Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3925

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-10-2013
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
05/740035-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Gelderland heeft een 72-jarige man veroordeeld voor het door de jaren heen betasten van de borsten (en billen) van vijf verschillende meisjes die op zijn terrein hebben paardgereden. Hij heeft deze meisjes die kwamen paardrijden telkens op geniepige wijze onverhoeds vastgepakt, waarbij hij dan de borsten aanraakte. Weliswaar heeft verdachte zijn handelingen verpakt in omarmingen of stoeipartijen, maar dat ontneemt het ontuchtige karakter van die handelingen niet. Gelet op de verklaringen van de vijf aangeefsters ieder voor zich en in samenhang bezien is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van toevallige, onbedoelde onhandige/lompe handelingen, maar van (bewust verrichte) ontuchtige handelingen.

De rechtbank heeft de twee aangeefster die een schadevergoeding vorderen, deze grotendeels toegekend. De verdachte is veroordeeld tot tien dagen gevangenisstraf (met aftrek van voorarrest) en een werkstraf van 200 uur, waarvan de helft voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 05/740035-13

Uitspraak d.d.: 18 oktober 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1941],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsvrouw: mr. Rump, advocaat te Zwolle.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 oktober 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 januari 1997 tot 20 december 2001 te Oldebroek, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 1], buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer 1] aan haar borsten te betasten, terwijl die [slachtoffer 1] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

art 247 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2004 tot en met 31 december 2005 te Oldebroek, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum 2], buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer 2] te betasten aan haar borsten en/of haar billen en/of haar vagina, althans schaamstreek,

terwijl die [slachtoffer 2] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

art 247 Wetboek van Strafrecht

3.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 30 september 2012 te Oldebroek, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer 3] geboren op [geboortedatum 3] buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer 3] te betasten aan haar borsten, terwijl die [slachtoffer 3] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

art 247 Wetboek van Strafrecht

4.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 30 september 2012 te Oldebroek, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer 4] geboren op [geboortedatum 4], buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer 4] te betasten aan haar borsten, terwijl die [slachtoffer 4] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

art 247 Wetboek van Strafrecht

5.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 september 2002 tot 20 augustus 2006 te Oldebroek, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer 5], geboortedatum [geboortedatum 5], buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door opzettelijk ontuchtig, de borsten van die [slachtoffer 5] te betasten, terwijl die [slachtoffer 5] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

art 247 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

[slachtoffer 6] heeft in december 2012 gedaan van het feit dat zij meerdere keren zou zijn betast door haar buurman [verdachte]. Tijdens haar aangifte heeft zij ook namen genoemd van andere meisjes en vrouwen die door verdachte betast zouden zijn. De politie heeft vervolgens een onderzoek opgestart, waarbij de genoemde mogelijke benadeelden ook zijn benaderd. Dit heeft ertoe geleid dat er meerdere aangiftes tegen verdachte zijn gedaan en dat verdachte in februari 2013 is aangehouden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er algehele vrijspraak dient te volgen. Verdachte kende de aangeefsters omdat zij vrijwel wekelijks bij hem thuis op zijn paarden reden en ook werkzaamheden met de paarden verrichtten. Verdachte heeft aangeefsters wel eens aangeraakt en een arm om de schouder geslagen, maar dit was bedoeld als bemoediging en als schouderklopje. Verdachte is een knuffelig type mens. Verder was het zo dat de aangeefsters die verdachte beter kenden met hem klierden, om hem zo uit te dagen tot worstelpartijen. Hij heeft de aangeefsters niet bij de billen, borsten of vagina betast. Alles was vriendschappelijk bedoeld. Verdachte heeft hiermee nooit de intentie gehad ontuchtige handelingen te verrichten.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] bij hem paard hebben gereden. Hij heeft hen daarbij wel eens geholpen en hen wel eens een klap op de knie gegeven en ook wel eens een arm om hen geslagen. Het is wel eens gebeurd dat hij daarbij de borst heeft aangeraakt, maar dat was zonder een speciale bedoeling. Met een aantal van hen heeft hij ook wel geklierd. Met name [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] waren veel aan het klieren met hem. Hij heeft ook wel eens gerollebold met [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]. Dat was geen worstelpartij, maar gewoon even knuffelen. De vader van [slachtoffer 1] is jaren geleden een keer bij hem thuis geweest en heeft hem beschuldigd van het ontuchtig betasten van [slachtoffer 1].

[slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 2], heeft aangifte2 gedaan. Zij heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat verdachte [verdachte] haar te Oldebroek in de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2005 heeft betast en seksueel misbruik met haar heeft gepleegd. Dat was tussen haar elfde en dertiende levensjaar. Zij ging daar paard rijden en ook paarden verzorgen. Dat deed zij soms vier keer per week en in de vakanties vrijwel dagelijks. Verdachte was een vriendelijke man, maar was afstandelijker als zijn dochter in de buurt was. Het begon met knuffelen, waarbij hij een arm om haar heen sloeg. Het ging steeds verder. Hij kwam steeds dichterbij staan en als zij gebukt stond hield verdachte zijn hand op haar rug. De stap daarna was dat verdachte met zijn lichaam tegen haar aan ging staan. Zij had het gevoel dat hij het met stapjes deed om uit te proberen hoe zij zou reageren. Vervolgens begon het aanraken van haar borsten en billen. Verdachte deed zijn arm om haar heen, gleed dan door zodat de hand op de borst kwam. Als zij voorover gebukt stond sloeg verdachte op haar kont. De volgende stap was dat verdachte haar klem zette tegen het paard, zodat zij niet weg kon en hij overal bij kon. Hij kon zo bij haar borsten, billen, benen, kont en haar vagina. Dit gebeurde iedere twee tot drie weken wel een keer. Verdachte deed het heel sneaky als anderen er even niet bij waren. Het ergste wat haar met verdachte is overkomen, is dat verdachte haar in de voerbak met stro heeft geduwd. [getuige] was op dat moment net even weg. Zij kwam op haar rug in de bak te liggen en verdachte ging bovenop haar liggen. Verdachte betaste over de kleding heen heel bewust haar vagina. Hij haalde zijn hand weg toen [getuige] eraan kwam en lachte heel hard alsof hij heel grappig deed. Zij weet nog dat [getuige] heeft gezegd: “Wat doe je, kom er eens af”. Verdachte heeft nooit tegen haar gezegd dat anderen niet mochten weten wat er gebeurde, maar zij kreeg wel dat gevoel. Verdachte deed altijd of hij het niet bewust deed en gewoon aardig bedoelde.

[getuige] heeft - zakelijk weergegeven - verklaard3 dat zij en [slachtoffer 2] paard hebben gereden bij verdachte. Dat was te Oldebroek. Zij was toen dertien tot veertien jaar en [slachtoffer 2] twaalf tot dertien jaar. Verdachte was wel aardig, maar drong zich op. Hij kon onaangenaam dichtbij komen staan, legde zijn hand wel op haar schouder en sloeg ook wel eens op haar billen. Verdachte deed dat ook bij [slachtoffer 2]. Hij drong zich aan haar op, ging bij haar staan en raakte haar aan. Zij heeft wel vijf of zes keer gezien dat [slachtoffer 2] tegen de muur of het paard stond en dat verdachte ervoor stond. [slachtoffer 2] kon dan geen kant op en zat klem. Als zij kwam, nam verdachte afstand van [slachtoffer 2]. Zij heeft ook een keer gezien dat [slachtoffer 2] op haar rug in het hooi lag en dat verdachte op zijn armen boven haar hing. Toen zij binnenkwam was de verdachte snel weg. Zij heeft van [slachtoffer 2] gehoord dat verdachte haar heeft aangeraakt aan haar billen, borsten en buik.

[slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 3], heeft - zakelijk weergegeven – verklaard4 dat zij ongeveer anderhalf jaar paard heeft gereden bij verdachte [verdachte]. Zij was toen 12 jaar. Zij heeft dat samen met [slachtoffer 4] gedaan, maar ging ook wel eens alleen. Zij heeft hem wel eens aangeraakt. Zij gaf hem wel eens een klapje op de kale plek op het hoofd. Verdachte kietelde hen in de buik en zij deed dat ook wel bij verdachte. Verdachte sloeg ook wel eens een arm om haar schouder en drukte haar tegen zich aan. Verdachte gaf [slachtoffer 4] wel eens een tik op haar kont. Zij voelde zich erg ongemakkelijk als dat gebeurde en heeft wel eens gezegd dat hij los moest laten. Als verdachte de arm om haar heen deed zat hij met de hand aan de zijkant van haar borst. Dat is tussen de vijf tot tien keer gebeurd. Zij vond dat raar. Verdachte vertelde dat zij en [slachtoffer 4] niet meer mochten klieren als [dochter verdachte] (noot rechtbank: de dochter van verdachte) er bij was. Het klieren gebeurde ook niet als verdachtes vrouw erbij was.

[slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum 4], heeft - zakelijk weergegeven - verklaard5 dat zij ongeveer anderhalf jaar geleden (noot rechtbank: verhoor op 23 januari 2013) bij verdachte is gaan paardrijden. Zij ging daar samen met [slachtoffer 3] heen. Het viel hen op dat verdachte aan hen allebei ging zitten. Bij [slachtoffer 3] was dat knuffelen en bij haar was het aan de kont zitten, tikken op haar kont gegeven en kusjes geven. Verdachte liet haar dan niet los voordat zij daarom vroeg. De manier van knuffelen was vastpakken en het zich tegen haar aandrukken. Verdachte deed dan een arm om haar heen, met zijn hand aan de zijkant van haar borst. Dit gebeurde op de momenten dat [slachtoffer 3] er even niet was, maar het is ook wel eens gebeurd als zij er wel bij was. Zij voelde zich daar heel ongemakkelijk bij. Het gebeurde onverwacht en bijna iedere week wel een keer. Toen zij en [slachtoffer 3] al langer bij verdachte kwamen ging hij steeds meer aanraken, knuffelen, tikken tegen de kont geven en kusjes geven. Het werd steeds meer. Verdachte vertelde ook dat het ook een keer was gebeurd dat hij met een vorig verzorgster rollebollend over de grond was gegaan.

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig bewijs is voor de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. De verklaring van getuige [getuige] ondersteunt die van [slachtoffer 2], net zoals de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] elkaar ondersteunen, waarbij komt dat verdachte ook heeft toegegeven erg fysiek met aangeefsters te zijn. De wijze waarop aangeefsters verklaren betast te zijn aan borsten (en billen) komt opvallend overeen.

Dat is anders voor het betasten van de vagina/schaamstreek, waarover alleen [slachtoffer 2] verklaart. Gelet daarop, in samenhang met de stellige ontkenning van verdachte daarvan, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het betasten van de vagina/schaamstreek van [slachtoffer 2]. De overige tenlastegelegde handelingen (betasten van borsten (en billen)) zijn wettig en overtuigend bewezen en naar het oordeel van de rechtbank ook ontuchtige handelingen, omdat verdachte met deze handelingen de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft aangetast. Weliswaar heeft verdachte zijn handelingen verpakt in omarmingen of stoeierij, maar dat ontneemt het ontuchtige karakter van die handelingen niet. Gelet op de verklaringen van de aangeefsters ieder voor zich en in samenhang bezien is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van toevallige, onbedoelde onhandige/lompe handelingen, maar van (bewust verrichte) ontuchtige handelingen.

[slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 1], heeft - zakelijk weergegeven - verklaard6 dat zij in het voorjaar van 1997 is gaan paardrijden bij verdachte. Zij was toen 11,5 jaar oud. Zij heeft dat gedaan tot het voorjaar van 2002, dus tot haar zestiende. Verdachte ging in het begin gewoon met haar om, maar op den duur werd hij steeds aanhaliger. Als verdachte een grapje maakte pakte hij haar vast, net aan de onderkant van de borsten en schudde deze heen en weer. Verdachte deed het altijd zo dat niemand het zag en dat het niet opvallend was. Zij vond dit niet fijn. Dit is begonnen toen zij twaalf of dertien was. Hij streelde in de auto ook wel eens met zijn hand op haar bovenbeen. Verdachte vroeg haar ook wel eens om hem te kussen. Zij heeft dat een paar keer gedaan, maar vervolgens uitvluchten gezocht. Op het laatst heeft zij geprobeerd iemand mee te krijgen, zodat zij niet alleen naar verdachte hoefde te gaan. In het bos is verdachte een keer met zijn handen onder haar kleren gegaan en heeft hij met zijn hand onder de BH door haar blote borst aangeraakt.

Zij heeft aan haar vader verteld wat er gebeurd was. Die is de volgende dag naar verdachte gegaan om te vertellen wat zij hem gezegd had.

[slachtoffer 5], geboren op [geboortedatum 5], heeft - zakelijk weergegeven - verklaard7 dat zij van 1 september 2002 tot 1 september 2006 paard heeft gereden bij verdachte. In die periode is zij door verdachte betast aan haar borsten. Als zij in de stal bezig was kwam verdachte dicht bij haar staan en raakte dan met zijn elleboog even haar borst aan. Dat was bij wijze van: “ik doe het per ongeluk”, maar hij deed het expres. Ook kneep hij wel eens met zijn hand in haar borst. Dat deed hij op een manier of het een grapje was, want hij lachte erbij en deed het op een grappige manier. Hij deed het niet als er anderen bij waren. Verdachte heeft tussen de vijf en tien keer haar borsten op deze manier aangeraakt of erin geknepen. Het knijpen was over de kleren heen even snel vasthouden en weer loslaten. Verdachte heeft ook wel eens op een vriendelijke manier een arm om haar heen geslagen, maar dat moest hij bij haar niet doen, want daar hield zij niet van.

Ten aanzien van de onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten is er naast de afzonderlijke aangiftes geen direct steunbewijs voorhanden. De aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] vertonen onderling inhoudelijk echter opvallende overeenkomsten met elkaar en vertonen eveneens inhoudelijk opvallende overeenkomsten met de bewijsmiddelen die voor de onder 2 tot en met 4 bewezen verklaarde feiten worden gebezigd. Hierin wordt steeds gesproken over de geniepige wijze waarop verdachte aangeefsters heeft benaderd en de wijze waarop de aangeefsters zijn betast, namelijk onder meer door even een arm om een meisje te slaan en dan zijn hand af te laten zaken tot de borsten. De verklaringen van de aangeefsters ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2 tot en met 4 dienen dan ook als steunbewijs met betrekking tot de onder 1 en 5 tenlastegelegde feiten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan het daderschap van verdachte te twijfelen ten aanzien van de onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten.

De rechtbank acht de onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 1997 tot 20 december 2001 te Oldebroek, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 1], buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer 1] aan haar borsten te betasten, terwijl die [slachtoffer 1] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

2.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 te Oldebroek, met [slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum 2], buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer 2] te betasten aan haar borsten en haar billen, terwijl die [slachtoffer 2] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

3.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 september 2012 te Oldebroek, met [slachtoffer 3] geboren op [geboortedatum 3] buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer 3] te betasten aan haar borsten, terwijl die [slachtoffer 3] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

4.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 september 2012 te Oldebroek, met [slachtoffer 4] geboren op [geboortedatum 4], buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer 4] te betasten aan haar borsten, terwijl die [slachtoffer 4] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

5.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 september 2002 tot 20 augustus 2006 te Oldebroek, met [slachtoffer 5], geboortedatum [geboortedatum 5], buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door opzettelijk ontuchtig, de borsten van die [slachtoffer 5] te betasten, terwijl die [slachtoffer 5] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1, 2, 3, 4 en 5 telkens:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een rapport van psychologisch onderzoek opgemaakt, gedateerd 7 mei 2013, door [psycholoog], psycholoog. De conclusie van dit rapport is dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Met de conclusie van deze rapportage kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- de bijzondere voorwaarden van reclasseringscontact en het verbod om minderjarigen op zijn boerderij/woning/terrein toe te laten zonder toezicht van een volwassene;

- storting van een bedrag van € 5.000,-- in het schadefonds geweldsmisdrijven, waarbij rekening gehouden dient te worden met de eventueel aan de benadeelde partijen toe te kennen bedragen.

Ter toelichting heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte ontucht heeft gepleegd met vijf minderjarigen. Hoewel verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, moet verdachte het besef hebben dat hij jonge meisjes niet ontuchtig mag aanraken.

De raadsvrouw heeft als strafmaatverweer verzocht om te volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest naast een voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarde van reclasseringscontact. Zij acht het niet nodig het contactverbod met minderjarigen op te leggen, daar verdachte veel heeft geleerd van hetgeen de strafzaak tot nu toe voor hem teweeg heeft gebracht. De verplichting om een bedrag in het schadefonds geweldsmisdrijven te storten zal, gelet op de precaire financiële positie van verdachte, verstrekkende gevolgen voor verdachte hebben.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Hij heeft minderjarige meisjes die op zijn terrein paard kwamen rijden door de jaren heen telkens op een geniepige wijze onverhoeds vastgepakt en hen gedwongen de ontuchtige handelingen te ondergaan. Het is algemeen bekend dat dergelijke gebeurtenissen voor minderjarigen ingrijpend zijn. Verdachte heeft door zijn handelen ook het door de minderjarigen in hem gestelde vertrouwen geschaad.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf rekening met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat verdachte vanwege de bij hem geconstateerde stoornis van Asperger verminderd toerekeningsvatbaar is. Uit het rapport van psychologisch onderzoek komt naar voren dat de strafzaak verregaande consequenties voor het sociale netwerk van verdachte heeft gehad en dat de inschatting is dat hij op rigide wijze weg zal blijven van vergelijkbare situaties. Het opleggen van bijzondere voorwaarden ter voorkoming van recidive is daar niet noodzakelijk voor.

Gelet op de ernst van de feiten en het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het ondergane voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een werkstraf van aanzienlijke duur. De helft van die werkstraf zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen, teneinde te voorkomen dat verdachte opnieuw in de fout zal gaan. De proeftijd zal worden vastgesteld op drie jaar.

Gelet op verdachtes financiële positie zal de rechtbank geen verplichting opleggen om een storting in het schadefonds geweldsmisdrijven te doen. De rechtbank overweegt in dit kader dat het haar voorkeur geniet dat verdachte zijn eventuele financiële ruimte benut om de vorderingen van de benadeelde partijen te voldoen.

Vorderingen tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.655,60 (waarvan € 1.500,-- immateriële schade) gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de materieel gevorderde schade en matiging van de immaterieel gevorderde schade tot een bedrag van € 1.000,--, alles vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens heeft hij verzocht de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

De raadsvrouw heeft naast de bepleite niet-ontvankelijkheid wegens vrijspraak aangevoerd dat de gevorderde telefoonkosten en portokosten wegens het ontbreken van onderbouwing afgewezen dienen te worden. Ten aanzien van de gevorderde reiskosten heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De gevorderde immateriële schade is onvoldoende onderbouwd. Dit deel van de vordering is zo complex, dat behandeling daarvan een onevenredige belasting voor het strafproces is. De benadeelde partij dient voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank zal de geleden materiële schade voor reiskosten ad € 105,60 toewijzen, nu de raadsvrouw zich ten aanzien van deze kosten heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en omdat dit deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank voldoende is onderbouwd.

De rechtbank zal de benadeelde partij met betrekking tot de gevorderde telefoon- en portkosten niet ontvankelijk verklaren, nu dit deel van de vordering wordt betwist en bovendien onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank zal de geleden immateriële schade naar billijkheid begroten op € 500,--, nu ervan uit mag worden gegaan dat deze schade in ieder geval is geleden. Dit bedrag is meer in lijn met de hoogte van immateriële schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken wordt toegekende dan het gevorderde bedrag. Met betrekking tot de overigens gevorderde immateriële schade zal zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

De wettelijke rente zal worden toegewezen met ingang van 28 januari 2013 (datum aangifte).

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.581,44 (waarvan € 1.500,-- immateriële schade) gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de materieel gevorderde schade en matiging van de immaterieel gevorderde schade tot een bedrag van € 1.000,--, alles vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens heeft hij verzocht de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

De raadsvrouw heeft naast de bepleite niet-ontvankelijkheid wegens vrijspraak aangevoerd dat de gevorderde telefoonkosten en portokosten wegens het ontbreken van onderbouwing afgewezen dienen te worden. Ten aanzien van de gevorderde reiskosten heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De gevorderde immateriële schade is onvoldoende onderbouwd. Dit deel van de vordering is zo complex, dat behandeling daarvan een onevenredige belasting voor het strafproces is. De benadeelde partij dient voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank zal de geleden materiële schade voor reiskosten ad € 31,44 toewijzen, nu de raadsvrouw zich ten aanzien van deze kosten heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en omdat dit deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank voldoende is onderbouwd.

De rechtbank zal de benadeelde partij met betrekking tot de gevorderde telefoon- en portkosten niet ontvankelijk verklaren, nu dit deel van de vordering wordt betwist en bovendien onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank zal de geleden immateriële schade naar billijkheid begroten op € 500,--, nu ervan uit mag worden gegaan dat deze schade in ieder geval is geleden. Dit bedrag is meer in lijn met de hoogte van immateriële schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken wordt toegekende dan het gevorderde bedrag. Met betrekking tot de overigens gevorderde immateriële schade zal zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

De wettelijke rente zal worden toegewezen met ingang van 12 februari 2013 (datum aangifte).

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om aan de verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht telkens de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van na te noemen som geld ten behoeve van voornoemde benadeelde partijen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

1, 2, 3, 4 en 5 telkens:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtig handelingen plegen, meermalen gepleegd;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) dagen;

 beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet

naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur

van 100 (éénhonderd) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van deze straf, groot 100 (éénhonderd) uren, met een vervangende hechtenis van 50 (vijftig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 605,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2013, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 605,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2013, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 531,44, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2013, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 531,44, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2013, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis;

 heft op het – geschorste – bevel voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Kropman, voorzitter, Gilhuis en O. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

18 oktober 2013.

Mr. Kropman is buiten staat mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0610 2012164724-23, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Noordwest Veluwe, team recherche Noordwest Veluwe, gesloten en ondertekend op 8 maart 2013.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], pag. 133-138

3 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], pag. 54-57

4 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 3], pag. 65-69

5 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4], pag. 58-61

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], pag. 118-126

7 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5], pag. 141-144