribueerd in Nederland, en dat hun opgezegde agentuurovereenkomsten ook (alleen) die merken betroffen. In zoverre kan de beëindiging van de bewuste agentuurrelaties worden beschouwd als een logisch gevolg van de beëindiging van de distributieovereenkomst (waarmee [eiseres] heeft ingestemd). Gelet op het voorgaande heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat de bewuste opzeggingen het gevolg zijn van enig onrechtmatig handelen van [gedaagden]

5.13.

Dat [naam B] en [naam A] hebben bewerkstelligd dat de bureaumedewerksters [naam H] en [naam I] hun arbeidsovereenkomst bij [eiseres] hebben opgezegd en aansluitend bij [gedaagde sub 3] in dienst zijn getreden is door [gedaagden] gemotiveerd betwist. Zij heeft in dat verband gesteld dat de bewuste medewerksters hun arbeidsovereenkomst bij [eiseres] eigener beweging hebben opgezegd en daartoe niet door hen zijn “overgehaald”. Hierop is door [eiseres] niet gereageerd met een nadere onderbouwing van haar standpunt. Met name heeft zij ook niet duidelijk gemaakt of het initiatief tot het aanbieden van een arbeidsovereenkomst aan de beide medewerksters bij [gedaagden] heeft gelegen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagden] acht de rechtbank de stellingen van [eiseres] op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodat deze worden gepasseerd en aan bewijslevering terzake niet wordt toegekomen.

5.14.

Ook de stelling dat [naam B] en [naam A] op onrechtmatige wijze hebben bewerkstelligd dat de leveranciers van de merken[bedrijf 3] en [merk C] de relatie met [eiseres] hebben beëindigd en zijn gaan leveren aan [gedaagde sub 3] alsmede dat handelsagenten [naam J] ([bedrijf 3]) en [naam K] ([merk C]) bij [eiseres] zijn vertrokken en zich bij [gedaagde sub 3] hebben aangesloten is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. [eiseres] heeft niet uiteengezet waaruit het beweerde onrechtmatige “bewerkstelligen” heeft bestaan. Dat de beëindiging van de handelsrelatie met[bedrijf 3] het gevolg is van het beëindigen van de distributierelatie met [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] maakt een en ander nog niet onrechtmatig.

5.15.

Ten aanzien van de hiervoor onder 5.8 onder d) en e) weergegeven verwijten van [eiseres] volgt uit hetgeen hiervoor omtrent de beëindiging van de distributieovereenkomst is overwogen dat deze evenmin een grondslag opleveren voor de gevorderde verklaring voor recht; de beëindiging van de distributieovereenkomst zonder een (langere) opzegtermijn te hanteren kan in de gegeven omstandigheden immers niet als onrechtmatig worden beschouwd.

5.16.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de hiervoor onder 3.1.II. weergegeven vordering zal worden afgewezen.

5.17.

Na de aanvang van de onderhavige procedure is gebleken dat gedaagde sub 2, [gedaagde sub 2], op enig moment is “erloschen”. [gedaagden] heeft in dat verband gesteld dat de commanditaire vennoot, [naam A] in persoon, uit de vennootschap is uitgetreden, waardoor de vennootschap is opgehouden te bestaan en de voormalig beherend vennoot, [naam vennoot], als rechtsopvolger van gedaagde sub 2 moet worden beschouwd. Voor de onderhavige procedure betekent dit volgens [gedaagden] slechts een wijziging van de tenaamstelling van gedaagde sub 2 in die zin dat de naam dient te worden vervangen door de naam van de rechtsopvolger [naam vennoot]. [eiseres] heeft zich tegen deze naamswijziging verzet met het argument dat (kort gezegd) [naam A] niet mag worden toegestaan zich op deze manier aan zijn aansprakelijkheid te onttrekken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven wat de tenaamstelling van gedaagde sub 2 in deze procedure thans dient te zijn, nu de vorderingen in conventie integraal zullen worden afgewezen en de vordering in reconventie is ingetrokken.

5.18.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 589,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal €  1.493,00.

6 Het geschil en de beoordeling in reconventie

6.1.

Bij akte vermindering van eis in reconventie heeft [gedaagden], naar aanleiding van een (gedeeltelijke) minnelijke regeling tussen partijen, haar eis in reconventie ingetrokken, zodat deze geen beoordeling behoeft. Nu uit de akte van [eiseres] d.d. 3 juli 2013 blijkt dat zij instemt met het intrekken van de eis in reconventie en partijen zich over de in reconventie over en weer gemaakte proceskosten niet nader hebben uitgelaten, moet het ervoor worden gehouden dat zij zijn overeengekomen dat ieder van hen in reconventie de eigen proceskosten draagt, zodat een beslissing daarover niet meer zal worden gegeven.

7 De beslissing

De rechtbank

in conventie

7.1.

wijst de vorderingen af,

7.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.493,--.

in reconventie

7.3.

verstaat dat de eis is ingetrokken.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2013.1

1 EB/MS