Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3728

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
05/900849-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft op 4 oktober 2013 een 70-jarige man uit Millingen aan de Rijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden en daarnaast tot betaling van een schadevergoeding van € 178.800,88, wegens diefstal van dit geldbedrag van de bankrekening van een gepensioneerde, in het buitenland wonende, tandarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/900849-11

Datum zitting : 20 september 2013

Datum uitspraak : 4 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [1943] te [geboorteplaats]

adres : [adres 1]

plaats : [woonplaats]

raadsman : mr. D.J.P.M. Vermunt, advocaat te Zaltbommel.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij in of omstreeks de periode oktober 1990 tot en met 5 september 2007 te Millingen aan de Rijn, althans elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer Euro 369.685,34), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten als door die [benadeelde] tot

diens betaalrekening (nr. [rekeningnummer 1]) bij de [bank] [plaats 1] gemachtigde persoon, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode oktober 1990 tot en met 5 september 2007 te Millingen aan de Rijn, althans elders in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een geldautomaat (van de [bank]) heeft weggenomen een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer Euro 369.685,34), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich

de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) (telkens) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (telkens) een bankpasje ten name van [benadeelde], in elk geval enig bankpasje, in te voeren in die geldautomaat, vervolgens de bij dat bankpasje en/of bankrekening van die [benadeelde]

behorende PIN-code in te toetsen in die geldautomaat en vervolgens het gewenste bedrag te kiezen.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 18 juni 2012 en 20 september 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. D.J.P.M. Vermunt, advocaat te Zaltbommel.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd: [benadeelde]. Ter terechtzitting is hij vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Als zijn advocaat is ter terechtzitting verschenen mr. B.P. Kampschreur.

De officier van justitie, mr. J. Schram, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het openbaar ministerie partieel niet ontvankelijk verklaard dient te worden. De ten laste gelegde periode vangt aan in oktober 1990 en eindigt in september 2007. Nu de ten laste gelegde feiten (verduistering c.q. diefstal) beide misdrijven betreffen, waarvoor maximale gevangenisstraffen van langer dan drie jaar, maar korter dan tien jaar opgelegd kunnen worden, bedraagt de verjaringstermijn voor deze feiten (ex artikel 70 Wetboek van Strafrecht) twaalf jaar. Aangezien verdachte begin juni 2012 is gedagvaard en de verjaring op dat moment is gestuit, zal de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren voor de periode van oktober 1990 tot juni 2000.

3 De beslissing inzake het bewijs

3.1

Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat hetgeen aan verdachte primair is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en zal verdachte daarvan vrijspreken.

3.2

Bezwezenverklaring 1

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

Betrouwbaarheid van de verklaringen

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij gedurende lange tijd geld heeft opgenomen van de bankrekening van [benadeelde], maar dat hij daarvoor diens toestemming had. Hij was door [benadeelde] gemachtigd geld van diens rekening af te halen om uit de financiële problemen te blijven. Die toestemming reikte weliswaar niet tot de hoogte van het uiteindelijk door hem opgenomen bedrag, maar dat wilde verdachte nog aan [benadeelde] terugbetalen. Dat hij dat nooit heeft gedaan vindt hij onfatsoenlijk van zichzelf, maar het is nooit zijn bedoeling geweest om dit bedrag van [benadeelde] te stelen.

Met deze verklaring is verdachte teruggekomen op zijn eerder bij de politie afgelegde, bekennende verklaringen. Verdachte heeft hierover ter zitting aangeven dat die verklaringen bij de politie tot stand zijn gekomen doordat hij lange tijd fysiek en mentaal in zeer slechte conditie is geweest en veel medicijnen slikte. Daardoor kan hij zich zowel uit zijn zakelijk- als zijn privé leven, stukken uit het verleden niet meer goed herinneren. Verdachte heeft aangegeven dat hij er zo slecht aan toe was, dat hij verklaringen heeft afgelegd die niet klopten.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

In de eerste drie verhoren door verdachte afgelegd bij de politie, heeft hij de hem ten laste gelegde feiten ontkend. In het vierde verhoor is verdachte op enig moment “omgeslagen” en is hij bekennende verklaringen gaan afleggen. De rechtbank stelt vast dat verdachte vanaf dat moment (in de politieverhoren vierde, vijfde en zesde) consistent, congruent en gedetailleerd heeft verklaard over hetgeen hem wordt verweten. De in deze verhoren door verdachte afgelegde verklaringen worden bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier, waaronder de aangifte en aanvullende verklaring van [gemachtigde], met bijlagen, de verklaring van [benadeelde], alsmede overzichten waaruit onder meer blijkt dat in de periode 1 januari 2003 tot en met eind december 2007 maandelijks – telkens nadat het pensioen van de heer [benadeelde] was overgemaakt op de rekening met het in de tenlastelegging genoemde nummer – vrijwel direct contante opnamen plaatsvonden van die rekening, en dat na de contante opnamen tevens contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van verdachte, plaatsvonden (zie ook hierna, onder de feiten) 2. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de bewering van verdachte, dat sprake was van fysieke en mentale belemmeringen tijdens deze verhoren, geen steun vindt in het dossier. Verdachte heeft na afloop van het laatste verhoor aangegeven in vrijheid zijn verklaringen te hebben kunnen afleggen en goed behandeld te zijn door de verhorende rechercheurs, alsmede door de overige medewerkers binnen het politiebureau. De desbetreffende rechercheurs hebben bij de rechter-commissaris verklaard evenmin signalen te hebben ontvangen dat het op het moment van afnemen van deze verhoren niet goed ging met verdachte.3

Alles overwegende en in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank de verklaringen van verdachte, afgelegd tijdens het vierde, vijfde en zesde verhoor bij de politie, dan ook betrouwbaar en zij zal verdachte aan die verklaringen houden.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Sinds mei 1990 had [benadeelde] recht op een uitkering van de [pensioenfonds]. Deze werd uitgekeerd op de bankrekening ten name van [benadeelde] bij de [bank] te [plaats 2] met het rekeningnummer [rekeningnummer 3].4 Op 18 oktober 1990 heeft verdachte aan het Pensioenfonds opdracht gegeven de uitkering vanaf dat moment te storten op de bankrekening ten name van [benadeelde] bij de [bank] te [plaats 1] met het rekeningnummer [rekeningnummer 1].5 In de periode van januari 2003 tot en met december 2007 is maandelijks een bedrag van gemiddeld € 2.147,47 per maand (€ 128.847,93 in het totaal) door het Pensioenfonds op deze rekening gestort. Gedurende deze gehele periode is van dit rekeningnummer maandelijks structureel een bedrag van € 1.250,- ineens, alsmede meerdere losse bedragen in delen opgenomen (gemiddeld een bedrag van € 2.079, 08 per maand,

€ 118.507,49 in het totaal). Deze bedragen werden bij de [bank] te Groesbeek met bankpas nummer 001 gepind. Het beginsaldo van de bankrekening met het rekeningnummer [rekeningnummer 1] bedroeg op 1 januari 2003 € 729,09, het eindsaldo bedroeg eind december 2007

€ 11.069,53.6 Verdachte had beschikking over bankpas nummer 0017, welke pas in september 2007 blijvend is geblokkeerd.8

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit. Verdachte, die zich heeft laten leiden door zijn eigen problemen, heeft zich gedurende de periode van juni 2000 tot juni 2007 schuldig gemaakt aan diefstal van een bedrag van € 182.993,95 (€ 2.152,87, gedurende 85 maanden) van [benadeelde] door structureel, middels een valse sleutel, namelijk met een bankpasje dat hij onrechtmatig gebruikte, geld van zijn bankrekening te halen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit nu verdachte, in de positie van gemachtigde, in redelijkheid heeft kunnen menen dat hij bevoegd was over de pinpas en de bankrekening van [benadeelde] te beschikken en opzet en of schuld bij zijn handelen daarom ontbrak. De reden dat de uitkering van de [pensioenfonds] op een andere rekening gestort moest worden, was gelegen in het feit dat deze rekening op verzoek van de bank aangezuiverd diende te worden. Tot het doen van de maandelijkse opnamen van geld was verdachte gerechtigd omdat hij daartoe door [benadeelde] gemachtigd was tot het bedrag dat hij nodig had om uit de financiële problemen te blijven.

Beoordeling door de rechtbank

Gezien hetgeen onder “de betrouwbaarheid van de verklaringen” is overwogen, leidt de rechtbank het volgende uit het dossier af.

In het vierde verhoor heeft verdachte als volgt verklaard:

“(….) Ik erken dat ik structureel het pensioen van [benadeelde], maandelijks zonder zijn toestemming heb opgenomen ten behoeve van eigen gebruik. Ik pinde dit maandelijks vanaf de bankrekening ten name van [benadeelde] bij de [bank] [plaats 1] nummer…[rekeningnummer 1], (…) Ik heb dit over een reeks van jaren zo gedaan zonder dat ik daartoe toestemming had van [benadeelde], ik heb zijn pensioen gedurende een reeks van jaren, zonder zijn toestemming toegeëigend. Het pensioen van [benadeelde] heb ik sinds 1990 toegeëigend zonder dat ik daartoe toestemming had. (….) Ik heb dit gedaan omdat ik financiële problemen had.9

In het vijfde verhoor heeft verdachte als volgt verklaard:

“(….) U zegt mij (….) dat dit de periode 1990 tot 2007 moet zijn. Mijn antwoord is dat deze periode ongetwijfeld juist zal zijn, ik heb in ieder geval over een reeks van jaren en vanaf het begin van de toekenning van pensioen aan [benadeelde], zijn pensioengeld toegeëigend (….) Ik heb in oktober 1990 het pensioenfonds verzocht om vanaf oktober 1990 het pensioen van [benadeelde] over te maken op de [bank] rekening bij de bank in [plaats 1], nummer …[rekeningnummer 1] (….) Zo kon ik beschikken over het pensioen van [benadeelde]. (….) Ik heb mijn zus [betrokkene] niet verteld waarom ik dat deed (….) Ik was toen namelijk al voornemens om het pensioen van [benadeelde] voor mijzelf te gebruiken en [betrokkene] zou mij ongetwijfeld corrigeren, hetgeen ik niet gebruiken kon. (….) Vanaf eind 1990 werd het pensioen voor [benadeelde] gestort op de [bank] rekening …[rekeningnummer 1] bij de bank in [plaats 1] (….) 10

In het zesde verhoor heeft verdachte als volgt verklaard:

(…) Ik had voor deze bankrekening maar één pasje. Dat pasje heb ik gekregen van de [bank] [plaats 1] ten name van [benadeelde] waarvan ik gemachtigde was. (….) Ik had het vervangende pasje alleen nog nodig en dat heb ik alleen nog gebruikt om zelf geld op te nemen van deze bankrekening van [benadeelde] bij de [bank] [plaats 1], nummer …[rekeningnummer 1]. (….) U zegt mij dat mijn eerste pasje in 2007 vervangen werd, dat kan kloppen. Ik heb veel moeite gedaan om het vervangende pasje weer te krijgen van de [bank]. Vervolgens heb ik een schrijven ontvangen van de [bank] [plaats 1] waarin stond dat het vervangende pasje geblokkeerd was door de bank en dat ik voor een nieuwe machtiging van de heer [benadeelde] diende te zorgen. Ik heb [benadeelde] hiervoor niet meer benaderd, maar kon vervolgens ook geen geld meer opnemen van de rekening van [benadeelde] bij de [bank] in [plaats 1]. Ik ben toen gestopt met frauderen ten nadele van [benadeelde]. Met beide voren omschreven pasjes heb ik geld opgenomen/overschrijvingen verricht vanaf de bankrekening …[rekeningnummer 1] bij de [bank] [plaats 1] ten namen van [benadeelde]. (….) Over het algemeen ging ik iedere maand naar de [bank] pinautomaat bij de [bank] in [plaats 3] aan de [adres 2]. Ik nam dan het maximaal op te nemen bedrag in één keer op. De volgende dag of kort daarna nam ik op gelijke wijze en over het algemeen op dezelfde plaats het restant op van het maandpensioen van [benadeelde].11

Verdachte heeft ter zitting, anders dan bij de politie (vanaf het vierde verhoor), aangevoerd dat hij een volmacht had gekregen van [benadeelde] op grond waarvan hij geldopnames mocht doen. Tevens heeft hij aangevoerd dat [benadeelde] hem toestemming heeft gegeven om in tijden van financiële nood geld op te nemen van de rekening eindigend op de cijfers [rekeningnummer 1].

De rechtbank overweegt dat van een dergelijke volmacht uit geen van de bewijsmiddelen is gebleken. Evenmin is uit de bewijsmiddelen gebleken dat verdachte toestemming had om geld ten behoeve van zijn eigen geldproblemen op te nemen, nog los van de omstandigheid dat dit door [benadeelde] zelf ook (met klem) wordt betwist12.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte opzettelijk frauduleus heeft gehandeld en concludeert dat verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening het geld van de rekening van [benadeelde] heeft gehaald.

In tegenstelling tot de officier van justitie acht de rechtbank de strafverzwarende omstandigheid dat verdachte de diefstal heeft gepleegd door middel van een valse sleutel niet wettig en overtuigend bewezen. Immers, verdachte had het pasje in zijn bezit. Nu voorts is aan te nemen dat verdachte zaken deed voor [benadeelde] – hetgeen door [benadeelde], de zus van verdachte, alsook door verdachte zelf is verklaard, kan niet bewezen worden dat hij onrechtmatig over het pasje beschikte.

Ten aanzien van het bedrag overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen betreffende onderzoek met betrekking tot de dagafschriften/mutaties van bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] vanaf januari 2003 t/m december 2007, blijkt dat maandelijks een bedrag van gemiddeld € 2.147,47 (€ 128.847,93 in het totaal) door het Pensioenfonds op deze rekening is gestort. Gedurende deze periode is van januari 2003 tot september 2007 van dit rekeningnummer structureel door verdachte een bedrag van gemiddeld € 2.079, 08 per maand opgenomen (€ 118.507,49 in het totaal). Het beginsaldo van de bankrekening met het rekeningnummer [rekeningnummer 1] bedroeg op 1 januari 2003 € 729,09, het eindsaldo bedroeg eind december 2007 € 11.069,53 13 Het proces-verbaal betreffende onderzoek m.b.t. de dagafschriften/mutaties van bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] vanaf 2003 t/m 2007 zal als bijlage aan dit vonnis worden gehecht. De inhoud daarvan dient als bewijsmiddel hier ingelast en overgenomen te worden beschouwd.

Gezien hetgeen is overwogen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in deze zaak, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de periode oktober 1990 tot juni 2000. Ten aanzien van de periode juni 2000 tot september 2007 overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft verdachte in de jaren 2003-2007 gemiddeld per maand

€ 2.079, 08 opgenomen. Voorts blijkt uit de hiervoor aangehaalde onderdelen van de verhoren van verdachte dat hij vanaf het moment dat de [pensioenfonds] de uitkering stortte op het rekeningnummer eindigend op [rekeningnummer 1], te weten vanaf oktober 1990, geld van de rekening van [benadeelde] haalde.14 Hij deed dat structureel, maandelijks, en stopte daarmee toen de bankpas geblokkeerd werd en opname niet meer mogelijk was, op 5 september 2007 15. Een en ander in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank het redelijk over de periode 2000-2003 met ditzelfde maandbedrag te rekenen. De rechtbank acht aldus diefstal van een bedrag van € 178.800,88 (86 maanden) wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de periode juni 2000 tot en met 5 september 2007 te [plaats 3], (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat (van de [bank]) heeft weggenomen een geldbedrag (tot een totaal van ongeveer € 184.682,42 Euro), toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) (telkens) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een bankpasje ten name van [benadeelde], in te voeren in die geldautomaat, vervolgens de bij dat bankpasje van die [benadeelde] behorende PIN-code in te toetsen in die geldautomaat en vervolgens het gewenste bedrag te kiezen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, meermalen gepleegd

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Hij heeft zich niet uitgelaten over een verdachte op te leggen straf.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met: de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het blanco uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 3 september 2013 en

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, d.d. 30 november 2012, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft jarenlang doelbewust en structureel maandelijks de pensioengelden, die aan een gepensioneerde tandarts [benadeelde] toekwamen, van diens rekening gestolen. Verdachte heeft daartoe niet alleen de pensioengelden op een andere rekening laten storten zodat hij er in het geheim over kon beschikken, ook heeft hij iedere maand, kort na de storting van de gelden, vrijwel het gehele bedrag contant opgenomen. Verdachte gebruikte het geld voor zijn dagelijks onderhoud, als ook om zijn eigen financiële problemen op te lossen. Verdachte heeft aldus handelend op sluwe wijze [benadeelde] om de tuin geleid en een grote som geld van hem gestolen.

Voor dergelijke feiten acht de rechtbank, met de officier van justitie, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf passend.

In bovengenoemd rapport heeft Reclassering Nederland geadviseerd de zaak strafrechtelijk af te doen, zonder oplegging van bijzondere voorwaarden.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank ten voordele van verdachte rekening gehouden met het feit dat hij nooit eerder met justitie in aanraking is geweest, zijn leeftijd, alsmede met de verzwakte gezondheid van verdachte. Bovendien betreft het feiten die reeds langer geleden hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht voorts, anders dan de officier van justitie de strafverzwarende omstandigheid niet bewezen. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de straf, zoals door de officier van justitie geëist, op zich zelf passend maar zal zij volstaan met alleen een onvoorwaardelijk strafdeel.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden is.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd: [benadeelde], die ter zitting is vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Zijn advocaat mr. B.P. Kampschreur heeft de vordering ter zitting toegelicht. De vordering behelst een bedrag van € 548.506,19, bestaande uit € 318.061,46 aan gederfde uitkeringen door het pensioenfonds SPTT,

€ 217.216,63 aan gemiste wettelijke rente en € 13.128,10 aan onkosten voor rechtsbijstand.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van in het totaal € 182.994,37, welk bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf juni 2000, door verdachte als voorschot vergoed dient te worden aan [benadeelde]. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag. Het overige deel van de vordering dient niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor niet-ontvankelijkheid van de gehele vordering, nu behandeling in het kader van onderhavig strafproces een onevenredige belasting van dit proces zou opleveren.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de civiele vordering van [benadeelde] tot een bedrag van € 178.800,88 aan materiële schade toewijzen, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op dat bedrag is begroot op basis van de volgende berekening.

Gedurende de periode van januari 2003 tot september 2007 is van de rekening van [benadeelde] structureel door verdachte een bedrag van gemiddeld € 2.079, 08 per maand opgenomen (€ 118.507,49 in het totaal). Aangezien verdachte heeft verklaard reeds vanaf 1990 op dezelfde wijze de pensioengelden van [benadeelde] van diens rekening gehaald te hebben, acht de rechtbank het redelijk om over de jaren 2000-2003 met ditzelfde gemiddelde maandbedrag te rekenen. Aldus zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toewijzen over een periode van 86 maanden, met een bedrag van € 2.079, 08 per maand.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De gevorderde en toegewezen rente, is daar niet bij inbegrepen. Deze wettelijke rente is toewijsbaar vanaf juni 2000.

De rechtbank zal de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake van vergoeding van materiële schade omdat nadere beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou meebrengen.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24 c, 27, 36 f, 56, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het hem primair ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezen verklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde], te betalen

€ 178.800,88 (honderd acht en zeventig duizend acht honderd euro en acht en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf juni 2000 tot aan de dag der algehele voldoening.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

  • -

    Verklaart de benadeelde voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], te betalen € 178.800,88 (honderd acht en zeventig duizend acht honderd euro en acht en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf juni 2000 tot aan de dag der algehele voldoening.

  • -

    Bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

  • -

    Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. E. de Boer (voorzitter), mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en mr. M.G.J. Post rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E. Cosijn, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 oktober 2013.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie regio Gelderland-Midden, in het onderzoek 07DMR11006, proces-verbaalnummer PL 082R2011016406-1, opgemaakte proces-verbaal, gesloten op 27 januari 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [gemachtigde], p. 29 en aanvullende proces-verbaal op de aangifte, met bijlagen, p. 265; proces-verbaal van bevindingen verhoor [benadeelde], p. 303; proces-verbaal van bevindingen, p. 217; proces-verbaal bevindingen p. 113.

3 Proces-verbaal van verhoor van [naam 1] bij de rechter-commissaris d.d. 15 oktober 2012 en proces-verbaal van verhoor van [naam 2] bij de rechter-commissaris d.d. 15 oktober 2012.

4 Schriftelijk bescheid in de vorm van een brief van de [pensioenfonds], d.d. 23 februari 1990, pag. 146 en 147 en verklaring van verdachte zoals afgelegd ter zitting van 20 september 2013.

5 Schriftelijk bescheid in de vorm van een brief d.d 17 oktober 1990, pag. 97 en Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 20 september 2013.

6 Proces-verbaal van bevindingen betreffende onderzoek m.b.t. de dagafschriften/mutaties van bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] vanaf 2003 t/m 2007, pag 113 e.v.

7 Proces-verbaal van 6e verhoor van verdachte, pag. 386, bovenaan.

8 Proces-verbaal van bevindingen betreffende onderzoek m.b.t. de dagafschriften/mutaties van bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] vanaf 2003 t/m 2007, pag 121.

9 Proces-verbaal van 4e verhoor van verdachte, pag. 377.

10 Proces-verbaal van 5e verhoor van verdachte, pag. 380-381.

11 Proces-verbaal van 6e verhoor van verdachte, pag. 386.

12 Proces-verbaal van bevindingen verhoor [benadeelde], p. 306 en 309

13 Proces-verbaal van bevindingen betreffende onderzoek m.b.t. de dagafschriften/mutaties van bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] vanaf 2003 t/m 2007, pag 113 e.v.

14 Proces-verbaal van 5e verhoor van verdachte, pag. 380-381 en schriftelijk bescheid in de vorm van de Maandrekening informatie pag. 36 -77.

15 Proces-verbaal van bevindingen betreffende onderzoek m.b.t. de dagafschriften/mutaties van bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] vanaf 2003 t/m 2007, pag. 121 en verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 20 september 2013.