Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3753

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
05/720136-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij, diefstal van stroom, brand door schuld en bezit wapens; werkstraf van 240 uur en voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/720136-13

Datum zitting : 25 september 2013

Datum uitspraak : 9 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [1971] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

raadsman : mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 4 maart 2013 te

Rheden opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (op 4 maart 2013) in een pand aan

de [adres]) een hoeveelheid van ongeveer 180 hennepplanten, althans

een groot aantal hennepplanten en/of ongeveer 650 gram (al dan niet gedroogde)

henneptoppen, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel, vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op of omstreeks 04 maart 2013 te Rheden een of meer wapens van categorie

III, te weten een revolver, merk Smith & Wesson, type .357 en/of een pistool,

merk Zastava, type Model 70, en/of munitie van categorie III, te weten 3 (drie)

patronen(te gebruiken in de revolver) en of 6 (zes) patronen (behorende bij

het pistool), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op een of meer tijstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013

tot en met 04 maart 2013 te Rheden, grovelijk, althans aanmerkelijk

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam een stroomvoorziening voor

een hennepkwekerij heeft aangelegd, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te

wijten is geweest, dat de woning gelegen aan de [adres] geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan, terwijl

daardoor gemeen gevaar voor belendende percelen, in elk geval gemeen gevaar

voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor de bewoners van belendende percelen, in elk geval levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, ontstond;

4.

hij op of omstreeks 04 maart 2013 te Rheden tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening van het elektriciteitsnet heeft weggenomen een hoeveelheid

elektriciteit (te weten ongeveer 6.777 kWh) , in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming(

door verbreking van de zegels van de hoofdaansluitkast, waarna aan de boven

zijde van de illegale hoofdbeveiligingsautomaten/zekeringhouders een illegale

3 fasen electriciteitsaansluiting was gemaakt);

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 25 september 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie, M.R. van Nes, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs 1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verslag binnentreden woning en doorzoeking, p. 21, 22;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 99, 100, 101;

- het proces-verbaal Opiumwet, p. 124;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 september 2013.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij in de periode van 1 februari 2013 tot en met 4 maart 2013 te Rheden opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van ongeveer 180 hennepplanten, en ongeveer 650 gram (al dan niet gedroogde) henneptoppen opzettelijk aanwezig heeft gehad, zijnde hennep een middel, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 4 maart 2013 in zijn woning te Rheden een revolver, merk Smith & Wesson, type .357 met drie bijbehorende patronen voorhanden gehad. Tevens heeft hij een pistool, merk Zastava, type Model 70 met zes bijbehorende patronen voorhanden gehad. De revolver en de munitie behoren tot categorie III van de Wet wapens en munitie.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank maar daarbij opgemerkt dat het de vraag is of het pistool wel geschikt is om projectielen mee af te schieten. Als dit niet zo is, is het de vraag of het valt onder categorie III van de Wet wapens en munitie.

Verdachte heeft immers verklaard dat het pistool niet werkte.

Beoordeling door de rechtbank

In het proces-verbaal Wet Wapens en Munitie (WWM) staat gerelateerd dat het pistool dat verdachte voorhanden heeft gehad bestemd of geschikt is om projectielen door een loop af te schieten en dat dit pistool niet valt onder categorie II, onder 2e, 3e of 6e als genoemd in artikel 2 lid 1 van de Wet wapens en munitie. Dit pistool is derhalve een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1e van de Wet wapens en munitie.3

In dit proces-verbaal meldt verbalisant niet dat het wapen onklaar is. Maar zelfs indien het pistool niet werkte, doet dat aan het voorgaande niet af. Immers, in artikel 3 van de WWM is bepaald dat de bepalingen betreffende wapens mede van toepassing zijn op onderdelen en hulpstukken die bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn. Een volledig maar niet werkend pistool valt onder deze bepaling.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

2.

hij op 04 maart 2013 te Rheden wapens van categorie III, te weten een revolver, merk Smith & Wesson, type .357 en een pistool, merk Zastava, type Model 70, en munitie van categorie III, te weten 3 (drie) patronen(te gebruiken in de revolver) en 6 (zes) patronen (behorende bij

het pistool), voorhanden heeft gehad;

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 4 maart 2013 is in de woning van verdachte aan de [adres] te Rheden brand ontstaan waardoor de woning gedeeltelijk is verbrand. Daardoor is gemeen gevaar voor belendende percelen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van belendende percelen ontstaan.4

Verdachte had in de woning een hennepkwekerij.5 Bij de hoofdaansluitkast liep een illegale 3fasen elektriciteitsaansluiting buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepplantage en voorzag deze van elektriciteit. De hoofdbeveiliging was ten behoeve van de elektrische installatie verzwaard.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe primair betoogd dat niet is vast te stellen dat de brand is veroorzaakt door de –afgeplakte- spotjes. Subsidiair heeft hij betoogd dat de brand niet ontstaan is door de aangelegde illegale stroomvoorziening nu de spotjes aangesloten zijn op het normale netwerk van de woning. Meer subsidiair heeft hij daartoe betoogd dat verdachte de illegale stroomvoorziening niet zelf heeft aangelegd, maar dit door twee Polen heeft laten doen en verdachte niet wist dat dit illegaal was gebeurd.

Beoordeling door de rechtbank

In het proces-verbaal sporenonderzoek staat gerelateerd dat de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan doordat de spotjes – waar folie overheen was aangebracht - in de ruimte van de hennepkwekerij langere tijd aan hebben gestaan. Ten laste is echter ook gelegd dat verdachte grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig etcetera een stroomvoorziening voor een hennepkwekerij heeft aangelegd, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest dat zijn woning geheel of gedeeltelijk is verbrand. Het causale verband tussen de aangelegde illegale stroomvoorziening en de gedeeltelijke verbranding van de woning acht de rechtbank aanwezig op grond van het navolgende bewijsmiddel.

In het proces-verbaal sporenonderzoek staat gerelateerd dat nadat de smeltzekeringen er in de woning uitlagen de afzuiging van één van de ruimtes waar zich een hennepkwekerij bevond nog door ging. Dit omdat er elektriciteit werd afgetapt voor de hoofdzekering en de groepenautomaten van de huisinstallatie. Hierdoor werden lucht en warme gassen de ruimte ingezogen. Door de continue afzuiging in deze ruimte is het brandbeeld verstoord en afwijkend.7

De rechtbank verwerpt het verweer nu zij op grond van het voorgaande bewezen acht dat door het aanleggen van de illegale stroomvoorziening voor de hennepkwekerij het aan de schuld van verdachte te wijten is dat zijn woning gedeeltelijk is verbrand. Doordat de afzuiginstallatie niet werd uitgeschakeld, werd lucht in de ruimte van de hennepkwekerij gezogen. Lucht bevat zuurstof, nodig voor het ontstaan en uitbreiden van een brand.

Voor wat betreft het meer subsidiaire betoog verwijst de rechtbank naar hetgeen hierna onder 4 is opgenomen dat als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

3.

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 04 maart 2013 te Rheden, grovelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam een stroomvoorziening voor

een hennepkwekerij heeft aangelegd, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te

wijten is geweest, dat de woning gelegen aan de [adres] gedeeltelijk is verbrand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor belendende percelen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van belendende percelen, ontstond;

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft in de periode van 1 februari tot en met 4 maart 2013 in zijn woning een door hem zelf aangelegde hennepkwekerij gehad.8 Op 5 maart 2013 is geconstateerd dat de zegels van de hoofdaansluitkast niet op de juiste wijze waren verzegeld. Aan de bovenzijde van de illegale hoofdbeveiligingautomaten/zekeringhouders was een illegale 3 fasen elektriciteitsaansluiting gemaakt die buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd en is er een hoeveelheid elektriciteit weggenomen zonder toestemming van [benadeelde]9

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte van het feit vrij te spreken nu niet bewezen kan worden dat verdachte het oogmerk heeft gehad van wederrechtelijke toe-eigening van de elektriciteit. Twee onbekende Polen hebben de illegale stroomvoorziening aangelegd. Verdachte wist niet dat dit illegaal was gebeurd. Hij had de Polen verteld dat hij wilde dat dit via de meter gebeurde omdat hij op zolder meerdere computers wilde gebruiken voor het schrijven van een boek.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat hij de illegale stroomvoorziening aan heeft laten leggen door twee Polen. De Polen hebben de stroomkabel vanuit de meterkast doorgetrokken naar boven. Verdachte heeft daarna zelf de hennepkwekerij en de elektriciteitsaansluiting daarvoor aangelegd. Hij heeft niet gecontroleerd hoe de Polen de stroom hadden aangelegd.10

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verdachte geen weet had van het feit dat de elektriciteitsaansluiting van de hennepkwekerij buiten de meter om liep. Ten eerste is het een feit van algemene bekendheid dat er geen aanpassing aan de elektrische installatie in een woning nodig is voor het aansluiten van meerdere computers. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat bij de exploitatie van een hennepkwekerij de stroomvoorziening vaak op illegale wijze plaats vindt door deze stroom buiten de elektriciteitsmeter om van het stroomnet af te tappen om kosten te besparen en ontdekking van de kwekerij te voorkomen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij eigenhandig de verdere elektriciteitsvoorzieningen voor zijn hennepkwekerij heeft geïnstalleerd. De rechtbank leidt hieruit af dat hij op dat terrein over enige kennis beschikt. Nu verdachte desondanks de stroomvoorziening aan heeft laten leggen door twee onbekende Polen en daar geen enkele controle op heeft uitgevoerd, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de stroom voor zijn hennepkwekerij buiten de meter om werd geleid en aldus door hem werd weggenomen.

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte wel degelijk het oogmerk had zich de stroom wederrechtelijk toe te eigenen.

Nu de aanleg van de illegale elektrische installatie niet op of omstreeks 4 maart 2013 heeft plaatsgevonden en de 6.777 KWh elektriciteit in een langere periode is afgetapt, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het medeplegen van de diefstal en kan ook de exacte hoeveelheid elektriciteit niet worden bewezen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

4.

hij op 04 maart 2013 te met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van het elektriciteitsnet heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking (door verbreking van de zegels van de hoofdaansluitkast, waarna aan de boven zijde van de illegale hoofdbeveiligingsautomaten/zekeringhouders een illegale 3 fasen electriciteitsaansluiting was gemaakt);

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

Aan zijn schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander bestaat

en

Aan zijn schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen bestaat

Ten aanzien van feit 4:

Diefstal waarbij de schuldige het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van de feiten. Daarbij heeft hij tevens rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor het plegen van soortgelijke feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte een werkstraf op te leggen, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke straf. Daarbij heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het feit dat de periode waarin de feiten zijn gepleegd beperkt is gebleven, verdachte openheid van zaken heeft gegeven, niet eerder veroordeeld is voor het plegen van soortgelijke feiten, spijt heeft betuigd en hij de schade als gevolg van de weggenomen elektriciteit betaald heeft. Voorts dient rekening gehouden te worden met het positieve reclasseringsrapport waarin staat aangegeven dat een detentie contra geïndiceerd is vanwege de ziekte van verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 4 september 2013 en

 een reclasseringsadvies van Iriszorg, d.d. 16 september 2013, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van 180 hennepplanten. Hennep betreft een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding en handel van hennep gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Voorts heeft verdachte ten behoeve van die hennepkwekerij illegaal stroom afgenomen hetgeen brandgevaar met zich mee brengt. In dit geval heeft het brandgevaar zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt waardoor de bovenverdieping van de woning van verdachte gedeeltelijk is verbrand.

Verdachte heeft zich slechts laten leiden door geldelijk gewin.

Voorts heeft verdachte twee vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden gehad.

Ten voordele van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij niet eerder veroordeeld is voor het plegen van soortgelijke feiten. Voorts houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheden zoals door de raadsman naar voren gebracht.

Hoewel de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals geëist door de officier van justitie, rechtvaardigt, komt de rechtbank, gezien voormelde persoonlijke omstandigheden van verdachte tot een lagere straf en zal zij verdachte veroordelen tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De voorwaardelijke straf dient ertoe om de ernst van de feiten te benadrukken en verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw dergelijke feiten te begaan.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, 91, 158, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 3, 11 en 13 van de Opiumwet en de artikelen 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 8 (acht) uren, zijnde 4 (vier) dagen hechtenis.

En voorts tot

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. J.J.H. van Laethem (voorzitter), mr. H.P.M. Kester-Bik en mr. M.M.L.A.T. Doll, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 oktober 2013.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Midden, district Arnhem Veluwezoom, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL07EA 20130307.1551, gesloten op 11 juni 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 25 september 2013; proces-verbaal van verslag binnentreden woning en doorzoeking, p. 21, 22; proces-verbaal van verhoor, verklaring verdachte, p. 88, 89; proces-verbaal wet Wapens en munitie, p. 126, 127.

3 proces-verbaal wet Wapens en munitie, p. 127.

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 25 september 2013; proces-verbaal van aanhouding, p. 75; proces-verbaal sporenonderzoek, p. 137, 138, 139.

5 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 25 september 2013.

6 Een schriftelijk bescheid zijnde een aangifte van [benadeelde], p. 48.

7 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 139.

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 25 september 2013; het proces-verbaal van verhoor, verklaring verdachte, p. 86, 87, 88; het proces-verbaal van bevindingen, p. 99, 100, 10.

9 Een schriftelijk bescheid zijnde een aangifte van [benadeelde], p. 47, 48; proces-verbaal sporenonderzoek, p. 137.

10 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 25 september 2013; proces-verbaal van verhoor, verklaring verdachte, p. 86, 87, 96, 97.