Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3727

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
13/1142
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

een rechtshulpprocedure gevolgd door een verlofprocedure ex 552p Sv kan niet worden aangemerkt als de ‘zaak’ zoals bedoeld in artikel 591a Sv.

Verzoek om schadevergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/268

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Rechtbanknummer : 13/1142

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer naar aanleiding van het op 29 mei 2013 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift, ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), van:

naam: [verzoeker]: verzoeker,

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

woonplaats kiezende te Nijmegen aan de Prins Bernhardstraat 10 ten kantore van zijn advocaat mr. P.J.F.M. de Kerf.

De behandeling in raadkamer

Het verzoekschrift is op 25 september 2013 in raadkamer behandeld.

Aldaar is verzoeker niet verschenen. Verschenen is verzoeksters advocaat mr. De Kerf, voornoemd. Tevens is aanwezig de officier van justitie mr. H.C.C. Berendsen.

De feiten

De Finse autoriteiten hebben een rechtshulpverzoek aan de Nederlandse autoriteiten gericht strekkende tot een zoeking in de woning van verzoeker en tot inbeslagneming van stukken van overtuiging. Op vordering van de officier van justitie ex artikel 552n Sv hebben er door een rechter-commissaris zoekingen bij verzoeker plaatsgevonden. Hierbij zijn goederen en digitale bestanden in beslag genomen.

De officier van justitie heeft deze rechtbank, zittinghoudende te Groningen, verlof ex artikel 552p Sv gevraagd om deze in beslag genomen stukken ter beschikking te stellen aan de Finse autoriteiten. Tegen dit verzoek heeft verzoeker zich verweerd.

Deze verlofprocedure is geëindigd bij beslissing van deze rechtbank, zittinghoudende te Groningen, d.d. 21 december 2012, waarbij voornoemd verlof is geweigerd.

Het verzoekschrift van verzoeker strekt tot vergoeding van de kosten van de advocaat met betrekking tot het rechtshulpverzoek en de gevoerde 552p Sv procedure.

De standpunten van partijen

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een zaak als bedoeld in artikel 591a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Er is in Nederland geen strafrechtelijke vervolging aangevangen en verzoeker is alhier niet als verdachte aangemerkt. Voorts heeft klager geen klaagschrift ex 552a Sv ingediend. De opgevoerde kosten kunnen dan ook niet worden vergoed, zodat het verzoekschrift niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De advocaat van verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat wel sprake is van ‘een zaak’ in voormelde zin. Dit omdat de officier van justitie in het kader van de gevoerde rechtshulp- en verlofprocedure zelfstandig moest onderzoeken of sprake was van dubbele strafbaarheid. In deze procedure is de officier van justitie tot de conclusie gekomen dat sprake was van strafbaar handelen door verzoeker. Vervolgens heeft het openbaar ministerie hiernaar gehandeld door zowel een zoeking als verlof ex artikel 552p Sv te vorderen.

Daarbij komt dat verzoeker in de verlofprocedure een pleitnotitie heeft overgelegd. In deze pleitnotitie heeft verzoeker zich schriftelijk beklaagd over het gebruik van de in beslag genomen voorwerpen. Deze pleitnotitie kan dan ook worden gezien als een klaagschrift ex artikel 552a Sv.

De ontvankelijkheid

Artikel 591a, eerste lid, Sv biedt slechts de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om een kostenvergoeding, indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Allereerst stelt de raadkamer vast dat artikel 591a Sv niet van overeenkomstige toepassing is verklaard op procedure betreffende de artikelen 552n en 552p Sv.

De raadkamer is niet gebleken dat verzoeker een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ter griffie van de rechtbank heeft ingediend. Een door de advocaat van verzoeker in het kader van de 552p-procedure ingediende pleitnotitie kan niet als een dergelijk klaagschrift worden aangemerkt. Daarbij komt dat de rechtbank Arnhem, zittinghoudende te Groningen, die op 2 mei 2012 de pleitnotitie heeft ontvangen, deze kennelijk evenmin heeft aangemerkt als een 552a-klaagschrift. Immers, niet is gebleken van enige beslissing op een dergelijk klaagschrift. Ook verzoeker heeft tegen het uitblijven van een beslissing niet gerappelleerd, zodat niet valt in te zien dat verzoeker op 2 mei 2012 de bedoeling had een klaagschrift ex 552a Sv in te dienen.

De raadkamer ziet zich thans voor de vraag gesteld of een rechtshulpprocedure gevolgd door een verlofprocedure ex 552p Sv kan worden aangemerkt als de ‘zaak’ zoals bedoeld in artikel 591a Sv.

De raadkamer overweegt dat het Wetboek van Strafvordering met de term ‘zaak’ in het algemeen het oog heeft op een strafvervolging van een persoon ter zake van één of meer strafbare feiten. Volgens vaste rechtspraak heeft de term ‘zaak’ de betekenis van ‘al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had’. Daarbij is aansluiting gezocht bij artikel 258 Sv, waarin staat vermeld dat de zaak ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt door een dagvaarding vanwege de Officier van Justitie aan de verdachte betekend; het rechtsgeding neemt hierdoor een aanvang.

In de rechtspraak is uitgemaakt dat ook de fasen voor en na het rechtsgeding ter terechtzitting (bijvoorbeeld het opsporingsonderzoek respectievelijk de afwikkeling van het dossier door een raadsman) onder de term ‘zaak’ kunnen vallen. De kern blijft evenwel het rechtsgeding, te weten het daadwerkelijk voeren van een strafzaak ter openbare terechtzitting voor een Nederlandse strafrechter.

In het onderhavige geval hebben de gevoerde procedures nimmer tot (uiteindelijk) doel gehad ten dienste te zijn voor een behandeling van een strafzaak ter openbare terechtzitting in Nederland. Het doel was meewerken aan een rechtshulpverzoek vanuit Finland en het verstrekken van stukken aan dat land. Dat in Finland mogelijk een strafzaak tegen verzoeker aanhangig zou zijn, doet daaraan niet af. Derhalve was er geen sprake van een ‘zaak’ als bedoeld in artikel 591a Sv.

Indien verzoeker zich op het standpunt stelt dat het rechtshulpverzoek vanuit Finland (en de daarna gevoerde procedures) onrechtmatig waren en hem een schadevergoeding zou moeten toekomen, dient hij zich (al dan niet in het kader van zijn strafzaak aldaar) te wenden tot de Finse autoriteiten. Het standpunt van verzoeker dat een dergelijke procedure voor hem grote praktische belemmeringen kent, wat daarvan ook zij, volgt de raadkamer niet. Dit nu het voor verzoeker kennelijk ook mogelijk is gebleken handel te drijven in Finland en nu hij zich in Finland laat bijstaan door een advocaat.

Gelet op al het vorenstaande is de raadkamer van oordeel dat het verzoek van verzoeker niet ingewilligd kan worden, zodat verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoekschrift zal worden verklaard.

De raadkamer zal daarom beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beslissing

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gegeven in raadkamer door mr. A.M. van Gorp, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van 9 oktober 2013.