Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2013:3696

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
08-10-2013
Zaaknummer
C/06/133013/ HA ZA 12-364
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid van uitweg. Is de erfdienstbaarheid in 1970 mede gevestigd ten behoeve van de leden van de crossvereniging om via het verharde en onverharde pad te komen van en te gaan naar het crossterrein? Omdat perceel 299 alleen als heersend erf en niet als dienend erf is aangemerkt zijn eiser sub 1 en de leden van de crossclub niet gerechtigd van dit perceel gebruik te maken om naar en van het crossterrein te komen en te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/06/133013 / HA ZA 12-364

Vonnis van 18 september 2013

in de zaak van

1 [eiser sub 1],

eiser in conventie

2. de vereniging

VORDENSE AUTO- EN MOTORCLUB “DE GRAAFSCHAPRIJDERS”,

wonende respectievelijk gevestigd te Vorden, gemeente Bronckhorst,

eiseres in conventie,

verweerder in voorwaardelijke reconventie

advocaat mr. M. Trouwborst te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. M.J. Pierik MBA te Enschede.

Partijen zullen hierna[eiser sub 1] en de Vereniging respectievelijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 januari 2013

  • -

    de brief van 23 mei 2013 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met producties 12, 13 en 14

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 mei 2013

  • -

    de akte wijziging eis tevens houdende overlegging productie

  • -

    de akte depot producties door[eiser sub 1] en de Vereniging

  • -

    de gecorrigeerde akte wijziging eis tevens houdende overlegging productie en mededeling van deponering van[eiser sub 1] en de Vereniging

  • -

    de akte overlegging aanvullende productie van[eiser sub 1] en de Vereniging

  • -

    de antwoordakte gecorrigeerde akte wijziging eis tevens houdende overlegging productie en mededeling van deponering, tevens zijnde antwoordakte naar aanleiding van akte overlegging aanvullende productie van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Regelink is eigenaar van het perceel[adres], kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummer 300. Dit perceel heeft de bestemming bedrijvigheid (agrarisch) terrein (natuur).[eiser sub 1] woont aan de [adres]. Dat ook aan[eiser sub 1] toebehorende perceel is kadastraal bekend gemeente Vorden sectie N nummer 409.

2.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn geregistreerde partners. Zij zijn eigenaar van de percelen kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummers 284 en 299. Zij wonen met hun kinderen in een op perceel 284 staande woning, plaatselijk bekend als [adres] te Vorden. De bestemming van dit perceel is wonen, erf, tuin. Perceel 299 is een bosperceel met de bestemming natuur.

2.3.

Regelink en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn buren. Perceel 284 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] grenst aan de zuidkant aan perceel 409 van[eiser sub 1]. Het perceel 299 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] grenst aan de noordkant aan perceel 300 van[eiser sub 1]. Perceel 299 ligt tussen de percelen 300 en 284. Het wordt door een beek gescheiden van perceel 284.

2.4.

Het perceel met het woonhuis van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is vanaf de[adres] bereikbaar via een pad dat langs de woning en boerderij van[eiser sub 1] loopt, deels over perceel 409 en deels over perceel 284. Op het aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toebehorende perceel 284 vertakt het pad. De aftakking komt uit bij het woonhuis van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Het pad is tot aan de aftakking bestraat (hierna: het verharde pad) en gezamenlijk eigendom van[eiser sub 1], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

Vanaf de aftakking naar het woonhuis van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is het rechtdoorgaande pad tot aan perceel 300 een onverhard karrenspoor (hierna: het onverharde pad) en eigendom van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Dit onverharde pad loopt in ieder geval over de perceel 284.

Het onverharde en het verharde pad zullen samen het pad genoemd worden.

2.5.

Op 2 april 1973 zijn bij notariële akte van toedeling ingevolge de Ruilverkavelingswet 1954 (hierna: de akte van 1973) de navolgende, hier van belang zijnde erfdienstbaarheden gevestigd

onder nr. 81:

“Ten behoeve van en ten laste van kavels 62023 en 62024 over en weer wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van uitweg om te komen en te gaan van en naar de openbare weg naar en van de heersende kavel over een strook grond ter breedte van vijf meter lopende ongeveer in zuid/noordelijke richting, op de bestaande wijze.(…)”

en onder nr. 82:

“Ten behoeve van de kavels 62013 en 62024 en ten laste van kavel 62023 wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van uitweg om te komen en te gaan van en naar de heersende kavels over een strook grond ter breedte van vijf meter lopende ongeveer in zuid-noordelijke richting, op de bestaande wijze. (…)”

2.6.

Uit een door het Kadaster ingesteld onderzoek naar erfdienstbaarheden van 20 augustus 2012 blijkt dat de betreffende percelen, voor zover hier van belang, als volgt zijn vernummerd:

ontstaan uit kavelnummer 62023: kavel N 284 ([gedaagde sub 1])

kavel N 409 ([eiser sub 1])

uit kavelnummer 62024 kavel N 409 ([eiser sub 1])

uit kavelnummer 62013 kavel N 299 ([gedaagde sub 1])

kavel N 300 ([eiser sub 1]).

2.7.

De Vereniging is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. Zij is in 1950 opgericht en heeft tot doel de motor-, auto- en fietscrosssport in het algemeen in de ruimste zin te bevorderen, de belangen van de motor- en autorijders en van de beoefenaren van de fietscrosssport in het algemeen en die van haar leden, voorzover deze met het motorrijden, het autorijden of de fietscrosssport verband houden, in het bijzonder te behartigen en onder haar leden een vriendschapsband te vormen en te onderhouden.

2.8.

De Vereniging maakt sinds de jaren ’60 gebruik van een oefenterrein, gelegen op een deel van perceel 300. Tot 2009 was het oefenterrein mede gelegen op aan de heer [x] toebehorende grond. Nadat [x]zijn grond niet langer beschikbaar wenste te stellen, is het oefenterrein deels verlegd en bevindt het zich thans geheel op het aan[eiser sub 1] toebehorende perceel 300. Het crosscircuit volgt voornamelijk het in het verlengde van perceel 299 liggende bosgedeelte. Omstreeks 2010 is het crosscircuit uitgebreid in de richting van het naastgelegen weiland.

Van het oefenterrein wordt gebruik gemaakt in de periode van april tot en met oktober op de zaterdagmiddagen tot 16.30 uur.

Het overige deel van perceel 300 wordt agrarisch gebruikt door[eiser sub 1].

2.9.

Om te gaan naar en te komen van het oefenterrein wordt door de leden van de Vereniging gebruik gemaakt van het pad.

2.10.

Bij brief van 29 maart 2011 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan de Vereniging geschreven:

"(…) Uit informatie van de gemeente hebben wij begrepen dat u plannen voorbereidt om het cross gebruik van het bosje nabij de[adres] te legaliseren. Dit heeft ons er toe gebracht u het gebruik van het pad richting het bosje 1 januari 2012 te ontzeggen.

Het gebruik van dit bosje door de cross geeft de laatste jaren meer en meer overlast (geluid, stof en stank) en de intensivering van de cross - die een onvermijdelijk gevolg zal zijn van de legalisatie - zal een veel te zware belasting betekenen voor de aanwezige natuur (plant en dier). Er is een historie ontstaan van een kleinschalig gebruik, maar door legalisatie zal het uitgroeien tot een serieus sportterrein voor de gehele gemeente Bronckhorst bij ons in de achtertuin. Als gezin met jonge, opgroeiende kinderen kunnen we dit niet tolereren. Daarnaast vrezen we als gevolg van de legalisatie voor een sterke waardevermindering van onze woning.

Door de ingebruikname van een nieuw stuk weiland, grenzend aan het bosje is het crossterrein een stuk dichter bij onze woning gekomen. Wij ervaren hierdoor extra overlast (geluid, stank en stof) en deze zal zeer ernstig toenemen als het terrein wordt opengesteld voor de grotere en zwaardere motoren (>50 cc). Immers, op dit moment wordt het bosje met bestemming "bos en natuur" alleen gebruikt voor cross activiteiten door de jeugd. Ook is onze privacy op zaterdagmiddag verdwenen. In feite zitten we nu dichter op het crossterrein en is ons fraaie uitzicht verdwenen. Wij kunnen dan ook niet instemmen met een wijziging van het oorspronkelijk in gebruik zijnde crossterrein door een verschuiving en uitbreiding richting de beek en zien ons genoodzaakt het gebruik van het pad richting het bosje per 1 januari 2012 op te zeggen. (…)"

2.11.

Bij brief van 29 december 2011 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan[eiser sub 1] en diens echtgenote geschreven:

“(…) Naar aanleiding van een artikel in de Stentor van dit najaar, hebben wij contact gezocht met onze notaris. Hij heeft ons geadviseerd om jullie hierbij formeel te laten weten dat wij jullie het persoonlijk (niet overdraagbare) gebruiksrecht verlenen voor wat betreft het gebruik van de bij ons in eigendom zijnde weg die leidt vanaf de Deldenbroekseweg naar het huis (nr.2a), jullie boerderij (nr.2) en ons huis (nr.4). Vanaf 1 januari 2012 verlenen wij jullie en de leden van jullie gezin net zoals de afgelopen jaren, het persoonlijke (niet overdraagbare) gebruiksrecht. Dit houdt vervolgens natuurlijk wel in dat jullie zorgvuldig zullen zijn in het gebruik van onze weg en het onverharde pad en aanpassingen aan de weg of dit pad niet dan na onze schriftelijke toestemming zullen verrichten. (…)"

2.12.

Op enig ogenblik hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op het hun toebehorende deel van het pad een slagboom geplaatst.

2.13.

Bij dagvaarding van 18 juni 2012 hebben[eiser sub 1] en de Vereniging [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Zutphen en onder meer gevorderd, kort gezegd, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te gebieden de slagboom te verwijderen en verwijderd te houden. In reconventie hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gevorderd[eiser sub 1] en de Vereniging te gebieden het gebruik van het pad te staken en gestaakt te houden. Bij vonnis van 17 juli 2012 is de vordering in conventie afgewezen en de vordering in reconventie toegewezen.[eiser sub 1] en de Vereniging hebben tegen dat vonnis appel aangetekend. Bij arrest van 15 januari 2013 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.

2.14.

Bij besluiten van 17 juli 2012, gericht tegen[eiser sub 1] en de Vereniging hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst overwogen:

”(…) Op 15 maart 2012, hebben wij van mevrouw [buurtbewoner 1], [adres] in [woonplaats], en mevrouw [gedaagde sub 1], [adres] in [woonplaats], een schriftelijk verzoek om handhaving ontvangen tegen de motorcrossactiviteiten aan de [adres] ongenummerd te Vorden, kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummer 300.

(…)

Constatering

Op 27 maart 2012 en 8 mei 2012 is de locatie bezocht door onze toezichthouders de heren [toezichthouder 1]en [toezichthouder 2]. Tijdens de controle zijn foto’s gemaakt van de crossbaan en de verplaatsbare bouwkeet.

1. Tijdens de controle hebben de toezichthouders geconstateerd dat een verplaatsbare bouwkeet aanwezig is.

2. De crossbaan is verlegd (2010) aangezien één van de grondeigenaren heeft aangegeven geen toestemming meer te verlenen om dat deel van zijn grond te gebruiken. Er is vanaf 2010 een nieuwe strook grond (oorspronkelijk weiland) in gebruik genomen. Luchtfoto’s van 2003 en 2009 wijzen uit dat deze uitbreiding toen nog niet aanwezig was.

3. Uit dossieronderzoek is bekend dat geen omgevingsvergunning milieu (voorheen milieuvergunning) is verleend voor de inrichting met voorzieningen met als doel gelegenheid geven voor motorcrossactiviteiten.

(…)

Mogelijkheid tot legalisatie

(…)

Concluderend kan worden gesteld dat op dit moment onvoldoende zicht is op legalisatie. Hierdoor moeten wij handhavend optreden.

(…)

Last onder dwangsom

Gezien voorgaande hebben wij besloten u een last onder dwangsom op te leggen.

(…)”

2.15.

Tegen deze besluiten van 17 juli 2012 hebben[eiser sub 1] en de Vereniging gezamenlijk bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 maart 2013, verzonden op 26 maart 2013, hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst dat bezwaar ongegrond verklaard en de besluiten van 17 juli 2012 in stand gelaten.

In conventie

3 De vordering

Regelink en de Vereniging vorderen na wijziging van eis dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet zulks toestaat, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht zal verklaren dat[eiser sub 1] en/of de Vereniging op grond van het recht van erfdienstbaarheid, dat onder meer ten behoeve van het perceel gelegen aan de[adres] (ong.), kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummer 300 en ten laste van onder meer het perceel gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummer 284, (is) gevestigd bij akte van 2 april 1973, gebruik mag maken van het onverharde pad in eigendom toebehorende aan [gedaagde sub 1], welk pad is gelegen op de [adres], kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummer 284;

II. voor recht zal verklaren dat[eiser sub 1] en/of de Vereniging op grond van het recht van erfdienstbaarheid dat ten behoeve van en ten laste van de percelen kadastraal bekend als gemeente Vorden, sectie N, nummers 282, 284, 285, 286, 408 en 409, (is) gevestigd bij akte van 2 april 1973, gebruik mag maken van het verharde pad, in mede-eigendom toebehorende aan [gedaagde sub 1], welk pad is gelegen op de[adres], kadastraal bekend gemeente Vorden sectie N, nummers 284 en 409;

III. voor recht zal verklaren dat[eiser sub 1] en/of de Vereniging een gebruiksrecht toekomt en dat zij op basis daarvan ongestoord gebruik mogen maken van het pad, zowel het verharde als het onverharde deel, in (mede-)eigendom van [gedaagde sub 1], welk pad is gelegen op de[adres], kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummers 284 en 409;

IV. voor recht zal verklaren dat [gedaagde sub 1] misbruik maakt van haar eigendomsrecht door de toegang tot, en het gebruik van het pad, zowel het verharde als onverharde deel, welk pad is gelegen op de[adres], kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummers 284 en 409, aan de Vereniging c.q. de leden daarvan en/of[eiser sub 1], te ontzeggen en/of op enige wijze te belemmeren, waaronder begrepen het aanbrengen van een slagboom vóór het onverharde pad, waardoor onbelemmerde toegang onmogelijk wordt;

V. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zal veroordelen de toegang tot, en het gebruik van het pad, zowel het verharde als onverharde deel, welk pad is gelegen op de[adres], kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummers 284 en 409, om te komen en te gaan naar de crossbaan, gelegen aan de[adres] (ong.), kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummer 300, onbelemmerd te verschaffen, en de door hen geplaatste slagboom vóór het onverharde pad te verwijderen en verwijderd te houden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- per keer dat in strijd met het gebod wordt gehandeld, althans op straffe van een zodanig bedrag als uw Gerechtshof [de rechtbank leest: rechtbank] in goede justitie zal vermenen te behoren;

VI. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zal veroordelen de schade die de Vereniging ten gevolge van het onrechtmatig handelen, bestaande uit het ontzeggen van de toegang tot, en het gebruik van het pad, zowel het verharde als onverharde deel, welk pad is gelegen op de[adres], kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummers 284 en 409, aan de Vereniging c.q. de leden daarvan, lijdt aan haar te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen zoals de wet voorschrijft;

VII. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zal veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten van € 131,--, dan wel van € 199,--, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, met de verklaring dat de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn en de wettelijke rente daarover verschuldigd is met ingang van 14 dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis.[eiser sub 1]

3.1.

[eiser sub 1] en de Vereniging leggen aan hun vorderingen in het licht van de vaststaande feiten het volgende ten grondslag.

Ten laste van onder meer perceel 284 en ten gunste van perceel 300 is een recht van uitweg gevestigd op grond waarvan[eiser sub 1] als eigenaar van perceel 300 en de leden van de Vereniging gerechtigd zijn gebruik te maken van het onverharde pad om van perceel 300 te komen en te gaan naar de openbare weg. Op grond van het ten laste en ten behoeve van onder meer de percelen 284 en 409 gevestigde recht van uitweg hebben[eiser sub 1] en de leden van de Vereniging het recht gebruik te maken van het verharde pad om te komen van en te gaan naar de openbare weg.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben in strijd met dit recht de toegang tot perceel 300 afgesloten.

Zou geoordeeld worden dat er geen recht van erfdienstbaarheid bestaat op grond waarvan[eiser sub 1] en de leden van de Vereniging van het verharde en het onverharde pad gebruik mogen maken dan geldt dat zij een gebruiksrecht hebben ten aanzien van die paden. Dat gebruiksrecht mag niet opgezegd worden zonder dat daar een zwaarwegende grond voor bestaat. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben geen zwaarwegende grond bij opzegging en zij hebben een onredelijke opzegtermijn in acht genomen.

Door de (leden van de) Vereniging het gebruik van de paden te ontzeggen maken [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] misbruik van hun eigendomsrecht. Het belang dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben bij een verbod voor de leden van de Vereniging om van het pad gebruik te maken is onevenredig ten opzichte van het belang dat de Vereniging en haar leden hebben bij het gebruik daarvan.

Het op deze wijze gebruiken van hun eigendomsrecht is onrechtmatig jegens de Vereniging. De Vereniging heeft schade geleden door deze handelwijze.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben geconcludeerd dat de rechtbank[eiser sub 1] en de Vereniging niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, dan wel deze vorderingen af zal wijzen, met veroordeling van[eiser sub 1] en de Vereniging in de kosten van het geding, waaronder tevens de kosten van juridische bijstand en de nakosten, zulks uitvoerbaar bij voorraad.

4.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de volgende weren gevoerd

De ontsluiting van het perceel 300 wordt geregeld door de erfdienstbaarheid, hiervoor aangeduid onder r.o. 2.5. als nummer 82. Die erfdienstbaarheid is alleen gevestigd ten behoeve van de eigenaren van de in de akte van vestiging vermelde heersende erven en niet ten behoeve van de Vereniging. Dat geldt ook voor de erfdienstbaarheid die is gevestigd als nummer 81. De bedoeling van partijen bij het vestigen van de akte is duidelijk, namelijk het kunnen bereiken van de percelen grond door de eigenaren daarvan. Ten behoeve van de leden van de Vereniging is niets vastgelegd in de akte.

Regelink handelt niet alleen in strijd met de bedoeling van het recht van erfdienstbaarheid, maar maakt ook misbruik van dat recht door dat voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor zij bedoeld is. Hij gebruikt het recht om de leden van de Vereniging de toegang tot een illegaal crossterrein te verschaffen. De leden van de Vereniging gebruiken de erfdienstbaarheden niet om van en naar de percelen van[eiser sub 1] te komen, maar om van en naar de openbare weg te komen.

Omdat de leden van de Vereniging geen beroep kunnen doen op het recht van uitweg is hen een gebruiksrecht toegekend dat jaarlijks werd verlengd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben voldoende zwaarwegende gronden om dat gebruiksrecht op te zeggen en hebben een redelijke opzegtermijn in acht genomen.[eiser sub 1]

kan ongestoord gebruik maken van het pad. De slagboom kan eenvoudig opzij geschoven worden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] maken geen misbruik van hun eigendomsrecht. Zij zijn niet schadeplichtig jegens[eiser sub 1] en de Vereniging.

In voorwaardelijke reconventie

5 De vordering

5.1.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vorderen dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de Vereniging en haar leden en derden op uitnodiging van of met medeweten van de Vereniging niet gerechtigd zijn op enige rechtsgrond het pad, zowel het verharde als het onverharde gedeelte, gelegen op het perceel kadastraal bekend Vorden, sectie N, nummer 284, 285 en 299 te betreden en te gebruiken als toegangsweg tot het crossterrein en hen de toegang zal ontzeggen, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per keer dat in strijd met dit verbod zal worden gehandeld door de Vereniging, haar leden of derden.

5.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd hetgeen zij in conventie hebben aangevoerd.

6 De beoordeling

in conventie

6.1.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de gewijzigde eis, zodat daarop recht gedaan zal worden.

6.2.

Alvorens de gewijzigde vorderingen in conventie met betrekking tot de daarin genoemde percelen te bespreken merkt de rechtbank het volgende op.

Uit het door[eiser sub 1] en de Vereniging als productie 8 in het geding gebrachte “Resultaat van onderzoek naar erfdienstbaarheden” van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers van 20 augustus 2012 blijkt dat perceel 299 (voor de omnummering deel uitmakend van perceel 62013) wel als heersend erf is aangewezen in nr. 82 van de akte van 1973, maar niet als dienend erf. Dat brengt met zich dat[eiser sub 1] noch de (leden van de) Vereniging op grond van een recht van erfdienstbaarheid van dit perceel gebruik mogen maken.

De gewijzigde vorderingen van[eiser sub 1] en de Vereniging zien niet op enig gebruiksrecht of zakelijk recht van[eiser sub 1] en/of de Vereniging op het over perceel 299 lopende pad. Voor zover hierna gesproken wordt over het onverharde pad wordt (tenzij anders vermeld) alleen bedoeld het onverharde pad voor zover dat loopt over perceel 284.

6.3.

Door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is op 15 januari 2013 uitspraak gedaan in de door[eiser sub 1] en de Vereniging aanhangig gemaakte appelprocedure over het gebruik van het onverharde pad.

In dat arrest van 15 januari 2013 heeft het hof geoordeeld, voor zover hier van belang:

“De Graafschaprijders betogen, samengevat, dat het recht van erfdienstbaarheid van[eiser sub 1] impliceert dat ook hun een beroep daarop toekomt en dat zij dat aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] kunnen tegenwerpen. Het hof overweegt dat niet zonder meer kan worden gezegd, zoals [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betogen, dat alleen[eiser sub 1] als eigenaar van het perceel ten gunste waarvan de erfdienstbaarheid is gevestigd, daarvan gebruik zou kunnen maken. De erfdienstbaarheid is gevestigd op het perceel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ten behoeve van (het perceel van)[eiser sub 1], teneinde diens achter het perceel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gelegen grond te bereiken. Ook degenen die de achtergelegen grond en dus ook het daar naartoe leidende pad gebruiken (familieleden van[eiser sub 1], maar ook huurders, pachters of leveranciers) kunnen belang hebben bij een onbelemmerde doorgang. Of en in hoeverre De Graafschaprijders rechten kunnen ontlenen aan de ten gunste van het perceel van[eiser sub 1] gevestigde erfdienstbaarheid is een kwestie van uitleg en hangt, mede gezien de bepaling “op de bestaande wijze”, samen met de inhoud daarvan en de wijze van uitoefening door de jaren heen.[eiser sub 1] en De Graafschaprijders stellen in dat verband dat ten tijde van het vestigen van de erfdienstbaarheid, 1973, niet alleen[eiser sub 1] maar ook de (leden van) De Graafschaprijders onbelemmerd gebruik maakten van het pad, waartegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot 29 maart 2011 nooit bezwaar hebben gemaakt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bestrijden de stelling van[eiser sub 1] en De Graafschaprijders dat ook De Graafschaprijders in 1973 al gebruik maakten van het recht op overpad, laat staan op de wijze waarop zij dit thans doen. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] maakten (de leden van) De Graafschaprijders gebruik van diverse toegangswegen tot het crossterrein en dat veel minder intensief dan thans. Dit punt kan niet zonder nader onderzoek en/of bewijslevering beoordeeld worden. Daarvoor is echter in deze procedure, gezien de aard ervan, geen plaats.”

6.4.

Ten aanzien van het op de percelen 284 en 409 gevestigde recht van erfdienstbaarheid waar[eiser sub 1] en de Vereniging een beroep op doen geldt het volgende.

Het eerste lid van artikel 5:73 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Is een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze uitgeoefend, dan is in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend.

6.5.

Vast staat dat de leden van de Vereniging te goeder trouw geruime tijd zonder protest gebruik hebben gemaakt van het pad om te komen van en te gaan naar het crossterrein op perceel 300. Het feit dat het gebruik door de Vereniging niet staat vermeld in de akte waarmee in 1973 de erfdienstbaarheden zijn gevestigd, betekent niet dat dat gebruik niet werd beoogd. Het recht van erfdienstbaarheid is immers een recht dat is verbonden aan het perceel en niet aan een persoon of groep personen. Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dit ook onderkennen blijkt wel uit hun opmerking dat het onmogelijk is een erfdienstbaarheid te verlenen aan een (rechts)persoon.

Gelet ook op de in 6.3 weergegeven overweging van het hof faalt het betoog van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat uitsluitend de eigenaren van de betreffende percelen gebruik mogen maken van de erfdienstbaarheid.

6.6.

Bij de beantwoording van de vraag of met de bepaling “op de bestaande wijze” ook het gebruik door de leden van de Vereniging bedoeld werd, moet vooropgesteld worden dat de akte verleden is in het kader van de ruilverkaveling in het betreffende gebied. Dat brengt met zich dat bij de uitleg van de bepalingen van de akte niet uitgegaan kan worden van de subjectieve partijbedoeling van de toenmalige eigenaren van de percelen maar dat relevant is hetgeen in de notariële akte is opgenomen, uit te leggen naar objectieve maatstaven. Nagegaan moet dus worden wat naar objectieve maatstaven bedoeld is met de aanduiding ”op de bestaande wijze”.

Daarbij is het aan[eiser sub 1] en de Vereniging om te stellen, en bij voldoende betwisting te bewijzen, dat met dat bestaande gebruik ook bedoeld werd het gebruik van het leden van de Verenging om te komen van en te gaan naar het crossterrein.[eiser sub 1] en de Vereniging hebben die stelling ingenomen en onderbouwd.

6.7.

Bij de uitleg van de notariële akte van 1973 is allereerst van belang dat ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheden het terrein al geruime tijd in gebruik was als crossterrein.

De Vereniging is opgericht in 1950 en onweersproken is dat zij al sinds begin jaren zestig van de vorige eeuw gebruik maakt van de crossbaan op perceel 300. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben onder nummer 22 van hun conclusie van antwoord erkend dat het pad ten tijde van de ruilverkaveling al gebruikt werd door de leden van de Vereniging om naar de crossbaan op perceel 300 te gaan. Ter comparitie hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verklaard dat het bij de ruilverkaveling in 1973 niet nodig was om een erfdienstbaarheid ten behoeve van de Vereniging te vestigen omdat van meerdere toegangswegen gebruik werd gemaakt om te komen van en te gaan naar het crosscircuit. Daarmee erkennen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat ook dit pad werd gebruikt door de leden van de Vereniging om naar de crossbaan te gaan, zodat daarvan wordt uitgegaan.

Gelet op het feit dat al sinds het begin van de jaren zestig gebruik werd gemaakt van de crossbaan op het aan[eiser sub 1] toebehorende perceel 300 en op het feit dat dat perceel toegankelijk was via een pad dat grotendeels over aan[eiser sub 1] toebehorende grond liep, hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onvoldoende weersproken dat ten tijde van de ruilverkaveling al gebruik werd gemaakt van de toegang naar het crossterrein via de percelen 284 en 409 naar perceel 300.

6.8.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben betwist dat ten tijde van het verlijden van de akte in 1973 het pad gebruikt werd zoals het nu wordt gebruikt. Het handjevol motorcrossers dat op het perceel crosste had diverse toegangswegen. Ze kwamen via het oude fietspad dat liep vanaf het clubhuis “’t Zwaantje”. Ook was er een doorgang via de [adres] en een zuidelijke toegang over de grond van [x], aldus [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

Ter terechtzitting is de juistheid van deze stelling getoetst aan de hand van een door[eiser sub 1] en de Vereniging ter terechtzitting getoonde, maar niet in het geding gebrachte luchtfoto van het betreffende gebied. Uit de wel in het geding gebrachte foto en ook uit de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als productie 7 in het geding gebrachte kaart blijkt dat als gevolg van de herverkaveling nagenoeg alle door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemde alternatieve wegen geen (directe) toegang meer bieden tot het crossterrein. Omdat door de ruilverkaveling perceel 300 alleen nog toegankelijk werd via het pad en via het perceel van [x], moet geconcludeerd worden dat bij de vestiging van de betreffende erfdienstbaarheden met “de bestaande wijze” ook bedoeld is het gebruik van het pad als toegangsweg naar het crossterrein op perceel 300. Hieruit volgt dat ook de (leden van de) Vereniging op grond van de op het pad rustende erfdienstbaarheden gerechtigd zijn gebruik te maken van het pad voor zover dat loopt over de percelen 248 en 409.

De stelling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat[eiser sub 1] misbruik van recht maakt door de leden van de Vereniging toe te staan gebruik te maken van het recht van erfdienstbaarheid om te komen van en te gaan naar het crossterrein strandt op dit oordeel.

6.9.

Aan de stellingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat de Vereniging een zogenaamd afgeleid recht van erfdienstbaarheid vordert en de vestiging van een afzonderlijk persoonlijk recht probeert af te leiden uit het zakelijk recht dat aan het perceel van[eiser sub 1] is toegekend, wordt voorbijgegaan, nu voor deze stellingen geen steun is te vinden in de dagvaarding en in hetgeen door[eiser sub 1] en de Vereniging overigens is aangevoerd.

6.10.

Artikel 5: 74 BW bepaalt dat de uitoefening der erfdienstbaarheden op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze moet geschieden.

Dat brengt met zich dat de eigenaar van het dienende erf niet meer overlast mag worden aangedaan dan redelijkerwijs voor de behoorlijke uitoefening van het recht noodzakelijk is. Waar het recht van erfdienstbaarheid ziet op het gebruik van het pad door de leden van de Vereniging om naar en van het crossterrein te komen en te gaan met de thans ter beschikking staande middelen (auto’s) kan niet gezegd worden dat dat enkele gebruik van het pad niet op de minst bezwarende wijze plaatsvindt. Wel legt deze bepaling aan de gebruikers de verplichting op om geen overlast bij het gebruik van het pad te veroorzaken.

6.11.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben betoogd dat de leden van de Vereniging (uitsluitend) op grond van een jaarlijks toegekend persoonlijk gebruiksrecht van het pad gebruik maakte. Zij hebben als onderbouwing voor deze stelling aangevoerd dat vertegenwoordigers van de Vereniging jaarlijks met (de grootouders van) [gedaagde sub 1] afspraken maakten over het gebruik van het pad en het crossterrein, waarbij de Vereniging jaarlijks aanvankelijk een vleespakket en later een fles wijn aan (de grootouders van) [gedaagde sub 1] schonk.

Het enkele feit echter dat de Vereniging jaarlijks aan (de grootouders van) [gedaagde sub 1] een vleespakket en later een fles wijn schonk, maakt niet dat daarmee geen sprake meer zou zijn van een recht van erfdienstbaarheid.

6.12.

Ten aanzien van het verharde deel van het pad dat in mede-eigendom aan[eiser sub 1], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toebehoort hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] nog aangevoerd dat de rechtsverhouding tussen mede-eigenaren wordt beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en dat iedere deelgenoot gerechtigd is tot het gebruik van het gemeenschappelijk goed, mits dat gebruik te verenigen is met het recht van de andere deelgenoten.[eiser sub 1] dient bij het gebruik dat hij van het pad maakt, rekening te houden met de belangen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Daarmee valt het gebruik door de leden van de Vereniging tegen de uitdrukkelijke wens van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in niet te verenigen, aldus [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

Aan het beroep op de mede-eigendom van het verharde pad wordt voorbijgegaan, nu de leden van de Vereniging aan het recht van erfdienstbaarheid het recht ontlenen van het pad gebruik te maken. Daar komt bij dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onvoldoende hebben gesteld om te kunnen concluderen dat hun gebruik van het pad wordt belemmerd door het gebruik dat de leden van de Vereniging daarvan maken.

6.13.

Dit alles leidt tot toewijzing van het in conventie gevorderde onder I als na te noemen.

6.14.

Het gevorderde onder II ziet op het verharde pad. Het oordeel van de rechtbank daarover luidt gezien het vorenstaande gelijk, zodat deze vordering voor toewijzing gereed ligt, behoudens het navolgende.

Ter terechtzitting is onweersproken verklaard dat de percelen 282 en 285 in eigendom aan[eiser sub 1] toebehoren. Gesteld noch gebleken is dat het pad ook over deze percelen loopt, zodat geoordeeld moet worden dat[eiser sub 1] en de Vereniging geen belang hebben bij hun vordering met betrekking tot deze percelen. Dat de percelen 286 en 408 in eigendom toebehoren aan[eiser sub 1] en/of de Vereniging dan wel dat[eiser sub 1] en de Vereniging belang hebben bij de gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot deze percelen is niet gesteld en ook niet gebleken. De vordering onder II zal daarom slechts voor zover het de percelen 284 en 409 betreft als na te noemen worden toegewezen.

6.15.

Het oordeel dat (de leden van) de Vereniging op grond van het recht van erfdienstbaarheid gebruik mogen maken van het verharde en het onverharde pad, voor zover gelegen op de percelen 284 en 409, brengt met zich dat de vordering onder III niet meer besproken behoeft te worden, nu deze vordering subsidiair is ingesteld.

6.16.

De vorderingen onder IV en V strekken er onder meer toe te bepalen dat het aanbrengen van een slagboom voor het onverharde pad niet is toegestaan en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen de door hen geplaatste slagboom te verwijderen en verwijderd te houden.

Het bestaan van een erfdienstbaarheid van weg is echter geen beletsel om van het recht van afsluiting gebruik te maken. De eigenaar van het dienende erf die gebruikmaakt van zijn afsluitingsbevoegdheid, dient er dan wel voor te zorgen dat de rechthebbenden op het recht van uitweg onbelemmerde toegang tot het dienende erf behouden. In de regel betekent dit dat de rechthebbenden op elk moment en zonder afhankelijk te zijn van medewerking van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toegang tot het dienend erf hebben.

Onweersproken is dat de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geplaatste slagboom eenvoudig te openen is. Op de door partijen in het geding gebrachte foto’s van de situatie blijkt dat de slagboom bestaat uit een ijzeren buis die aan weerszijden rust op paaltjes. De slagboom is niet voorzien van een slot of iets dergelijks en kan weggeschoven worden waarna men toegang tot het onverharde pad heeft. Medewerking van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] is daartoe niet nodig.

Dat brengt met zich dat voor zover de vorderingen onder IV en V betrekking hebben op de slagboom, zij niet voor toewijzing vatbaar zijn.

6.17.

Regelink en de Vereniging hebben gesteld dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] misbruik van recht maken door de leden van de Vereniging niet het onbelemmerd gebruik van het pad te verschaffen. Ter onderbouwing van deze stelling hebben[eiser sub 1] en de Vereniging aangevoerd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van hun eigendomsrecht en het belang van (de leden van) de Vereniging dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening hadden kunnen komen.

Dit betekent dat de belangen van partijen moeten worden afgewogen, hetgeen tot het volgende leidt.

Tegenover het belang van de Vereniging om gebruik te mogen maken van het pad om te komen en te gaan van en naar het crossterrein staat het belang dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben bij een ongestoord woongenot.

Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gelet op dat belang naar redelijkheid niet tot uitoefening van hun eigendomsrecht hadden kunnen komen, gelet op de onevenredigheid tussen het belang bij die uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, kan niet gezegd worden. Zoals hiervoor overwogen wordt het recht van erfdienstbaarheid van de Vereniging niet belemmerd door de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geplaatste slagboom, zodat het plaatsen van de slagboom geen misbruik van recht kan opleveren.

Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] louter om te voorkomen dat de crossbaan gelegaliseerd wordt aan de leden van de Vereniging het gebruik van het pad hebben ontzegd is niet (voldoende) gebleken. Uit de brief van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan de Vereniging van 29 maart 2011 blijkt dat het voornemen van de Vereniging om de crossbaan te legaliseren de aanleiding is geweest voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om de leden van de Vereniging de toegang tot en het gebruik van het pad te verbieden, maar dat zij met die actie hebben beoogd hun belang bij een ongestoord woongenot te behartigen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wonen op korte afstand van de crossbaan en evident is dat zij door het gebruik van die crossbaan last hebben van stof, stank en lawaai. De vordering onder IV zal daarom worden afgewezen.

6.18.

Nu voor recht verklaard zal worden dat[eiser sub 1] en de Vereniging op grond van het op de percelen 409 en 284 als dienend erf rustende recht van erfdienstbaarheid gebruik mogen maken van het pad zal de vordering onder V als hierna te noemen worden toegewezen. De dwangsom zal beperkt worden en aan een maximum gebonden worden. De hoogte van de dwangsom en van het maximum komen als een genoegzame prikkel tot nakoming voor.

6.19.

Afwijzing van de vordering onder IV brengt met zich dat ook de vordering onder VI niet kan worden toegewezen, aangezien[eiser sub 1] en de Vereniging aan de vordering onder VI ten grondslag hebben gelegd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld door misbruik te maken van hun eigendomsrecht.

6.20.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld worden in de kosten van deze procedure in conventie. Deze kosten worden aan de zijde van[eiser sub 1] en de Vereniging begroot op:

- dagvaarding €  104,92

- betaald griffierecht 575,--

- salaris advocaat 904,-- (2 punten× factor 1,0 × tarief € 452,--)

Totaal €  1.583,92

voorts in (voorwaardelijke) reconventie

6.21.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aangevoerd dat de Vereniging en haar leden geen recht hebben om zowel het verharde als het onverharde pad te gebruiken uit hoofde van enig recht van erfdienstbaarheid, een gebruiksovereenkomst, dan wel een afweging van belangen die een gedoogplicht van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zou mee brengen. Zij hebben gevorderd voor recht te verklaren dat de Vereniging en haar leden niet gerechtigd zijn het pad, voor zover gelegen op de percelen 284, 285 en 299 te betreden en te gebruiken als toegangsweg tot het crossterrein.

Het oordeel in conventie dat (de leden van) de Vereniging op grond van het recht van erfdienstbaarheid gebruik mogen/mag maken van het pad voor zover dat loopt over de percelen 409 en 284 brengt met zich dat deze vordering voor wat betreft perceel 284 niet voor toewijzing vatbaar is. De vordering zal ook voor wat betreft perceel 285 worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is welk belang [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarbij hebben.

Hetgeen hiervoor onder 6.2 is overwogen leidt tot toewijzing van de vordering voor zover die ziet op perceel 299. De dwangsom zal beperkt worden en aan een maximum gebonden worden. De hoogte van de dwangsom en van het maximum komen als een genoegzame prikkel tot nakoming voor.

6.22.

Omdat de Vereniging in reconventie in het ongelijk wordt gesteld, zal zij veroordeeld worden in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op (2 punten x factor 0,5 x tarief € 452,-- = € 452,--.

7 De beslissing

De rechtbank

in conventie

7.1.

verklaart voor recht zal verklaren dat[eiser sub 1] en de Vereniging op grond van het recht van erfdienstbaarheid, dat ten behoeve van het perceel gelegen aan de[adres] (ong.) kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummer 300 en ten laste van het perceel gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummer 284, is gevestigd bij akte van 2 april 1973, gebruik mogen maken van het onverharde pad in eigendom toebehorende aan [gedaagde sub 1], voor zover dit pad is gelegen op de [adres], kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummer 284;

7.2.

verklaart voor recht dat[eiser sub 1] en de Vereniging op grond van het recht van erfdienstbaarheid dat ten behoeve van en ten laste van de percelen kadastraal bekend als gemeente Vorden, sectie N, nummer 284 en 409, is gevestigd bij akte van 2 april 1973, gebruik mogen maken van het verharde pad, in mede-eigendom toebehorende aan [gedaagde sub 1], welk pad is gelegen op de[adres], kadastraal bekend gemeente Vorden sectie N, nummers 284 en 409;

7.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de toegang tot, en het gebruik van het pad, zowel het verharde als onverharde deel, voor zover dat pad is gelegen op de[adres], kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummers 284 en 409, om te komen en te gaan naar de crossbaan, gelegen aan de[adres] (ong.), kadastraal bekend gemeente Vorden, sectie N, nummer 300, onbelemmerd te verschaffen aan[eiser sub 1] en de Vereniging,

7.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling van een dwangsom van € 50,-- voor iedere keer dat in strijd met de veroordeling onder 7.3. wordt gehandeld, zulks tot een maximum van € 10.000,--;

7.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de kosten van de procedure ad € 1.583,92, te vermeerderen met de nakosten van € 131,--, dan wel van € 199,--, indien betekening van het vonnis plaatsvindt;

7.6.

bepaalt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn met ingang van 14 dagen na het wijzen van dit vonnis;

7.7.

verklaart de veroordelingen onder 7.3, 7.4, 7.5. en 7.6 uitvoerbaar bij voorraad;

7.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie

7.9.

verklaart voor recht dat de Vereniging en haar leden en derden op uitnodiging van of met medeweten van de Vereniging niet gerechtigd zijn op enige rechtsgrond het pad, voor zover gelegen op het perceel kadastraal bekend Vorden, sectie N, nummer 299 te betreden en te gebruiken als toegangsweg tot het crossterrein;

7.10.

ontzegt de Vereniging en haar leden en derden op uitnodiging van of met medeweten van de Vereniging de toegang tot het onverharde pad voor zover gelegen op het perceel kadastraal bekend Vorden, sectie N, nummer 299;

7.11.

veroordeelt de Vereniging tot betaling van een dwangsom van € 50,-- voor iedere keer dat in strijd met de ontzegging onder 7.10 wordt gehandeld, zulks tot een maximum van € 10.000,--;

7.12.

veroordeelt de Vereniging in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gevallen en begroot op € 452,--;

7.13.

verklaart de veroordelingen onder 7.10, 7.11 en 7.12 uitvoerbaar bij voorraad;

7.14.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk, mr. P.F.A. Bierbooms en mr. T.I. Spoor en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2013.