Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3699

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
06/880081-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is wegens veroorzaken van gevaar op de weg (artikel 5 Wegenverkeerswet), veroordeeld tot een geldboete van 300 euro, alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden. De rechtbank heeft vrijgesproken voor de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team Strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/880081-12

Uitspraak d.d.: 8 oktober 2013

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1986],

wonende te [woonplaats], [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 september 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

Zij op of omstreeks 17 augustus 2012, te Doetinchem, althans in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande

weg(en), de Terborgseweg,

roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of

onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht van verdachte werd beperkt/belemmerd door een of meer op

de Terborgseweg geparkeerde auto's, en/of

terwijl zij voornemens was, en/of bezig was een bijzondere manoeuvre uit te

voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990,

op die Terborgseweg rechtsaf is geslagen, in elk geval naar rechts heeft

gestuurd in de richting van de inrit van het perceel van het

Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen, en/of

(daarbij) haar aandacht heeft gericht op een over die inrit tegemoetkomende

bestuurder van een fiets, althans niet, althans in onvoldoende mate op of bij

het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht

en/of gehad, en/of

(vervolgens) het fietspad naar die Terborgseweg is opgereden/overgereden,

zonder zich daarbij (nogmaals) van te vergewissen of er zich verkeerdeelnemers

op voornoemd fietspad bevonden, en/of

ter hoogte van voornoemde inrit een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in

artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft

uitgevoerd, namelijk van die Terborgseweg een inrit is opgereden en/of

(daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersegels en

verkeerstekens 1990 de bestuurder van een over de Terborgseweg rijdende

snorfietser of bestuurder van een snorscooter niet voor heeft laten gaan,

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met de bestuurder

van die snorfiets of snorscooter,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer])

zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan, werd toegebracht;

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat zij,

verdachte geen voorrang heeft verleend aan de bestuurder van die snorfiets of snorscooter;

Artikel 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994

art 6 Wegenverkeerswet 1994

ALTHANS, dat

Zij op of omstreeks 17 augustus 2012, te Doetinchem, althans in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer

openstaande weg(en), de Terborgseweg

terwijl het zicht van verdachte werd beperkt/belemmerd door een of meer op

de Terborgseweg geparkeerde auto's, en/of

terwijl zij voornemens was, en/of bezig was een bijzondere manoeuvre uit te

voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990,

op die Terborgseweg rechtssaf is geslagen, in elk geval naar rechts heeft

gestuurd in de richting van de inrit van het perceel van het

Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen , en/of

(daarbij) haar aandacht heeft gericht op een over die inrit tegemoetkomende

bestuurder van een fiets, althans niet, althans in onvoldoende mate op of bij

het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht

en/of gehad, en/of

(vervolgens) het fietspad naar die Terborgseweg is opgereden/overgereden,

zonder zich daarbij (nogmaals) van te vergewissen of er zich verkeerdeelnemers

op voornoemd fietspad bevonden, en/of

ter hoogte van voornoemde inrit een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in

artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft

uitgevoerd, namelijk van die Terborgseweg een inrit is opgereden en/of

(daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersegels en

verkeerstekens 1990 de bestuurder van een over de Terborgseweg rijdende

snorfietser of bestuurder van een snorscooter niet voor heeft laten gaan,

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met de bestuurder

van die snorfiets of snorscooter,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Naar het oordeel van de officier van justitie heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag ten gevolge waarvan een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen uitvoerig toegelicht en opgesomd.

Standpunt van verdachte

Door de verdachte is geen verweer gevoerd met betrekking tot het bewijs.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak primair ten laste gelegde feit

Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te komen, dient de rechtbank vast te stellen dat verdachte schuld heeft in de zin van die bepaling, derhalve dat zij zich ten minste in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven dat één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, NJ 2005, 252, LJN AO5822).

Op grond van het proces-verbaal en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat verdachte bekend was met de onoverzichtelijke, gevaarlijke situatie ter plekke en haar rijgedrag hierop ook heeft aangepast. Verdachte is stapvoets gaan rijden. Het zicht van verdachte in de richting van het slachtoffer werd beperkt door geparkeerde auto’s en daarnaast werd haar aandacht getrokken door een uit de uitrit komende fietser, waardoor sprake was van een afleidende verkeerssituatie.

Gelet op de gedragingen van verdachte en de overige omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat niet gesproken kan worden van ten minste in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend gedrag van verdachte. Nu geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring subsidiair ten laste gelegde feit

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig én overtuigend bewijs aanwezig is voor het subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank acht voor haar bewijsoordelen de volgende bewijsmiddelen redengevend.

Door het slachtoffer [slachtoffer] is, zakelijk weergegeven, verklaard dat zij op 17 augustus 2012, omstreeks 9.40 uur op haar snorfiets op het fietspad gelegen aan de Terborgseweg te Doetinchem reed. Toen zij ter hoogte van de oprit naar het UWV-gebouw reed zag zij dat een auto het fietspad opreed die haar doorgang blokkeerde. Het slachtoffer kon niet meer op tijd stoppen en botste hierdoor tegen de linkerzijde van de auto. Door de botsing viel zij over de motorkap op de grond. Zij voelde een hele erge pijn in haar rechterbeen dat zij niet meer kon bewegen. De bestuurster van de auto zei dat zij het slachtoffer niet had zien aankomen, omdat zij een fietser in de gaten aan het houden was2.

Door verdachte is, zakelijk weergegeven, verklaard dat zij op 17 augustus 2012, omstreeks 9.40 uur in haar auto over de Terborgseweg in Doetinchem reed. Zij wilde rechtsaf slaan om het terrein van het UWV op te rijden. Zij zag op dit terrein een man wegfietsen. Zij was gefixeerd op deze man en wilde anticiperen op zijn vervolgroute. Verdachte reed stapvoets. Plots hoorde zij een klap en zag een mevrouw over haar motorkap vliegen. Verdachte zag dat aan de linkerzijde een scooter lag, die zij kennelijk over het hoofd had gezien, omdat zij was gefocust op die andere fietser. Ook zag zij later twee geparkeerde auto’s staan, naast het fietspad. Hierdoor was haar zicht geblokkeerd3.

Ter terechtzitting heeft verdachte hieraan, zakelijk weergegeven, toegevoegd dat zij, toen haar duidelijk was welke richting de fietser op zou gaan, de inrit richting het UWV is ingereden, waarbij zij waarschijnlijk niet naar links heeft gekeken en hierdoor de bestuurder van de scooter niet heeft opgemerkt.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat verdachte de scooterbestuurder, aan wie zij voorrang diende te verlenen, niet heeft gezien, waarschijnlijk doordat zij op het moment dat zij het fietspad opreed niet naar links heeft gekeken. Verdachte heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende opgelet en geen voorrang verleend waar zij dat wel had moeten doen. Door zo te handelen heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt.

De rechtbank zal daarom de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op 17 augustus 2012, te Doetinchem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Terborgseweg

terwijl het zicht van verdachte werd beperkt/belemmerd door een of meer op

de Terborgseweg geparkeerde auto's, en

terwijl zij voornemens was, en/of bezig was een bijzondere manoeuvre uit te

voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990,

op die Terborgseweg rechtsaf is geslagen, in elk geval naar rechts heeft

gestuurd in de richting van de inrit van het perceel van het

Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen en

(daarbij) haar aandacht heeft gericht op een over die inrit tegemoetkomende

bestuurder van een fiets, althans niet, althans in onvoldoende mate op of bij

het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht

en/of gehad, en

(vervolgens) het fietspad naar die Terborgseweg is opgereden/overgereden,

zonder zich daarbij (nogmaals) van te vergewissen of er zich verkeerdeelnemers

op voornoemd fietspad bevonden, en

ter hoogte van voornoemde inrit een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in

artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft

uitgevoerd, namelijk van die Terborgseweg een inrit is opgereden en/of

(daarbij) in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersegels en

verkeerstekens 1990 de bestuurder van een over de Terborgseweg rijdende

snorfietser of bestuurder van een snorscooter niet voor heeft laten gaan,

vervolgens is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met de bestuurder

van die snorfiets of snorscooter,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt

en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete van

€ 600,-, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Verdachte heeft met betrekking tot de strafmaat verzocht de geldboete te matigen, gelet op haar vaste lasten en de kosten die het ongeval, in de vorm van premieverhoging en schade aan haar auto, reeds heeft opgeleverd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden en draagkracht van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg door niet (nogmaals) naar links te kijken bij het oprijden van een fietspad. Het gevaar heeft zich ook verwezenlijkt, aangezien verdachte hierdoor een aanrijding met een scooterbestuurder heeft veroorzaakt. De scooterbestuurder heeft door deze aanrijding een open beenbreuk opgelopen.

De rechtbank heeft ten voordele van verdachte rekening gehouden met het feit dat zij niet eerder is veroordeeld, alsmede met het feit dat de aanrijding reeds ruim een jaar geleden heeft plaatsgevonden. Ook blijkt nergens uit dat zij zich na deze aanrijding aan nieuwe (verkeers)overtredingen schuldig heeft gemaakt.

De rechtbank komt, alles overwegende, tot oplegging van een geldboete van € 400,-, subsidiair 8 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden. Deze ontzegging zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

 verklaart verdachte strafbaar;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 400,- , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 dagen hechtenis;

  • -

    ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden;

 bepaalt, dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Vos en Gerbranda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Oosten-Boksem, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2013.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0641 2012111861, Politie Noord- en Oost Gelderland, District Achterhoek, gesloten en ondertekend op 30 augustus 2012.

2 proces-verbaal verhoor [slachtoffer], p. 7.

3 proces-verbaal verdachte, p. 12