Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3965

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-10-2013
Datum publicatie
21-10-2013
Zaaknummer
05/780003-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 32-jarige man vrijgesproken van afpersing in vereniging, poging afpersing in vereniging (op een andere datum) en het medeplegen van bedreigingen tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/780003-13

Datum zitting : 1 juli 2013 en 7 oktober 2013

Datum uitspraak : 21 oktober 2013

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [1980] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. M. Kaemingk, advocaat te Nijmegen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank op 1 juli 2013 ter terechtzitting toegewezen wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met

08 januari 2013, te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 200 Euro, in elk geval van

geld, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld

en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of

verdachte's mededader op indringende wijze meerdere malen die [slachtoffer 1]

heeft/hebben gebeld en/of (telkens) op dwingende en/of intimiderende toon

heeft/hebben gezegd dat ze geld nodig hadden voor [betrokkene];

2.

hij op of omstreeks 09 januari 2013, te Nijmegen, ter uitvoering van het

voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk

te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te

dwingen tot de afgifte van 8000 Euro en/of twee, althans een fles(sen)

(sterke) drank, in elk geval van een hoeveelheid geld en/of goed(eren), geheel

of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [benadeelde], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

met voormeld oogmerk heeft/hebben verdachte en/of verdachte's mededader in de

zaak van die [slachtoffer 1] geweest en/of druk heeft/hebben gebaard en/of

gezwaaid met hun/zijn armen en/of aan die [slachtoffer 1] -zakelijk weergegeven-

op dwingende toon verteld dat ze geld nodig hebben voor een woning van een van

de broers en/of dat het hen niets meer uitmaakt, want ze zijn iedereen al

kwijt en/of dat ze het geld voor 20.00 uur willen hebben en/of dat ze het wel

komen halen bij de zaak of bij hem thuis, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 10 januari 2013, te Nijmegen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

1) [slachtoffer 2] hebben/heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers zijn/is verdachte en/of zijn

mededader(s) opzettelijk dreigend met een auto op die [slachtoffer 2] ingereden, althans

met hoge snelheid in de richting van die [slachtoffer 2] gereden en/of hebben/heeft

verdachte en/of zijn mededader(s) -nadat ze nabij die [slachtoffer 2] waren gestopt met

de auto- tegen die [slachtoffer 2] gezegd "Waarom doe je zo, we wilden je alleen maar

wat vragen" en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd "Bel de

politie maar, ik pak mijn pistool en ik schiet je dood" en/of "Hoer, ik zoek

je op, ik schiet je dood" en/of "Ik schiet je kapot", althans (telkens)

woorden van soortgelijke aard of strekking en/of

2) [slachtoffer 3] hebben/heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of

zijn mededader(s) opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 3] gezegd "We weten je

te vinden, we halen een pistool op", althans (telkens) woorden van

soortgelijke aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 10 januari 2013, te Nijmegen, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten

een pistool (9mm), althans een wapen (9mm) en/of munitie van categorie III, te

weten een aantal (3) patro(o)n(en) (Merk Libra, type Luger, kal. 9x19mm) en/of

-in een auto- een patroon (kal. 9 mm), voorhanden heeft/hebben gehad;

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 7 oktober 2013 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigd raadsman, mr. M. Kaemingk voornoemd.

De officier van justitie, mr. H.J. Timmer, heeft gerekwireerd.

De raadsman van verdachte heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3 De beslissing inzake het bewijs

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde afpersing in vereniging nu niet bewezen kan worden dat verdachte en zijn medeverdachte, [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) met (bedreiging met) geweld hebben gedwongen € 200,- af te geven. [slachtoffer 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte en zijn broer hem “op een normale manier” hebben gevraagd om een bijdrage in het levensonderhoud en voor de begrafenis van hun broer, hetgeen volgens hem in hun cultuur niet vreemd is. Over het moment dat hij verdachte en zijn broer € 200,- heeft gegeven, heeft hij ook expliciet opgemerkt zich niet bedreigd te hebben gevoeld.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

Onder feit 2 is verdachte poging afpersing, van een geldbedrag van € 8.000,- en/of (een) fles(sen) drank, in vereniging ten laste gelegd. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot afgifte van geld door geweld of bedreiging met geweld.

Dat verdachte en/of zijn broer in de zaak van [slachtoffer 1] zou zijn geweest en druk met zijn armen zou hebben gezwaaid of gebaard, dan wel [slachtoffer 1] op dwingende toon zou hebben verteld dat ze geld nodig hebben en het voor 20:00 uur willen hebben, dat het hen niets meer uitmaakt omdat ze iedereen al kwijt zijn en ze het geld wel komen halen bij de zaak of bij [slachtoffer 1] zijn, is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf daartoe onvoldoende . Uit geen van de verklaringen of de verslagen van de beelden van ter plaatse aanwezige beveiligingscamera’s blijkt dat er daadwerkelijk geweld is gebruikt, noch dat daarmee is gedreigd. Dat, zoals de officier van justitie stelt, [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij zich op 9 januari 2013 door verdachte en/of zijn broer bedreigd heeft gevoeld, doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet aan af, nu hij dat gevoel niet relateert aan concrete bedreigingen en gedragingen , maar dat hij de broers onberekenbaar vindt en dat zij geld vroegen terwijl hij dat niet had.

Voorts acht de rechtbank van belang dat verdachte (op 17 januari 2013) heeft verklaard dat hij met zijn broer op 10 januari 2013 bij [slachtoffer 1] is geweest om zich te verontschuldigen voor hun “opgefokte” gedrag van de dag daarvoor en dat er, in aanvulling op het eerder betaalde bedrag, ook geld zou zijn betaald voor de drank die zij de dag ervoor hadden meegenomen. Deze verklaring wordt door [slachtoffer 1] bevestigd. Mede gelet op deze excuses kan niet als onaannemelijk worden verworpen dat verdachte en zijn broer mogelijk in de veronderstelling waren geld van [slachtoffer 1] te goed te hebben gehad en dit weliswaar op een geagiteerde en drukke manier hebben opgeëist, maar dat zij nooit de intentie hebben gehad om [slachtoffer 1] door (bedreiging met) geweld tot onvrijwillige afgifte van dit geld (en/of drank) te dwingen. Dit geldt temeer nu zij eerder ook om geld hebben gevraagd en het toen ook vrijwillig van aangever hebben gekregen.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het hem ten laste gelegde onder feit 2.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3

Aangeefster [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) heeft op 10 januari 2013 verklaard dat op die dag rond 8:05 uur in de Molenstraat in Nijmegen een personenauto met hoge snelheid recht op haar af kwam rijden. De bestuurder van de auto, door haar beschreven als de man met rasta haren tot op zijn schouders, en bijrijder, omschreven als de man met kort stekelig haar, zouden uitgestapt zijn en op haar af zijn gelopen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de bestuurder van de auto haar met de dood heeft bedreigd. Getuige [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3]) heeft op

10 januari 2013 verklaard dat hij de twee jongens naar [slachtoffer 2] heeft horen schreeuwen: “Hoer, ik zoek je op, ik schiet je kapot.” Ook zouden de jongens naar hem hebben geroepen dat ze hem wel wisten te vinden en dat ze hun pistool zouden pakken.

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 2] aanvankelijk verklaard, anders dan op 10 januari 2013, dat beide mannen doodsbedreigingen hebben geuit. Later in datzelfde verhoor heeft zij verklaard niet te weten wie haar met de dood heeft bedreigd, waarbij ze tevens heeft opgemerkt dat de kleine met het korte haar de situatie juist probeerde te sussen. [slachtoffer 3] heeft hierover bij de rechter-commissaris verklaard dat de mannen “verbaal agressief” waren naar [slachtoffer 2] en beiden alles hebben gezegd “wat god verboden heeft”. De man met de lange haren - de bestuurder - zou hem doodsbedreigingen hebben toegeschreeuwd, maar de man met de korte haren niet.

De rechtbank gaat er, mede gelet op de rest van het dossier, van uit dat verdachte de bijrijder is geweest en zijn broer de bestuurder van de auto. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte [slachtoffer 2] of [slachtoffer 3] met de dood heeft bedreigd. In dat kader overweegt de rechtbank dat het verdachte niet kan worden verweten dat zijn broer met hoge snelheid in de richting van [slachtoffer 2] is gereden, nu niet is gebleken dat hij enige invloed heeft gehad op het rijgedrag van zijn broer. Verder hebben [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] voor wat betreft de verbale doodsbedreigingen zodanig wisselend, onduidelijk, en op onderdelen onderling tegenstrijdig, verklaard, dat naar het oordeel van de rechtbank niet vaststaat dat (ook) verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met de dood heeft bedreigd. Daarbij is van belang dat [slachtoffer 2] meermalen heeft verklaard dat verdachte, op enig moment, de situatie heeft geprobeerd te sussen en [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris heeft opgemerkt dat verdachte hem niets heeft toegeschreeuwd. Dit maakt dat verdachte zich ook niet heeft geconformeerd aan het verbale gedrag van zijn broer, maar zich daarvan juist heeft willen distantiëren. Ook van het ten laste gelegde onder feit 3 zal de rechtbank verdachte aldus vrijspreken.

Ten aanzien van feit 41

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 10 januari 2013 wordt door de bijrijder van een auto met kenteken [kenteken] in Nijmegen driemaal een schot gelost met een vuurwapen.2 De groene [auto 1] met dit kenteken staat op naam van verdachte geregistreerd3 en wordt diezelfde dag in beslag genomen4. In de auto is een patroon van het merk Libra in de uitvoering 9 mm Luger, aangetroffen met dezelfde uiterlijke kenmerken als drie hulzen die op 10 januari 2013 na de geloste schoten op de openbare weg zijn aangetroffen.5 Deze hulzen zijn eveneens van het merk Libra en van het type 9 mm Luger6 en zijn onderdeel van munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie.7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat het ten laste gelegde feit 4, voor wat betreft het in vereniging voorhanden hebben van het pistool en drie (afgeschoten) patronen, wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Daartoe wijst hij op de melding dat op 10 januari 2013, op de plaats waar [betrokkene] om het leven is gebracht, schoten zouden zijn gelost vanuit een auto, dat ter plaatse drie hulzen zijn aangetroffen en dat deze zeer waarschijnlijk met hetzelfde wapen zijn afgeschoten, dat het genoteerde kenteken overeenkomt met die van de auto van verdachte, dat signalementen zijn gegeven van twee mannen die passen op het uiterlijk van verdachte en zijn broer, dat de broer van verdachte heeft verklaard dat hij die ochtend om en om met verdachte in de auto heeft gereden en dat verdachte heeft verklaard dat ze in een [auto 1] en een [auto 2] reden. Ten aanzien van het voorhanden hebben van het (niet afgeschoten) patroon in de auto dient verdachte naar de mening van de officier van justitie te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde onder feit 4, nu iedere relatie tussen verdachte, het wapen en/of munitie zou ontbreken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft verklaard niets te weten van aanwezigheid van een wapen of munitie, geen wapen is aangetroffen, niet is gebleken van betrokkenheid van verdachte bij het schietincident op

10 januari 2013 en verdachtes auto - waarin een stuk munitie is aangetroffen - op het moment van inbeslagname gebruikt werd door twee andere mannen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat op basis van de vaststaande feiten bewezen kan worden geacht dat de man die op 10 januari 2013 in Nijmegen als bijrijder in de auto met kenteken [kenteken] heeft gezeten en schoten heeft gelost, niet alleen een vuurwapen maar tevens vier patronen van het merk Libra, type Luger, kaliber 9 mm voorhanden heeft gehad.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat verdachte ten tijde van het schietincident in de auto zat en, in het verlengde daarvan, of daarmee bewezen kan worden geacht dat hij het vuurwapen en de drie (afgeschoten) patronen voorhanden heeft gehad. De eerste vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend en de tweede ontkennend. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De agenten die getuige waren van het schietincident hebben de bijrijder, zijnde de persoon die het vuurwapen in zijn hand had, omschreven als [signalement 1].8 De bestuurder wordt omschreven als [signalement 2].9 Uit verschillende verklaringen volgt dat verdachte korte haren heeft en zijn broer lange rasta haren.10 Voorts is duidelijk dat de broer van verdachte ten tijde van zijn aanhouding (de avond na het schietincident) een wit shirt met lange mouwen aan heeft.11 De rechtbank overweegt dat het signalement gegeven door de agenten gelijkenissen vertoont met het uiterlijk van verdachte en zijn broer.

Het schietincident heeft op 10 januari 2013 rond 14:15 uur plaatsgevonden.12 Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte en zijn broer die dag rond 12:00 uur in een groene auto bij haar zijn geweest.13 De rechtbank leidt hieruit af dat de auto, die betrokken was bij het schietincident, ruim twee uur voor het schietincident is gebruikt door verdachte en zijn broer. Voorts acht de rechtbank van belang dat de betreffende auto rond 15:28 uur geparkeerd stond op de [straat 1] te Nijmegen.14 De broer van verdachte heeft daarover, nadat hij was geconfronteerd met de waarneming dat de groende [auto 1] om 15:30 op de [straat 2] was geparkeerd, verklaard dat het klopt dat hij en verdachte toen die dag met de [auto 1] waren en dat hij niet weet of hij of verdachte de auto daar heeft geparkeerd omdat ze om en om reden.15

Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank tot de conclusie dat het verdachte en zijn broer ten tijde van het schietincident op 10 januari 2013 in de groene [auto 1]

met kenteken [kenteken] hebben gereden en dat verdachte, de eigenaar van de auto, ook de bestuurder is geweest. Dat, zoals de raadsman van verdachte heeft betoogd, de betrokkenheid van verdachte uit geen van de bewijsmiddelen volgt, wordt aldus door de rechtbank niet gevolgd. Dat de auto juist op het moment van het schietincident zou zijn gebruikt door anderen dan verdachte en zijn broer (anders dan kort daarvoor en daarna), en die personen uiterlijk een sterke gelijkenis zouden vertonen met de verdachte en zijn broer, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden.

De omstandigheid dat verdachte, als bestuurder, in de auto aanwezig is geweest op het moment dat zijn broer drie schoten heeft gelost met een vuurwapen, kan naar het oordeel van de rechtbank - anders dan de officier van justitie heeft betoogd - niet leiden tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van dat vuurwapen en die patronen door verdachte. Niet is immers gebleken dat verdachte op enig moment de macht over dit wapen en deze patronen heeft gehad, aangezien het zijn broer was die het wapen met de patronen feitelijk in handen had en niet kan worden vastgesteld of verdachte voordat de broer schoot kennis heeft gehad van de aanwezigheid van dit wapen en deze munitie . De rechtbank zal verdachte daarvan dan ook vrijspreken.

Daarentegen acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte op 10 januari 2013 het (na het schietincident) in zijn auto aangetroffen patroon voorhanden heeft gehad. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat de patroon in de middenconsole van het dashboard, in een open opbergvak, is aangetroffen16, zoals eerder is vastgesteld: in de auto van verdachte, terwijl het eenzelfde type patroon betreft als die welke zijn gebruikt tijdens het eerdergenoemde schietincident. Gezien de plaats waar de patroon is aangetroffen en de aanwezigheid van verdachte bij het schietincident acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de patroon, hij daartoe - zeker nu hij zich in zijn eigen auto bevond - toegang heeft gehad en hij daarover ook beschikkingsmacht heeft gehad. De stelling van de raadsman dat de personen die zich ten tijde van de inbeslagname van de auto in de auto bevonden, de patroon mogelijk in de auto hebben achtergelaten, acht de rechtbank zonder nadere onderbouwing en gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden niet aannemelijk.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 10 januari 2013, te Nijmegen, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, munitie van categorie III, te

weten

-in een auto- een patroon (kal. 9 mm), voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij mede is gelet op:

 een uittreksel uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst betreffende verdachte, gedateerd 14 september 2013;

 een rapport van Pro Justitia betreffende verdachte, opgesteld door psychiater [psychiater], gedateerd 8 februari 2013; en

 een rapport van Pro Justitia betreffende verdachte, opgesteld door GZ-psycholoog [psycholoog], gedateerd 15 februari 2013.

De strafmaat

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde onder feit 2, 3 (behoudens voor wat betreft de door hem niet bewezen geachte bedreiging van [slachtoffer 3]) en 4, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het opleggen van een beperkte, deels voorwaardelijke geldboete, een (al dan niet deels) voorwaardelijke taakstraf of een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest, redelijk is. Daartoe heeft hij erop gewezen dat verdachte first offender is en dat hij enige tijd in voorarrest heeft gezeten, waardoor hij ook zijn baan heeft verloren en de begrafenis van zijn broer niet bij heeft kunnen wonen.

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verboden bezit van munitie. Dergelijk bezit levert een onaanvaardbaar risico op voor de veiligheid van personen en goederen en draagt daarnaast ook bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank houdt hiermee rekening bij het bepalen van de op te leggen straf.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en verdachte voor het overige geen, in het kader van deze strafzaak relevante, justitiële documentatie heeft.

Het Landelijke Overleg Vakinhoud Strafrecht heeft in het kader van de straftoemeting oriëntatiepunten vastgesteld. In een geval als de onderhavige, waarin sprake is van het voorhanden hebben van een patroon wordt een geldboete voorgesteld van € 110,-. De rechtbank kan hiervan weliswaar afwijken, maar acht dit een passende straf.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 55 en 56 van de Wet Wapens en munitie.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de hem ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit 4, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een geldboete van € 110,- (honderdtien euro).

Beveelt dat, bij gebreke van betaling, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 2 (twee) dagen.

Heft op het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen, voorzitter, mr. J.M.J.M. Doon en mr. M.M.L.A.T. Doll, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.W.M. Heutinck, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 oktober 2013.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant[verbalisant 2] van de politie Nederland, regio Oost, district Gelderland Zuid, opgemaakte proces-verbaal dossier/relaas (08LINCOLN), dossiernummer 2013003569, gesloten in 2013, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 143 en 144.

3 Het proces-verbaal relaas, p. 11 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 129.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 171.

5 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 194 en 195.

6 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 185 en 186.

7 Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie eenheid Oost, unit Forensische Opsporing, opgemaakte proces-verbaal Wet Wapens en Munitie, gesloten op 4 april 2013.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 143.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 142.

10 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p. 168 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], p. 180.

11 Het proces-verbaal dossier/relaas, p. 8 en 10 bezien in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen kleding, p. 218.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 142 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 143.

13 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p. 168.

14 Het proces-verbaal observeren, p. 148.

15 Het proces-verbaal van verhoor van (mede)verdachte [verbalisant 1], p. 71.

16 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 194.